Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Rufa

“Jullie moeten voortmaken,” zei Alberon. Hij stond die avond opeens voor hun neus en leek ongerust. Hij keek Rufa aan. “Werra is begonnen. Hij is met een heel wolvenleger op weg naar de grot van Umar. Je moet daar dus met een ruime bocht omheen om naar de Tingboom te gaan.”
Rufa keek bedenkelijk.
- “Dat betekent dat we niet door de Magarpas kunnen,” zei ze, “en dat we een omweg moeten maken.”
- “Ja,” zei Alberon.
- “Wat wil hij met de grot van Umar?,” vroeg Rufa.
- “Hij zegt dat hij hem nodig heeft voor zijn eigen volk en voor voedsel. Maar het gaat hem natuurlijk om macht. Umar is van groot strategisch belang voor hem.”
- “Wat doet mijn goede vriend Umar?”
Er gleed een bezorgde trek over het gezicht van de elf.
- “Werra heeft hem eerst een samenwerking voorgesteld, maar Umar zag daarin terecht geen heil. Nu probeert Werra hem er met geweld uit te krijgen en dat zal hem ook wel lukken, al heeft Umar zijn grot in een vesting veranderd.”
- “Dus Umar verdedigt zijn grot?”
- “Ja, zo lang als hem dat lukt. Hij heeft hulp van een paar andere roedels gekregen, maar dat is lang niet genoeg om Werra te weerstaan.”
- “Arme Umar.”
- “Ja, arme Umar. Ik moet nog even met iemand praten die misschien het ergste kan voorkomen,” zei Alberon. “Het maakt allemaal wel duidelijk hoe groot het gevaar is en hoe belangrijk het is dat jij op tijd bij de Tingboom bent.”
- “Maak je geen zorgen – we zullen op tijd zijn.”
- “Onderschat het gevaar niet. Er zijn er steeds meer die zich bij Werra aansluiten. Hij voelt bovendien waar het gevaar voor hem vandaan komt. En hij is niet gek. Zijn overval op Umar is een meesterzet omdat hij door het bezit van de grot de Magarpas beheerst die de zuidzijde van de bergen afsluit, zoals je zelf hebt gemerkt. Ik verwacht dat hij meer van dat soort streken uithaalt. Hij weet dat de voornaamste oppositie tegen hem uit het Westen komt. Hij weet dat daar ergens de graal vandaan moet komen. Hij kan zich de route zonder veel moeite voorstellen en daar wolven naartoe sturen om hem op te vangen, als hij dat al niet heeft gedaan. ”
- “Kunnen we de bergen niet gewoon oversteken? Ik bedoel: hebben we echt een pas nodig om de overkant te bereiken?,” vroeg Gurd.
- “Nee. Als je niet door een pas gaat, moet je over de pieken heen. Hoewel jullie tot veel in staat zijn, zijn jullie geen bergbeklimmers zoals gemzen en steenbokken, en zelfs die komen niet in de buurt van de toppen waar je overheen moet. Zelfs steenarenden nestelen lager. Er groeit niets, dus is er voor niemand iets te eten. Voor jullie ook niet, trouwens. Denk niet dat je jezelf in leven kunt houden met een konijntje, want dat is er niet. Denk ook niet dat je het met een flinke voedselvoorraad in je buik wel een paar dagen uithoudt. zo'n tocht duurt langer dan een paar dagen en vergt zoveel kracht en uithoudingsvermogen dat zelfs wolven dagelijks moeten eten. Bovendien is het er koud. Het sneeuwt hoog in de bergen, ook al is het pas najaar. Het is er bar en boos.”
- “En als we toch proberen door de Magarpas te gaan?”
- “Kansloos. Er staat heus geen rijtje wolven om de weg af te sluiten, maar Werra zal zijn wolven daar laten patrouilleren en er een paar vogeltjes boven laten rondvliegen en die zullen beslist jullie sporen vinden. Ik hoef jullie niet te vertellen hoe snel het daarna is bekeken.“
- “Hoe moeten we dan gaan?,” vroeg Gurd.
- “Het beste kun je van hieruit naar het noorden gaan, naar de Drakentand. Daar buigen jullie af naar het Oosten, terwijl je de bergen aan jullie zuidkant houdt. Zo ga je om de pieken heen. Er is ook een zuidelijke route die om de Magarpas heen gaat, maar dan ben je nooit op tijd bij de Tingboom.”
Rufa en Gurd dachten na. De Drakentand was een spitstoelopende rotsnaald die hoog uit de heuvels oprees. Een duidelijk herkenbaar baken. Maar als ze de noordelijke route volgden, zouden ze de groep van Sara moeten laten gaan. Alberon raadde hun gedachten.
- “Verlies niet te veel tijd aan Sara.” Hij zei het zachtjes, zodat de anderen hem niet konden horen. “Het belang van alle wolven gezamenlijk is groter dan dat van een, veel groter.”
En Alberon was vertrokken.

Maar zo zacht kon Alberon niet praten of de andere wolven hadden hem gehoord.
- “Gaan we Sara in de steek laten?,” vroeg Loeban.
Lasja, Malin en Laerke keken gespannen naar Rufa en Gurd. Balo zat vlakbij op een tak, zijn kraaloogjes op het tweetal gericht. Rufa keek bedenkelijk, bijna verdrietig.
- “Ik denk dat we wat anders moeten doen,” zei Rufa toen. Het kostte haar moeite. De woorden van Alberon betekenden veel meer voor haar dan alleen maar een koerswijziging. Zij dwongen haar het gezin waar zij zoveel van hield praktisch op te heffen. Opeens ervoer ze de voorboden van Het Kwaad. Ze keek haar wolven een voor een aan. Ze waren volwassen, konden gaan en staan waar ze wilden, maar verkozen om toch bijelkaar blijven. Samen waren ze een hechte groep. Niet een had de neiging vertoond de roedel - háár roedel - te verlaten. Als een van hen een gezin had willen stichten, zou ook dat binnen haar groep welkom zijn geweest, als ze dat tenminste zelf hadden gewild. Van zo'n groep had ze gedroomd. Nu was er opeens, ver bij hen vandaan, een gek opgestaan die er de oorzaak van was dat zij haar idealen moest prijsgeven en haar kinderen vertellen dat ze uit elkaar zouden gaan. Wie had het recht dat van haar te verlangen?
Ze kon ook niet gaan. Ze kon Alberon bedanken voor de eer en met haar groep rechtsomkeert maken. Het zou lang duren voordat ze last van Werra kregen, als ze ooit last van hem kregen. Ze waren immers zo ongeveer de meest westelijke en meest veraf gelegen groep. Ze zou haar eigen idealen kunnen verwezenlijken. Maar zou ze dat Alberon kunnen zeggen? Zou ze de teleurstelling in zijn ogen, die zo veelbetekenend hadden gekeken toen hij zei dat ze haar nodig hadden, kunnen verdragen? Zou ze hem, die zich zo onbaatzuchtig voor alles en iedereen inzette en zijn vertrouwen ondermeer op haar had gevestigd, in de steek kunnen laten?
- “Ik denk dat onze wegen zich hier scheiden,” zei Rufa toen moeilijk. Gurd keek haar aan.
- “Het is een idee waarmee ik al langer loop,” vervolgde Rufa, “al doet het mij pijn. Als we als groep bij elkaar blijven, vestigen we meer de aandacht op ons dan wanneer we een paar enkelingen zijn. Valken en zwarte wolven en wat er nog meer naar ons op zoek is, kijken niet uit naar een of twee loslopende wolven, maar naar een roedel van zes of zeven wolven.” Ze dacht even na.
- “Bovendien,” vervolgde ze, “is dit mijn zaak. Mij is gevraagd naar de Tingboom te komen, niet jullie. Het is mijn keuze om te gaan en mijn verantwoordelijkheid. Natuurlijk is de eerste gedacht dan: bijelkaar blijven. Met z'n allen naar die boom. Ik ben jullie daar dankbaar voor. Maar dat gaat niet.” Ze aarzelde weer even.
- “Daarom is het het beste is, als ik alleen verder ga,” zei ze toen.

Ze waren verbijsterd.
- “Dat nooit,” zei Gurd na een moment van ontzetting
- “Nee,” zeiden Loeban, Malin, Laerke en Lasja.
- “Dat nooit,” zei Lasja zijn vader en zijn gevoel na.
- “Als jij gaat, ga ik in elk geval met je mee,” zei Gurd.
- “Ik ook,” zeiden de anderen.
- “Zie maar eens dat je van mij afkomt,” zei Balo
Er leefde iets op in de ogen van Rufa, maar haar weemoed verdween niet.
- “Ik vind het heel lief dat jullie dat zeggen,” zei ze, “maar dit is niet het moment om gevoel boven verstand te laten gaan. In mijn eentje maak ik meer kans om de Tingboom te bereiken dan wanneer we met z'n allen bij elkaar blijven. Niemand besteedt veel aandacht aan een loslopende wolvin. Jullie doen mij geen groter plezier dan door terug te gaan naar ons leefgebied en daar te wachten tot ik terugkom. Ik ben dolblij als alles achter de rug is en ik jullie met z'n allen weer zie.”
Iedereen wist dat ze gelijk had. Iedereen, behalve Gurd.
- “Het is erg verstandig wat je zegt,” zei Gurd, “maar verstand is niet het enige dat telt. Er zijn een paar dingen die het verstand niet zomaar eventjes opzij kan zetten. Als Lupa alleen maar verstandig was geweest, had ze die tweeling niet meegenomen, maar opgegeten of aan haar kinderen gevoerd. Het is ondenkbaar dat ik straks met de anderen terugga en jou alleen je missie laat volbrengen. Dat druist in tegen elk gevoel dat de basis is van ons samenzijn. Of je nu slaagt of niet, ik zou de gedachte niet kunnen verdragen dat ik niet bij je ben geweest en je in je eentje heb laten gaan. Dan maar een kleinere kans, maar we gaan minstens met z'n tweeën.”

Toen Gurd wakker werd, wist hij meteen dat er iets niet in orde was. De anderen lagen nog te slapen, met inbegrip van Malin die het laatste gedeelte van de nacht wakker zou blijven. Aan de oostelijke hemel, achter de witte bergtoppen, gloorde de dag. Hij keek om zich heen. De plek naast hem waar Rufa had gelegen, was verlaten. Hij had niet lang nodig om te begrijpen wat er aan de hand was. Hij probeerde haar spoor te volgen, maar merkte dat het uren oud was. Ze moest al vroeg in de nacht zijn vertrokken. Hij rende naar een naburige heuveltop die uitzicht in noordwaartse richting bood en tuurde over de bossen. Daar ergens moest ze lopen. Natuurlijk kon hij haar niet zien, onder de bomen die, in de schaduw van de bergen, nog verscholen lagen in het duister, hoezeer hij zich ook inspande. Evenmin kon hij haar ruiken of horen, hoe goed zijn zintuigen ook waren en hoe diep hij ook de lucht opsnoof die in de ochtendbries over de bomen op hem toekwam. Hij kon haar alleen voelen zoals ze daar ging, alleen, dapper en liefhebbend en niet willend dat hij of de anderen voor haar gevaar zouden lopen. Toen stak hij zijn kop omhoog en uitte een enkele hartverscheurende kreet die zijn verdriet over dit plotselinge afscheid tegen de hellingen deed weerkaatsten en kilometers ver over de bossen weerklonk. Zijn kreet werd in de dalen gehoord, in de bossen en op de bergen. De stem van de wolf die huilde deed reeën, herten, moeflons, vossen, dassen, konijnen huiveren. Rufa heeft hem gehoord en waarschijnlijk heeft zij haar ren ingehouden en geluisterd naar de stem die haar zo vertrouwd was en van zo ver klonk, voor zij weer verderging. De dageraad ontfermde zich over het vaarwel van Gurd en weefde een grauwe, treurende regenwade over de landen tot ver voorbij de horizon.

Heel in de verte zag hij een donkere vogel laag over de boomtoppen scheren. De vogel kwam zijn richting uit en streek naast hem op de grond neer.
- “Waar is ze, Balo?,” vroeg Gurd.
- “Ver weg, Gurd. Ze heeft mij gevraagd je een boodschap over te brengen: “Kom niet achter mij aan. Alleen Balo gaat met mij mee en zal proberen af en toe berichten door te geven. Leidt de anderen – ze zijn nog te onervaren om het zelf te doen. Probeer Sara te bevrijden, maar niet tot elke prijs. Ook als dat niet lukt, leidt dat de aandacht van mij af. Ga dan terug naar ons leefgebied. Als ik heb gedaan wat ik moet doen, kom ik daar ook weer terug. Ik hou van jullie allemaal.”
De anderen waren inmiddels om Gurd heen komen staan.
- “Gaan we achter haar aan?,” vroegen ze.
Gurd schudde langzaam en nadenkend zijn kop.
- “Hoe triest ook, maar het is het beste zo. De groep van Sara weet dat we in de buurt zijn. Als we niet achter hen aangaan, snappen ze dat we een andere route volgen. De enige route die echt anders is, is die langs de Drakentand. Daar gaan zij en hun vriendjes dan het eerst zoeken. Achter haar aangaan is de zekerste manier om Rufa zelf in moeilijkheden te brengen. Wij moeten dus zorgen dat zij denken dat wij nog steeds hier zijn.”
De anderen knikten.
- “Balo, bericht Rufa het volgende: “We zullen proberen zoveel mogelijk bij je weg te houden. Wees alsjeblieft voorzichtig. Veel succes en tot spoedig ziens.” Hij aarzelde even en besloot toen: “Ik – we houden van je.”
- “Ok,” zei Balo en wilde wegvliegen.
- “En, Balo, wees ook voorzichtig,” zei Gurd. “Pas goed op Rufa en op jezelf. Ook jij ontzettend veel succes.”

Mayer zat in de tuin van zijn pastorie en liet zich beschijnen door de najaarszon. Hij dacht terug aan zijn bezoek aan het museum, al weer een paar weken geleden. De directeur had hem verbaasd aangekeken toen hij hem om een bijdrage voor een heemkundige tentoonstelling over zijn gemeente had gevraagd. Bijvoorbeeld die Romeinse ketting die niet ver daarvandaan was gevonden. Natuurlijk wilde de directeur helpen, maar waarom wilde hij uitgerekend die ketting? Hij had veel mooiere en oudere artefacten. Dit was eigenlijk een vrij sober sieraad, een kralenketting met een scarabee als sluiting, vermoedelijk een paar eeuwen voor de geboorte van Christus gemaakt. Het had Mayer moeite gekost hem ervan te overtuigen dat het hem om deze ketting ging, niet om een ander voorwerp. “Eenvoud past bij mijn gemeente net als het feit dat de ketting uit de natuur komt. Mijn gelovigen hebben de eeuwen door hun bestaansrecht op de natuur moeten veroveren en geleerd dat de natuur neemt en geeft. Daarom past deze ketting bij hen.”
- “U hebt deze toch in de vrije natuur gevonden, niet bij een opgraving,” had Mayer hem nog eens ter bevestiging gevraagd. “Ja,” had de directeur gezegd. “Volgens de verklaring van degene die hem kwam brengen, een boswachter, werd hij in een bosperceel gevonden, niet ver van de plek waar hij een wolf had geschoten. Een wolf, notabene. De ketting lag daar op de grond onder een struik. De boswachter had aanvankelijk niet in de gaten dat het om een historisch voorwerp ging. Pas later begon hij te twijfelen en kwam toen naar ons om de ketting te laten beoordelen.”
- “Hoe oud denkt u dat hij is?”
- “Volgens de literatuur zijn deze glazen kralen al gemaakt vanaf zo'n 1500 voor de geboorte van Christus. Dit soort kettingen zijn ze blijven vervaardigen tot ver na de geboorte van Christus, maar we hebben geen koolstofdatering of zo toegepast,” zei de directeur.
- “Konden ze toen al glas maken?”
- “Ja, tenminste ze konden glazen kralen maken, geen ramen. Glas is ontdekt door de Foeniciërs die kalksteen uit Syrië kwamen halen. Toen ze op het strand een vuurtje stookten om hun eten klaar te maken, zagen ze dat zoutblokken die daar in het zand lagen begonnen te smelten en dat er een doorzichtige substantie ontstond. Later ontdekten ze dat als je er mineralen als koper, ijzer en mangaan aan toevoegde, je die prachtige kleuren kreeg. Glazen kralen hadden toen dezelfde status als half-edelstenen tegenwoordig. Deze ketting moet dus toen al een behoorlijk kostbaar sieraad zijn geweest.”
- “Hoe denkt u dat die ketting in deze omgeving is beland,” had Mayer hem gevraagd.
- “Ik heb eigenlijk geen idee. Hij komt niet van hier uit de buurt. Zulke kralen werden in Egypte, het Midden Oosten of op Sicilië gemaakt. Dus of hij is al in de oudheid door een Romein meegenomen die hem hier is kwijtgeraakt – hoewel de Romeinen hier toen nog niet waren – of een meer eigentijdse wandelaarster droeg de ketting en heeft hem hier verloren.”
- “Is er enig verband met die doodgeschoten wolf?,” vroeg Mayer. De directeur dacht van niet. “Het was toeval dat die ketting daar lag. Anders zou die daar nog hebben gelegen.”
Deze morgen had de post hem de ketting bezorgd en hij lag nu voor hem op het tuinttafeltje. Hij was verpakt in een keurige cassette met een beschrijving van het museum erbij. Hij opende de cassette. De ketting was inderdaad een eenvoudig kleinood. Hij liet hem door zijn handen glijden en probeerde zich voor te stellen hoe de ketting bijna drieduizend jaar geleden was gemaakt, mooi gevonden en gedragen en in het rieten mandje van Romulus en Remus beland. Hij was door zijn eenvoud nog steeds buitengewoon fraai. De ketting bestond uit dicht aaneengeregen kleurige rode, lichtblauwe, gele en groene kralen, afgewisseld met vergulde kralen en schelpen. De sluiting was een verglaasde spekstenen scarabee. Gesloten had de ketting een lengte van zo'n dertig centimeter en leek hem erg groot voor een kleuter. Waarschijnlijk, dacht hij, was het geen sieraad voor het kind zelf geweest maar een afscheidsgeschenk van degene die de tweeling in hun mandje aan de Tiber had prijsgegeven. Een slaaf volgens sommige versies van het verhaal, maar droeg die een ketting als deze? Het kan net zo goed een voedster zijn geweest, zoals andere verhalen vertelden, die de tweeling in haar armen naar de rivier had gedragen en tegen wie zij, onbewust van het gevaar dat boven hun hoofd hing, waren opgekropen, misschien een kinderhand naar haar voedende borsten hadden uitgestrekt, hun vermurwende kinderlach gelachen, waarna de vrouw, aangedaan, het mandje niet zomaar had kunnen afduwen en niet meer dan haar halsketting had gevonden als enige grafgift. Hij leek hem groot genoeg om over de kop van een wolf te kunnen schuiven. Hij stelde zich voor hoe een wolvenkoning zou proberen met een weinig koninklijk hoofdschudden de ketting om zijn nek te krijgen en hij glimlachte.
Hij legde de ketting voor zich op tafel neer en keek ernaar. Zou iets van de magie die eraan werd toegeschreven, waar zijn? Zijn geloof kon het bestaan van magie niet ontkennen zonder zichzelf te ontkennen. Daarom omschreef het alle niet-gelovige magie als werk van de duivel. Maar Mayer had in de afgelegen huizen en hofsteden van zijn parochie, die in de winter vaak maandenlang waren ingesneeuwd, teveel voorbeelden gezien van magie die noch het een, noch het ander was, maar wel effectief. Als een vrouw uit de bergen met een simpele handoplegging een boer zijn reumatische pijn kon ontnemen, een kind van kroep genezen of een paard van koliek, was dat dan het werk van de satan? Hij kende de verhalen van heksen en elfen en andere magische wezens die in de ongenaakbare bergen en de uitgestrekte bossen makkelijk ontstonden en makkelijk werden geloofd. Maar waren wonderen en wonderbare wezens minder geloofwaardig omdat zij zich manifesteerden in de afzondering van een afgelegen boederij of berghut aan wat steevast als een simpele ziel werd beschouwd? Iemand die zich in afzondering bevond was gewoon toegankelijker voor schuwe en kwetsbare manifestaties. Niet doordat hij of zij simpel was, maar doordat die manifestaties hun schuchterheid makkelijker aflegden tegenover een dan tegenover velen. En was naïviteit – het makkelijke geloven - dat de bergbewoners werd verweten, nu niet precies datgene wat de kerk van hen voor haar eigen doeleinde verlangde?

Het verbaasde hem al niet meer dat Alberon opeens in de stoel tegenover hem zat en hem aankeek.
- “Ik hoop niet dat ik u laat schrikken,” zei de elf. Hij droeg dezelfde kleren als de eerste keer en had zijn hoed weer op die hij afzette terwijl hij tegen Mayer sprak.
- “Ik had u al verwacht,” zei Mayer.
- “Ik zie dat u de halsketting hebt. Voortreffelijk.”
- “Ik heb hem net binnen, maar dat wist u natuurlijk al.”
Mayer keek hem aan. Alberon knikte.
- “Ik probeerde net iets van zijn magische kracht te voelen,” zei Mayer.
Alberon keek hem aan.
- “Wees daarmee voorzichtig. Het is tijd dat ik u meer vertel over deze catena en zijn magie, die soms zijn eigen wegen zoekt. Een halsketting is eindeloos en verbindt verstand en hart. Hij beschrijft op het lichaam de weg die rede en gemoed afleggen om tot elkaars bronnen te komen. Daardoor is een ketting een voorwerp waaraan magie, met zijn voorliefde voor spirituele bedrijvigheid, zich graag hecht. Of misschien moet je zeggen: waarin magie zich graag ontwikkelt. Bestanddelen van verstandelijke overwegingen en gemoedsstromen blijven in de eindeloosheid van de ketting als een voortdurend deining voortgaan, kabbelend als een rustige beek, maar nu en dan uitmondend in een golf. Niemand weet hoe heftig deze golf kan zijn. Vaak is het niet meer dan een kleine borreling, een toevallige rotspunt in de beek waartegen het water bruisend opklatert, die er misschien toe leidt dat de eigenaresse – want het zijn meestal vrouwen die halskettingen dragen – de ketting afdoet en weglegt en misschien zelfs nooit meer aanraakt, zonder zelf te weten waarom. Maar heel soms ontwikkelt zo'n beek zich tot een krachtige vloed. Misschien is de draagster zich dat niet eens bewust of het zou moeten zijn doordat zij juist een nog grotere gehechtheid aan haar ketting ervaart, want de ketting zelf is in deze toestand oneindig slim en weet zijn vermogens zowel te verbergen als te vergroten. Hij is nu niet meer alleen de heerbaan tussen verstand en hart van de draagster, maar zuigt als een magnetische steen het gemoed uit haar omgeving op. Door het weg te nemen beïnvloedt hij het gemoed van anderen en kan hen zodoende in de richting stuwen die hij wenst, en door het op te nemen versterkt hij zijn eigen kracht. Maar dergelijke kettingen zijn buitengewoon zeldzaam.”
Alberon wachtte even.
- “Het zal u als classicus overigens niet zijn ontgaan dat het Latijnse woord catena als naam voor deze halsketting wordt gebruikt, terwijl de primaire betekenis daarvan eerder halsboei is en niet halsketting in de zin van sieraad. Dat is geen toeval en geeft aan dat de halsketting steeds verplichtender voor zijn draagsters werd.”
Mayer knikte.
- “Alleen een magiër kan de krachten van zo'n fetisj beheersen en tot een machtig instrument maken,” vervolgde Alberon. “Zo'n magiër was Berchaël. Nadat Lupa, die de ketting uit liefde voor haar weggenomen kinderen daadwerkelijk had gedragen, was gestorven, is hij zoekgeraakt. Berchaël wist op de een of andere manier van het bestaan van dit soort kettingen en zocht er lang naar. Overal waar hij kwam keek hij naar de sieraden van vrouwen, bezocht de jaarmarkten, deed zoveel navraag als hij waagde zonder zijn geheimen prijs te geven en tastte met zijn zintuigen de omgeving af om te voelen of er zich ergens een ongewoon krachtige bron voordeed. Hij werd op menig dwaalspoor verwezen, vond veel onmachtige halskettingen en werd vaak misleid door kleine gemoedsuitsortingen die zich aan hem krachtiger voordeden dan zij feitelijk waren, zoals een nabije kaars lichtgevender dan een veraf staande zon kan lijken. Maar op een dag had hij het fortuin aan zijn zijde. Hij trof in de bergen ver naar het zuiden een boerin aan die zo'n halsketting droeg. Hij had, afgaande op zijn gevoel, dagenlang door de bergen gezworven aleer hij haar had gevonden. Toen hij haar zei dat hij haar halsketting mooi vond en die graag wilde kopen, vertelde ze hem hoe vreemd het was dat zij uitgerekend die morgen die ketting had omgedaan, ofschoon ze de ketting nooit droeg, behalve op bijzondere dagen. Hij bevond zich al sinds mensenheugnis in haar familie. Daaraan kun je zien dat de ketting zowel haar ertoe had gebracht om hem te tonen, als Berchaël om hem te kopen, als hij dat laatste al niet veel langer van plan was geweest. Hij had zijn toevlucht tot magie moeten nemen om de ketting te verwerven als zij hem niet zichtbaar had omgehad. Hij betaalde grif wat ze vroeg, al zal het haar hebben verbaasd dat iemand zoveel goud overhad voor zo'n gewone oude ketting. En hij is oud, stokoud. Dat moet ook. Om een catena te zijn moet een ketting als deze eeuwenlang verweerd zijn door de stormen van het gemoed. Hij moet een bewogen bestaan hebben geleid, door vele handen zijn gegaan, er moet hoop en verlangen, maar ook afgunst en wraak mee verbonden zijn. Hoe heftiger, des te beter voor de catena. Er moet geluk en tegenslag aan kleven, leven en - helaas - ook dood, en passie. Vooral passie waardoor al die gemoedsuitstortingen meeslepend en ongeremd worden. Er zijn veel halskettingen gemaakt, maar de meeste dienden als opsmuk voor gedachtenloze hoofden en graatloze halzen, dansten boven betekenisloze borsten en verdwenen uiteindelijk, net als hun draagsters. Maar de zeldzame goede overleven dankzij het feit dat hun meesteressen een scherp verstand en een diep gevoelsleven hadden, die ook nog eens stevig op de proef werden gesteld, zodat de halsketting de kans kreeg zich te laven aan al die stromen van radeloze rede en geprangd gemoed die hem passeerden. De innerlijke kracht van de ketting kon daardoor groot genoeg worden om zich aan vergetelheid en vernietiging te onttrekken. Hij zorgde er zelf voor dat hij telkens opnieuw werd gevonden omdat hij gevonden wilde worden. Deze kettingen kiezen zelf de halzen die ze willen sieren. De sterkste beschikken over een enorme kracht om hun wil door te zetten, waarbij ze niets ontziend te werk gaan en bovendien een eindeloos geduld hebben.”
Alberon pauzeerde even.
- “Wat is hun doel?,” vroeg Mayer.
Alberon keek Mayer aan.
- “Het doel van deze kettingen vormt zich door hun ervaringen. Die zijn weer het gevolg van wat het toeval op het pad van hun draagsters heeft gebracht en welke gevoelens en gedachten daarbij kans hebben gezien zich in de kettingstroom te nestelen. Het gevoel dat de overhand kreeg, bepaalde de tendens van de ketting. Het doel van een goedwillende ketting kan simpel goeddoen zijn, het brengen van enige weldaad, genezing misschien, tot geluk en fortuin. Voor een kwaadaardige ketting kan het doel variëren van tamelijk onschuldige plagerijen tot vernietiging.
Het doel van de ketting staat dus niet van tevoren vast maar ontwikkelt zich gaandeweg, zoals het karakter van een kind in zijn gang naar volwassenheid wordt gevormd door wat het meemaakt en hoe zijn ouders daarop reageren. Net als bij een kind triomfeert uiteindelijk een bepaald gevoel of een bepaalde gedachte over de andere en bepaalt zijn geaardheid. Als de ketting eenmaal krachtig genoeg is, zorgt hij ervoor dat het overheersende gevoel steeds verder wordt versterkt. Hij leidt zichzelf naar draagsters toe die aan deze geaardheid kunnen bijdragen. Desnoods, bijvoorbeeld als de levensloop van de draagster in een voor zijn geaardheid verkeerde richting neigt, grijpt hij in en zorgt ervoor dat zijn behoefte toch wordt bevredigd. Hij is nu volwassen en overleeft, precies zoals zijn draagsters hem dat onbewust hebben ingefluisterd. Zijn positie als schakel tussen hart en verstand verschaft hem daarbij uitstekende mogelijkheden, zoals de teugel de omgang tussen paard en voerman zou kunnen beheersen, maar zelfs als hij niet wordt gedragen is zijn invloed groot. Hij manipuleert, zet mensen tegen elkaar op, stookt onrust. Of hij richt zijn aandacht op de brengers van het fortuin. Hij doet waar hij goed in is, en ook dat heeft hij van zijn draagsters geleerd.”
- “Maar wat kun je er als drager of draagster mee doen?”
- “De sterkste drijfveer die in alle draagsters, op een enkele uitzondering na, aanwezig was, was de wil om te leven. Dat leven – in welke pure of verwrongen gedaante ook – is altijd het leidende beginsel op de achtergrond van een wens of gedachte. Elke wens, elk intens gevoel is direct of indirect gericht op het vasthouden van het leven. Daarom is elke catena, geneigd als hij is om de gevoelens van zijn meesteres over te nemen, begiftigd met een kracht om naast het streven naar zijn doel ook het leven in stand te houden en te herstellen als dat nodig is.”
Alberon pauzeerde weer even.
- “Het hangt van de uiteindelijke kracht van de catena af,” vervolgde hij, “waartoe hij in staat is... Maar de sterkste hebben de kracht om het leven tegen de dood te beschermen en ... de dood opnieuw tot leven te wekken.”
Mayer keek hem ontzet aan. Een fetisj die het vermogen had leven en dood te regelen – het denkbeeld druiste tegen de essentie van zijn geloof in en overschreed ook ruimschoots de tolerantie waarmee hij dat beleed. Hij keek naar de ketting die voor hem lag alsof deze op elk moment van de tafel af zou kunnen springen. De kralen glansden als daarvoor maar weerspiegelden nu een betekenis die in zijn ogen veel gevaarlijker was. Dit kon niet, dacht hij, dit was onmogelijk of deze ketting moest onmiddellijk worden vernietigd. Maar dat kon ook niet, schoot door hem heen, althans niet volgens Alberon. Hij keek de elf aan. Alberon begreep zijn verwarring.
- “Je kunt hem niet vernietigen, Petrus. Denk aan wat ik je de eerste keer heb gezegd. Deze dient om de boosaardige catena van onze tegenstanders op te heffen. Berchaël is doorgegaan met het zoeken van catena”s tot hij de ketting had gevonden die hij eigenlijk zocht. Maar zolang deze en die andere in elkaars nabijheid waren, hieven zij elkaars werkzaamheid op en had hij niets aan zijn favoriete catena. Hij moest zich dus van deze ontdoen. Omdat hij hem niet kon vernietigen – deze catena”s laten zich nu eenmaal niet zo makkelijk vernietigen - heeft hij hem verkocht. Hij dacht dat hij ervan was verlost, maar dat pakte anders uit. Zo is hij weer in ons bezit gekomen. Ze moeten nu weer bij elkaar worden gebracht.”
Mayer zat nog steeds naar de ketting te staren terwijl hij de woorden van Alberon verwerkte.
- “Zoiets als de duivel met Beëlzebub uitdrijven,” zei hij.
- “Nee, Petrus, de duivel met het goede uitdrijven. Wie we ook waren of zijn, we hebben een gemeenschappelijke vijand. Ik weet van jou, Petrus, dat je in al je verdraagzaamheid tegenover een begrip onverzoenlijk staat. Dat je afkeer daarvan zo groot is, dat je toegevend kunt zijn aan de pekelzonden van je gelovigen. En dat begrip is Het Kwaad.”
Mayer knikte.
- “Het Kwaad heeft de gedaante van Werra en zijn volgelingen aangenomen en ontrolt zich daar aan de andere kant van de bergen. Het goede mobiliseert zich, maar dat zal misschien niet genoeg zijn. Tegenover de mystieke macht van Het Kwaad, geholpen door de catena van Berchaël, staat de geestkracht van een handjevol elfen. We hebben jou en je onwankelbare geloof in het goede en deze catena bitter hard nodig. Daar, waar goed en kwaad gaan botsen in een zoveelste Laatste Slag.”
- “Je wilt van mij dat ik daaraan deelneem?,” vroeg Mayer ongelovig.
- “Ik vraag je de wolvenkoning deze catena om te hangen en te zegenen.”
- “Vraag je mij deze catena te zegenen?”
- “Ja, en de wolvenkoning. Ik vraag je deze catena te verzoenen met jouw God, voor zover dat nodig is en voor zover het goede die verzoening nodig heeft.”
Mayer dacht na.
- “Maar de wolvenkoning is toch dood?”
Het klonk alsof hij al instemde met het zegenen van de ketting. Strikt genomen vroeg hij zich af waarom hij daartegen veel bezwaar kon hebben als hij jaarlijks ook de zeisen van de boeren, de dorsvlegels, de boomgaard, de akkers, de pasgehuwden, de nieuwe muziektent en nog veel meer voorwerpen zegende zonder zich af te vragen wat voor bedenkelijke en geloofsvijandige activiteiten daarmee wel niet konden plaatsgrijpen.
- “Dat is een klein probleem. Er moet een nieuwe worden gekozen en die is al onderweg. Maar ook deze nieuwe koning zal de ketting hard nodig hebben. En jou, en mij,” zei Alberon.

Door de eindeloze bossen ging Rufa naar de Drakentand. Ze was in het holst van de nacht opgestaan en na een laatste blik op haar slapende gezin muisstil vertrokken. Alleen Balo had haar in de gaten gehad en was achter haar aan gevlogen. Op veilige gehoorsafstand had hij haar opgewacht en haar onomwonden duidelijk gemaakt dat hij meeging. Ze had daarin berust, niet alleen omdat ze het hem moeilijk kon beletten, maar ook omdat ze het voordeel van zijn gezelschap inzag. Hij had al eens bewezen eten te kunnen vinden, hij kon de route voor haar verkennen, uitzien naar tegenstanders en het contact met de anderen onderhouden. Ze had daarvan meteen gebruik gemaakt door hem te vragen een boodschap naar Gurd over te brengen. “Maar hoe vind ik je dan terug?,” had Balo gevraagd, bang dat het een voorwendsel was zich ook van hem te ontdoen. “Als je dat niet lukt, hoe kan ik je dan vragen boodschappen over nog veel grotere afstanden over te brengen? Vraag het aan je verre neef, de postduif,” had ze hem gezegd. Daarna had ze hem gerustgesteld door te zeggen dat ze hem goed kon gebruiken en zijn gezelschap waardeerde en hem verteld dat ze pal Noord zou gaan, zodat hij haar makkelijk kon terugvinden. Hij was weggevlogen en zij had hem meewarig nagestaard omdat hij ging waar zij had willen zijn. Daarna had ze zich resoluut omgedraaid en was verdergegaan, naar het Noorden.
Ze hoefde geen rekening te houden met de groep van Sara en Tibor en kon haar eigen weg zoeken. Ze koos de wat lagere, beboste hellingen die begaanbaarder waren dan de hoge en meer beschutting boden. Bovendien waren hier meer prooidieren die haar van eten konden voorzien. Zo ging ze voort in soepele monotone cadans, zonder zich te laten afleiden door de geuren die ze onderweg oppikte of door wild dat voor haar wegsprong. Het had iets van een offer dat ze bracht – dat achterlaten van haar gezin, dat verkiezen van de eenzaamheid boven de bescherming van een robuuste metgezel als Gurd en de anderen. Het was een gebaar met een eigen dramatische schoonheid, ook al was ze te puur om dramatiek of schoonheid na te streven. Misschien was deze puurheid oorzaak van haar gevoeligheid voor het beroep dat Alberon op haar had gedaan en van haar afschuw van types zoals Werra. Maar in elk geval was het deze puurheid die haar vertelde dat het goed was wat ze deed.
Maar hemel, wat was het verschil tussen bedenken en uitvoeren zwaar. Als het niet was om elders als jonge wolvin een nieuwe groep te beginnen, dan kende de wolventaal maar een synoniem voor haar gang – die van uitgestoten worden om te sterven. Dat laatste was ze allerminst van plan, maar daardoor verzette haar hele aard zich tegen deze actie en dat maakte hem extra-zwaar. Ze was nog niet zo ver dat ze besefte dat elke stap haar dichterbij de volbrenging van haar taak bracht zodat ze daaraan kracht kon ontlenen. Ze kon ook geen moed putten uit wat later een van de dwergendichters over dit moment zou schrijven:

Nooit heeft het koude noorden
dan toen meer hoop verblijd,
meer ketenen bevrijd,
meer liefgehad dan woorden

Dan woorden kunnen spreken.
In deze eenzame gang
ontwaakte een levensteken.

Een vonk, een vlam, een zuil
van vuur deed ons ontsteken.

Ze oriënteerde zich op de Drakentand die in de verte oprees. Het was zo'n merkwaardige stenen uitstulping van de natuur, zoals er wel meer waren. Hij had met zijn naar het oosten gebogen en onderaan uitlopende vorm inderdaad iets weg van een reusachtige tand. Een uitroepteken dat uit zichzelf was ontstaan toen het omliggende land door enige oorzaak in de aardkorst wegzonk. Of wie weet, de weggeworpen hoektand van een draak – maar hoe dan ook: een uitstekend en van veraf zichtbaar merkteken dat al eeuwenlang de ingang van het dal van de Narwa, de noordelijke rivier die een stukje verder ontsprong, had aangegeven en dat een baken was geweest voor volkeren, karavanen, reizigers, veroveraars die naar het oosten wilden. Er hadden in de loop der tijd wachttorens en burchten gestaan om toezicht te houden op wie langs deze weg wilden gaan, om ze dat te beletten, om tol te eisen of om ze uit te schudden, maar in de hitte van de geschiedenis waren die bouwwerken allemaal tot aan de grond afgebroken. De Drakentand duldde geen concurrentie.
De eerste nacht had Rufa doorgebracht terwijl de Drakentand nog een tamelijk klein aan de horizon stond. Ze had verder willen gaan. De avonden en nachten, waarin ze elkaar vaak verhalen vertelden en waarin hun ademhaling zo geruststellend had geklonken, deden haar meer aan haar gezin denken dan de dagen. Om zich aan deze weemoedige gedachten te onttrekken had ze willen doorlopen. De afstand tussen hart en gevoel moest zo groot mogelijk zijn. Wolven kunnen 's nachts uitstekend zien, niet alleen om te jagen maar ook om zich te verplaatsen. Ze had nog geen honger en ze verbeeldde zich dat ze niet moe was. Maar Balo had geprotesteerd. Hij was op een tak neergestreken en had haar van verre toegesproken:
- “Gaan we slapen?”
Ze had nee geschud.
- “Je moet slapen. Je moet morgen uitgerust zijn.”
Hij had natuurlijk gelijk, maar ze was niet van plan om dat toe te geven.
- “Bij de Drakentand moeten we goed opletten. Er kunnen mensen zijn en wolven en Kobolden. Daarom moet je fit zijn,” zei Balo.
Ze stond met een ruk stil onder de tak waarop Balo zat.
- “Jij moet slapen hè. Waarom zeg je dat niet gewoon.”
- “'s nachts vliegen is onveilig,” zei Balo. “Veel uilen. En inderdaad, vogels moeten 's nachts slapen. Wij kunnen niet de hele tijd doorvliegen. Jullie hoeven je alleen maar voort te bewegen, je ene poot voor de andere te zetten, da's makkelijk. Maar wij vogels moeten ons eerst van de aardbodem verheffen en vervolgens in de lucht zien te houden voordat we ons kunnen voortbewegen. Wij moeten als het ware de hele weg, die moeder aarde voor jullie heeft uitgelegd, eerst nog met onze vleugels bij elkaar wapperen.”
Dat was gevleugelde logica waar geen speld tussen te krijgen viel en dus was Rufa op zoek gegaan naar een slaapplaats. Ze vond er een midden in het bos in een holte onder een paar struiken. De bodem was zanderig en zacht, aangenaam als je de hele dag had gelopen. Balo zat vlakbij haar en pikte in het zand. Hij zou later in de nacht op een tak van de struik boven haar of in een van de bomen gaan slapen. Net als de meeste andere woudvogels overnachten spechten niet graag op de grond, waar ze kwetsbaar zijn. Roofdieren als marters, hermelijnen en lynxen komen weliswaar niet graag in de buurt van wolven, maar jagen vaak 's nachts en zijn gek op vogels. Het denkbeeld dat er om je heen allerlei gespuis rondloopt dat niet alleen is toegerust met een behoorlijke slimheid, maar dat ook bezeten is door de gedachte om jou uit de veilige aanwezigheid van die slapende wolf te halen en je daarna als maaltijd te nuttigen, is weinig geruststellend. En zij zijn niet de enigen. Een adder, die als afwisseling van zijn maaltijd van bosmuizen en salamanders trek krijgt in vogel, zal zich van een wolf misschien minder aantrekken. Daarom nam Balo het zekere voor het onzekere en ging 's nachts in een boom zitten, het liefst in een leeg hol en anders op een tak, al moest hij ook daar oppassen. Bosuilen, die vooral 's nachts jagen, doken in de diepste duisternis met grote behendigheid en onhoorbaar tussen takken en bladeren door op hun prooi neer, ook al was die een stuk groter en sterker.
- “Bedankt dat je mijn boodschap aan Gurd hebt overgebracht,” zei Rufa.
- “Tot je dienst,” zei Balo.
Ze praatten nog wat. Opeens vroeg Rufa zich af of de komst van Balo, die praktisch samenviel met die van Alberon, toeval was of juist was gearrangeerd door Alberon.
- “Waarom help je ons?,” vroeg ze daarom aan Balo.
De specht keek haar aan.
- “Jullie hebben mij toch ook geholpen,” zei hij.
- “Ja, maar dat was logisch. Je woei zowat bij ons naarbinnen. Maar het lijkt alsof je dankbaarheid verder gaat dan waartoe je ons min of meer verplicht was,” zei Rufa.
Balo keek voor zich uit.
- “Ik dacht dat ik ook een beetje bij jullie hoorde,” zei hij toen, enigszins gekwetst.
- “Dat is ook zo,” zei Rufa geruststellend, “en dat heb je ook dubbel en dwars bewezen. Maar ik vroeg me af of Alberon je soms had gevraagd om ons te helpen.”
- “Nee hoor. Wij zwarte spechten zijn van nature erg dienstvaardige vogels,” zei Balo. “Dat komt door Gertrude.”
- “Gertrude?”
- “Ja.” Hij dacht even na. “Net als jullie Lupa hebben, hebben wij een Grote Geest die de spechten heeft gemaakt. Deze kwam lang geleden, vermomd als een oude man, bij het huisje van Gertrude, klopte aan en vroeg haar of zij iets te eten voor hem had. Hij vertelde dat hij al dagenlang zonder voedsel had gelopen. Gertrude was brood aan het bakken. Ze kneedde een klein stukje deeg en legde dat in de oven. “Als je even wacht tot het klaar is, dan is dit brood voor jou,” zei ze tegen de oude man. “Ik wacht,” zei de man tegen haar. Maar toen het het klaar was, bleek het erg groot te zijn. Zonde van al dat brood, dacht Gertrude, ik kan het beter zelf houden. Daarop nam ze opnieuw deeg, wat minder dan de eerste keer, kneedde dat en legde het in de oven. “Als je even wacht tot dit klaar is, dan geef ik je dit brood,” zei Gertrude. “Ik wacht,” zei de man weer. Maar toen het tweede brood klaar was, bleek dit nog groter dan het eerste. “Het is erg groot,” zei Gertrude toen ze het uit de oven haalde, “veel te veel voor een persoon.” Ze kon het beter bewaren voor een feestmaal dat een dag later zou plaatsvinden. “Ik dacht dat het veel kleiner zou zijn. Als je even wacht, dan bak ik een nieuw voor je,” zei ze tegen hem. “Ik wacht,” zei hij geduldig, voor de derde keer.
Hoewel ze minder deeg dan de laatste keer had genomen, bleek het derde brood toen het klaar was nog veel groter te zijn. Ze piekerde er niet over om het grootste brood aan hem te geven. “Dit brood is behekst,” zei ze tegen de oude man, “ik kan het je niet geven. Ga naar het bos en kijk of je daar wat te eten kunt vinden. Klop op de bomen in plaats van aan mijn deur. Misschien zit er onder hun bast iets eetbaars .”
Nu werd de oude man boos en stond op. “Ik ben de Grote Geest,” zei hij. “Een vrouw hoort vriendelijk en hulpvaardig te zijn, maar jij bent alleen maar hebzuchtig. Je mond is leugenachtig, je handen dienen alleen maar bedrog. Jij bent geen vrouw. Ik zal je een snavel geven die niet kan liegen en vleugels die niet kunnen bedriegen. Vlieg zelf maar naar het bos, klop op de bomen en zoek voortaan je eten onder hun schors. Deel het met de kevers en de mieren. Dat zal je leren om niet meer hebzuchtig te zijn.” De Grote Geest stampte op de grond. Terwijl hij alsmaar groter werd en de hele kamer opvulde, werd de vrouw kleiner en kleiner en kreeg veren en vleugels. Ze wilde natuurlijk weg, als het niet van schaamte was, dan wel om aan die geest te ontsnappen die alsmaar groeide en kwader werd. Maar de doorgang langs de deur of door het raam was versperd. De Grote Geest was zo groot geworden dat ze alleen nog door de schoorsteen aan zijn woede kon ontkomen. Daar worstelde ze zich doorheen en vloog naar het bos. Zo schiep de Grote Geest de specht. Sinds die dag zijn wij spechten zwart door het roet van de schoorsteen van Gertrude, kloppen op de bomen om ons eten te vinden en helpen anderen. Wij hakken holen in bomen die voor andere vogels en de kleine dieren uit het bos toevluchtsoorden zijn. Dat allemaal om de Grote Geest alsnog anders over ons te doen denken.”
- “Mooi verhaal, Balo. Vertelde je moeder je dat?”
- “Ja. Als we vroeger in ons hol zaten dat mijn vader in een boom had uitgehakt, dan vertelde mijn moeder verhalen en leerde ons dat spechten altijd hulpvaardig moeten zijn en met anderen moeten delen omdat de Grote Geest ons dan misschien weer in mensen verandert.”

De volgende ochtend trokken ze weer verder. Rufa op de grond en Balo in de lucht. Het was nevelig. Als Rufa op een heuveltop over de bomen kon uitkijken, was de Drakentand niet te zien. Maar ze wist waar hij was en al spoedig had ze de cadans en de richting van de vorige dag weer te pakken. Balo vloog boven de bomen voor haar uit. Af en toe dook hij naar beneden om op de grond of in de stam van een boom zijn ontbijt samen te stellen. Dan had hij zijn tenen in de schors van een boom geslagen en hoorde ze hem met dat karakteristieke geluid razendsnel in het hout hakken: ”tretroe, tretroe, tretroe”. Het was een galmende inbreuk op de schuchtere stilte van het bos dat zich langzaam aan het ontdoen was van zijn sliertige ochtendnevelen en waarin zonder Balo het enige geluid het vallen van dauwdruppels op lager gelegen blaadjes en soms op de grond was. Ze wilde hem waarschuwen niet zoveel lawaai te maken maar bedacht toen dat deze manier van jagen voor spechten heel gewoon was en voor de rest van het bos ook.
Ze had zelf ook honger. Ze zou die dag niet alleen een behoorlijke afstand moeten afleggen maar ook op zoek moeten naar voedsel. Vervelend, zeker na een vermoeiende etappe, was dat het voedsel de neiging had zo hard mogelijk weg te lopen, zodat ze een extra-inspanning zou moeten leveren om het te pakken te krijgen, terwijl ze daar eigenlijk te vermoeid voor was. Ze moest er niet te lang mee wachten, in elk geval niet tot in de avond. Met wat geluk kon ze 's middags een konijn pakken dat wat vroeger dan zijn soortgenoten op zoek naar voedsel was. Misschien kon Balo haar helpen. Hij kon haar eten dan wel niet voor haar pakken, maar het wel opsporen en dat zou al heel wat schelen.
Het werd lichter maar het weer bleef betrokken. Ze kon de Drakentand zien die al een stuk groter was dan een dag eerder. Ze liet hem aan haar linkerhand liggen en boog met het verloop de helling mee naar rechts, oostwaarts, in de richting van het dal van de noordelijke rivier. Balo patrouilleerde boven haar en keek uit naar wild. Op zeker moment daalde hij vlak voor haar voeten neer.
- “Wat had mevrouw gedacht te gebruiken vandaag?,” vroeg hij.
Ze dacht na.
- “Doet u mij maar een konijntje, beetje jong als dat kan.”
- “Ik kan u de haas aanbevelen, mevrouw,” zei Balo.
- “Nee dank u, meneer, dan moet ik te hard rennen en ik krijg altijd oprispingen van haas.”
- “Zoals mevrouw wenst.”
En Balo, die blijkbaar ergens een haas had gezien, ging de lucht weer in, nu op zoek naar een konijn. Later in de middag vond hij er een. Hij zat een stukje verderop te knagen aan een graspol en werd door haar volkomen verrast.
Ze hadden de Drakentand nu pal links en trokken nog een paar uur verder. Ze vond sporen van andere wolven die dezelfde kant waren uitgegaan als zij en dat gaf haar vertrouwen. Weliswaar hoefde ze van andere wolven, zolang ze die niet kende, niet direct veel goeds te verwachten omdat er altijd wel een paar wolvinnen zouden zijn die in haar een rivale zagen, maar misschien hadden ze dezelfde bestemming en misschien zou dat de tegenstellingen kunnen overbruggen als ze in moeilijkheden kwam. In elk geval deden de sporen vermoeden dat ze de goede kant uitging. Ze vond ook verschillende andere sporen die ze niet thuis kon brengen. Sommigen kwamen uit het dal. Een grote groep was uit het westen gekomen, maar ze waren – net als de meeste andere – al dagen oud. Ze roken niet verkeerd. Zoals ze van elke onbekende probeerde met wat ze zag, hoorde of rook zich een beeld te vormen van diens intenties, zo probeerde ze dat ook met sporen. Deze sporen wekten de indruk goed gezind te zijn. Maar ze wist ook dat dergelijke indrukken misleidend konden zijn.

Zoals een weefgetouw wel eens een steek mist, zo kan er midden in het dichtste bos opeens een kleine open plaats zijn waar geen bomen staan. Er groeit misschien wat gras, er staan een paar struiken en vaak is de open ruimte gedeeltelijk gebruikt door een omgevallen boom. Aan de rand van zo'n plek was Rufa, terwijl ze zich afvroeg waar de sporen die ze had gevonden vandaan kwamen, toen ze zich met een schok bedacht dat ze niet alleen was. Er streek een kilte door haar vacht en haar hele lichaam heen, die haar haren deed oprijzen. Ze schoot achterwaarts de beschermende duisternis van het bos weer in en dook weg achter een paar bomen. “Stom,” dacht ze, “om zonder goed te kijken een open plek op te lopen.” Tegelijkertijd probeerde ze te begrijpen wat haar angst had veroorzaakt. Geen ander dier. Een Kobold misschien?
Ze probeerde een geur op te vangen, maar rook niets. Als er wat te ruiken viel, had ze dat al eerder opgemerkt. Toch wist ze zeker dat daar, op die open plek, iets was. Ze overwoog de plek links te laten liggen, maar iets dwong haar te onderzoeken wat de oorzaak van haar angst was geweest. Als het een Kobold was, moest ze dat weten. Kobolden konden over afstand doden en daarom zou ze moeten kijken waar hij zich bevond om te kunnen bepalen hoe groot haar omweg zou moeten zijn. Als hij haar zag, kon een Kobold haar achtervolgen en ook dat zou ze moeten weten. Maar een Kobold rook naar Kobold en niet naar niets of naar angst. Wat rook er dan niet? Balo zou haar nu goede diensten kunnen bewijzen, maar die was nergens te bekennen. Ze zou zelf moeten gaan kijken.
Ze keek eerst goed om zich heen om te zien of er niemand anders in de buurt was. Ze zou niet de eerste zijn die zelf tijdens het besluipen werd verrast omdat dan al je zintuigen op een doel zijn gericht. Toen ze zeker wist dat er achter en opzij van haar geen gevaar dreigde, sloop ze behoedzaam, met haar buik bijna over de grond naar de bosrand. Vandaar staarde ze naar de open plek. Achter een struik, op de omgevallen boom, zat een menselijke gedaante die van top tot teen in het zwart was gehuld. Hij droeg een lange habijt met hooggesloten scapulier en ruimvallende mouwen waarin hij over en weer zijn handen had gestoken alsof hij het koud had. Zijn hoofd was bedekt door een kap die aan de voorzijde over zijn gezicht viel.
Rufa had vaker, van een afstand, mensen gezien dus ze herkende de gestalte. Maar Rufa had minder oog voor zijn kleding dan voor het feit dat op het moment waarop zij hem zag haar dezelfde angst overviel. Hij zat enigszins van haar afgekeerd, maar terwijl zij worstelde met haar angst draaide hij zijn hoofd met een ruk om en keek in haar richting. Ze bleef als versteend staan. De onzichtbare ogen schenen haar dwars door de struik heen op te nemen. En nog erger was, dat met de blik die zij op zich gevestigd wist ook haar angst was verdubbeld.
Een paar oneindig lange ogenblikken bleven zij zo elkaar opnemen. Rufa dorst zich nauwelijks te bewegen en probeerde tevergeefs de geur van de gestalte op te snuiven. Toen kwam uit de mouw van de habijt een benige hand te voorschijn die haar wenkte. Hoewel ze het gebaar niet kende, begreep ze onmiddellijk wat de bedoeling was. Ze voelde een neiging er aan te gehoorzamen, maar ook om weg te vluchten van dit onbegrijpelijke wezen dat zich op geen enkele wijze voor haar in acht nam. Welk dier ze ook was tegengekomen, elk daarvan had, als het niet in paniek was weggerend, een houding van uiterste aandacht aangenomen omdat er immers een roofdier tegenover hem stond. Maar deze gestalte scheen dat in het geheel niet nodig te vinden. Hij viel ook niet aan, zoals everzwijnen doen als ze jongen hebben. Hij zat daar alleen maar en wenkte of, liever gezegd, gebood.
Schoorvoetend sloop Rufa wat dichter naar de gestalte toe die zich inmiddels geluidloos geheel naar haar had toegekeerd. Telkens stilhoudend en de lucht opsnuivend – die haar overigens niet wijzer maakte – bleef Rufa gevolg geven aan de gebiedende hand en de gestalte steeds dichter naderen tot ze nog slechts een flinke sprong bij hem vandaan was. Wat moest hij in vredesnaam van haar? Ze voelde nog steeds een grote angst die eigenlijk niet goed verklaarbaar was omdat de gestalte niets angstwekkends deed behalve zijn allerminst imponerende hand bewegen, maar tegelijk stelde het feit dat ze nu met een sprong bij hem kon zijn haar ook enigszins gerust.
Ze had het idee dat de zwarte gestalte zijn hoofd een fractie oprichtte om iets tegen haar te gaan zeggen, toen ze in de lucht boven de open plek het geklapwiek van Balo hoorde en daarna zijn schelle stem.
- “Ah, ben je daar. Ik heb me een ongeluk gezocht.”
Op hetzelfde moment was de gestalte verdwenen.
Behoedzaam liep Rufa naar de plek toe waar hij had gezeten en snuffelde rond, maar hij had geen enkel spoor nagelaten. Balo streek op de omgevallen boom neer en onderzocht de schors op snuitkevers en ander voedsel. Ook hij bespeurde blijkbaar niets bijzonders aan de boom.
- “Heb jij hier daar net nog iets zien zitten toen je hier boven vloog?,” vroeg Rufa.
- “Waar? Hier? Nee,” zei Balo, “was er dan iets?”
- “Ja,” zei Rufa, “een mens of zo.”
- “Nee hoor, niet gezien.”
Ze keken nog even rond. Het plotselinge verdwijnen van de gestalte was net zo opmerkelijk en onverklaarbaar als zijn hele optreden en de afwezigheid van sporen. Maar Rufa had geen tijd er langer bij stil te staan en dus gingen ze verder. Het voorval was geen reden haar koers te veranderen, al bleef het raadsel van de man in het zwart door haar hoofd spelen. Toen de duisternis inviel, ging ze op zoek ging naar een plek om te slapen. Ze vond een kuil aan de voet van een boom die uitstekend geschikt leek als slaapplaats voor Balo.
- “Ik heb een stapelbed voor ons gevonden,” zei Rufa tegen de specht. “Wil jij onder of boven?”
- “Ga jij maar boven. Ik wil een wolf wel eens in een boom zien hangen.”
- “Heb je Jonas dan niet gezien,” vroeg Rufa.
- “Oh ja. Nou, dan ga ik wel boven.”
Niet alleen zou de waakzaamheid van hen beiden hun veiligheid vergroten, maar Rufa was ook gehecht geraakt aan hun gesprekken voor het slapen gaan, zoals die er ook altijd met haar eigen groep waren geweest. Natuurlijk dacht de praatgrage specht er net zo over en toen Rufa zich in haar kuil had geïnstalleerd, kwam Balo weer bij haar zitten en pikte wat in de grond.
- “Ik heb je goed naar je eten gebracht, hè,” zei Balo.
- “Ja, prima, Balo. Het was een lekker konijn.”
- “Wat was dat nou, die mens?”
- “Ik weet het niet. Het is een groot raadsel. Hij was er echt, zat op die boom en rook nergens naar. Hij verwekte een redeloze angst in mij waardoor ik zelfs niet meer aan mij opdracht kon denken. Hij wenkte alsof ik dichterbij moest komen zodat hij me iets kon zeggen. Ik kroop inderdaad naar hem toe, stom natuurlijk, maar ik kon gewoon niet anders. Hij wilde ook iets gaan zeggen, geloof ik, maar toen kwam jij en toen was hij opeens verdwenen.”
- “Zag je niet welke kant hij uitging?”
- “Nee. Hij ging geen kant uit. Hij was gewoon op slag verdwenen. Floep, weg.”

Alida scheerde door de lucht, haar vleugels wijd uitgespreid. Ze behoorde tot een groep slechtvalken die van Werra de opdracht had gekregen de noordelijke hellingen van het gebergte in de gaten te houden. De groep bestond vooral uit vrouwtjes omdat die groter en sterker zijn dan mannetjes. Ze waren gebouwd voor het ontwikkelen van snelheid en kracht. Hun verenkleed was aan de bovenzijde van de vleugels donker en vertoonde aan de buikzijde een kenmerkend stippelpatroon. Rondom hun ogen was een donker masker dat hen een uitdrukking van angstaanjagende alertheid en meedogenloosheid meegaf. “Houd je ogen open en meld alles wat naar het oosten gaat,” luidde de opdracht. zo'n taak was aan hen, slechtvalken, wel besteed. Hun ogen behoorden tot de beste uit het dierenrijk. Daarbij waren ze ook uitstekende vliegers. Hun slaan – het grijpen van een prooi in de lucht – was pure luchtakrobatiek, duizenden malen geoefend. Zag Alida een andere vogel – haar favoriete voedsel, mits de ander niet te groot was, natuurlijk, maar zelfs een raaf, aanzienlijk groter dan zijzelf, ontzag ze niet - dan dook ze in een razendsnelle duikvlucht op haar prooi af, haar vleugels met de spitse punten naar achteren gevouwen. Geen vogel was in zo'n stootduik sneller en dodelijker dan een slechtvalk. Op het laatste moment strekte ze haar beide klauwen naar voren alsof ze wilde afremmen – zo leek het – om daarmee een nietsvermoedende houtduif te grijpen. Ze omklemde hem met haar klauwen en beiden tuimelden stuurloos in een dodelijke omhelzing door het luchruim terwijl zij hem met haar snavel de genadebeet toediende, om vlak boven de grond de controle over hun gezamenlijk vlucht weer te herkrijgen en veilig te landen of op te stijgen naar een tak of rotspunt waar zij haar maaltijd op haar gemak verorberde. Niemand haalde het in zijn hoofd haar tijdens haar eten te storen.
Ze waren niet alleen snel, maar konden ook makkelijk grote hoogten bereiken, zo hoog dat ze vaak door anderen bijna niet meer konden worden gezien. Zelf hadden ze een onbelemmerd zicht op alles wat zich onder hen afspeelde. Op deze hoogte opereerden ze om op andere vogels te jagen, zoals duiven, spreeuwen en lijsters, die lang niet zo hoog kwamen.Hier vandaan zag ze ook knaagdieren en reptielen op de grond en de sporen die ze nalieten. Ze kon de pootafdrukken van een konijn onderscheiden en de plaats waar zijn hol zich bevond. Ze hoefde de afdrukken alleen maar te volgen tot het punt waarop ze, vaak in een wirwar van uitwaaierende sporen, onder de grond verdwenen. De rest was een kwestie van geduld.
Als ze op deze wijze op de bewoner van een konijnenhol wachtte, schoof er wel eens een aantrekkelijker hapje door haar gezichtsveld. Zoals nu. Boven de boomtoppen van het bos ver onder haar zag ze het zwarte silhouet van een vogel. Hij was tegen de donkere achtergrond van het bos nauwelijks te zien maar met haar bijzondere opmerkingsgave voor beweging had Alida hem toch in de gaten gekregen. Het leek haar een kraai of een raaf toe totdat ze in het zonlicht een glimp van een rode vlek op de kop opving. Aha, een zwarte specht. Kleiner dan een raaf, maar met een vervaarlijke snavel en bovendien een vechtjas. Als Alida hem in een stootduik kon slaan, zou hij niet eens de kans krijgen zijn snavel of zijn vechterskwaliteiten te gebruiken. Ze gaf een paar krachtige vleugelslagen en stortte zich toen in een razendsnelle stootduik op de specht die ver beneden haar vloog. Haar achterwaarts gevouwen vleugels, haar staart perfect in het verlengde van haar romp, haar snavel die messcherp door de lucht sneed, alles aan haar droeg bij om die duizelingwekkende snelheid te bereiken waarmee ze in fracties van een sconde haar prooi zou verrassen die niets vermoedend boven het bos vloog, de ogen op de grond gericht alsof hij daar iets zocht.
Soms kun je maar beter niet weten wat je boven je hoofd hangt. De nadering van gevaar leidt vaak tot panische reacties die niet altijd niet de beste zijn. Alida hield er rekening mee dat de specht haar nadering zou horen of instinctief zou aanvoelen en op het laatste moment zou zwenken. Zij spreidde daarom haar klauwen wijd uit zodat een kleine correctie voldoende zou zijn om de uitwijkende en ontsnappende prooi te grijpen. Ze was er ook op bedacht dat de specht haar nadering helemaal niet zou opmerken en rechtdoor zou vliegen. Het enige waarmee ze geen rekening hield was dat hij, juist toen ze wilde toeslaan, onder zich een open plek in het bos zag en daar eindelijk Rufa zag lopen. Balo liet zich dus als een steen naar beneden vallen en daardoor redde hij zijn nek. Waarschijnlijk had hij dat niet gedaan als hij Alida had zien aankomen en was naar links of naar rechts uitgeweken, zoals ze had verwacht. Maar doordat hij zich liet vallen greep de aanstormende valk bijna mis. Haar klauwen kregen in plaats van de romp een stukje van de staart van Balo te pakken. Omdat ze dat krampachtig bleef vasthouden moest ze wel met de specht mee naar de grond. Normaal zou ze haar prooi, zeker als die zo groot was als een zwarte specht, ook mee naar de grond hebben genomen, maar dan zou die al dood zijn geweest door de snelle beet die ze in de lucht aan haar slachtoffers uitdeelde. Nu was daarvan geen sprake. Een paar centimeter boven de grond liet ze de specht los, misschien omdat ze de greep op de Balo”s staartveren verloor. Dat was een geluk voor Balo die daardoor bij de landing niet onder de zware valk terechtkwam. Nu landden beide vogels op hun poten, een stukje bijelkaar vandaan. Ze waren ongeveer even groot. Alida wilde het initiatief behouden en meteen bovenop de specht springen, maar bij Balo had de eerste schrik plaatsgemaakt voor een grote woede, die ongetwijfeld nog werd versterkt door zijn gevoel van verantwoordelijkheid voor Rufa. Hij probeerde niet over de grond aan zijn aanvalster te ontsnappen, hoewel hij dat best had gekund, maar sprong eveneens op om haar met zijn krachtige snavel te lijf te gaan. Beide vogels ontmoetten elkaar halverwege. De slechtvalk was zwaarder dan de specht, maar deze was beweeglijker en had een langere snavel waarmee hij als een razende in elk deel van de valk hakte dat hij wist te vinden. De valk slaagde erin hem op zijn rug te werpen maar zelfs toen ze boven hem stond, slaagde Balo erin met zijn snavel het moordende kromzwaard weg te houden dat Alida in zijn nek wilde steken, en hals en kop van de valk zo toe te takelen dat deze achteruit sprong.
Balo kwam direct overeind en zo stonden de vogels een ogenblik recht tegenover elkaar en keken elkaar hatend aan voordat de specht opnieuw, met uitslaande vleugels en met grote felheid op de valk afsprong. Weer hakte de snavel met de kracht en het mitrailleurtempo waarmee hij bomen uitholde naar de kop van de valk die terugdeinsde. Alida wist niet wat haar overkwam en begon zich steeds onbehaaglijker te voelen bij dit prooidier dat haar aanviel in plaats van andersom en een ongelooflijk effectieve snavel had. Daarom deed ze het enige wat ze nog kon doen en dat was, gehavend en wel en met achterlating van een paar veren, wegvliegen op een moment waarop Balo even niet om haar kop vloog maar zich klaarmaakte voor een volgende aanval.
Dat was het ogenblik waarop Rufa, die van enige afstand de geluiden van het gevecht had gehoord en daartussen de onmiskenbare kreten van Balo had opgevangen, kwam aangerend. Ze zag Balo op de grond zitten en de valk wegvliegen. “Balo,” riep ze bezorgd, “wat is er? Heb jij wat? Ben je gewond?” Maar Balo keek, nog beduusd van de gebeurtenissen, de valk na en reageerde niet op de woorden van Rufa
- “Vertel Werra maar dat ik zijn bek ook zal verbouwen,” schreeuwde hij achter de valk aan die flink verfomfaaid en met slome, enigszins gekwetst aandoende vleugelslag wegwiekte.

Inmiddels was Rufa bij Balo aangekomen. Hij hield een van zijn vleugels enigszins van zijn lichaam af.
- “Ben je gewond?,” vroeg ze.
Balo probeerde de vleugel te bewegen.
- “Gaat wel. Hij heeft mijn rechtervleugel te pakken gehad, geloof ik. Maar het lijkt me niet zo ernstig.”
- “Laat eens zien.”
Hij strekte de vleugel uit en Rufa keek ernaar. Hij had verschillende wonden aan zijn schouder en opperarm waar de snavel van de valk hem had geraakt. Ook zijn staart was pijnlijk. Daar had de klauw van de valk toegeslagen. Rufa kon niet zien hoe ernstig de wonden waren. Gelukkig had hij zijn staartveren nog, anders zou haast niet meer hebben kunnen vliegen.
- “Kun je nog vliegen?,” vroeg Rufa.
- “Ik denk het wel. Ik zal het straks even proberen.”
Ze waren die morgen weer verder gegaan. Ze hadden de Drakentand achter zich gelaten die nu steeds kleiner werd en waren, met de bergen aan hun rechterhand, het dal van de Noordelijke rivier ingegaan. Rufa had Balo gewaarschuwd dat ze steeds dichter in de buurt van de Kobolden kwamen en in het gebied waar Werra”s vogels patrouilleerden, en dat hij dus extra-goed moest uitkijken. Ongetwijfeld had Balo dat ook gedaan, maar hij moest niet alleen aan zijn eigen hachje denken, maar ook op haar letten en kijken of er voor haar geen gevaar dreigde. Zo had het kunnen gebeuren dat hij de slechtvalk niet had opgemerkt, maar zij hem wel.
Ze maakte Balo”s wonden zo goed mogelijk schoon. Ze hoopte dat het genezend effect, dat bij wolven werkte, ook bij spechten opging. Als dat niet zo was, moest Alberon er maar voor zorgen dat dat alsnog het geval zou zijn, zo bad zij hem vurig in stilte.
- “Probeer eens of je nog kunt vliegen,” zei ze tegen Balo.
De specht keek goed om zich heen en toen hij geen onraad zag, sloeg hij zijn vleugels uit. Hij kwam van de grond, voldoende om een tak te halen en keerde daarvan weer terug.
- “Gaat prima,” zei hij.
- “Je jokt, Balo. Het gaat helemaal niet goed. Je doet maar alsof. Je moet je vleugel rust geven,” zei Rufa, “anders kun je morgen niet vliegen.”
De specht keek beteuterd.
- “Wat moet ik dan doen?,” vroeg hij en keek Rufa aan. In zijn gele, witomrande oogjes die daarnet nog hadden gezegenpraald, zag ze nu de twijfel toch nog te hebben gefaald en angst om alsnog te worden teruggestuurd.
- “Je gaat op mijn rug zitten zoals je de eerste keer bij Loeban hebt gedaan. Je houdt je goed aan mijn vacht vast. En zo gaan we verder tot de avond valt. Je zult zien dat je ook op mijn rug je vleugel vaak genoeg moet uitslaan om je evenwicht te bewaren, maar misschien is “ie er morgen dan beter aan toe.”
De eerste keer viel Balo natuurlijk van haar rug, maar daarna had hij – net als toen bij Loeban - de juiste positie hervonden en kon Rufa in haar gewone tempo verdergaan. Ze moest alleen uitkijken als ze een sprong maakte, wat zij automatisch deed als er een obstakel voor haar voeten kwam, maar na een paar keer was Balo zo behendig dat hij met haar meesprong en na afloop weer op haar rug belandde. Hij leek een akrobaat die een circuspaard bereed. Gelukkig was hij niet zo wereldwijs dat hij dat zelf ook vond. Als hij het idee dat hij een paard bereed en zij het paard was, werd hij natuurlijk volslagen onuitstaanbaar.
Die avond vond ze een slaapplaats onder een hulst. Balo zou veilig tussen de vele takken en dichte, puntige bladeren van de struik kunnen overnachten en hoefde niet op zoek te gaan naar een holle boom. Ze verzorgde zijn verwondingen. Alberon, help, bad ze. Iedereen die het goede is toegedaan, help. Balo pikte zijn maal bijelkaar in de grond rondom haar leger.
- “Ben je erg geschrokken van die valk?,” vroeg Rufa.
- “Nee hoor. Ik kon hem hebben. Dat zag je toch. Hij vluchtte weg. Als jij niet was gekomen, was ik hem achterna gegaan en had hem vermoord. Helemaal hartstikke vermoord.”
Rufa lachte.
- “Zal ik jou nu eens een verhaal vertellen?,” vroeg ze.
- “Ja, hoi, verhaaltje. Balo is gek op verhaaltjes.”
- “Deze gaat over een neef van je. Rudolf. Ken je die?”
Balo dacht na.
- “Rasa, Rutger, Richard, Rieuwert, eh ... nee,” zei hij toen.
- “Denk erom: het is maar een verhaaltje. Als je eigenwijs wordt, eet ik je op.”
- “Als jij honger hebt, mag je me best opeten,” zei Balo met een verdrietige maar opofferende blik in zijn kraalogen.
- “Ok,” zei Rufa. “Veel wezens zoals geesten en draken, die wij nu mythologisch zouden noemen maar die echt hebben bestaan, hadden wat probleempjes in de omgang met soortgenoten en andere aardbewoners. De draak, bijvoorbeeld, had van nature een grote behoefte om met mensen en dieren te verkeren, maar telkens als hij dat deed en zoiets wilde zeggen als “gezellig hè”, dan bleken de meesten van degenen met wie hij het nu net zo gezellig had door de verzengende adem waarmee hij zijn oprechte woorden uitsprak om het leven te zijn gekomen. Het gevolg was dat draken tot een bestaan in eenzaamheid waren gedoemd. Een enkeling vertroostte zich daarmee, sommigen stierven van verdriet, maar de meeste draken raakten gefrustreerd en uitten dat in gramschap tegenover degenen die hun gezelschap niet meer op prijs stelden. Begrijpelijk, want wie wordt versmaad keert zich tegen de versmader, maar voor de betrokkenen was het lastig. Vaak moest er een ridder aan te pas komen om aan deze gramschap een einde te maken. Er is altijd wat neerbuigend gedaan over die ietwat potsierlijke ridderstand die immers niet veel meer heeft nagelaten dan wat roestige harnassen, maar men vergeet dat deze ons van een heleboel lastige draken heeft verlost.
Garifides, nu, was zo'n onaangename draak die aan alles en iedereen een hekel had. Daarom groeiden er rond zijn hol geen bloemen en zaten er evenmin vogels in de bomen. Sterker nog, de directe omgeving van zijn hol was een kale zandvlakte waar geen boom of grasspriet meer overeind stond. De adem van de draak had alles verschroeid, planten, dieren, zelfs moeders met kinderen die toevallig passeerden waren aan zijn ademstoten ten offer gevallen en waarachtig niet omdat Garifides “gezellig hè” tegen ze had gezegd, al zou dat voor het resultaat weinig verschil hebben gemaakt.
Zoveel boosaardigheid was de koene ridder Romoer te gortig. Op een dag gordde hij zijn harnas om en pakte zijn grote tweehandige slagzwaard. De specht Rudolf zag het allemaal gebeuren. Hij zat op een tak van een geblakerde boom aan de rand van Garifides” zandvlakte en zag hoe Romoer op het hol van de draak afstapte en op de deur bonsde. “Kom eruit, lafaard,” riep Romoer, “je kunt met je adem misschien vrouwen en kinderen doden, maar geen ridder. Kom naar buiten en vecht.”
Garifides lachte luidkeels en hoogst onaangenaam. “Een ademstoot van mij en je ligt,” riep hij terwijl hij snuivend naar buiten kwam. Hij knipoogde tegen het zonlicht. “Waar ben je?,” vroeg hij terwijl hij om zich heen keek. “Ah, daar,” zei Garifides toen hij hem zag, “gezellig hè, zo met z'n tweetjes” en blies meteen een flinke vuurbal in de richting van de ridder met zijn getrokken zwaard. Er ontstond een vreselijk gevecht. De ridder hakte op de draak in, maar omdat deze een gepantserde en geschubde huid had, ketste het zwaard keer op keer af. Bovendien moest de ridder uit de buurt van de briesende uitblazingen van het monster zien te blijven. Het enige succesje dat Romoer wist te boeken, was dat hij met een geweldige hauw van zijn zwaard een van de vervaarlijke hoektanden uit de geopende bek van Garifides sloeg. De tand vloog kilometers door de lucht en belandde met een grote boog ver achter de horizon. Als de draak de ridder opat, zou hij met de andere kant van zijn gebit moeten kauwen. Meer had Romoer met al z'n gehak niet bereikt. Doodmoe liet hij daarom zijn zwaard zakken.
Vanuit zijn boom volgde Rudolf het verloop van de strijd. Hij zag dat bovenop de kop van Garifides geen schubben zaten en hij riep dat Romoer toe. Maar hoe kon de ridder bij de kop van een draak komen die veel groter was dan hijzelf? De specht begreep dat hij zelf iets zou moeten ondernemen en daarom dook hij, juist op het moment waarop de draak de ridder de fatale ademstoot dacht toe te dienen, op de kop van Garifides en dreef met alle kracht waarover hij beschikte zijn snavel in de ongepantserde drakenschedel. De draak hield, verbaasd over de plotselinge aanval, zijn adem in en gaf Rudolf daarmee gelegenheid nog een paar maal toe te slaan. Tegen een snavel die sterk genoeg was om hardhouten bomen als beuken, eiken en esdoorns uit te hollen, was zelfs een draak niet bestand en omdat hij er evenmin in slaagde de specht met zijn dodelijke adem van zijn eigen kop te verdrijven, viel hij om. Romoer kon toen zijn zwaard dwars door het pantser van de draak steken, waarop Garifides “niet gezellig” zei, zijn kop nog een keer schudde en zijn laatste verzengende adem uitblies.”
Rufa wachtte even, alsof de gedachten aan de dramatische laatste ogenblikken van de draak haar overmanden.
- “Laat me raden,” zei Balo, “er was bloed van de draak op de kop van Rudolf terecht gekomen en sindsdien zijn onze kopveren rood.”
- “Precies. Om iedereen er aan te herinneren dat jullie, zwarte spechten, eigenlijk drakendoders zijn,” zei Rufa.
- “Prachtig, prachtig. En die tand... ,” vroeg Balo.
- “Ja, die belandde een stukje verderop en dat is onze Drakentand. Een cadeautje van Romoer.”
- “Ik wist het wel, ik wist het wel: wij zijn drakendoders!” Balo kraaide bijna van plezier.

Wat deed er geen pijn aan haar? Alles, of liever gezegd, niets. Niets deed geen pijn. Dus alles deed pijn. En dat deed het ook. Haar kop, vleugels, staart, poten. Alsof er een stier op haar was gaan zitten. zo'n verdomde specht.
Ze had haar vleugels voldoende kunnen gebruiken om op te stijgen, op een behoorlijke hoogte te komen en koers te zetten naar huis. Waar moest ze anders naar toe? Een tijdje op een tak gaan zitten griepen tot het ergste weer over was? Dan was ze haar baantje kwijt. Weliswaar deden haar verwondingen in de koude lucht nog meer pijn, maar als ze zo hoog vloog viel niet zo op hoezeer die specht haar te pakken had genomen. Ze moest er niet aan denken dat ze haar collega”s tegenkwam, Frieda, Hedwig of Bertholde, die haar zouden vragen waarom ze zo laag en zo langzaam vloog. Of ze gewond was? En zo ja, waardoor? Door een specht! In gedachten hoorde ze hun lach al langs de hemelen schallen. En daarbij zou het niet blijven. Ze zouden er bij terugkomst onmiddellijk voor zorgen dat iedereen het wist. Er zouden vriendinnen langskomen die een stadsmusje of roodborstje bij haar zouden neerleggen en geruststellend zeggen dat hij al helemaal dood was, hoor, en dat ze niet bang hoefde te zijn dat “ie nog bewoog en haar zou kunnen pikken.
Ze zou beter kunnen zeggen dat ze een vreselijk gevecht had gevoerd met een adelaar, alleen zouden ze dan willen weten met wie en waarom. Asa, die kale gier die de baas van de vogels was, had ze op het hart gedrukt geen ruzie met ander vogels te maken en zeker niet met adelaars, haviken en buizerds omdat ze hoopten die aan Werra”s kant te krijgen.
Dus restte haar niet veel anders dan naar huis gaan en de waarheid vertellen. Ze kon die wolf er nog bij halen, die op het laatste moment was verschenen. Een wolf en een specht – ja, dat kon. Een grijze was het, nota bene. Ze kon zeggen dat ze de eerste valk was die een wolf had aangevallen. Dat klopte misschien niet helemaal met haar verwondingen. Als een wolf je in z'n kaken had, kwam je er niet meer levend tussen vandaan, dus je kon op die manier geen kleine verwondingen oplopen. Goed, dan kwamen die wonden door die specht. Natuurlijk: midden in haar heroïsche strijd met de grijze wolf, die zij keer op keer had aangevallen om hem terug te drijven, was zij op haar beurt aangevallen door een specht. Desondanks ging ze door met die wolf aan te vallen, totdat ze niet meer kon. Dat zou haar verhaal worden. Wat een plichtsbetrachting!
Dat dacht ook Giselda, de leidster van het corps slechtvalken, toen zij het verhaal van Alida hoorde. Een grijze wolf en een specht. Of het haar alleen was te doen om roem voor haar corps of omdat ze begreep dat het iets bijzonders was, maar ze gaf het door aan anderen en dat leidde ertoe dat de Kobolden nog intensiever gingen patrouilleren dan ze al deden.

De volgende morgen luidde de vijfde dag in na hun scheiding met de groep van Gurdd. De vleugel van Balo was stijf maar minder pijnlijk. “We gaan weer paardje rijden,” zei Rufa tegen hem. Ze kreeg de indruk dat de vleugel goed genas. Het was de vorige dag goed gegaan en ze waren nauwelijks opgehouden door de ongewone wijze van vervoer. Feitelijk schoten ze goed op.
- “Profiteer nog maar even van de weg van moeder aarde. Al dat gewapper is nog niet goed voor je vlerkje.”
Balo protesteerde, maar Rufa was onvermurwbaar.
- “Ga meer lekker op mijn rug zitten,” zei ze, “Je moet morgen zo ver zijn uitgerust dat je in staat bent naar Gurd en de anderen te vliegen om te kijken hoe het met ze gaat. Dan moet je de bergen over. Dat kun je niet als je vleugel niet helemaal is genezen.”
Ze moest er niet aan denken hem op een dergelijke gevaarlijke missie uit te sturen zo lang het niet noodzakelijk was. Ze zag hem in gedachten al vliegen, kleine dappere zwarte vogel, scherp afstekend boven de witte pieken als een prooi voor wel tien slechtvalken en misschien evenzovele adelaars. Maar Balo wilde graag belangrijk gevonden worden en niets maakte hem zo toegevend als het vooruitzicht van grote heldhaftige daden.
Inderdaad had Balo had zich morrend geschikt en was weer op haar rug gaan zitten.
- “'t Is geen gezicht. Als andere spechten mij zien, lachen ze zich een hoedje. Denk je dat er een spechtenvrouw is die een vent wil die hortsik op een wolvin doet?”
- “Jij hebt helemaal geen tijd voor spechtenvrouwtjes. Jij moet je ogen openhouden en goed uitkijken naar valken en nare Kobolden en naar iets om te eten.”
Voort gingen ze weer. Balo als akrobaat op haar rug. Als ze sprong, maakte hij steeds langere sprongen om in glijvlucht een eindje verderop weer op haar rug te landen. Ze maakte er een spelletje van door, als ze hem hoorde aankomen, op het laatste moment een zijsprong te maken waardoor hij haar miste. Ze wist ook dat ze hier in of vlakbij Koboldengebied extra-voorzichtig moest zijn. “Gek eigenlijk,” dacht ze, “het ziet er hier net zo uit als een stukje terug. Het rook zelfs hetzelfde. Wat is er dan tussen daar en hier gebeurd, waardoor het daar veilig is en hier niet. Is dat macht? Transparant en reukloos, net als het gas dat wel eens tussen rotsspleten opwelde. Je werd er duizelig van zonder te weten waaraan het lag, je kon je bewustzijn verliezen en je kon eraan doodgaan als er niet op tijd iemand kwam om je weg te slepen. Dat was macht dus.”
Ze zocht de hogere hellingen weer op. Ze kende hier geen andere wolven, wat waarschijnlijk kwam doordat ze zich hier niet op hun gemak voelden. De reden zou wel de houding van de Kobolden zijn die de laatste tijd veel agressiever was geworden, in elk geval tegen grijze wolven. Het betekende dat er niemand was op wie ze in geval van nood zou kunnen steunen. Op weg naar boven passeerde ze weer sporen. Nette sporen van ordelijke maar onbekende groepen en de chaotische van andere wolven. Alberon had gelijk: er waren er meer onderweg naar de Tingboom. Ze besloot nog een stukje hoger de hellingen op te gaan. Als deze sporen niet waren opgemerkt door de patrouilles van de Kobolden, des te beter. En als ze wel waren opgemerkt, werd haar kans door hoger te gaan niet kleiner. De Kobolden kwamen van beneden, uit het dal, niet van de bergtoppen. Bovendien zou ze bij de boomgrens, waar het meeste grijswitte rotspuin zich had opgestapeld, beter gecamoufleerd zijn dan in het bos zelf, terwijl ze daar toch nog wat beschutting van de bomen zou hebben tegen nieuwsgierige blikken van bovenaf.
Maar voorlopig hoefde ze niet bang te zijn voor Werra's slechtvalken. Vlak onder de top miste het en zelfs een valk kon niet door een regenwolk heen kijken.
- “Zou er vandaag eens niets gebeuren,” vroeg ze aan Balo, die op haar rug zat.
- “Gebeurt er zoveel dan?,” vroeg hij.
- “Jawel, er is de laatste paar dagen elke dag wel iets gebeurd.”
Op datzelfde moment hoorde ze zoevende geluiden en voelde ze iets tegen haar linker achterpoot aanslaan, gevolgd door een stekende pijn. Om haar heen vlogen schichten die tegen de grond en in een boom sloegen. “Kobolden,” raasde het door haar heen terwijl ze een blik wierp in de richting waar de pijlen vandaan kwamen en met een reuzensprong opzij schoot in de beschutting van een rijtje struiken. Balo schoot omhoog, de lucht in en scheerde tussen de takken. Ze had een paar Kobolden gezien, een stuk of vier, dacht ze terwijl ze met grote sprongen voortrende in een richting die haar zo ver mogelijk bij haar belagers vandaan bracht. “Fout,” gierde het door haar heen, “ik moet de andere kant op. Anders moet ik ze weer voorbij.” Naast de paniek die haar had bevangen was er ook nog plaats voor enige overweging, al was die niet de beste. Ze maakte tegen de helling op een scherpe bocht naar links totdat ze weer oostwaarts rende, evenwijdig aan de bergkam, maar kwam zo haar aanvallers weer tegen die een stukje lager op de helling stonden. Ze probeerde zo hoog mogelijk te komen. Ze voelde onder het rennen geen pijn aan haar poot, maar wel dat er iets vreemds aanzat. Boven haar krijste Balo: “weg, weg.” Ze begreep niet waarom totdat ze meer zoevende geluiden hoorden en schichten op de grond voor haar zag neerkomen. Ze voelde opnieuw iets tegen haar aanslaan, nu bij haar schouder. De schrik en de pijn deden haar krachten toenemen. “Ik mag niet dood,” schreeuwde ze inwendig tegen zichzelf, “ik heb een opdracht.” Ze rende door, voor haar gevoel harder dan ze ooit had gelopen. “Voor Gurd, voor allemaal.” Ze krijste het uit. Tussen de paniek was er soms een ogenblik van nuchterheid. “Zou Balo het uithouden met zijn gewonde vleugel?” Ze rende verder over de bergweide vlak onder een van de voorste toppen van het Hoge Paktar-massief. “Rennen, rennen. Ik ben niet gewond, ik kan uren zo doorgaan, sneller dan een haas. Voor Alberon, voor Gurd, voor allemaal.” De wei ging naar beneden om verderop weer omhoog te gaan. Ze vloog omlaag, struikelend, maar ook dat deerde haar niet. Ze sprong omhoog tegen de nieuwe helling op. Ze begreep nu hoe een haas zich moest voelen als zij achter hem aanzat. “Nooit jaag ik meer op hazen,” dacht ze. “Door, door.” Ze bleef rennen. “Ik voel geen pijn. Alberon heeft iets gedaan waardoor ik geen pijn voel.” Ze joeg verder onder de kam door, maar ze voelde dat haar krachten wegvloeiden. “Ik heb een opdracht,” schreeuwde ze zichzelf toe. Ze deed nog een paar passen, zag in de verte een rotsformatie en wankelde daar naartoe. “Waar is Balo,” dacht ze. De rotsen openden zich voor haar, zo leek het. Toen zakte ze ineen.

Balo had de schutters andermaal op haar zien aanleggen en was met een woeste kreet op hen neergedoken. Later zouden de Kobolden zeggen dat ze dachten dat hij “drakendoder” of zoiets riep. Hij had er een zijn jachthoed met zijn klauwen afgemept en een ander in het voorbijgaan een ontzettend harde tik met zijn snavel gegeven, voordat hij zich klaarmaakte voor een tweede aanval. Hij had daarmee hun aandacht van Rufa afgeleid want ze probeerden nu op hem te mikken, drie van hen althans, want de vierde zat aan zijn bebloede hoofd te voelen. Veel tijd kregen ze niet want na een korte draai dook hij weer op ze neer en slaagde erin een tweede met zijn snavel op het hoofd te tikken, ook al probeerde deze hem met zijn gespannen boog af te weren. Maar de razende specht ontliep de boog en had maar een fractie van een seconde nodig voor het uitdelen van een tik als een hamerslag, hard genoeg om een fikse deuk in de stam van een eik te slaan, die door het hoedje van de Kobold nauwelijks werd gedempt. Toen hij omkeek zag hij tot zijn grote genoegen dat ook deze op de grond ging zitten om aan zijn hoofd te voelen. Net zomin als Rufa voelde Balo pijn aan zijn vleugel. Na zijn tweede aanval vloog hij zo snel mogelijk en zigzaggend weg bij de Kobolden, die hem nog een enkele kansloze pijl nazonden. Daarna vloog hij in een grote boog achter de kam langs naar de plaats waar hij Rufa vermoedde.
Op weg naar haar toe, toen de eerste opwinding over de aanval wegebde, merkte Balo pas aan de pijnscheuten dat zijn vleugel de vorige dag behoorlijk was toegetakeld. De ijlere lucht dwong hem meer vleugelslagen te maken dan hem lief was. Bovendien moest hij eraan denken dat hij hier, boven de bergtoppen, met zijn zwarte verenkleed een makkelijk zichtbaar doelwit was voor roofvogels terwijl er geen bomen in de buurt waren om dekking te zoeken als hij zou worden aangevallen. Om zich zo onopvallend mogelijk te maken scheerde hij laag langs de toppen, volgde de diepe inzinking die Rufa was gepasseerd en klom aan de andere kant weer naar boven terwijl hij ondertussen scherp uitkeek naar sporen van haar op de grond en van roofvogels in de lucht. Maar in de stugge en onregelmatige begroeiing van de bergweide kon hij geen aanwijzing vinden. Hij wist dat ze door minstens een pijl geraakt en gewond was en waarschijnlijk niet al te ver had kunnen komen, maar hoe ver dan wel? Keer op keer vloog hij over de tweede helling – de helling na de inzinking – om te zien of hij ergens Rufa zag. Maar hij vond haar niet en uiteindelijk ging hij uitgeput op de tak van een bessenstruik zitten.
Waar waren de Kobolden? Ook die vraag hield hem bezig. Zouden ze achter de gewonde wolvin aangaan of hadden ze genoeg aan hun eigen hoofd? Hij lachte om zijn woordspeling. Hij had ze niet meer gezien, nadat hij nog een blik achterom had geworpen. Die tweede had hij goed te pakken gehad. “Taks.” Hij deed in zichzelf het geluid van de tik na die hij aan hem had uitgedeeld. Nee, de ongedeerden zagen er niet naar uit dat ze snel de achtervolging zouden inzetten en hun getikte makkers - alweer zo'n leuke woordspeling - aan hun lot overlaten.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken