Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

De Chinees

Op een voorjaarsmorgen werd aan de voordeur gebeld. Magda deed open. Even later kwam ze het kantoor weer binnen. “Ruud,” riep ze met een benauwd stemmetje. Ik keek op van mijn werk. Ze stond in de deuropening met achter haar iemand met een bivakmuts op die een mes of wat daar op leek tegen haar keel hield. “Geld,” riep de bivakmuts. De man was kleiner dan Magda en moest om haar heen kijken om mij te zien. Zijn ogen waren donkere uitsparingen in zijn grijze muts. Daardoor leek hij meer op een nieuwsgierig stokstaartje dan op een gewapende overvaller. Zijn stem piepte een beetje en ook daarom dacht ik aan een grap. Onder die muts zou het lachende gezicht verschijnen van Auke of Krijn, erkende lolbroeken uit de dorpskroeg waar ik wel eens kwam. Ik stond op achter mijn tafel en liep op de man toe die inmiddels met Magda in het kantoor stond. Hij duwde haar van zich af en richtte zijn mes met gestrekte arm op mij. “Pas op,” riep Magda, maar die kende Auke en Krijn niet. Ik vermeed het mes en pakte de uitgestoken arm bij de pols, draaide mijn lichaam een halve slag en smakte het mannetje met een fraaie boog over mijn schouder op de grond. Ik heb vroeger veel gejudood, vandaar. Ik hoorde een akelige bons en een kreet en het kletteren en wegzeilen van het mes op de plavuizen. Meteen ging ik bovenop hem zitten. Ik hoopte dat ik hem niet te hard had aangepakt. Ik wilde de grappenmaker niet ernstig bezeren. Hij lag op zijn buik op de grond, zijn armen gestrekt, wanhopig tastend naar het mes dat een stuk verderop lag. Magda raapte het op.

Nu zou ik weten wie hij was. Ik rukte aan de bivakmuts die scheef op zijn hoofd zat en een stuk zwart haar liet zien. Wie van de twee had zwart haar? Een pruik, natuurlijk. Ik rukte nog een keer en met een kreet die verried dat ik ook wat haar had meegenomen openbaarde zich een gezicht met Aziatische trekken. “Een Chinees,” zei ik verbaasd. “Ja,” zei Magda. “Ja,” zei de Chinees.
- “Wie ben jij nou?,” vroeg ik.
Hij zweeg. Hij kon ook niet veel zeggen omdat ik zijn hoofd tegen de stenen vloer gedrukt hield. Het begon langzaam tot mij door te dringen dat het helemaal geen grap was. Ik zat bovenop een echte overvaller. Er ging even een flits van paniek door mij heen. Ik kende de zelfkant van de samenleving alleen van veilige afstand en nu zat ik er bovenop.
- “Bel de politie,” zei ik tegen Magda.
Ze had haar telefoon al in de hand en toetste een nummer in.
- “Ze komen er aan,” zei Magda na een kort gesprek, “maar het kan even duren.”
Het kon even duren. Waren ze soms aan het eten of stonden ze hardrijders te flitsen terwijl ik ondertussen moest proberen een misdadiger tegen de plavuizen gedrukt te houden?
- “Kunt u misschien even anders op mij gaan zitten?,” vroeg de boef gesmoord, “ik stik bijna.”
Zijn stem klonk beschaafd ondanks zijn moeilijke ademhaling. Dat klonk geruststellend. Ik haalde mijn knie uit zijn rug maar bleef bovenop hem zitten, mijn benen opgetrokken aan weerszijden van hem, mijn kont op de zijne alsof ik in een skiff zat. Ondertussen vroeg ik mij af wat ik moest doen. Hem vastbinden? Was er touw? Plakband! Er moest ergens een dispenser met van dat brede plakband liggen, sterk genoeg om kartonnen dozen dicht te plakken. Maar waar lag die dispenser? Ik keek om mij heen. Magda begreep mijn blik.
- “De dispenser ligt thuis,” zei ze, “en er is ook geen touw.”
Ik zou op de Chinees moeten blijven zitten totdat de politie arriveerde.
- “Wat kwam je nou eigenlijk doen?,” vroeg ik aan hem.
Communicatie is het begin van controle in dergelijke situaties. Geen geweld zolang mensen met elkaar praten. En geen geweld was mij veel waard. Ik had geen idee hoe lang ik een weerspannige jonge Chinees in bedwang zou kunnen houden.
- “Geld,” zei hij weer.
- “We hebben geen geld,” zei ik.
Het leek alsof hij zijn schouders ophaalde. Verder lag hij er tamelijk rustig bij. Ik vroeg Magda of ze koffie voor mij had. Ze pakte de mok van mijn bureau, schonk hem vol uit de thermosfles die naast het koffiezetapparaat stond, liep met een veilige boog om de gevelde Chinees heen en reikte mij de mok aan. De Chinees bewoog en probeerde zijn hoofd om te draaien om zich een beeld te vormen van de situatie op en achter hem.
- “Je kunt beter stil blijven liggen,” zei ik terwijl ik mijn koffie roerde, “anders krijg je misschien warme koffie over je heen en dat is niet leuk.”
Hij liet zijn hoofd berustend op zijn armen vallen die op de vloer lagen.
- “Wil je ook koffie?,” vroeg Magda opeens.
Ze had in de gaten dat hij weinig kwaad kon zolang ik op hem zat. Nu begon zich in haar geest een merkwaardige ommezwaai te voltrekken. De boze man die zojuist nog een mes op haar keel had gedrukt, was hulpbehoevend geworden. Hij had gefaald, lag verslagen op de grond en dat wekte haar meegevoel op. De dader was slachtoffer geworden. Er begon zich in de verte zelfs al een nieuwe dader af te tekenen: ik. Vrouwen als Magda voelen een natuurlijke verwantschap met de underdog en keren zich vroeg of laat tegen de onderdrukker. En de Chinees, door mijn gewicht als een geplet insect zo rond zijn middel aan de grond genageld, was zonder twijfel de underdog.
- “Alstublieft, mevrouw,” zei hij.
Het praten viel hem moeilijk met iemand op zijn rug. Maar hij was onmiskenbaar beleefd.
- “Nee,” zei ik, “hoe wou je het hem geven? Slangetje, lepelen?”
Magda zag het onmogelijke in.
- “Gossie, je krijgt straks je koffie wel, hoor,” zei ze tegen de Chinees.
En tegen mij:
- “Ik bied onze gasten nu eenmaal altijd koffie aan. Ook als jij bovenop hen zit.”
- “Wou jij een tijdje op hem zitten?”
Ze schudde verschrikt haar hoofd.

Het was een wonderlijke sessie. Veel mensen willen zelfs niet op een stoel gaan zitten die nog warm is van een voorganger uit angst met iets zo intiems als zijn calorieën in aanraking te komen. Als je van een bacterie of virus ziek kunt worden, dan misschien ook wel van een calorie. Daar had ik geen last van maar prettig vond ik de thermische gemeenschap niet waarin ik was betrokken en die indruiste tegen de afstand die ik graag had willen bewaren. Daarnaast waren er nog een paar andere lichaamsfuncties die ik liever niet had genoteerd, zoals zijn borrelende ingewanden. De stilte werd verbroken toen de telefoon ging. Magda nam op.
- “Die zit op een Chinees,” zei ze en begon onbedaarlijk te lachen waarna ze ophing. Ze deed laconieker dan ze was. Ze ging aan haar bureau zitten en begon te werken of deed alsof.
- “Moet Van de Casteele ook op de mailinglijst?,” vroeg ze.
Ik knikte. Natuurlijk moest Van de Casteele op de mailinglijst. Magda had in korte tijd doodsangst uitgestaan, een worsteling gezien en ernstig medelijden opgevat voor de veroorzaker en nog steeds lagen en zaten de hoofdrolspelers uit al die heftige gemoedsschommelingen naast haar op de grond en op elkaar, de een alsof hij op een zomerzondag een baantje op de Bosbaan trok, de ander als stervende Galliër met zijn hand onder zijn hoofd en een berustende uitdrukking op zijn gezicht. Dat was genoeg voor een zenuwinzinking en om die te voorkomen deed ze alsof de idiote situatie helemaal niet bestond.

Ondertussen probeerde ik de conversatie met de Chinees weer op gang te brengen.
- “Hoe heet je eigenlijk?”
- “Li,” zei hij.
- “Gaat het een beetje, Li?”
- “Nee,” zei Li, “ik moet naar de WC.”
Ook dat nog. Het gemurmel dat ik in mijn slachtoffer had beluisterd had natuurlijk te maken met mijn gewicht dat zijn stofwisseling onder druk had gezet.
- “Dat gaat niet, Li. Ik moet je er onder zien te houden.”
- “Kunt u dan misschien een beetje anders op mij gaan zitten?”
Ik veranderde enigszins van plaats zodat hij mijn gewicht wat beter kon verdragen. Ik hoopte dat hij nog een tijdje kon binnenhouden wat hij kennelijk kwijt wilde.
- “Je moet ook altijd eerst naar de WC gaan voordat je een overval pleegt.”
Hij zei niets.
- “Waarom heb je dat nou gedaan?”
- “Ik heb geld nodig. Ik krijg geen studiebeurs meer omdat ik mijn moeder heb geholpen.”
Hij vertelde dat zijn oude moeder ernstig ziek was geworden en dagelijks verpleging behoefde. Chinese gezinnen lossen hun eigen problemen op. Lukt dat niet, dan doen zij een beroep op hun familie of op de Chinese gemeenschap. Zijn zuster had de verzorging van hun moeder op zich moeten nemen maar was getrouwd en naar het buitenland verhuisd. Verder had hij geen familie in ons land en daarom was de taak op hem terechtgekomen. Hij was een veelbelovende student op de universiteit van X geweest, maar door de zorg die hij aan zijn moeder moest besteden was hij achterop geraakt en zo zijn studiebeurs kwijtgeraakt. De nood en zijn wanhoop waren zo hoog gestegen dat hij het plan had opgevat om een overal te plegen. Zo was hij bij ons beland.
- “Ik moest wel. Ik had het natuurlijk niet moeten doen, maar ik had geen keus. Ik vond dat er een daad moest worden gesteld.”
Ik begreep hem wel. Regeltjes komen vaak voort uit grootse en menslievende gedachten maar zijn aan het loket van de overheid tot stompzinnige stollingsgesteenten uitgehard. Zij hadden iemand die niets verkeerd deed het gevoel gegeven dat hij iets verkeerd moest doen om gehoor te vinden.
- “Had je dan niet beter een bank kunnen nemen,” vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd.

Eindelijk arriveerde de politie. Het had niet veel langer moeten duren. Li was al lang geen gevaar meer en ik begon mijn rol steeds potsierlijker te vinden. Ik stond wat moeizaam op, stijf van de ongewone zithouding. Ook Li kwam overeind. Twee heren die een poosje op elkaar hadden gezeten, heel gewoon. De agenten deden hem handboeien aan. Nu kon ik hem goed bekijken. Hij droeg een mottig jasje en een goedkope spijkerbroek waaronder een paar versleten leren schoenen uitstaken. Zijn hoofd hield hij deemoedig gebogen. De blinkende metalen boeien waren eigenlijk te groot voor hem. Een kleine Chinees die voor zijn oude moeder had willen zorgen maar was bezweken onder de druk van zijn eigen culturele achtergrond en de halsstarrigheid van onze ambtenarij. Hij hief zijn hoofd op en keek mij even met verdrietige ogen aan. Ik voelde de bijna verwijtende vraag of dit echt nodig was geweest. Misschien stelde hij mij die, misschien stelde ik die mijzelf. Toen voerden de agenten hem af. Het mes ging mee in een plastic zak.
- “Ik geloof niet dat hij er veel mee had kunnen uitrichten. Het was een soort bistromes zoals je in Chinese restaurants vaak ziet,” zei Magda. Ze keek de politieauto wat meewarig na.
- “Stockholmsyndroom,” zei ik.
Ik had mij er net zo aan schuldig gemaakt als Magda.

© 2013

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Meer verhalen:

Als een klant een boek bestelt maar niet ophaalt, toont de boekhande­laarster zich begaan met zijn lot. Het boek
Het openen van een kraantje is het doel van een inbraak. Maar als de eigenaresse het vervolgens weer opendraait, kan de gelegenheids­boef opnieuw aan de slag. Het kraantje
De zoektocht naar een dansende beer is het motief van Juanito, een kleine gitarist die zijn hart had verpand aan de trouweloze Maria.
Een goede manier om een Chinees beter te leren kennen is een tijdje op hem blijven zitten. Zo leer je meer Chinees dan je lief is. De Chinees
Onstuimige liefdes lopen zelden goed af, zelfs als het hoofdmenu seks is. Een kleine aangrijpende tragedie. Zwart water spiegelt niet
Is wat je ziet waar of niet? Dat is het vraagstuk achter deze liefdes­geschiedenis. Hilde
Dating leidt wel eens tot misverstanden zoals de gedachte dat webcamseks kunst is. Mevrouw Mönch
Voor een violiste is de man achter de lessenaar een muzikale olympiër die een scala van heftige gevoelens oproept. Viola d'Amore
Het lukt de deurwaarder niet een openstaand bedrag op een woonboot te incasseren.


Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken