Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Sebastiaan

Het was Sebastiaan voor de wind gegaan. De lagere school had hij met uitstekende resultaten doorlopen, op het gymnasium had hij een klas overgeslagen en op de universiteit waren zijn hoogleraren ingenomen geweest met zijn scherpe verstand en diepe inzicht in de materie. Hij was cum laude gepromoveerd in de mineralogie. Vanzelfsprekend had een jonge man met zulke goede vooruitzichten zich een aantrekkelijke vrouw getrouwd die hem drie kinderen had geschonken en hij was directeur geworden van een mijnbouwbedrijf.
Op een avond liep hij door de verlaten gangen van zijn mijn. De dagploeg was al naar huis, de nachtploeg zou weldra met de lift afdalen. Sebastiaan wilde nog even kijken naar de plek waar hij de volgende dag een nieuwe gang zou laten boren die, als de voortekenen hem niet bedrogen, een belangrijke nieuwe ader zou opleveren. Hij was bijna bij de nieuwe boorplaats aangekomen toen hij op een kist een gedrongen gedaante zag zitten die een pijp rookte. Waarschijnlijk een verlate mijnwerker van de dagploeg, dacht Sebastiaan, maar wat bezielt hem om een pijp te roken? “Maak die pijp uit,” riep hij de man toe, “je mag hier niet roken. Straks ontploft het mijngas.” De man keek hem aan en trok bedaard aan zijn pijp die met een elegante bocht uit zijn baardige mond hing en waarvan de steel doorliep tot zijn middel waar hij overging in een gebeeldhouwde kop die in zijn hand rustte. Hij blies de rook in kunstige kringetjes uit. Sebastiaan zag dat hij klein was; zijn voeten kwamen amper bij de grond. Hij had een lange grijze baard en lang, krullerig haar. Hij keek Sebastiaan aan met twinkelende en niet-onvriendelijke ogen.
- “Heb je niet gehoord wat ik heb gezegd,” zei Sebastiaan, “ik ben hier de directeur.”
- “Dat weet ik,” zei de man, die weer een trek van zijn pijp nam en de rook in kringetjes uitblies, ”dat is genoegzaam bekend. Maar het zou verstandiger zijn als je je afvroeg wie ik ben.”
Sebastiaans verontwaardiging begon om te slaan in woede en hij brieste:
- “Eerst die pijp uit, vlegel.”
De man bleef hem aankijken en zei:
- “Ik zeg toch ook niet tegen jou dat je eerst de mijn moet dichtgooien. En maak je geen zorgen. Er is geen mijngas.”
- “Als ik zeg dat er mijngas is ...” Maar de ander maakte een afwerend gebaar.
- “Er is geen mijngas omdat ik degene ben die mijngas op je afstuurt, of niet, zoals nu.”
Hij nam nog een trek van zijn pijp.
- “We moeten even praten.”
- “Wie ben je,” vroeg Sebastiaan.
- “Ik ben Tell. Laten we zeggen dat ik een Dwerg ben. Een echte bewoner van de onderaarde,” zei hij.
- “Die bestaan niet,” zei Sebastiaan.
- “Ik ben hier en ik besta.”
- “Goed,” zei Sebastiaan schouderophalend, “wat wil je?”
- “Mijn volk woont hier vlakbij in de grond.” Hij tikte met het mondstuk van zijn pijp op de wand achter hem. “Wij zijn niet met zovelen en we hebben maar een klein beetje van de aardkorst nodig. Tot dusver konden wij goed naast jouw mijn leven en de dingen doen die wij moeten doen. Wij beoefenen ook de mijnbouw, al eeuwenlang, dus eigenlijk zijn we collega”s. Maar nu ben je van plan een nieuwe gang te gaan boren die in ons leefgebied uitmondt. Dat zou voor ons erg verstorend zijn. Wij vragen je dat niet te doen.”
- “Dat kan niet,” zei Sebastiaan, “ik heb die nieuwe ader nodig anders kan ik de mijn wel sluiten.”
- “Als je ons helpt, wijzen wij je een nieuwe en rijke ader aan de andere kant van de mijn, die je nog niet hebt gevonden.”
- “Aan de ander kant zit niets,” zei Sebastiaan, “ik heb dat uitgebreid onderzocht. Ik denk dat jullie, als jullie werkelijk bestaan en last van ons hebben, helaas zullen moeten verhuizen.”
Tells gezicht versomberde.
- “Wij kunnen niet verhuizen. Wij kunnen ons alleen maar verdedigen.”
Ze keken elkaar zwijgend aan.
- “Wij kunnen ons op twee manieren verdedigen,” vervolgde Tell na enige tijd. “We kunnen die andere ader verrijken met goud en edelstenen en we kunnen het boren naar deze ader gevaarlijk maken met mijngas.”
Maar Sebastiaan geloofde hem niet. Niet alleen geloofde hij niet in het bestaan van een onderaards Dwergenvolk, maar al zijn kennis - en die omvatte heel wat - had hem verteld dat er aan de andere kant van de mijn niets in de grond zat. Dat Tell opeens was verdwenen, had hem echter te denken moeten geven.
De volgende dag begonnen de boorwerkzaamheden. Dagenlang bleven de mijnwerkers boren en hakken en drongen dieper in de aarde door. Op de vierde dag vond er een grote ontploffing plaats waardoor de pas geboorde mijngang geheel instortte en veertien arbeiders om het leven kwamen. De nieuwe ader werd niet gevonden. Sebastiaan werd voor dit fiasco verantwoordelijk gesteld en ontslagen. Zijn opvolger begon aan de andere kant te boren en vond daar een zeldzaam rijke ader. Niemand wilde Sebastiaan meer die een ontploffing had veroorzaakt en de rijkdommen, die vlak onder de grond voor het grijpen lagen, niet had gezien. Verarmd verliet ook zijn vrouw hem en nam zijn kinderen mee. Sebastiaan trok zich terug in een grot in de bergen die hij van zijn laatste geld enigszins bewoonbaar had weten maken.
Op een morgen, toen hij zijn grot uitliep, zag hij naast de ingang Tell op een stuk rots zitten. Hij trok aan zijn pijp en blies weer rookkringen.
- “Geloof je nu dat we bestaan?,” vroeg Tell.
Sebastiaan kon niet anders dan dat erkennen.
- “Je zit daar, dus bestaat.”
- “We hebben je hard aangepakt,” zei Tell, “maar we moesten wel. Het ging om ons bestaan, althans om het bestaan van een deel van ons volk. Maar omdat het uiteindelijk voor ons goed is afgelopen, willen we je helpen. Je kunt ons roepen als je ons nodig hebt en we zullen je af en toe wat toestoppen.”
Toen was Tell, net als de vorige keer, opeens verdwenen, opgegaan als een rookkringetje, alsof hij zichzelf had opgerookt. Op de plaats waar hij had gezeten vond Sebastiaan een paar kleine stukjes goud, waarmee hij in het naburige dorp eten kon kopen. Hij merkte dat hij, nu niemand meer een beroep wilde doen op zijn geleerdheid, over andere geestelijke vermogens beschikte. Hij kon rotsen verschuiven, zoals die waarop Tell had gezeten. Hij kon de bovenlaag van de grond laten golven als een pas geploegde akker en hij kon daarnaast ook nog een greppel laten ontstaan. En misschien kon hij nog wel meer. In het dorp werd hij gaandeweg bekend als een zonderling uit de bergen, een zoeker naar goud op een plaats waarvan toch iedereen wist dat daar geen goud was te vinden. Dat hij desondanks met goud kwam, gaf ze merkwaardigerwijs niet te denken. Naar wat hij inmiddels van hem had geleerd zag Sebastiaan daarin de hand van Tell. Hij begreep nu dat Tells volk ook onder zijn grot huisde en dat de Dwergen wilde voorkomen dat hun rust door goudkoorts zou worden verstoord.
Niettemin namen de dorpelingen zijn goud graag aan in ruil voor voedsel en de andere dingen die hij soms nodig had. Maar ze wilden niet dat hij hun akkers ploegde. Dat moest met spierkracht en niet met geestkracht gebeuren, vonden ze, want je wist maar nooit waar die geest allemaal in ging zitten. Dan liep Sebastiaan weer eenzaam terug naar zijn grot diep in de bergen. De enigen met wie hij sprak waren die andere verstotenen, zoals Gorre die af en toe op haar motorfiets langskwam en hem doctor Bas noemde, Zusi, Alosia en sinds kort ook Luthilde, die met Gorre meereed. En natuurlijk met zijn buren, de beren, al sprak Sebastiaan daar met niemand over. Dat hij als zonderling werd beschouwd, was al erg genoeg. Als ook nog bekend werd dat hij met dieren praatte, kon zijn verhouding met de mensheid, en zeker met de boerenbevolking uit zijn omgeving, wel eens eens ernstig verstoord. Niettemin voerde hij, sinds hij had ontdekt dat hij met hem kon praten en hem verstaan, hele gesprekken met Socrates, de intelligentste van de drie grote bruine beren die in een grot verderop woonden. Hij was op een merkwaardige manier op ze gestoten toen hij de achterkant van zijn eigen grot onderzocht en daarin een doorgang vond. Hij was eerst naar het dorp gegaan om lampen, haken, een houweel en touw te halen en vervolgens naar zijn grot teruggekeerd om de doorgang verder te onderzoeken. Hij had een lange gang gevonden die naar meer grotten leidde die dieper onder het plateau lagen waaronder hij woonde. De gang, feitelijk de gladgeschuurde bedding van een vroegere onderaardse rivier, was nog verder gegaan. Op zeker moment was Sebastiaan op een wand gestuit. Hij had de wand onderzocht en erop gehamerd en was tot de slotsom gekomen dat het maar een dunne afscheiding was tussen de gang en een ruimte daarachter. Het had hem enige inspanning gekost voordat een brok kalksteen naar achteren was gevallen en een luchtstroom en een lichtpuntje in de verte hem duidelijk maakten dat hij niet alleen de nieuwe ruimte had bereikt maar ook een verre uitgang had gevonden. Hij hakte verder om de doorgang zo ver te vergroten dat hij er doorheen kon. Toen hij daarmee klaar was, stapte hij de spelonk binnen en liet zijn licht in het rond schijnen. Maar het eerste dat hij zag stelde hem niet gerust. Zijn lamplicht viel op de grijnzende snuiten van drie bruine beren die in een kringetje om hem heen stonden.
- “Hallo,” zei Sebastiaan. Hij klonk kalmer dan hij zich voelde.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken