Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Werra

Een grot zo groot als een berg – zo had iedereen die het had gezien zijn kamp omschreven. De berg was een hoge begroeide heuvel in het Maluk-massief in het Zuidoosten van het gebergte, waaruit aan de zuidwestelijke kant een enorme hap was genomen. Water afkomstig van neerslag en van een langverdwenen onderaardse rivier – wie zou het zeggen - had in het schemerduister van de oertijd de kalksteen uit het binnenste van de heuvel opgelost en afgevoerd. Na millennia van ongestoorde erosie was de heuvel van binnenuit uitgehold en was daarin een enorme zaal gevormd. Een aardbeving, zoals in dit gebied wel vaker voorkwam, had een deel van de buitenschil doen instorten en de grote ruimte blootgelegd. Er was een reusachtige spelonk ontstaan die aan een kant open was en naar alle andere kanten toe beschutting bood en die werd overhuifd door de top van de berg. De brokstukken van de ingestorte wand waren in de regens van opvolgende millennia geleidelijk aan opgelost.
De wanden van de spelonk waren hoog oprijzende rotsen die aan de onderzijde een paar horizontale richels als een soort balkons hadden en naar boven toe glad waren alsof ze door een reusachtige trol waren gepolijst. In de achterwand, ook aan de onderzijde, bevonden zich de ingangen van een paar kleinere grotten die vanaf de balkons bereikbaar waren en die diep de berg inliepen.
De plek was ideaal voor zijn plannen. Wie de ruimte onder de berg betrad werd overweldigd door zijn reusachtige afmetingen. Zijn bezoekers zouden niet anders dan onder de indruk kunnen zijn van een dergelijke troonzaal en die indruk zou bijdragen aan zijn eigen grootsheid. Van de kleinere grotten had hij er een voor zichzelf gereserveerd. Voor hem geen kuil, half ingegraven onder een spar of wilg, of een verlaten hol waarin na een nachtelijke regenbui de plassen staan. Het massieve hart van de berg bood hem meer dan alleen beschutting. De poreuze kalksteenformatie om hem heen zorgde ervoor dat zijn woongrot in de zomer koel was en in de winter warm. Zijn grot mondde aan een kant uit op een van de hogere balkons, ongeveer in het midden van de achterwand. Zo kon hij met een enkele pas een hem toekomende verhevenheid bereiken van waar hij zijn wolven kon aanschouwen die in de open ruimte onder hem verbleven. Grote zwarte wolven met gele ogen. Hij kon ze zien vertrekken om de missies uit te voeren waarop hij ze had uitgezonden en hij kon ze daarvan zien terugkeren. Hij kon de wachters zien die hij aan de grens had geplaatst om erop te letten dat geen levend wezen zonder zijn toestemming de grot onder berg zou naderen. Hij kon zijn wolven zich zien bekwamen in de taken die voor hen had uitgekozen, zoals discipline, vechten, lopen, sluipen, verkennen. Zijn zwarte wolven waren daar, beschermd tegen de noordelijke en oostelijke winden, sneeuwbuien en regens, veel beter gehuisvest dan hun grijze soortgenoten. In een van de grotten naast de zijne woonde zijn uitgekozen lijfwacht van twintig grote en sterke wolven. Andere grotten waren bestemd voor gasten die je bezwaarlijk tussen de gewone wolven kon laten overnachten, voor de opslag van voedsel en voor gevangenen, want er was, helaas, ook onder zijn wolven er wel eens een die apart moest worden gehouden totdat deze voldoende bij zinnen was om weer mee te doen.

Wie was hij? Een monster, dacht hij tevreden. Hoe groot zijn wolven ook waren, hij was veruit de grootste en sterkste van allemaal. Zijn rug was langer dan die van anderen, zijn borst breder, zijn schouders waren hoger en droegen zijn kolossale nek die boven allen uit torenden. Zijn sprongen reikten verder en het gewicht waarmee hij op een slachtoffer neerkwam was verpletterend. Zijn kop was kolossaal. In de gruwelijke vang staken hoektanden als speerpunten. Nog gruwelijker was de kracht van zijn kaken waarmee hij de grootste prooi of de sterkste tegenstander met een beet kon doden. Om vriend en vijand te imponeren beet hij soms met een hap een berkenstammetje door.
Hij was de wolf geweest die in z'n eentje Koum had verslagen. De grote bruine beer resideerde in een hol in een berkenbosje, niet zo ver van zijn grot. Koum had een hekel aan rustverstoorders en in het bijzonder aan wolven. Als hij ze in de gaten kreeg, zat hij ze tot aan de grenzen van zijn rijk en soms daarbuiten achterna. Dat was geen pretje omdat hij, als alle bruine beren, ook erg snel was. Menig vermoeide wolf, die per abuis in Koums gebied terecht was gekomen, had zijn vermetelheid met een dodelijke klap van de machtige voorpoten van de sprintende beer, die in volle ren naast hem was opgedoken, moeten bekopen. Koum was bovendien verschrikkelijk groot, zelfs voor een bruine beer.
Hij, Werra, had hem opgezocht en uitgedaagd. Niet om andere wolven te beschermen, maar omdat het onverdraaglijk was dat iets in zijn buurt meer werd gevreesd dan hij. “Hé, bruintje,” had hij luidkeels geroepen en was zijn berkenbosje binnengewandeld. Koum lag in zijn hol en opende zijn ogen. Als hij nog niet voldoende was gealarmeerd door het geroep, dan werd hij het wel door de vermaledijde geur van wolf. “Koumie, Koumie, kom dan!,” klonk het. En Koum kwam. Hij schoot getergd overeind en stormde zijn hol uit. Op de open plek voor zijn hol stond de grootste wolf met de lelijkste kop die hij ooit had gezien. Alles wat groot was aan het beest verveelvoudigde Koums gewone hekel aan wolven. Hij ging grommend, in dreunende galopsprongen en in kaarsrechte lijn op hem af. Maar Werra ontweek de beer, dook onder zijn maaiende voorpoten met de grote klauwen door en sprong naar zijn rug waar hij zijn moordadige tanden in zijn schouders zette. Koum schudde, raakte de wolf niet kwijt en liet zich ruggelings op de grond vallen. De wolf liet op het laatste moment los en ontweek zo de honderden kilo”s zware beer die plettend op weg was naar de rotsige bodem, maar kreeg nu de gelegenheid Koum naar zijn keel te vliegen. Zo ging het gevecht nog een hele tijd door, totdat uiteindelijk Werra als triomfator uit het berkenbosje tevoorschijn was gekomen.
Nog meer dan met zijn indrukwekkende verschijning was hij ingenomen met de kracht van zijn verstand. Als het op slimheid aankwam, had hij onder de wolven zijn gelijke niet. Maar hij was bovendien een krachtige leider die de beperkingen van de wolvenwereld zag en daarin voor zijn eigen volk verandering had gebracht. Hun roedelstructuur, ideaal voor het overleven in kleine groepen, was ook hun zwakte als het om het grotere geheel en het hogere doel ging dat hem voor ogen stond. Zijn kracht school ook in zijn meedogenloosheid die om de hoek kwam zien als zijn overtuigingskracht te kort schoot. Hij had altijd zijn formidabele kaken beschikbaar om anderen zijn wil op te leggen.
Zijn volk groeide. Dit uitstekend beschutte woongebied was ongetwijfeld een van de redenen voor de voorspoedige aanwas, ook al schiep dat een nieuw probleem. De overhuifde ruimte begon behoorlijk vol te raken en de oorspronkelijke rijkdom aan wild van dit gebied was door de grote vraag nagenoeg uitgeput. Hoewel wolven van nature hun eigen voedsel zoeken en eten, had hij de zijne verdeeld in groepen van jagers en eters. De jagers bekwaamden zich in het vinden van prooi en sleepten het vlees mee naar de grot als voedsel voor de eters die andere taken moesten verrichten. Maar de jagers moesten het voedsel over steeds grotere afstanden aanvoeren. Om dit probleem het hoofd te bieden moest hij andere geschikte woongebieden met een ruime wildvoorraad vinden. Het liefst snel, want hongerige wolven zijn ongehoorzaam en gaan hun eigen gang. Het paste niet in zijn plannen om zijn wolven volgens hun geaardheid in hun natuurlijke structuur van kleine roedels met een eigen territorium te laten terugvallen. Ze zouden zich onmiddellijk verstrooien en zich weer toeleggen op hun individuele belangen in plaats van die van de gemeenschap als geheel. Zíjn gemeenschap. Dat was een van de redenen geweest om de oude familiale roedels op te heffen en te vervangen door nieuwe, waarin niet de gezinsvoorkeuren maar de kwaliteiten voor de gemeenschap doorslaggevend waren. De woongebieden die hij zocht moesten dus gebieden zijn zoals zijn grot onder de berg waar meer roedels onderdak zouden kunnen vinden die tegelijkertijd door zijn kapiteins onder controle konden worden gehouden. Dat had nog een voordeel: het zouden bolwerken zijn in zijn strijd tegen hun voornaamste vijand, de mens, en in zijn streven naar meer greep op de dierenwereld.
Hij was er tot in het diepst van zijn ziel van overtuigd dat in die strijd zijn lotsbestemming lag. De mens – wat was dat voor wezen? De mens was een prooidier dat absoluut niet tegen een wolf was opgewassen, dat zelfs amper tot verzet in staat was hoewel hij groter en meestal zwaarder was dan een wolf. Hij had van konijnen die hem in hun doodsangst probeerden te bijten meer weerstand ervaren dan van mensen, en wat was nu een konijn? Zelfs groepen mensen waren voor hem uiteengestoven. Maar aan de andere kanten waren er ook mensen die bleven staan en die in staat waren een wolf op afstand te doden en die honden bij zich hadden. Honden! De mens zou voor een hond ook een prooi moeten zijn, maar het was precies omgekeerd: de hond deed wat de mens van hem verlangde. Ze waren slim, mensen. Als je achter ze aanzat klommen ze in een boom zodat je niet bij ze kon komen. Ze woonden in stenen huizen, een soort kamp dat ze helemaal omhulde en dat zo sterk was dat je ook al niet bij ze kon. En ze hadden vuur! Vuur om hun nachtblindheid te verlichten, de kleumerigheid van hun vachtloze lichamen op te heffen en om wolven schrik aan te jagen.
Dat ze moeilijk waren te pakken was nog tot daar aan toe. Veel erger was het dat ze je je leefgebied afnamen. De opstand der prooidieren! Ze hakten bossen om of brandden ze plat, joegen het wild weg, maakte van de grond weiden en akkers, bouwden er hun huizen. Of ze trokken de bossen in en doodden alles wat ze tegenkwamen, wolf, ree, hert, das, haas, lynx, beer. Hij had hem gezien toen de mensen weer weg waren, een gewonde bruine beer, met in zijn klauwen de macht om een wolf meters ver weg te slingeren, om een mens als een luis te pletten, die zich alleen tussen de bomen van zijn domein had vertoond om zijn jongen te beschermen of zijn voedsel en niet eens om de binnendringer aan te vallen, kansloos geveld, bloedend uit vele wonden. Hij had de lynx horen gillen die geraakt was door de laffe dood op afstand. Om te zwijgen van de wolven die hij gedood had zien worden.
Ze waren slim en wreed, deze prooidieren die de bedreigers van zijn volk waren geworden en in tal en last toenamen. Maar in hem was de Stem ontwaakt die hem had verteld dat je slimheid alleen met slimheid kunt bestrijden.
- “Leer van je tegenstanders,” had de Stem tegen hem gezegd. “Als die slim zijn en wreed, wees dan slimmer en wreder. Verzamel je volk op de manier waarop zij dat hebben gedaan.”
Hij had de mens en zijn gewoontes bekeken. Hij was slimmer en wreder geworden. Hij had van zijn wolven gehoorzaamheid geëist en elk verzet genadeloos de kop ingedrukt. De Stem in hem zei:
- “Goed. Je bent slim en wreed. Je volk gedijt. Je hebt ze een prachtig onderkomen gegeven. Nu gaat het om macht.”
- “Wat is macht,” had hij gevraagd. De Stem antwoordde
- “Dat is dreigen met slimheid en wreedheid.”
Het was niet op slag duidelijk geweest, een probleem dat hij wel vaker met de Stem had. Is dreigen met iets erger dan het iets zelf? Daarom zei de stem:
- “Denk aan een konijn. Hij weet dat je hem opeet. Stel nu eens dat je tegen hem zegt: “als je mij een ander konijn bezorgt, eet ik je niet op.” Dat konijn gaat onmiddellijk op zoek naar een ander konijn, bedenkt een of andere smoes en ze komen met z'n tweeën naar je toe. Zonder dat je er achteraan hoeft te rennen, komen er een konijn naar je toe! Daarna komt het volgende konijn aangerend, en daarna nog een. Zolang je dat eerste konijn niet opeet, zal hij ervoor zorgen dat er steeds een ander konijn voor je klaarstaat. Dat is macht.”
De Stem had hem geleid, had hem onmiskenbaar de goede adviezen gegeven en was steeds belangrijker voor hem geworden. “Ben jij – mij?,” had hij de Stem op zeker moment gevraagd. “Nee, jij bent mij,” had de Stem geantwoord. Hij had daarover moeten nadenken. Als hij niet mij is, hoe kan ik dan wel hem zijn? Daarom vroeg hij het nog een keer: “Ben jij mij?” “Nee,” zei de stem, “jij bent mij, zoals er velen mij zijn zonder dat ik hen ben.” Het had het niet echt duidelijker gemaakt, al had hij wel begrepen dat hij deel uitmaakte van iets dat groter was dan hemzelf. Het gaf hem niet het gevoel dat hij zich had uitgeleverd, wel dat hij een machtige bondgenoot had.
Daarna had de Stem hem gezegd: “Je hebt je volk verzameld – waarom zou je niet alle wolven verzamelen. Bedenk dat macht verleiding is – denk maar aan het konijn.”
Eigenlijk waren alle wolven verzameld onder de wolvenkoning. De wolvenkoning en zijn Hoge Raad vormden in zijn ogen een krachteloos instituut van wat oude wolven die om hun eerbiedwaardigheid en beslist niet om hun daadkracht waren verkozen als leiders van de wolvengemeenschap. En wat een leiderschap. Ze namen zelden een besluit, en als ze dat al deden was het doortrokken van een weekhartige meegaandheid. Zoals het laatste besluit, waarin de wolvenkoning had gezegd dat er weliswaar minder leefgebied was, maar dat er ook minder wolven waren en de zaak dus weer in evenwicht was. Je mocht blijkbaar best leefgebied afpakken als je er maar tegelijkertijd voor zorgde dat het aantal tegenstanders met een evenredig deel werd verminderd. Zoiets kreeg je als niet de eer, maar de eerbiedwaardigheid gerespecteerd moest worden. Het was tijd voor een nieuwe leider.
Daarom had hij Stern geroepen. Stern was gezegend met een fluwelen tong en een voorbeeldige sluwheid en om deze kwaliteiten had hij hem aangesteld als zijn ambassadeur. Stern was erin geslaagd Asa, de leider van de slechtvalken, binnen zijn kamp te brengen. Nu had hij hem gezegd te gaan praten met de leden van de Hoge Raad, met de wolvenkoning zelf desnoods, en ze roem, aanzien en macht aan te bieden als ze zich met hun volgelingen achter hem wilden scharen. Maar Stern was teruggekomen met het bericht dat er misschien een paar twijfelaars waren, maar dat de meesten niet wilden. “Ik heb gedreigd met slimheid en wreedheid, maar ze lachten me uit,” zei Stern. “Toen heb ik ze aanzien, roem en macht in het vooruitzicht gesteld, maar ze zeiden dat ze eenvoudige wolven waren en dat wilden blijven omdat Lupa ze zo had gemaakt.”
Dat had hij de Stem gezegd.
- “Wie is Lupa?,” vroeg de stem.
- “Lupa is de godin van de wolven. Zij symboliseert de eenvoud, moed en onbaatzuchtigheid en zij maakt de wolven ongevoelig voor macht.” Het was even stil.
- “Lupa,” donderde toen opeens de stem, “ik ken alle engelen aan het firmament maar ik ken geen Lupa. Ik zeg je, Werra, Lupa bestaat niet. Zoek het symbool van de macht! Houd het hen voor. Laat hen knielen. Zoek de catena van het goede.”

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken