Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Sara en Tibor

“Staarten, dat is wat ik goed heb leren kennen. Je hebt ze in alle soorten en maten. Fiere staarten van glanzend zwart haar die als een achterwaartse gerichte vaan werden gedragen, onverzorgde staarten waaraan de opgedroogde modder was blijven kleven, pluimige en mottige staarten die de eigenaar of eigenares tussen de achterpoten probeerde te verbergen. Aan de staart herken je de eigenaar. Niemand had zo'n mooie trots-gehevene en strijdvaardige gehad als Tarras, de onverschrokkene. Die van Tibor vertoonde tijdens het lopen een neiging tot inzakken die hij met al zijn gelik en gepoets niet kon verhelpen omdat de oorzaak niet in de beharing school, maar tussen zijn oren zat. Amanda werd geheel in stijl met haar wormstekige karakter afgerond door een schaverottig staartje dat in een krul onder haar buik uitkwam. Sara keek mistroostig naar de deinende zwarte ruggen van haar metgezellen die voor haar uitliepen, heuvel op, heuvel af, onder de eindeloze bomen door. Ze waren dagen achtereen westwaarts gegaan en nu liepen ze oostwaarts, maar voor de ruggen en staarten in haar bikveld maakte het geen enkel verschil. Omdat ze haar niet vertrouwden mocht ze niet voorop lopen – alsof ze zou kunnen ontsnappen met al die wolven achter zich aan – waar ze tenminste iets anders te zien zou krijgen dan staarten, een boom of een leuke struik dacht ze niet zonder cynisme, en evenmin mocht ze achteraan lopen waar ze er ongemerkt vandoor zou kunnen gaan, stilletjes de pleiterik kiezen.
De cadans van het lopen, die alleen werd onderbroken door een sprong over een boom of een kuil, had tot voordeel dat ze goed kon nadenken. “Ten eerste,” zei ze tegen zichzelf, “komt er, lang voordat we terug zijn, een moment waarop ik er niet alleen vandoor kan, maar waarop ik mij dat ook bewust ben.” De zekerheid van deze gedachte was gebaseerd op een paar nuchtere waarnemingen en schonk haar vertrouwen en rust. “Ten tweede: kansen moet je zien. Dat ik nog niet weg ben is mijn eigen schuld.” Ze had gemerkt dat het haar vooral aan oplettendheid en doortastendheid had ontbroken bij de beoordeling of een situatie een kans was. Een kans werd bepaald door de waakzaamheid van haar vermoeide groepsgenoten en ze had gemerkt dat die regelmatig steken lieten vallen. Zo viel de groep, die ze nog steeds probeerde op te houden door te doen alsof haar poot pijn deed - in werkelijkheid deed die dat niet meer - vaak in twee of meer delen uiteen, waarbij alleen de meest vermoeide wolven bij haar achterbleven. Het was de vraag of deze een serieuze poging zouden doen haar te achterhalen als ze er vandoor ging, vooral omdat zij door de rust die ze zichzelf had gegund in een redelijke conditie verkeerde en dus snel een flinke voorsprong zou kunnen nemen. Het was alleen de vraag hoe lang ze die zou kunnen vasthouden als de snelste lopers achter haar aangingen. Het feit dat haar poot geen pijn deed betekende nog niet dat hij langdurig tot uiterste kon worden belast. Eigenlijk was elke nacht waarin de anderen lagen te slapen een goede gelegenheid om een ontsnapping te wagen, ook al zouden ze snel wakker zijn en de achtervolging inzetten.
Dat ze dat nog niet had gedaan kwam ook doordat ze niet wist wat Tibor eigenlijk aan het doen was. Zat hij nu achter de groep van Rufa en Gurd aan of was hij op weg naar huis? Zo lang ze achter Rufa en Gurd aanzaten, was het verstandig om bij de groep te blijven en mee te liften. Uiteindelijk was de roedel van Rufa en Gurd het doel dat ze zich voor ogen had gesteld. Geen enkele wolf of wolvin gaat voor zijn of haar plezier het ongewisse van een eenzaam bestaan tegemoet. Iedereen die dat overkomt is, om wat voor reden ook, weggestuurd. Sommige van deze eenzamen vinden elkaar en beginnen met hun nakomelingen een nieuwe roedel, maar velen komen om en slechts een enkeling wordt door een andere groep opgenomen. Toen haar dat in de groep van Rufa en Gurd wel leek te overkomen, had ze gedacht dat het fortuin eindelijk eens haar zijde had gekozen. De groep deed haar aan haar eigen familie denken, ook al waren Rufa en Gurd heel anders dan haar eigen ouders. Maar nog geen twee dagen later waren de kansen al weer gekeerd en zat ze weer tussen haar vroegere metgezellen. “Als ik iets om anderen geef, gaat het mis,” had ze vaak gedacht. Zo was het met haar familie gegaan, met Sebastiaan en nu met de groep van Rufa en Gurd. De gedachte dat het die anderen nog slechter verging dan haarzelf was benauwend.
Ondanks de korte duur van haar verblijf bij Rufa en Gurd en ondanks het feit dat ze al weer dagen terug was in haar oude groep, bleef ze naar hen verlangen, al had ze de hoop opgegeven dat ze ze ooit nog zou zien. Zij hadden hun eigen belangrijke opdracht die niet te verenigen viel met een poging haar te bevrijden. Soms zag ze achter een struik iets grijs schemeren dat haar hart deed opspringen, maar het was altijd een stuk rots en het waren nooit de grijze wolven die klaarstonden om haar op te vangen en haar achtervolgers te verjagen. Onder het lopen keek ze nog regelmatig naar de lucht om te zien of ze Balo ergens kon bespeuren. Ze volgde gespannen elk donker vogelsilhouet dat ze tegen de achtergrond van de lucht zag vliegen, maar het was steeds een merel, een duif of een kraai en een enkele keer havik die over de boomtoppen scheerde. Een paar keer hoorde ze in het bos het luide staccato van een specht die een hol in een boom uithakte of voedsel onder de schors zocht. Het zou een mooie manier van Balo zijn geweest om haar zijn aanwezigheid onopvallend luidruchtig bekend te maken omdat het geluid volkomen normaal was en geen argwaan onder haar bewakers wekte, maar het was Balo nooit.
Maar ondanks het feit dat ze de hoop had opgegeven, bleef ze proberen de groep van Tibor op te houden. Hier, ver weg van Werra's grot, voelde ze zich beter op haar gemak en zou ze meer kans maken een eenzaam avontuur te overleven, zelfs als ze niet op de een of andere manier bij Rufa en Gerd kon terugkomen. Ze zou naar hen op zoek gaan en als dat niets opleverde naar hun oude, vredige en goed van voedsel voorziene territorium kunnen terugkeren. Misschien kwamen zij daar later ook wel terug. Al het geoefen van Werra had tot gevolg dat ze zich beter in haar eentje kon handhaven en met het vangen van prooidieren geen problemen meer had.

Tibor probeerde zo snel mogelijk vooruit te komen en had daarom de route gekozen die vlak langs het dal liep. Hij volgde aanvankelijk het riviertje de Drenk stroomopwaarts om deze, waar deze tot een simpel stroompje was teruggebracht, over te steken en dan weer een stuk zuidoostwaarts te gaan in de richting van het dal van de Drenk. Het was geen verbazende keuze want het was de enige route die Tibor kende omdat ze die ook op de heenweg hadden gevolgd en die ze behoedde voor de problemen die hogerop de hellingen te verwachten waren. Maar dat betekende nog niet dat deze route eenvoudig was. Ook Tibors pad werd gekruist door hindernissen als ravijnen en steile hellingen met losliggend puin waarop ze langzaam vooruit kwamen en zijn vermoeide wolven hun poten konden verwonden, en bovendien moest hij zich een weg banen door kreupelhout en struikgewas dat hier onder de dicht opelkaar staande bomen veel rijker groeide dan op grotere hoogten. Hij keek verlangend naar de vlaktes die in het dal lagen dat hij af en toe tussen de bomen door kon zien liggen. De velden waren vlak. De weidegronden en afgehaalde en omploegde akkers zagen er veel begaanbaarder uit dan het terrein waar hij doorheen ging. Waarom liepen ze daar niet? Tarras had hem op de heenweg duidelijk gemaakt dat daar mensen woonden en dat die gevaarlijk waren. Maar zoals alles wat Tarras hem had verteld was ook dit summier geweest. Waarom waren mensen gevaarlijk, gevaarlijker dan bijvoorbeeld een beer of andere wolven? Hij had nooit een mens ontmoet. Natuurlijk, hij kende ook de verhalen over de dood op afstand en ze waren verontrustend. Maar hier moest je dat risico afwegen tegen het voordeel dat ze sneller zouden kunnen opschieten. En snelheid was een begrip dat zich in Tibors brein had vastgezet. Ze moesten snel zijn om Werra tijdig te berichten dat Tarras had gefaald in zijn opdracht, welke dat ook mocht zijn, dat hij was gevallen en hem, Tibor, niet had verteld wat zijn instructies waren en dat hij toen zo snel mogelijk was teruggekomen om nieuwe opdrachten uit te voeren. Dat Tarras hem niets had verteld – ook al had hij dat juist wel gedaan – was helemaal volgens de regel dat niemand meer mocht weten dan strikt genomen noodzakelijk was. Tibor had de troep bekwaam geleid en verdiende daarom nu het leiderschap van een eigen roedel. Hij voelde er niets voor met zijn verzwakte groep nog eens de confrontatie met de groep van Gurd aan te gaan. Hij was niet zo'n ijzervreter als Tarras en als de regels hem de mogelijkheid boden de betrekkelijke luwte van de terugweg op te zoeken, deed hij dat graag. Bovendien ging de groep van Gurd blijkbaar dezelfde kant op als hij en was het zelfs voor de leden van zijn eigen groep lastig te beoordelen of ze nu in de achtervolging waren of op de terugweg. Het kwam niet in Tibor op dat minder haast ook meer luwte betekende. Het vooruitzicht van een promotie dreef hem voort.
Hij nam zich voor om zodra de mogelijkheid zich voordeed, de dalen te kiezen en te profiteren van het betere terrein dat deze boden. Maar voorlopig bleef hij in de heuvels langs de Drenk. Hij had op de heenweg al de indruk gekregen dat ze door de dalen te volgen een grote omweg maakten. Hij zou zich niet verliezen in nodeloos geslinger door het bergland en de riviertjes waarvan de loop zijn voortgangsrichting kruiste gewoon oversteken.
Hij was niet zo'n ijzervreter - terwijl hij naast zijn groep voortdraafde, speelde de zin door zijn hoofd. Het was een keurige omschrijving voor iets wat hij miste: moed. Of misschien kon je beter zeggen dat hij onbezonnenheid miste. Hij moest denken aan wat zijn moeder hem had verteld. Na de geboorte van zijn broers en zusjes en van hemzelf hadden de volwassen leden van de roedel zich over hen ontfermd. De zieke en zwakke wolfjes werden eruit gehaald en doodgebeten. Gruwelijk, zijn moeder had moeite om het te vertellen, maar noodzakelijk omdat de groep nu eenmaal sterke leden nodig had om de veiligheid en het voortbestaan van allen te verzekeren. Maar de brutaalsten werden al evenmin gespaard. De groep had ook geen behoefte aan eigengereide waaghalzen en lefgozertjes die de anderen alleen maar in problemen konden brengen. Niemand had er iets aan als een obstinate puber in zijn overmoed de leider uitdaagde. Evenmin was het prettig als een onbezonnen jonge wolf ruzie maakte met een lid van een andere groep. Voor beide roedels geldt de onwrikbare regel dat ze hun leden moeten bijstaan. Het gevolg zou een geweldige vechtpartij tussen twee roedels zijn geweest die wellicht doden en gewonden zou opleveren en om niets anders ging dan wat tiener-baldadigheid .
Hij was toen hij werd geboren beslist niet zwak of ziek geweest. Om vast te stellen of je tot de brutalen behoorde, gaven de ouderen je een por met hun neus en keken hoe je reageerde. Het beste was om gewoon door te gaan met wat je aan het doen was: drinken, spelen, slapen. Je moest beslist niet proberen speels in de neus te bijten die je bijna door de lucht deed vliegen of naar een poot te kruipen van de volwassen wolf om te kijken of je daar misschien je tanden, voor zover je die al had, in kon zetten. Als je dat deed, maakte je duidelijk dat je geen respect voor de ouderen had en later ongevoelig zou zijn voor de roedeldiscipline en dus beter meteen kon vertrekken. Dan werd je verstoten.
Dat was het ergste, had zijn moeder hem verteld. Dat een ziek wolfje een hoop narigheid met een snelle beet werd bespaard, was ellendig maar begrijpelijk. Maar een gezond, misschien wat te gezond kind verstoten te zien worden was ronduit verschrikkelijk. Het welpje werd weggeduwd totdat het op een behoorlijke afstand van de roedel was en moest op die afstand blijven. Na korte tijd kreeg het honger en begon om zijn moeder te roepen. Hij was immers nog veel te jong om voor zichzelf te zorgen. Maar zij mocht niet bij hem komen en hij al evenmin bij haar. Kwam het toch dichterbij dan werd het met een knauw door een van de volwassenen weggejaagd, zonder dat zijn moeder iets voor haar kind kon doen. De wetten van de roedel waren onverbiddelijk. Dagenlang bleef het jong piepend om de roedel heen hangen. Zijn moeder deed alsof zij het niet hoorde, maar het leek wel alsof met het zwakker worden het gepiep alsmaar luider en hartverscheurender klonk. Zijn moeder vertelde dat ze een keer naar de leider was gegaan en hem had gevraagd of zij niet naar haar jong toe mocht om het in elk geval te zogen, maar de leider had dat botweg geweigerd. Daarna had ze hem gevraagd haar welpje nog eens met zijn neus te porren om te zien of hij nog steeds ongehoorzaam was. Maar ook dat weigerde hij omdat het een inbreuk was op de ijzeren wetten. Ze moest een voorbeeld nemen aan hem. Hij was immers de vader en het was dus ook zijn jong dat daar liep te piepen. Dat ging hem, net als haar, aan het hart. Maar van hem, de leider, werd het goede, eeuwenoude voorbeeld verwacht. Hoe groot haar verdriet was, zij moest ook aan deze wetten gehoorzamen. Haar zusters en vriendinnen hadden allemaal wel een keer hetzelfde meegemaakt. Het beste was als het onbeholpen en hongerige gepiep van haar jong een beer aantrok die hem uit zijn lijden verloste. Maar het was en bleef verschrikkelijk.
Hem was dat bijna overkomen. Zijn moeder had hem verteld dat toen de ouderen hem hadden bekeken zij twijfelden of hij voldoende geneigd was de groepsdiscipline aan te nemen. Een had hem zelfs in de bek genomen alsof hij hem al wilde wegbrengen, maar de anderen hadden hem daarvan weerhouden. Hij was te jong geweest om zich het voorval te kunnen herinneren, maar hij beriep zich er graag op omdat het een verklaring gaf voor het gebrek aan moed dat hem wel eens werd verweten. “Ik weet waartoe onbezonnenheid leidt,” zei hij dan, “ik viel volwassen wolven aan toen ik een paar dagen oud was.” Dat laatste had hij er zelf bij bedacht omdat het daardoor leek alsof hij al over lef had beschikt voordat de anderen hun ogen hadden geopend en bezonnenheid niet anders was dan een volgend stadium, alleen toegankelijk voor wolven die in hun jeugd uitzonderlijke moed hadden getoond. Of het werkelijk een verklaring voor zijn halfhartigheid was, wist hij niet.
Ooit zouden ze allemaal vertrekken, vertelde zijn moeder, weggestuurd door de leider en de groep die hen als toekomstige rivalen zag, of door de leidende wolvin die jonge wolvinnen als mededingsters beschouwde. Maar dat was normaal en zou daarom niet zo erg zijn. Ze zouden opgewassen zijn tegen een leven buiten de groep en hun eigen roedel stichten.
En zo was het ook gegaan. Tibor had zijn eigen groep gesticht totdat Werra was gekomen. Weliswaar niet in eigen persoon maar in de gedaante van Stein, zijn afgezant, die hem had opgezocht en overgehaald zich bij de groep van Werra aan te sluiten. Het had hem een aanlokkelijk aanbod toegeschenen, vooral omdat Stein hem een hoge positie in de rangen van Werra in het vooruitzicht had gesteld. Dat laatste had even op zich laten wachten, maar het leek er nu op dat dat spoedig zou worden verwezenlijkt.
- “Er zit een vogel op je te wachten.”
De woorden rukten hem los uit zijn gedachten. Kars, die voorop liep om de weg te verkennen, was naar hem toe gekomen.
- “Het is een raar beest. Hij vroeg eerst naar Tarras. Ik heb hem verteld dat die er niet was. Ik heb maar niet gezegd dat 'ie dood was. Toen wilde hij weten wie dan de baas was. Ik heb hem gezegd dat jij dat was. Nu wil hij jou spreken.”
Een paar passen verderop opende het bos zich om plaats te maken voor een meer dat een kleine hoogvlakte besloeg. Het meer, eigenlijk een groot ven, werd aan alle kanten omzoomd door dennen- en sparrenbomen die zich in het stille donkere water stonden te spiegelen. In het midden van het meer was een eilandje dat met naaldbomen was begroeid. De bomen stonden zo dicht tegen de rand van het water dat het leek alsof ze op elk moment van het eilandje konden afvallen.Tussen het water van het meer en de bomen op de oevers bevond zich een zandige strandrand. De vogel zat op een boomstam aan de rand van het meer. Het was een behoorlijk grote vogel. Tibor liep op hem toe.
- “Ik ben Tibor.” zei hij. “Ik heb het commando overgenomen van Tarras.”
De vogel keek hem aan met zijn omkranste ogen die fel aan weerszijden van zijn gekromde roofvogelsnavel uit zijn zwarte kopveren oplichtten. Zijn halsveren waren bijna wit en gingen ter hoogte van zijn buik over in een luipaardachtig patroon van donkere en gelige veren. De vleugels die hij zijdelings had samengevouwen en alleen uitsloeg als hij ging verzitten en zijn evenwicht herstelde, hadden aan de onderzijde dezelfde tekening als de buik, maar waren bovenop donkerder. Het geheel gaf hem een vervaarlijke uitdrukking. Tibor vond de vogel, die ongetwijfeld een slechtvalk was, eerder een mooi dan een raar beest maar misschien moest het rare nog komen.
- “Waar is Tarras?,” vroeg de vogel.
- “Tarras is er niet,” antwoordde Tibor. “Wie ben jij?”
- “Ik hoor bij de groep van Asa,” zei de vogel. “Ik heb een bericht van Werra voor Tarras. Maar waarom is Tarras er niet?”
- “Ik mag daar niets over zeggen,” antwoordde Tibor. “Maar ik neem aan dat het een bericht voor zijn groep is. Wij zijn zijn groep.”
- “Waar is de gevangene?,” vroeg de vogel terwijl hij over Tibor heen naar de rest van de groep keek die inmiddels om hen heen was komen staan.
- “Welke gevangene?”
- “Als je echt de groep van Tarras bent, weet je toch wel wat ik bedoel?,” vroeg de vogel terwijl hij wantrouwend naar de zwarte wolven keek.

“Ik zag iets bruins,” zei Malin. ”Het schoot daar ergens het struikgewas in.” Ze knikte met haar kop in de richting waarin het was verdwenen. Nog voor ze was uitgepraat waren Loeban en Lasja al in de aangegeven richting onderweg, ondanks het verbod van Gurd en diens wanhopige commando”s om terug te komen. Zonder dat ze elkaar iets hoefden te verduidelijken sloten Loeban en Lasja van twee kanten het bosje in waarin ze het bruins hadden zien verdwijnen. Lasja was er het eerst. Hij sprong zonder een moment te aarzelen midden tussen de struiken. Hun tactiek werkte prima. Het bruins schoot aan de andere kant het bosje uit waar Loeban het opwachtte. Hij was er met een paar sprongen bij. Toen draaide het zich opeens om.
- “Hou op,” riep het hijgend, “ik dacht dat wolven ons niets deden.”
Het bleek een roodbruine vos te zijn. Loeban hield in. Van de andere kant van het bosje kwam Lasja er bij.
- “Is de boel soms al zo erg verziekt dat jullie ons nu als prooi zien? Of dat we vijanden zijn geworden?”
Loeban en Lasja stonden naast elkaar en keken wat dommig naar de roodbruine vos die voor hen stond. Hij was een stuk kleiner dan zij. Uit zijn spits toelopende kop keken een paar pientere ogen hen beurtelings aan.
- “Nou?” De vos had met zijn aangeboren slimheid direct in de gaten dat het initiatief van zijn bedremmelde achtervolgers op hem was overgegaan. Hij besloot zijn overwicht nog wat uit te bouwen.
- “Je schoot weg en we dachten ...,” begon Lasja.
- “Ah. Jullie dachten. Denken is goed, als je goed denkt, maar anders niet. Ken jij een andere woudbewoner die roodbruin is? Nee hè. Roodbruin betekent vos. En vos betekent afblijven! Weet je waarom?”
Waarschijnlijk wisten ze het niet. In elk geval staarden Loeban en Lasja min of meer verbluft naar het roodbruine ding dat in een toenemende graad van opgewondenheid raakte.
- “Omdat we familie van elkaar zijn. Daarom. Waarom denk je dat ik jullie niet aanval. Jullie met mijn flijmscherpe tanden aan stukken scheur. Nou? ...”
Gurd en de anderen waren inmiddels naderbij gekomen en stonden in een kring om de opgewonden vos heen die zijn betoog om zijn as draaiend op alle omstanderders afvuurde.
- “…omdat ik jullie ontzie. Omdat wij vossen geleerd hebben de banden des bloeds te respecteren. Omdat die heilig voor ons zijn. Komt niet aan wat des wolfs is, dan zal de wolf niet komen aan wat des vossen is.”
Het klonk als een schriftlezing.
- “Of omdat wij met z'n vijven zijn, misschien, en stuk voor stuk ruim tweemaal zo groot,” zei Gurd.
De vos keek hem aan.
- “Daar heb je het weer. Spierballentaal. Je praat met je staart, jongen. Hier gaat het om.” De vos draaide zijn ogen omhoog alsof hij door zijn schedeldak wilde kijken. “Koppie, koppie. Weet jij waarom een sneeuwhaas rode ogen heeft? Nee? Denk daar maar eerst eens over na voordat je met blikkerende tanden op een verwant afstuift.”
- “Een haas heeft rode ogen omdat “ie altijd worteltjes ziet,” zei Malin zachtjes, enigszins beduusd door de heftige betoogtrant van de vos.
- “Een eekhoorn is ook roodbruin net als een marter,” zei Lasja, eveneens zachtjes.
- “ … Ja, en die zijn geen familie van ons,” vulde Laerke aan.
- “Ik heb wel eens een kip gezien die roodbruin was,” zei Loeban.
- “Een kip! Ben je wel goed bij je hoofd?,” tierde de vos. “Weet je wel waar je bent. Midden in het bos. Er is in de verste verte geen boerderij in de buurt. Als hier een kip was geweest had ik “m al driekeer opgegeten. Nee, jongen, je moet met betere argumenten komen om te verklaren waarom je een familielid aanvalt.”
- “Een keer opeten was genoeg geweest,” zei Laerke.
- “Een familielid? Ik zie weinig overeenkomsten,” zei Malin.
- “Ik heb je niet aangevallen,” zei Lasja.
- “Oh nee? Je sprong zowat bovenop mij. Hoe wou je dat dan noemen? Wolf op familiebezoek bij oom Vos?”
- “Wolf wilde kijken wat er voor hem wegschoot,” zei Gurd, “het zijn rare tijden. We moeten voorzichtig zijn. Iedereen kan een spion zijn.”
De vos keek hem aan.
- “Waar horen jullie bij? Bij de weerwolven?”
- “Nee,” zei Gurd. “wij staan meer aan de andere kant.”
- “Oh,” zei de vos,
- “Waar hoor jij bij?,” vroeg Gurd.
- “Wij zijn neutraal. Vossen zijn opportunisten, zoals jullie ongetwijfeld weten. Wij hebben een groot aanpassingsvermogen. Of hier nu zwarte of grijze wolven de baas denken te zijn of dat hier mensen komen – ons is het om het even. Wij vossen zijn individuen.”
- “Waarom stel je ons dan de vraag tot welke groepering wij behoren?,” vroeg Gurd.
- “Individu zijn betekent niet dat je niet op de hoogte bent van wat er in de wereld gebeurt. Wij zijn wijd verspreid, zien alles en geven elkaar berichten door. Juist als je individu wilt zijn en blijven is dat belangrijk. Dankzij onze boodschappendienst kan ik weten wat er verderop aan de hand is. Zo heb ik gehoord dat er allerlei conflicten tussen zwarte en grijze wolven bestaan, dat de Kobolden zich roeren en de Dwergen zich aan het verzamelen zijn en dat ook de elfen zich opmaken voor een oorlog.”
Gurd dacht even na.
- “Hoe snel werkt jullie boodschappendienst?,” vroeg hij toen.
- “Snel,” antwoordde de vos. “Sommige berichten bereiken ons eerder dan belanghebbenden. Misschien wel doordat wij zelf nooit belanghebbend zijn.”
- “Kunnen jullie ook berichten van de overzijde van de bergen ontvangen?,” vroeg Malin die de plotselinge belangstelling van haar vader begreep.

(...)

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken