Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Het kraantje

Tussen de dakspanten en hanenbalken van een zolder in de Amsterdamse Vrolikstraat woonden Alex en Berna. De wand die hun kamer scheidde van de rest van de zolder was een gammel samenraapsel van houtige overschotten, hardboard beddenplaten en een oude deur. De ruimte was net groot genoeg voor een twijfelaar en een oliekacheltje. Twee tochtige en gebarsten vensters boden uitzicht op tuintjes met wasgoed aan de achterzijde van de belendende huizen, een hofje vol naar Persil riekende treurigheid. In een hoek hing een fonteintje met een roestig kraantje. Meer sanitair was er niet. Als de bewoners naar de wc wilden, moesten ze de verhuurder op één hoog om belet vragen dat hij zelden gaf ondanks de schandalig hoge huur die hij verlangde.

Berna was blond en mooi, had net het gymnasium afgemaakt en geen verweer gevonden tegen de broeierige donkere ogen van Alex. Op die zolder bedreven ze de liefde. Veel meer konden ze er niet doen. Ik kwam vaak op bezoek. We praatten wat en luisterden naar muziek. Slome, dromerige Underground. Natuurlijk werden onze geluiden maar ten dele gedempt door de dunne planken vloer. Daaronder woonde een eenzame dame. Ze woonde daar al lang en had voor de komst van Alex en Berna nooit meer boven zich gehoord dan wat geritsel van muizen. Ze vond die stemmen, die rare muziek en die voetstappen maar eng. Daarom klaagde ze bij de verhuurder maar die gaf geen gehoor. Haar nieuwe bovenburen aanspreken vond ze geen goed idee. Ze bedacht wat anders. De waterleiding van het fonteintje op zolder liep door haar huis. Op haar WC vond ze een kraantje. Ze ging op de bril van closetpot staan en draaide het kraantje dicht. Op zolder zouden ze weten wat voor overlast ze aanrichtten.

De situatie werd snel onhoudbaar. Koffiezetten, wassen, afwassen en plassen in het fonteintje ging niet meer. De verhuurder gaf gewoontegetrouw niet thuis. We moesten bij haar van beneden zijn maar die liet zich op ons gebel en gebons niet zien. Het probleem leek onoplosbaar.

Die avond hoorden we haar vertrekken zoals ze elke avond deed. Ik posteerde Alex aan de overzijde van de straat vanwaar hij goed zicht had op de ingang van het trapportaal en ging zelf naar de etage waar de vrouw woonde. Aan weerszijden van de overloop kwam een deur op het trapportaal uit. De hoofddeur was voorzien van een extra-slot, maar de zijdeur niet. Ik haalde diep adem en plantte mijn schouder in deze zijdeur. Het slot schoot uit de sponning en de deur vloog open. Ik stond in een langwerpig zijkamertje. Het was leeg, op een oude Singer-trapnaaimachine na die in een hoek stond. Het licht dat door het enige raam naar binnen viel bescheen stof dat door mijn bruuske binnentreden was opgeworpen. Het viel in verstoord kringelende slierten terug en verspreidde een zurige lucht van verstoffende kalk, schimmelende oude kranten onder beduimeld en loszittend behang. Rechts bevond zich een deur. Ik sloot de buitendeur achter mij en opende deze deur die naar de woonkamer leidde. Er stond aan de achterzijde een zitbank tegenaan. De bewoonster had het zijkamertje niet nodig gehad en gedacht dat de bank de deur voldoende barricadeerde. Met de deur duwde ik de bank opzij. Toen ik voldoende ruimte had, wrong ik mij naar binnen.

Het was een sombere kleine woonkamer zoals alle woonkamers in deze volksbuurt. De gebruikelijke inrichting: vitrages, geplooide overgordijnen, behang met beschaafd bloemmotief. Een fauteuil tegenover de eveneens bloemig gestoffeerde bank, een salontafel met een dik Perzisch kleedje, een grote wandkast met glazen deuren, een paar ingelijste foto's en de rechtopstaande bordjes van het zondagse servies, schemerlampjes met geplooide kapjes en geborduurde schilderijtjes aan de muur. In de hoek bij het raam stond een televisietoestel. De punt van een gehaakt kleedje dat op het toestel lag viel over het licht gebolde groengrijze beeldscherm. Bovenop het kleedje stond een sanseveria, de lange puntvormige bladen smartelijk ten hemel geheven. In een andere hoek stond een oliekachel tegen de schuin lopende wand van de schoorsteen. Ondanks de aankleding was de ruimte afwerend. Al die meubeltjes en snuisterijtjes leken zwijgend samen te spannen in hun afwijzing van de indringer die de intimiteit van hun samenzijn schond. Zij hoorden bij de bewoonster die ze mooi vond of gezellig of alle twee en ze soms met dierbare, alleen aan haar bekende herinneringen had beplakt, die ze regelmatig afstofte en met zorg op hun plek terugzette zodat ze verder konden als uitdragers van netheid en burgerlijk fatsoen. Tegelijk getuigden zij van onthutsende eenzaamheid want er kwam nooit bezoek dat voor haar de stijle trappen beklom om deze deugden te waarderen. Ik was de ontwijder van een van die vele onopgemerkte eenpersoonsheiligdommen vol kleine gevoelens, opvattingen en nog kleinere idealen die de stad telde.

In de achterkamer stond een kleine ronde eettafel met een paar stoelen en tegen de muur een opklapbed. Een gordijntje onttrok de spiraal van het opgeklapte ledikant aan het zicht. Elke avond zou ze de tafel en de stoelen opzijzetten en het bed uitklappen; elke morgen zou ze deze handelingen in omgekeerde volgorde herhalen. Over een stoelleuning hing een beha. Het kledingstuk had de onkreukbaarheid van zijn draagster geërfd en drukte kille vijandigheid uit tegen mijn aandacht. Ik struikelde over de rand van een bijna onzichtbaar vloerkleed maar kon me aan de tafel vasthouden. Naast de achterkamer lag een kleine hal die toegang gaf tot de keuken en de toiletruimte waarin zich volgens Berna het kraantje moest bevinden. Het zat er inderdaad, vast gesoldeerd aan een waterleiding die van de roestige gietijzeren stortbak naar boven liep en in het plafond verdween.

Juist toen hoorde ik Alex door de deur roepen dat de buurvrouw eraan kwam en direct daarna de trap oprennen. Schijtlaars. Hij had haar ook kunnen aanspreken om mij wat meer tijd te gunnen. De vrouw bleef altijd uren weg maar uitgerekend deze avond was ze na een kwartier weer terug. Ik draaide het kraantje open, rende naar de woonkamer terug om de tussendeur naar het zijkamertje te sluiten en de bank weer op zijn plaats te zetten en rende vervolgens terug naar de voordeur. Goddank kon ik het extra-slot van binnenuit openen. Op de overloop hoorde ik voetstappen onderaan de trap. Het leken me meer dan die van de vrouw alleen. Ik had nog net tijd om de zijdeur met het kapotte slot zo goed mogelijk te sluiten. Daarna rende ik de trap op naar de zolder. “Hij moet het doen,” zei ik tegen Berna maar die luisterde gespannen naar de geluiden op de trap.

Er klonken mannenstemmen en toen werd er op de deur gebonsd. Op de drempel stond, met drie oplichtende strepen op zijn mouw en een zaklantaarn in zijn hand, een geüniformeerde agent. Ik was verbijsterd. Ik had amper mijn insluiping volvoerd of ik hing al. Door mijn hoofd tuimelden flarden van een onsamenhangend verweer. Dat je zo jongeren niet mocht behandelen. Dat je als vriend de taak had voor je vrienden op te komen.

De agent keek om zich heen, keek toen ons een voor een aan en ging op het bed zitten. Het was een oudere agent. Onder de pet die hij afzette kwam een rijke bos grijs haar tevoorschijn. Hij was misschien tijdens de bezetting al agent geweest, had deportaties gezien en daar het zijne van gedacht, had de eerste slachtoffers van het op hol geslagen snelverkeer opgeraapt en hoofdschuddend de Nieuwmarktrellen aanschouwd. “Jongens,” zei hij, “ik snap het wel. Die mevrouw beneden is alleen maar ontzettend bang. Als jullie nou eens gewoon met haar gaan praten en laten zien dat jullie best aardig zijn, komt alles weer goed. Loop maar even met mij mee.” Met die woorden vertrok hij. Alex en Berna gingen achter hem aan. Ik bleef, te verbaasd dat ik niet was gearresteerd. Ik vond het beter even uit de buurt van agenten te blijven.

Beneden hoorde ik geluiden van een grote verzoening. In mijn geest begon zich iets vreselijks af te schilderen. Na enige tijd klonken de zware voetstappen van de agenten die de trap afliepen. Alex en Berna kwamen weer naar boven. Opgelucht.
- “Ze is best aardig. Ze was eigenlijk alleen maar bang. Een tikje wereldvreemd en bang,” zei Berna.
- “En nu?,” vroeg ik.
- “Alles is weer goed. We hebben afgesproken dat als er problemen zijn, we die gewoon uitpraten. Toen heeft ze het kraantje weer opengedraaid.”
- “Open? Probeer het eens!”
Berna draaide aan het kraantje. Er kwam nog een enkele trage druppel uit die met een “plok” op de geëmailleerde bodem terechtkwam. Dat was alles.
- “O God,” riep Berna, die het ook snapte.

Een dag later wachtten we weer in spanning tot we de benedenbuurvrouw hoorden weggaan. Alex stond buiten op wacht. De zijdeur was nog niet gerepareerd. De woonkamer was nog afwijzender geworden. Nu de buurvrouw een bevriende relatie was geworden, was mijn binnendringen een daad van hoogverraad waarop het verbond van meubels en snuisterijen met diepe haat reageerde. Oorverdovend gefluit van woede in een doodstille kamer. Gebogen als een voetballer die in een vol stadion een strafschop tegen de thuisploeg moest nemen liep ik naar de schuifdeur die doorgang bood naar de achterkamer. Over de stoel hing een grimmige peignoir die elke blik met blindheid sloeg. De beha had nog een vage notie van intimiteit opgeroepen, de verschoten nagalm van de dagen dat de borsten van de bewoonster jong en begeerlijk waren geweest, maar dit vale gecapitonneerde kledingstuk wees elke tegemoetkoming vol walging van de hand. Ik voelde mij nog meer betrapt dan de vorige avond toen ik bijna in de armen van de politie was gelopen. Net als toen struikelde ik over de rand van het vloerkleed. Openlijke vijandschap. Haastig draaide ik het kraantje opnieuw open en vluchtte weg.

© 2013

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Meer verhalen:

Als een klant een boek bestelt maar niet ophaalt, toont de boek­handelaarster zich begaan met zijn lot. Het boek
Het openen van een kraantje is het doel van een inbraak. Maar als de eigenaresse het vervolgens weer opendraait, kan de gelegenheids­boef opnieuw aan de slag. Het kraantje
De zoektocht naar een dansende beer is het motief van Juanito, een kleine gitarist die zijn hart had verpand aan de trouweloze Maria.
Een goede manier om een Chinees beter te leren kennen is een tijdje op hem blijven zitten. Zo leer je meer Chinees dan je lief is. De Chinees
Onstuimige liefdes lopen zelden goed af, zelfs als het hoofdmenu seks is. Een kleine aangrijpende tragedie. Zwart water spiegelt niet
Is wat je ziet waar of niet? Dat is het vraagstuk achter deze liefdes­geschiedenis. Hilde
Dating leidt wel eens tot misverstanden zoals de gedachte dat webcamseks kunst is. Mevrouw Mönch
Voor een violiste is de man achter de lessenaar een muzikale olympiër die een scala van heftige gevoelens oproept. Viola d'Amore
Het lukt de deurwaarder niet een openstaand bedrag op een woonboot te incasseren.


Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken