Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Juanito

“Bereid je voor op een verhaal dat de meeste toehoorders verdrietig vinden,” zei Socrates. “Daarom vertel ik het zelden. Het is ook niet van mij. Ik heb alleen het laatste stukje meegemaakt. Alberon is degene die het hele verhaal kent en ik vertel het zoals hij het aan mij heeft verteld.

Het is een triest verhaal, maar jullie zijn wolven en weten, net als wij beren, dat de wereld bestaat uit eters en gegetenen. Niemand staat stil bij de vraag wat wij voelen als wij eten. Het medeleven gaat altijd naar de zijde van de zwaksten, de gegetenen. Dat arme konijntje, dat prachtige reetje. Wij, de eters, worden afgeschilderd als bloed beluste monsters. Maar jullie weten dat als er een categorie is die zich bewust is van de betekenis van het leven, wij dat zijn. Juist als je leven moet nemen om zelf te kunnen leven, krijgt leven betekenis en betekenis is de basis voor respect. Niemand weet beter dan de boer - vergeef me dit uitstapje naar het rijk van de mensen - hoeveel moeite hij heeft moeten doen om de korenaar op te kweken die een ander gedachteloos weg kauwt. Hij ziet tussen de malende kaken de inspanning die het hem kostte zijn land te ploegen, het zaad te zaaien, de zorgen over het weer, de angst zijn koren te vroeg of juist te laat van het land te halen, de tocht naar de molen en de vraag of de korenprijs redelijk zal zijn, in dat onverzadigbare menselijk keelgat verdwijnen. Hij zou die korenaar er het liefst willen uitrukken. Dat grasachtige halmpje is hem dierbaar geworden.

Die anderen, de gegetenen, zijn alleen maar bezig met de dood en met de vraag wanneer die komt. Het leven is voor hen een last, een noodzaak, iets dat aan hen kleeft zonder dat ze daar om hebben gevraagd. Iets dat hen als het vehikel van zijn eigen instandhouding gebruikt. Het leven is een waanzinnige ruiter die zijn paard alsmaar voortjaagt. En als het bezwijkt, springt zijn ruiter op een ander paard om zijn dollemansrit voort te zetten. Langs zijn weg liggen de kadavers van paarden, maar nooit dat van de ruiter. Als er wreedheid is aan ons eten, dan is het de wreedheid van het leven, niet van de eters. Het is de wreedheid van iets dat doet alsof het van jou is, maar net zo makkelijk met een ander meegaat en jou aan je lot en je gehechtheid aan dat trouweloze leven overlaat. Het leven is een berin die je de illusie van vaderschap geeft maar na de paring weer verder trekt omdat ze haar jong toch liever alleen grootbrengt.” Socrates aarzelde even voordat hij verderging: “Waarmee ik niet wil zeggen dat berinnen niet alleszins de moeite waard zijn en een vrijpartij niet een van die weinige zinnelijke hoogtepunten in een berenbestaan is, naast het rustig overdenken van de zin van het leven en het opeten van een fijn konijntje, natuurlijk.”
Hij lachte en ging toen verder: “In het verhaal van Juanito is zijn lotsbestemming onontkoombaar. Er was voor hem geen andere keuze. De dood hing om hem heen, onzichtbaar voor hemzelf en voor iedereen die hem zag, maar onmiskenbaar. Uiteindelijk verlangt hij er zelf naar zijn vaste metgezel en kwelduivel in het grijnzende gelaat te zien. Hij is het pad kwijt, net als dat konijn dat juichend de muil van de wolf ontwijkt en in die van de beer loopt en tussen diens kaken nog net even “lekker puh” tegen de wolf roept. Of misschien heeft iemand als Juanito wel nooit een pad gehad.”

Juanito was klein. Zijn geringe gestalte werd gesierd door een hoofd met lang gitzwart haar dat zijn zigeunerbloed verried en dat aan de achterzijde in een staartje bijeen werd gehouden. Aan de voorzijde brandden twee donkere ogen aan weerszijden van een scherpe neus. Zijn ogen gaven hem een sprekende en enigszins omfloerste blik die hij graag tentoonspreidde als hij een paar akkoorden op zijn gitaar aansloeg. Hij deed dat vaak want Juanito was gitarist. Als hij speelde ging zijn gezichtsuitdrukking zijn melodieën met zo'n grote intensiteit en op zo'n overtuigende wijze voor dat zijn gehoor de klanken niet eens meer hoefde aanhoren om diep getroffen te zijn. Juanito haalde de muziek met heel zijn kleine lichaam uit zijn instrument en kon daar, als de toonsoort mineur was wat vaak gebeurde, zo in en in triest bij kijken dat het gemoed van de gehardste toehoorder smolt. Hij keek ver weg en smartelijk alsof zich ergens aan de horizon, de hemel of waar hij zijn geloken ogen op had gericht een onbevattelijk noodlot had voltrokken. Iedereen die hem zag en hoorde leed met hem mee en daarom had niemand door dat hij eigenlijk helemaal niet zo goed speelde. Niemand, op een paar mensen na. Een daarvan was de zangeres Maria met wie hij optrad in taveernes, op boerenkermissen en tijdens huwelijksfeesten - eigenlijk overal waar voldoende bereidheid was om voor hun optreden wat munten in Juanito's omgekeerde pet te gooien - en die, omdat ze min of meer tot elkaar waren veroordeeld, met elkaar optrokken en zij hem dus toch al de hele dag om zich heen had, zijn minnares was geworden. Ze reisden samen door het land in een aanhoudende zoektocht naar plaatsen waar hun diensten even op prijs werden gesteld.

Zoals Juanito een matig gitaarspeler was, was Maria geen geweldige zangeres. Als je stem niet de volheid heeft van een kathedraal, niet de gloed van de zinderende zon op een korenveld of de bruisende doorleefdheid van een havenstad in zich draagt, moet je, zo dacht Maria, je repertoire buiten je stem uitbreiden en dus was ze gaan dansen. Ook door haar aderen vloeide een flinke portie Roma-bloed en waren zigeuners niet geboren dansers? Maar net zomin als Juanito was ze lang en slank wat voorwaarden zijn om een goede danseres te worden. Niettemin wervelde ze als Juanito's spel dat verlangde, klakte met haar hakken en liet haar castagnetten kletteren als hij een flamenco speelde of omlijstte met gedragen bewegingen de treurigheid van Juanito's favoriete noodlotsklanken die zo goed bij zijn gezicht pasten.

Een ander die wist dat zijn gitaarspel nooit toereikend zou zijn om hun bestaan veilig te stellen, was Juanito zelf en de derde was de violist Gedore die Juanito en Maria had gezien en aangehoord. Toen ze na een voorstelling bij elkaar zaten vertelde Gedore over landen waar beren zo muzikaal waren dat ze op de muziek van zijn viool hadden gedanst. Dat was het, dacht Juanito die dagelijks bezig was met de vraag waar ze de volgende dag moesten optreden. Dansende beren zouden in zijn land een ongekende en dus veelgevraagde attractie zijn. Er gloorde een toekomst voor Maria en hem. Hij vroeg Gedore of beren ook op zijn gitaarmuziek zouden dansen, maar Gedore schudde zijn hoofd. Misschien wel op gitaarmuziek, maar dan niet op de zijne. Een viool produceert een aangehouden klank die in zijn meeslependheid de beren als vanzelf meevoert, maar de snaren van een gitaar moeten steeds opnieuw worden aangeslagen. In de omgang met beren moest je heel rustig zijn en daarbij paste het snelle bewegingsritme van een gitarist niet, om te zwijgen van de felle tikken op de klankkast die Juanito nog al eens in zijn muziek had verwerkt.

Wilde Gedore Juanito leren vioolspelen? Dat wilde hij wel, waarschijnlijk doordat dat Gedore de gelegenheid bood wat meer in de buurt van Maria te zijn. Ze trokken dus gedrieën rond in het karretje van Juanito dat door een Andalusisch schimmeltje werd getrokken. Door de komst van Gedore was hun programma uitgebreid en vonden ze makkelijker onthaal op plaatsen waar muziek, zang en dans gevraagd waren. 's Avonds wervelde Maria op de muziek van Juanito en Gedore en overdag gaf Gedore vioolles. Juanito, die misschien geen goede gitarist maar wel muzikaal was, begon de kneepjes aardig te leren. De dramatische uitdrukking van zijn gezicht werkte zo mogelijk nog sterker als hij zijn viool aanstreek die hij onder zijn kin had geklemd, dichter bij de oorsprong van de expressie dan wanneer hij op zijn gitaar tokkelde. Hun gestegen inkomsten stelden hem in staat een eigen viool te kopen en 's avonds, als Juanito en Maria in hun kar tegen elkaar waren aangekropen, fluisterde hij haar in het oor dat het niet lang mee zou duren of ze zouden op zoek kunnen gaan naar een beer.

Maar op de morgen na een avond waarop Juanito en Gedore beiden viool hadden gespeeld en Maria tot tweemaal toen Juanito's lievelingslied Nacht in de Bergen - dat hij zelf had gecomponeerd en waarvoor hij de tekst had geschreven - had moeten zingen, vond hij geen Maria en Gedore maar wel een briefje waarin zij hem succes wensten met zijn speurtocht naar zijn beer. Juanito staarde enige tijd voor zich uit, besloot dat als je zo klein was als hij je misschien ook niet meer van het leven en van vrouwen mocht verwachten, spande het Andalusische schimmeltje dat zijn trouweloze vrienden gelukkig hadden laten staan voor de kar en ging naar het noorden waar de beren woonden.

Hij kwam in de buurt van het Paktargebergte. 's Avonds probeerde hij in de herbergen die hij passeerde met muziek wat geld te verdienen. Zo ontmoette hij de kastelein Ferenc die geen geld voor hem had maar wel een glas rode wijn.
- “Waar kan ik hier beren vinden?,” vroeg Juanito toen hij hoorde dat Ferenc uit de streek kwam. Hij had overdag de eindeloze bossen gezien, heel anders dan in het land waar hij zelf vandaan kwam, en nam aan dat zoveel geheimzinnigheid het mysterie moest verhullen waarnaar hij op zoek was.
- “Heb je wel eens een beer gezien?,” vroeg Ferenc.
Juanito had er wel eens een op een plaatje gezien.
- “Ze zijn groot, ontzettend sterk en onbetrouwbaar,” zei Ferenc.
Zo lang ze dansten, leken dat Juanito geen grote bezwaren.
- “Hoe kan ik ze leren dansen?,” vroeg Juanito.
Ferenc wist dat niet. Hij had ze wel zien dansen, wiegend op de maat van de muziek. Maar als hij beren wilde vinden, was hij hier goed. Diep in de bossen, ver bij de mensen vandaan en tegen de hellingen van de heuvels waar de grotten zijn, daar zou hij ze kunnen vinden. Juanito bedankte hem.

Hij trok verder. De hoge bergen met hun besneeuwde toppen zagen het karretje en het schimmeltje en de voerman op de bok door hun valleien trekken. Er was altijd wel een herbergier te vinden die een glas wijn, een eenvoudig maal en soms een bed overhad voor een rondtrekkende liedjeszanger die de rokken van struise boerinnen liet ruisen. Op een avond zong hij zijn Nacht in de Bergen terwijl hij zich op zijn gitaar begeleidde. Toen hij aan het refrein begon

... Wil je met mij meegaan naar de bergen
waar de witte toppen zijn?
Drink daar met mij de zoete wijn,
de zoete wijn van bergenhoge liefde.
Maria, Maria ...

zongen de aanwezigen het tot zijn verbazing mee. Het leek wel een koorzang. Hij moest het nog een keer herhalen en telkens zongen ze mee. “Maria, Maria.” Na afloop vertelde een toehoorder hem dat hij kort tevoren hetzelfde lied had gehoord, gezongen door een vrouw die op een viool werd begeleid. Ze had het vele malen moeten zingen en daardoor kende iedereen het.
- “Hoe zag de vrouw eruit?,” vroeg Juanito schor.
De man beschreef Maria, haar donkere krullende haar en het lichaam dat Juanito zo vaak warmte had geboden.
- “Ja maar, hoe was de uitdrukking op haar gezicht?”, wilde Juanito weten.
- “Ze keek ver weg en smartelijk.”
Had ze alleen zijn gelaatsuitdrukking overgenomen of was haar gevoel oprecht smartelijk en ver weg geweest, wellicht bij hem? Door een cynisch toeval waren ze hier dan wel niet met elkaar maar toch samen in de bergen. De witte toppen waren vanuit het dal te zien. Een vreemd gevoel van vervulling ging door Juanito heen. Hij werd zich, zo dicht bij haar, bewust van zijn eenzaamheid.

De volgende dag trok hij verder. Toen hij een zijpad vond dat naar de heuvels leidde, ging hij dat in. “Kom maar, Maria, ik voel dat we hier vlakbij ons geluk zijn,” zei hij hardop. De bomen langs het pad wiegden en knikten instemmend. Juanito reed kilometers verder. De weg versmalde en werd steeds onbegaanbaarder. “Ik voel gewoon dat ze er zijn,” zei hij. Het paard stopte omdat het niet meer verder kon en hij stapte van de kar. “Blijf maar zitten. Ik leid wel.” Hij moest nog wat verder van de weg af om bij de beren te komen. Hij nam het paardje bij het bit. Het trouwe dier was onrustig maar zette toch aan toen zijn meester dat van hem vroeg en trok het karretje door het struikgewas. Inderdaad opende zich een veld aan de voet van een steil oprijzende heuvel. Deze plek beviel Juanito. Ook zonder de beren te kennen kon hij zich voorstellen dat ze hier graag zouden zijn, luierend in de zon die op het grasveld scheen. Vlakbij ruiste een beek. Er waren struiken en kleine bomen. Een klein paradijselijk rustpunt vlak voor het crescendo van de helling op de achtergrond. Hij spande het schimmeltje uit dat begon te grazen en pakte zijn viool. Hij klemde hem onder zijn kin, nam de strijkstok in zijn rechterhand en begon te spelen. De klanken vloeiden als een zoele lentegeur uit de viool. Mooier dan ooit speelde hij in dit paradijs voor Maria die in de kar naar hem luisterde. Zijn klanken deden Gedore vergeten. “Je hoeft niet te dansen, Maria, luister maar, geniet maar. Hoor de muziek die ik speelde toen je er niet was, toen je alleen op weg ging naar de bergen om de beer te vinden die voor ons zou dansen en ons samen gelukkig maken. Hoor de melodie van het verlangen naar jou.” Hij had zijn ogen gesloten en zijn lichaam boog op en neer alsof hij de muziek uit de warmte van de aarde opdiepte. Hij speelde zigeunermelodieën. “Hoor de klanken van ons volk, Maria.”

Zijn harstochtelijke spel streek langs de berghelling en bereikte de ronde oren van de drie beren die daar lagen. Een voor een stonden ze op en daalden in hun wat slome wiegende gang af naar het veldje van Juanito dat inderdaad een van hun geliefkoosde ligplaatsen was. Ze staken de ruisende beek over, liepen tussen de bomen en struiken door en bekeken de eenzame violist, die speelde en tegen een kar praatte. Het schimmeltje hinnikte en ging er vandoor. Ze gingen tegenover hem zitten, alleen Sion bleef staan. Juanito zag ze komen, keek ze aan en lachte. Er was geen spoor van angst op zijn gezicht, al waren de beren veel groter dan hij. “Daar zijn ze, Maria,” riep hij tegen de kar die vlakbij hem in het gras stond. “Ze vinden het mooi. Het zijn muzikale beren.” Hij zette met zekere hand een nieuwe melodie in. Zijn viool, warm door de stralen van de voorjaarszon, zong voller en melodieuzer dan ooit. De dubbelgrepen die hem altijd zorgen baarden, lukten vlekkeloos. Toen begon Sion, die nog steeds tegenover hem stond, zachtjes mee te wiegen. “Hij danst,” riep Juanito uit, “Maria, zie je, hij danst. Dit is onze beer. Hij zal ons gelukkig maken.” Hij zette een nieuwe melodie in, nog meeslepender dan de vorige. De beer bleef dansen en Juanito lachte met de viool aan zijn kin, buigend en strijkend. Toen hij klaar was, legde hij de viool weg en pakte zijn vertrouwde gitaar. Hij kon immers niet zingen en vioolspelen tegelijk. “Voor jou, Maria, en voor de beren hier: Nacht in de Bergen.” Hij begon te tokkelen. De beren leken hun oren te spitsten. Toen begon hij te zingen.

Sion stopte met wiegen, maar Juanito die opging in zijn muziek en zijn ogen had gesloten, zag het niet. Zijn vingers gingen steeds sneller langs de snaren. Op deze dag lukte hem alles. Hij kwam bij de laatste coupletten die hij had geschreven nadat Maria van hem was weggegaan. Zijn hoofd was op de hemel gericht, zijn ogen waren nog altijd smartelijk gesloten om de volle dramatische expressie van het afscheid uit te drukken:

Je ogen staarden naar het oosten.
Een blauwe streep in de donkere nacht.
De beren verzuchtten hun trieste klacht
- hun klacht dat niets hun nog kon troosten.
Maria, Maria.

De opmaat naar het refrein speelde hij virtuozer dan ooit. In zijn geestdrift roffelden zijn vingers op de klankkast. Dit laatste refrein moest treffender dan alle vorige zijn:

Wil je met mij meegaan naar de bergen
waar de dansende beren zijn?
Drink daar met mij de zoete wijn,
de zoete wijn van bergenhoge liefde.
Maria, Maria ...

Bij de laatste “Maria” had Sion hem te pakken. Hij gaf Juanito met zijn voorpoot een geweldige slag. De arme kleine gitarist, wiens geloken ogen de wegstervende klanken uitgeleidden, vloog door de lucht en kwam op de grond terecht. Zijn ogen waren wijd open; zijn blik drukte ontgoocheling uit. Hij zag de lege, onthutsend Maria-loze kar. Hij zag de beren die niet dansten. Hij zag dat een van hen op hem afkwam.
- “Caramba, Maria, caramba.”
Het waren de laatste woorden van Juanito.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.

Meer verhalen:

Als een klant een boek bestelt maar niet ophaalt, toont de boek­handelaarster zich begaan met zijn lot. Het boek
Het openen van een kraantje is het doel van een inbraak. Maar als de eigenaresse het vervolgens weer opendraait, kan de gelegenheids­boef opnieuw aan de slag. Het kraantje
Een goede manier om een Chinees beter te leren kennen is een tijdje op hem blijven zitten. Zo leer je meer Chinees dan je lief is. De Chinees
Onstuimige liefdes lopen zelden goed af, zelfs als het hoofdmenu seks is. Een kleine aangrijpende tragedie. Zwart water spiegelt niet
Is wat je ziet waar of niet? Dat is het vraagstuk achter deze liefdes­geschiedenis. Hilde
Dating leidt wel eens tot misverstanden zoals de gedachte dat webcamseks kunst is. Mevrouw Mönch
Voor een violiste is de man achter de lessenaar een muzikale olympiër die een scala van heftige gevoelens oproept. Viola d'Amore
Het lukt de deurwaarder niet een openstaand bedrag op een woonboot te incasseren.


Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken