Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Hebban olla vogela nestas

Moorse invloed op de oorsprong van het geschreven Nederlands
De speurtocht naar de oorsprong van het geschreven Nederlands voert naar het middeleeuwse Spanje dat toen nog Moors was. Dat is een mogelijkheid die prof.dr. Frits van Oostrom aangeeft in zijn boek “Stemmen op schrift”. Moren, zijn dat niet ...? Precies, soms ontsteekt de geschiedenis in homerisch gelach bij het bekijken van al dat menselijk gekrakeel.

Het verhaal is bekend. In 1931 stuitte een opmerkzame onderzoeker in de Bodleian Library van Oxford op een stuk perkament met een tekst in een voor hem vreemde taal. Het was een soort aantekening en omvatte niet meer dan een enkele zin. De taal waarin deze aantekening was geschreven leek de onderzoeker, de taalkundige Kenneth Sisam, Oud-Nederlands uit het einde van de elfde eeuw:

Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic anda thu, wat unbidan we nu?

De letterlijke vertaling luidt: “Hebben alle vogels nesten begonnen behalve ik en jij, wat wachten we nu?” Of, zoals een Vaamse vertaler schreef: “wat beiden wij nu nog?” Een mooi woord, dat oud-Nederlandse werkwoord “beiden” dat als vanzelf uit “unbidan” lijkt voort te komen. Zo zijn er op het eerste gezicht meer gelijkenissen die het Nederlandstalige karakter lijken te bevestigen, zoals de woorden: “hebban”, “olla”, “vogala”, “nestas”, “wat”, “we” en “nu”. In “hagunnan” - volgens sommigen staat er “bagunnan” - kunnen we dankzij het zinsverband “beginnen” herkennen.

Het stuk perkament met de beroemde woorden Hebban olla vogala nestas - een van de oudste Nederlandstalige tekstenHet oorspronkelijke handschrift

De zin gunt een blik op de versmelting van twee op dat moment gangbare talen, het Latijn en de Germaanse volkstaal die hier werd gesproken. Maar nog treffender is de zin zelf en zijn poëtische schoonheid die de onlangs overleden dichter Gerrit Komrij ertoe bracht niet alleen het begin van het geschreven Nederlands maar ook het begin van de dichtkunst hier te leggen.

Meer oudste teksten

Behalve de al genoemde oudsaksische doopgelofte en de Wachtendonckse psalmen zijn er nog een paar kanshebbers voor de titel oudste Nederlandstalige tekst. Verreweg de oudste is de Lex Salica of Salische wet uit de zesde eeuw. Het gaat hier om Frankische wetsteksten waarin met enige moeite enkele herkenbare woorden zijn terug te vinden. Volgens kenner bij uitstek prof.dr. Arend Quack van de Leidse universiteit is het zinnetje
“Maltho, thi ãtõmeo, theo”
het oudst. Het betekent:
“Ik zeg: ik laat jou vrij, slaaf.”
De taal is Frankisch, maar dat is een van de stamtalen van het Nederlands. Als tegenwicht aan de dichterlijke schoonheid van “Hebban olla vogala nestas” zegt Quack op de website van de universiteit van Leiden dat zijn zinnetje er uit oogpunt van de mensenrechten best mag zijn.
Een andere kandidaat is de Egmondse of Leidse Willeram, genoemd naar een Beierse abt. Zijn versie van het Bijbelse Hooglied werd omstreeks 1060 in de abdij van Egmond overgeschreven in de volkstaal, doorspekt met Latijn en andere taalinvloeden die verraden dat de schrijver zich af en toe geen raad wist met het oorspronkelijke Hoogduits. Taalkundigen vinden het werk echter voldoende om voor het eerste Nederlandstalige geschrift te kunnen doorgaan. De tekst laat al min of meer herkenbare woorden zien:
“Thes naghtes an minemo beddo vortheroda ich minen wino. Ich vortheroda hine ande ne vand sin niet.”
('s Nachts in mijn slaap zoek ik mijn lief. Ik zoek hem, maar ik vind hem niet.)
Misschien minder Nederlands-klinkend dan “Hebban olla vogala nestas” maar ook mooi. De dageraad van onze taal vertoont onmiskenbaar poëtische trekken.

Profetische bedeesdheid

De vondst van “Hebban olla vogala nestas” had een verwoed speuren naar meer oude Nederlandstalige tekst tot gevolg. Dat bleef niet onbeloond. Er werden voorbeelden gevonden, zoals een zin in de Utrechtse of Oudsaksische doopgelofte uit het einde van de achtste eeuw, driehonderd jaar ouder dan “Hebban olla vogala nestas”:

“Gelobistu in got alamehtigan fadaer”

waarvan de letterlijke vertaling luidt: “Geloof je in god (de) almachtige vader?” Deze doopgelofte, bedoeld om afgoderij af te zweren, werd oorspronkelijk ook in het huidige Duitsland gebruikt en wordt daar eveneens als een oertekst beschouwd. Specialisten zijn het er niet over eens of de taal oud-Nederlands of oud-Saksisch is. Onze taal heeft echter behoefte aan een onomstreden beginpunt dat wij hoogstens met de Vlamingen willen delen. Daarom werden de Wachtendonckse psalmen nog maar eens bekeken. Deze dateren uit het midden van de tiende eeuw, pakweg een halve eeuw eerder dan “Hebban olla vogala nestas”, en ook hierin werden onmiskenbaar Nederlandse woorden aangetroffen. De bron is echter een vijftiende eeuwse kopie van een oud manuscript dat verloren is gegaan zodat we niet kunnen spreken van een authentieke Nederlandse oertekst.

Zo komt, misschien geholpen door zijn onmiskenbare charme, “Hebban olla vogala nestas” toch weer bovendrijven als oudste Nederlandse tekst. Het is opmerkelijk dat onze geschreven historie begint met een regel uit een liefdesliedje, terwijl Fransen en Duitsers het moeten doen met de gezamelijke Eed van Straatsburg uit 843 die aanvangt met zoiets als “Uit liefde voor God en het Christendom en voor onze gezamelijke veiligheid zal ik vanaf deze dag, zolang God mij kennis en macht geeft, mijn broer Karel beschermen.” In de noodzaak van eedgenoot Lodewijk de Duitser om zijn Franse broer Karel de Kale onder zijn hoede te nemen, klinkt al het krijgsrumoer door dat deze volkeren tot in onze tijd verdeeld zal houden. Krijgsrumoer is ook te horen in Beowulf uit de elfde eeuw waarmee de Engelsen hun geschreven geschiedenis openen: “Hoort! De vorsten van ons volk, de Vecht-Denen, waren vroeger maar wat machtig - welk een roemruchte daden verrichtten zij!” (vertaling Jan Jonk).

Tegenover deze strijdlustige openingszinnen steekt de verzuchting van een verliefde monnik in de abdij van Rochester wat bedeesd af. Een profetische bedeesdheid, passend bij onze rol in de geschiedenis. Toch verraden de eenvoudige woorden “Alle vogels hebben nesten - waar wachten wij nog op?” iets dat die andere glorieuze regels missen. Warmte, verlangen, hartstocht, menselijkheid. Terwijl de ronkende Frans-Duitse openingszin en Beowulf uit de verdwenen wereld van geharnaste ridders komt, zouden we de Nederlandse beginwoorden zelf kunnen hebben gezegd. Ze zijn tijdloos. Iedereen herkent het gevoel dat eruit spreekt. Iedereen ziet de jonge monnik aan zijn schrijftafel zitten terwijl hij verlangend door de glas-in-lood vensters van het scriptorium naar buiten staart.

Een Nederlandse monnik in Rochester

Maar wat deed een Nederlandse monnik in Rochester aan de Engelse kant van Het Kanaal? Dat kwam zo. De Normandische hertog Willem de Veroveraar veroverde in 1066 Engeland. Hij stond een soort "Normandisering" voor van de onderworpen samenleving en daarin paste de vervanging van de enigszins weerspannige Engelse geestelijkheid door zijn eigen Benedictijners. Deze werden rond het jaar 1083 met scheepsladingen uit Frankrijk en Vlaanderen aangevoerd en vestigden zich onder meer in de abdij van Rochester waar zij zich over de bibliotheek ontfermden. Volgens een theorie zouden deze buitenlandse kopiisten die het Engels niet onder de knie hadden de aanwezige geschriften als kladpapier hebben gebruikt, wat verklaart waarom tussen het oud-Angelsaksisch van deze handschriften opeens zo'n linguistisch fremdkörper als “Hebban olla vogala nestas” opduikt. Deze gedachte vindt steun bij het feit dat er in Rochester nogal wat handschriften zijn gevonden die lijken op handschriften uit Frankrijk en Vlaanderen. De monnik die wij zoeken zou dus best eens een Vlaming kunnen zijn geweest. En Vlamingen zijn taalkundig bezien gewoon Nederlanders.

Stemmen op schrift

Er strijkt echter een vleugje ongerijmdheid over “Hebban olla vogala nestas”. Een monnik die zijn geliefde tot voortplanting aanspoort - kon dat zo maar? Bestond er niet zoiets als een kuisheidsgelofte? Ligt de kiem van onze geschreven taal soms in handen van een geestelijke die het met de kerkelijke zedenleer niet zo nauw nam? Ja, dat kon. Ten opzichte van de hedendaagse kerkmoraal is die uit de middeleeuwen verbazend ruimhartig. Lagere geestelijken zoals priesters waren soms gewoon getrouwd, hadden kinderen en hielden er aardse bezittingen als een varken en een paar bunder land op na. Onkuisheid ten behoeve van nageslacht stond niet gelijk aan zonde; dat werd het pas als de onkuisheid wat al te wellustig werd beoefend. Monniken waren behoorlijk vrij om hun liefde voor God met die voor een vrouw te delen. Onze monnik die van dit laatste zo openlijk getuigde, hoeft dus niet in overtreding te zijn geweest. Als het tenminste een monnik was en niet een non, want vertoont die onmiskenbare nesteldrang uit “Hebban olla vogala nestas” geen vrouwelijke invloeden? Het blijft natuurlijk gissen, maar ondanks het feminiene karakter van de woorden is het niet waarschijnlijk dat een vrouw deze heeft opgeschreven. Het klooster te Rochester was een mannengemeenschap, het vak van kopiist of afschrijver stond in hoog aanzien en was over het algemeen niet open voor vrouwen. Buiten de vrouwenkloosters werden deze alleen bij hoge uitzondering tot dergelijke beroepen toegelaten.

Toch hield juist deze vraag ook de Nederlandse taalwetenschapper professor Frits van Oostrom bezig en hij komt tot een verrassende veronderstelling. In 2006 verscheen zijn boek “Stemmen op Schrift” waarin hij ondermeer “Hebban olla vogala nestas“ onderzoekt. Van Oostrom is niet de eerste de beste. Zo was hij van 2005 tot 2008 president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en stond hij in 2006 op de eerste plaats van de Science Guide top 10. “Stemmen op Schrift” is het eerste deel van de beschrijving van de vroegste Nederlandse literatuurgeschiedenis die in 2013 met de verschijning van "Wereld in Woorden" is voltooid. In “Stemmen op Schrift” komt Van Oostrom na uitvoerig onderzoek tot de conclusie dat “Hebban olla vogala nestas” weliswaar door een man geschreven kan zijn, maar de uitdrukkingswijze van een vrouw verraadt. Daartoe vergeleek hij onze oertekst “Alle vogels hebben nesten behalve jij en ik - waar wachten wij nog op?” met de tekst van andere minnepoëzie. Hij vond overeenkomsten met zinnen als “Mijn lief, je bent mijn buur, je huis staat naast het mijne en toch vermijd je mij” en “Mooie dageraad, zeg mij waar kom je vandaan? Waarom bemin je een ander en niet mij?“. Deze strofen zijn afkomstig uit zogenaamde Chansons des femmes of “vrouwenliederen“ - middeleeuwse liederen waarin een vrouw haar gevoelens bezingt. De oorsprong van deze vrouwenliederen was het Iberische schiereiland waar het Kalifaat van Cordoba de scepter zwaaide.

Het Kalifaat van Cordoba

Het Kalifaat van Cordoba? Sinds het jaar 711 na Christus was nagenoeg het hele Iberische schiereiland in Moorse handen en was de Islam de heersende godsdienst. De Moorse overheersing leidde tot ongekende economische en culturele bloei die ook werd gekenmerkt door tolerantie. In geen ander Europees land stonden kunst en wetenschap op zo'n hoog peil als in het Moorse Spanje. Deze overheersing zou voortduren tot het einde van de vijftiende eeuw. Ten tijde van het ontstaan van “Hebban olla vogala nestas” had de Moorse invloed de Iberische bevolking al vier eeuwen in zijn greep en dat had ongetwijfeld ook gevolgen voor de taal. Van Oostrom schrijft dat de vrouwenliederen waaraan hij refereert in het Arabisch waren geschreven, op de laatste strofe na die in de volkstaal was, het Spaans. Natuurlijk zegt Van Oostrom niet dat “Hebban olla vogala nestas” uit Spanje komt, om van een Arabische of Islamitische oorsprong te zwijgen. Hoogstens het genre kwam uit die richting. Kennelijk voelden Hispano-Arabische vrouwen zich vrij in het ontwikkelen van hun eigen liedkunst en vond deze onthaal bij hun seksegenoten in het latere West-Europa. Maar deze Noord-Afrikaanse betrokkenheid - hoe gering ook - bij de oorsprong van onze geschreven taal vormt een aardige en actuele connotatie.

© 2011, 2013

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Meer over taal:

Engelse woorden in het Nederlands gaat over nieuwe werkwoorden die onze taal vreemd doen klinken. Dat komt niet door het Engels, maar doordat onze grammatica er rare dingen mee doet. Met een overzicht van de vreemdste vervoegingen.
Iets stevig neerzetten is een eigenschap van copywriting. Copywriters maken daarbij dankbaar gebruik van de De hyperbool: de allesovertreffende trap - een stijlfiguur die ons bevattings­vermogen soms te boven gaat.
In 20 Tips om zelf je levensverhaal te schrijven vind je allerlei praktische tips om je eigen levensverhaal op schrift te stellen. Lees hier over schrijfplannen, lijdende en bedrijvende vorm, cliché's, waarom je je tekst moet detailleren en variëren en nog veel meer, tot en met opmaak en drukker.
Een paar woorden weglaten kan een (reclame)­boodschap een stuk krachtiger maken. Er is zelfs een naam voor. Lees De ellips: de kracht van het weglaten.

Kenneth Sisam

Je zoekt tevergeefs zijn standbeeld in ons land. Geen straatje is naar hem vernoemd. Kenneth Sisam (1887-1971), de man die het Nederlands zo'n sierlijke start gaf, was een onopvallende lexicograaf uit Nieuwzeeland. In 1931 deed hij in de Bodleian Library in Oxford onderzoek naar het Bodley 340 handschrift met Angelsaksische preken toen hij daar de inmiddels beroemde regels op een lege bladzijde aantrof. Dankzij zijn fenomenale taalkennis herkende hij direct de afwijkende herkomst van de woorden. Sisams verblijf in de bibliotheek berustte niet op toeval. Als student was hij naar de universiteit van Oxford gekomen, niet alleen om verder te studeren maar ook om college te geven in oud- en middel-Engels. Dat deed hij zo voortreffelijk dat een andere beroemde mediëvist, J.R.R. Tolkien, zei dat hij “blij was de colleges van Sisam te hebben bijgewoond”. Tolkien, later net als Sisam hoogleraar te Oxford, verwierf wereldfaam met zijn epos “In de Ban van de Ring” (“The Lord of the Rings”). Hij werkte mee aan het bekendste werk van Sisam, “Fourteenth Century Verse and Prose”, dat generaties lang verplichte kost was voor wie aan de universiteit van Oxford Engels wilde studeren.
Portret van Kenneth Sisam

Kenneth Sisam in 1959.

Sisam werd in 1917 hoogleraar aan Oxford. Hij schreef talrijke boeken en publicaties. Hij was lang verbonden aan de Oxford English Dictionary en de Oxford University Press. In 1948 trok hij zich terug op de Scilly eilanden waar hij nog een aantal publicaties het licht deed zien voordat hij in 1971 overleed.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken