Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Hilde

Hij leunde tegen een pilaar en snakte naar adem. Zijn hart bonsde. Hij had te hard gerend en moest even tot zichzelf komen. Angst verdrijf je met angst, dacht hij. Of was het geen angst? Beklemming met beklemming dan. De duivel en Beëlzebub. Maar die spookbeelden was hij tenminste kwijt, voorlopig althans. Hij liet zich op de betegelde vloer zakken. De stenen waren aangenaam koel. Waar was hij in terechtgekomen? Een vreemde stad, een vreemde nacht. Een zuilengalerij aan de voorzijde van een of ander officieel gebouw. Achter hem daalden brede trappen af naar een verlaten plein. Was hij al die treden opgevlogen? De enige kleur tussen de grijsloze maanschaduwen kwam van een eenzaam verkeerslicht. Een stukje verderop scharrelde een hond tussen de pilaren. Hij snuffelde wat en piste er eens tegen. Waarschijnlijk had hij dat ook met zijn pilaar gedaan, maar dat kon hem niet schelen.

Langzaam hervond zijn ademhaling zijn oude ritme. Wat was er gebeurd? Hij was zijn hotelkamer uitgerend. De receptionisten hadden hem verbaasd nagekeken, net als de portier die hij bijna ondersteboven had gelopen. Hij moest rennen. Weg van de beelden die bezit van hem hadden genomen. Een lach die hem eerst had bekoord maar toen satanisch was geworden. Armen die zich uitstrekten, maar niet haar hem. Hij was schimmige junks en wenkende hoeren voorbij geschoten, straten en stegen door en deze eindeloze trappen op. Toen kon hij niet meer en had zich tegen deze pilaar laten vallen. Hij keek omhoog. Uit de gevel van het gebouw sprong de versteende welving van een vrouwentorso naar voren die zich tegen de nachthemel aftekende. Daar was ze weer, Hilde. Hij zag haar overal in terug. Hij begon gek te worden.

Een paar maanden eerder was hij haar tegengekomen. Op een avond belandde hij op straat in een ruzie tussen een man en een vrouw. De man sloeg haar en raakte daarbij Rogiers schouder. Het onlogische maar niet ongebruikelijke gevolg was dat de woede van de man zich op hem richtte. Rogier was echter veel groter en sterker en daarom verdween de ander snel in de duisternis. De vrouw leunde ruggelings tegen een gemetselde muur met haar handen nog steeds beschermend om haar hoofd. “Love” had iemand in druipende rode letters op de bakstenen boven haar hoofd geschilderd. De tranen van de verf leken zich te vermengen met de hare die over haar wangen liepen. “Dat was mijn vriend,” zei ze snikkend. Rogier bracht haar naar haar huis en bette haar gezicht voorzichtig met water. Toen ze wat was opgeknapt, vertrok hij weer.

In de dagen daarna had hij steeds aan haar moeten denken. Hoe ze daar tegen die muur hing met haar handen om haar hoofd. Hoe ze bijna wanhopig had gezegd dat het haar vriend was. Hoe onder haar tranen een leuk gezicht te voorschijn was gekomen. Daarom was hij blij toen ze hem belde om hem te bedanken en zich te verontschuldigen dat ze hem niet minstens een kop koffie had gegeven. “Dat kunnen we natuurlijk alsnog doen,” antwoordde hij. Ze spraken af in een café dat ze allebei kenden. Het was er druk. Hij stond aan de bar toen een heldere stem achter hem vroeg of hij nog een glas bier wilde. Hij draaide zich om. Zonder de rauwheid van een winderige straathoek, een gewelddadige vriend, tranen van ontreddering en “Love” als cynisch bovenschrift bleek ze een aantrekkelijke, stijlvolle jonge vrouw die hem glimlachend aankeek. Hij was een ogenblik sprakeloos. “Dat iemand jou ooit heeft willen slaan,” zei hij toen. Ze lachte en reikte hem zijn glas aan. “Dat heb je wel verdiend,” zei ze. Ze heette Hilde en schilderde.
- “Wat schilder je?,” vroeg hij.
- “Dingetjes,” zei ze, een beetje geheimzinnig.
- “Ik ben niet zo'n vechtjas,” zei hij even later.
Ze keek hem aan en begreep hem.
- “Ik ben geen trofee,” zei ze toen.
- “Laten we uitvinden wie we wel zijn.”
- “Goed,” zei ze eenvoudig.
Die avond liep hij opnieuw met haar mee en bleef bij haar slapen.

Bij de herinnering aan haar zachte lichaam gleed een meewarige glimlach over zijn gezicht. Hij ging verzitten. De aangename koelte van de tegels was kou geworden. De hond was naderbij gekomen. “Kom maar,” zei Rogier, maar het dier keek hem wantrouwend aan. Straathonden hebben niet zoveel goeds van mensen te verwachten, hoogstens van wat zij achterlaten of weggooien. Rogier verzonk weer in zijn gedachten.

De volgende morgen wilde hij niet weg en de dagen daarna ook niet. Hilde wekte hem met koffie, verse croissants en een openvallende badjas. "Het krieken van de dag onthult de gulste gaven van de natuur," zei hij nog half slapend terwijl hij zijn handen uitstrekte naar haar borsten. Hilde giechelde, zette het blad met zijn ontbijt weg en liet zich op hem vallen. Haar lichaam was een weelderige hof van genoegens die ze hem gretig schonk en die ze even gretig van hem nam. Zij vond het leuk dat hij bleef, al wist hij niet precies waarom. Hij was niet erg onder de indruk van de dingetjes die ze schilderde. Het waren kleine abstracte olieverfschilderijtjes. Ze had hem gevraagd of hij ze leuk vond en hij had zijn hoofd geschud en het risico genomen dat ze hem op straat zou zetten. In plaats daarvan had ze gelachen en gezegd dat ze ook niet leuk waren maar goed verkochten. Ze was makkelijk en dat was een karaktertrek waartoe hij zich aangetrokken voelde, net als tot haar temperament en tot haar eigenzinnigheid die haar zo'n mispunt als haar vorige vriend had opgeleverd. “Ik zocht iets puurs in hem, maar vond alleen afval,” zei ze. Hij had niets meer van zich laten horen. Rogier en zij gingen samen uit eten en naar de film, bezochten de schouwburg of een tentoonstelling, en zaten vooral veel bij elkaar. Als hij naar zijn eigen huis ging, belde ze hem nog voordat hij goed en wel was gearriveerd om te zeggen dat ze hem miste. Als ze later weer bij elkaar kwamen was hun verlangen naar elkaar zo groot dat een spoor van kledingstukken de weg wees naar de plaats waar ze hun kennismaking hadden hernieuwd.

Zo gingen ze al een tijd met elkaar om toen Rogier iets merkwaardigs ontdekte. Hij dacht aan Hilde en zag haar op de grond van haar woonkamer zitten. Hij pakte de telefoon en belde haar op. Ze vertelde dat ze haar pen zocht die was gevallen. Ze zat dus inderdaad op de grond. Puur toeval, dacht hij. Het kwam ook vaak voor dat zij elkaar op hetzelfde moment probeerden te bellen. Denken aan elkaar creëerde blijkbaar een soort golf, een zinderende sinus van gedachten en verlangens die werd opgewekt door de heftige intensiteit van hun gevoelens. Toch ging hij er op letten. Als hij zijn ogen dichtdeed en zich op een bijzondere manier op haar concentreerde, dook ze soms voor zijn geestesoog op. Ze stond achter haar schildersezel of deed boodschappen. Een keer zag hij haar op straat geanimeerd met een man praten. Meestal zag hij alleen haar min of meer scherp en bleef haar omgeving vaag.

Waren dit projecties van zijn eigen geest of was hier sprake van een spirituele uitwisseling? Hij ging langs een oude buurvrouw die zich met dergelijke vraagstukken bezighield. Haar huis rook naar wiet en wierook. In haar lange bloemetjesjurk zag ze er uit als een erg oud hippiemeisje. “Alles tussen mensen is spiritueel,” zei ze, “alleen zijn sommige dingen daarnaast ook reëel. Maar wat heeft het voor zin je dat af te vragen? Ze bestaan, dat is de hoofdzaak.” Daar kwam hij niet veel verder mee. Toen hij wegging, zei ze: “Je bent altijd een zoeker geweest. Zoek niet de waarheid maar zoek haar. Zoek haar in jezelf. Dat is de enige waarheid die telt.”

De hond had zijn twijfel enigszins overwonnen en was bij hem gekomen. Hij snuffelde nieuwsgierig aan zijn kleren. Het was een magere zwarte hond met goedmoedige hangoren en ogen waaruit de argwaan de aangeboren trouwhartigheid niet had kunnen verdrijven. Rogier krabbelde hem over zijn harige kop. “Jij bent ook een zoeker, hè?,” zei hij.

Bij het bedrijf waarvoor hij werkte maakte hij promotie. Voortaan moest hij vaak op reis naar het buitenland. Hij verbleef in hotels. 's Avonds zat hij alleen op zijn kamer. Het leven in de lounge beviel hem niet zo erg. Dan ging hij liever de straat op en zwierf wat door de stad. Vreemde steden zijn alleen overdag vreemd als ze de achtergrond vormen van hun dagelijkse bedrijvigheid. 's Nachts zijn het vertrouwde silhouetten. Donkere en hoekige insnijdingen in de aardkorst als het hakblok van een slager waaruit het al even eendere nachtvolkje van boeven en boefjes, junks en hoeren te voorschijn komt om op te lossen in wanhopige schaduwen. Sommige lantaarnpalen zijn stuk; andere verlichten geschonden en pokdalige trottoirs. Als het regent, glinstert het asfalt desolaat. Er rijdt een haastige taxi, er slaat altijd wel ergens een verre klok en er is minstens een rivier die de vuiligheid naar zee spoelt. Net als thuis.

Op deze avond had Rogier op zijn hotelkamer gezeten en aan Hilde gedacht op die speciale manier die hem al een paar maal had beloond met een blik op wat ze aan het doen was. Het lukte. Opeens was hij midden in haar woonkamer. Hilde zat in een hoek van de bank met de kat naast zich. Haar hondje lag opgerold aan haar voeten. Het dier stak zijn kop in de lucht, snoof en kwispelstaartte. Hij had Rogiers onstoffelijke binnenkomst in de gaten. Hilde niet. Ze was in beslag genomen door een telefoongesprek dat ze voerde. Het was blijkbaar een leuk gesprek. Rogier kon haar niet horen maar zag haar lachen. Hij voelde zich een indringer maar was vooral blij dat hij even bij haar kon zijn.

Hilde beëindigde het gesprek en liep naar de badkamer. Daar kleedde ze zich uit en ging onder de douche staan. Rogier genoot van de onbevangenheid waarmee ze haar lichaam onder de douchestraal boog, draaide en keerde. Een badende bosnimf begluurd door een geile sater. Ze droogde zich af, föhnde haar haar en maakte haar gezicht op. Vervolgens liep ze naar de slaapkamer, opende de kast en haalde er een duur donkerblauw lingeriesetje uit dat hij voor haar had gekocht. Hij had het in een kleine etalage zien hangen. De etalagepop was het evenbeeld geweest van Hilde. De verkoopster had het kostbare kant door haar vingers laten glijden alsof ze er moeilijk afstand van kon doen en had gezegd dat het haar mooi zou maken, alsof ze Hilde kende. Het setje maakte haar inderdaad mooi. Mooi als een klassieke vruchtbaarheidsgodin. De kanten boorden slingerden zich als wijnranken om haar weldadige borsten, billen en brede, ontvankelijke heupen. Ze bekeek zichzelf in de spiegel. Vervolgens koos ze een jurkje uit, een tamelijk bloot ding waarin ze er onschuldig uitzag maar dat bij de geringste beweging zicht bood op het lichaam eronder. Hij keek gefascineerd toe, maar het beeld werd waziger naarmate hij vermoeider werd en verdween uiteindelijk. De concentratie eiste zijn tol. Hij viel zelf in slaap.

Hij werd met een schok wakker. Het eerste waaraan hij had gedacht was Hilde. Eigenlijk was het vreemd dat ze zich zo had opgetut. Hij had zich door zijn opwinding laten meeslepen en zich daardoor niet gerealiseerd dat ze zich niet voor hem mooi maakte maar voor een ander. Verdomme. Hij keek op de klok. Het was ver na middernacht. Thuis moest het halverwege de avond zijn. Hij zocht haar koortsachtig op in zijn brein. Ze zat op een bank maar het was niet de hare. De hele kamer was anders. Een man zette een glas rode wijn op een tafeltje voor haar neer, ging naast haar zitten en legde een arm om haar schouders. Rogier herkende hem, al kon hij hem alleen op de rug zien: het was de man met wie hij haar op straat had zien praten. Ze kusten elkaar. De man kuste niet alleen haar mond maar ook haar wangen, wenkbrauwen, ogen, alsof ze de grootste schat uit het universum was. Precies zoals Rogier deed wanneer hij haar kuste. Zij boog haar hoofd naar achteren zodat zijn rivaal de lijnen van haar hals kon liefkozen. Zijn hand leek haar dij als een vraatzuchtige alligator te verzwelgen. Het reptiel duwde de zoom van haar jurkje omhoog en kroop langs haar been naar boven. Waren die kanten boorden maar prikkeldraad geweest in plaats van wijnranken, dacht Rogier. De alligator lachte om het symbolische verzet van het kant dat alleen maar alligators aantrok, wurmde zich onder de wijnranken door en nestelde zich teder tussen haar dijen.

De hond was naast hem komen zitten. Samen keken ze uit over het lege plein met zijn hardnekkig verspringende verkeerslicht. “We zijn alle twee schlemielen, jij en ik,” zei hij hardop tegen de hond. “Jij krijgt een schop als je denkt dat je wat eetbaars hebt gevonden, ik als ik zo stom ben te geloven dat er iemand is die om mij geeft. We proberen allebei te vreten uit een bak vol beschimmelde ouwe meuk.” De hond wist niet wat Rogier zei maar vond het prettig dat er een mens was die tegen hem praatte. Hij zou zijn nieuwe vriend gelijk hebben gegeven. Hij zou die alligator hebben verscheurd. Zo'n hond was het.

Rogier had zich losgerukt van het beeld dat hem kwelde. Zijn hoofd was een kookpot van botsende gevoelens. Woede over de trouweloosheid van zijn vriendin. Een keer had ze hem gevraagd of hij haar aardig vond en hij had het raam opengerukt en uit volle borst “Ik hou van Hilde” van drie hoog door de drukke straat geschreeuwd, net zo vaak totdat ze hem gegeneerd bij het venster vandaan had getrokken. Ze hadden talloze keren “ik hou van je” tegen elkaar geroepen, gefluisterd, gestameld, gekreund, afhankelijk van de omstandigheden. Maar hoeveel “ik hou van je”-s waren nodig om haar en haar lichaam afkerig te maken van zijn rivalen? “Klaarkomen is een implosie van kleur alsof alle verftubes tegelijk in mij worden leeggedrukt. Woeste halen met een kwast,” had ze eens gezegd. Het had niet geklonken alsof de oorsprong van die ervaring er veel toe deed.

Hij zocht haar opnieuw op in zijn geest. Hij moest wel. Hilde lag in bed en keek de man aan die op haar toe kwam en naar wie ze haar armen uitstrekte. Naakt, mooier dan ooit. “Ik schilder alleen parende mensen omdat die het mooist zijn. In paren schuilt de essentie van naaktheid, van esthetiek,” had een kunstenaar hem ooit eens gezegd en Rogier moest toegeven dat hij gelijk had. Hilde toonde de allesovertreffende schoonheid van een vrouw die naar paring verlangde. Zelfs hier kon hij haar smaak proeven en haar borsten voelen, haar opeisende heupen, haar lichaam dat in een kolkende golf veranderde en hem als een zilte ebstroom leegzoog. Alleen was haar hartstocht nu op een ander gericht en dat raakte hem met het striemende venijn van een zweepslag.

Hij was zijn hotelkamer uitgerend en de stad ingevlucht. Maar geen schaduw kon voorkomen dat hij de beelden in zijn hoofd met zich mee droeg. Telkens als Rogier even stilstond zag hij Hilde voor zich, haar ogen gesloten, haar mond halfopen, haar armen en benen om de man heen die zijn heupen in een godvergeten paringscadans op en neer bewoog. “Weet je niet dat zij en ik voor elkaar zijn bestemd, ontiegelijke lul,” brulde Rogier, maar de duisternis grijnsde alleen maar. De nacht was een cipier die hoofdschuddend de noodlotskreten aanhoorde van de veroordeelden in de kerker van de bedrogenen. Hij rende verder, voortgejaagd door het beeld van Hilde dat hem op elk straathoek opnieuw besprong. Zo was hij hier gekomen op dit weggewaaide plein waar 's nachts niemand kwam die hier niets had te zoeken, zelfs junks en zwervers niet, op een eenzame zwarte straathond na.

Ergens in het inwendige van het lege, donkere gebouw klonk een telefoon. De hond trok zijn oren op. De bel rinkelde door hoge gangen met marmeren vloeren. Het was het geluid van wanhopige eenzaamheid, van een verdoolde ziel die dacht dat er op dit tijdstip iemand was om de telefoon op te pakken. Hilde die hem had gezien zoals hij haar kon zien en hem belde. Natuurlijk, Hilde. Hij wilde het onmogelijke geloven en moest die telefoon opnemen. Hij sprong overeind en rukte aan de monumentale houten deuren. Kansloos, net als zijn pogingen om de massieve tralies voor de ramen uit hun natuurstenen kozijn te wrikken of opzij te buigen. Hij liet zich weer tegen de pilaar zakken. Hij zag haar voor zich terwijl ze hem probeerde te bellen. Misschien verlangend naar hem, om God mag weten wat tegen hem te zeggen. Vrouwen die een ander zijn tegengekomen ruimen na de daad van bevestiging de boel op en vertellen hun partner dat het over is. Als hun kut nog gloeit van de opwinding en het zaad van die ander langs hun dijen loopt, voelen ze zich ijzersterk en pakken de telefoon om je te zeggen dat je niet meer nodig bent, dacht hij grimmig. Maar de twijfel bleef, opgezweept door het gerinkel dat maar niet ophield. Hij telde het aantal malen dat de telefoon overging als de hartslag van een stervende. Toen leek het toestel te aarzelen en te berusten in het feit dat hij niet zou worden opgenomen.

De stilte was onthutsend. Alles op het plein was beroerd door het belgerinkel en niets was daarna hetzelfde. De leegte was geladen met een verwachting die niet was vervuld. Rogier staarde voor zich uit. Hij voelde zich verbonden met degene die had gebeld, wie het ook was. Ze hadden allebei misgegrepen. Als hij Hilde belde, zou de telefoon net zo vruchteloos overgaan. De bel zou door haar huis klinken, de orde der dingen zou nog enige tijd zijn verstoord, maar het zou niets veranderen. Ze was er niet. Dat had hij zelf gezien. Alhoewel, wat had hij nu eigenlijk gezien? Beelden waarvan hij had aangenomen dat die zich op hetzelfde moment voltrokken. Maar was dat zo?

Het brein is je eigen kleine privétheater waarin braveriken ongestoord hun eigen vieze films draaien en booswichten dromen dat ze gerespecteerde burgers zijn. Het is de cinema van het zelfbedrog. Was hij de misleide bezoeker van zijn eigen bioscoop? Alleen door haar te bellen kon hij vaststellen of dat zo was. Nu. Opnieuw sprong hij overeind. Hij rende terug naar zijn hotel, door de kloven van het hakblok en langs het schaduwvolkje met zijn wenkende hoeren, achtervolgd door de hond die geduldig naast hem had zitten wachten. Op zijn kamer belde hij Hilde. Als wat hij had gezien waar was, zou ze er niet zijn en niet opnemen. Als ze wel opnam was ze thuis. Dan wist hij wel wie die minnaar was.

De telefoon ging eindeloos over. Het klonk als het gerinkel in dat verlaten gebouw aan het plein. Hol, smartelijk, snakkend naar een stem die zijn gerinkel niet zo gekmakend zinloos zou doen zijn. Kon je uit de klank van de oproeptoon afleiden of het huis echt leeg was, het bed kil en onbeslapen? Bij het rinkelen hoort iemand die belt, had hij gedacht, maar het ging natuurlijk vooral om de vraag of er soms iemand was die luistert. Daar ging het altijd om.

“Met Hilde,” klonk eindelijk haar slaperige stem.

Rogier snikte. Nog nooit was ze dichter bij hem geweest dan nu hij zo naar haar stem verlangde. Hij lag weer tegen haar aan, hun lichamen vervlochten als de strengen van een kabel, zijn hand om haar borst, zijn neus in haar haar. “Ik hou van je,” fluisterde hij in haar oor. “Ik van jou,” fluisterde ze terug. Moment van onloochenbare waarheid. Hij had haar in zichzelf gezocht, zoals zijn oude buurvrouw had gezegd, maar alleen haar gezien, niet zichzelf.

Op de straat voor het hotel zat de zwarte hond. Hij had tegen het gebouw omhoog gekeken alsof hij wist in welke kamer zijn vriend verbleef. Opeens stond hij op en liep terug naar de galerij op het plein. Hij wist zeker dat zijn baas hem daar zou bellen zoals hij elke avond deed.

© 2015

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Meer verhalen:

Als een klant een boek bestelt maar niet ophaalt, toont de boek­handelaarster zich begaan met zijn lot. Het boek
Het openen van een kraantje is het doel van een inbraak. Maar als de eigenaresse het vervolgens weer opendraait, kan de gelegenheids­boef opnieuw aan de slag. Het kraantje
De zoektocht naar een dansende beer is het motief van Juanito, een kleine gitarist die zijn hart had verpand aan de trouweloze Maria.
Een goede manier om een Chinees beter te leren kennen is een tijdje op hem blijven zitten. Zo leer je meer Chinees dan je lief is. De Chinees
Onstuimige liefdes lopen zelden goed af, zelfs als het hoofdmenu seks is. Een kleine aangrijpende tragedie. Zwart water spiegelt niet
Dating leidt wel eens tot misverstanden zoals de gedachte dat webcamseks kunst is. Mevrouw Mönch
Voor een violiste is de man achter de lessenaar een muzikale olympiër die een scala van heftige gevoelens oproept. Viola d'Amore
Het lukt de deurwaarder niet een openstaand bedrag op een woonboot te incasseren.


Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken