Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Paktar

“Paktar.” De stem klonk gebiedend, galmde echoënd tussen de bergtoppen en drong zelfs door in de holten van de bergen zelf. “Paktar, waar zit je?” De aangesprokene zat ineengedoken in de spelonk waarin hij al eeuwen verbleef. Hij kende die stem. “Paktar, ik gebied je tevoorschijn te komen.” De roeper was onmiskenbaar ontstemd, waarschijnlijk boos. Maar boosheid verleende nog niet het recht hem, de heerser van het gebergte, op zo'n manier ter verantwoording te roepen, ook al was de ander dan niet de eerste de beste. Was hij dat wel geweest dan had een plotseling windzucht, gevolg van een simpele handbeweging, hem al lang als een herfstblad van de top van de berg weggevoerd om na een lange tuimeling ergens op de hellingen beneden te belanden en voorgoed te zwijgen. Heerste hij, de berggeest, niet over wind, regen en sneeuw in zijn gebergte? Had hij niet storm, bliksem en hagel ter beschikking om anderen zijn wil op te leggen, om nog te zwijgen van lawines, aardverschuivingen en rotsblokken die hij met donderend geweld van zijn hellingen kon laten razen? Nee, de ander was niet de eerste de beste, maar zou hij tegen hem, Paktar, opgewassen zijn? Oh ja, hij wist waar hij voor kwam. Hij kwam om hem het zoet van de wraak te onthouden. Ook al was dit slechts een kleine deel van de wraak en dus een klein zoet, maar ook dat had hij lang niet meer gesmaakt. En was dat, volgens die zwarte wolf Stern die hem met een bezoek had vereerd, niet een belangrijk deel van de grote afrekening, een veel grotere wraak?
Je had kwaaddoeners en goeddoeners. In al die jaren dat Paktar in zijn spelonk zat, had hij tijd genoeg gehad om daarover na te denken. Kwaaddoeners kwamen het eerst en deden kwaad. Wat hij van de wereld wist, was dat dat niet zo bijzonder was. In elk wezen schuilde wel enig kwaad, alleen bij de een wat meer dan bij een ander. En als kwaad niet het toedoen van enig wezen was, dan was het toeval de oorzaak. Dat was acceptabel. Maar was het kwaad dan minder? Neem een lawine. Die kon het gevolg zijn van een handbeweging van hem, de berggeest, of van de toevallige omstandigheid dat ergens op zijn hellingen wat sneeuw, modder of kiezellagen waren gaan schuiven. Was het eerste geval nu kwaad en het andere niet? Was de zwaartekracht, die in zijn gebergte alom aanwezig was, rotsblokken naar beneden liet vallen en bergbeklimmers in de diepte liet storten, het kwaad? Nu ja. Vervolgens kreeg je de goeddoeners. Die ontleenden hun bestaan aan het feit dat er kwaaddoeners waren. Waren er geen kwaaddoeners geweest, dan waren de goeddoeners ook weggebleven. Zij deden overdreven hun best om anderen ervan te overtuigen dat goed beter was dan kwaad. Maar wat was dat voor een motief? Welk wezen dankte zijn bestaan aan het niet-zijn van een ander wezen? Liepen er soms ergens wolven en niet-wolven rond, om maar een voorbeeld te geven? En paradeerden er ergens lammetjes voor wolvenmuilen langs om te laten zien dat het goed was lam te zijn en fout om wolf te wezen?
- “Paktar, kom tevoorschijn. Ik moet je dringend spreken.”
Moeten, moeten. Zou jij meteen komen als ik zo voor je deur stond te blaffen? Nadenken over goed en kwaad hoorde bij hem. Hij was als berggeest het typische product van twee geestenrijke werelden: de aarde en de hemel. Zijn gebergte hield die twee als het ware uit elkaar. Zoals deze werelden elkaars tegenpolen waren, kende zijn eigen gedachtenwereld een zekere verdeeldheid, een geneigdheid de dingen tegenover elkaar te plaatsen, maar ook wispelturigheid, het grote voorrecht van de geesten. Zijn karaktertrekken hadden hun weerslag gevonden in zijn gebergte. Neerslachtigheid en momenten van blijdschap hadden elkaar afgewisseld zoals het weer rondom zijn bergen, brutaliteit en bewogenheid vond je terug in de beken, onbesuisd of doordacht waren zijn toppen waarvan sommigen met een overdreven bestormingsdrang hun kale piek door de wolken staken terwijl andere zich, zonder hun mantel van naaldwouden te verliezen, net onder de tuin der goden welfden. Ongevoelig en meelevend waren zijn lawines die soms hele dorpen wegvaagden en op andere momenten nieuwe hellingen en doorgangen boden die de reiziger de tocht door zijn gebergte vergemakkelijkten. Ongeïnteresseerd of leergierig waren zijn bossen die akkers overwoekerden die even onbebouwd waren gebleven, maar die ook bereidwillig weken op plaatsen waar de mens ruimte zocht. En onbevangen waren de sneeuw op zijn bergen en de ontelbare bloemen zich die in het voorjaar op zijn bergweiden ontvouwden.
De mens. Hij had zich verdiept in dat onverdraaglijke wezen dat opeens in zijn domein was opgedoken en hij had geprobeerd met hem samen te leven, maar dat was hem niet meegevallen. De grazige weilanden met bloemen en vee op de hellingen van zijn gebergte, idyllische huisjes met strodaken en gezellige rookpluimen, vriendelijke dorpjes met vrolijke kinderen hadden hem zo aanlokkelijk toegeschenen dat hij een van hen had willen zijn en had zich onder de mensen begeven. Hij was boerenknecht geworden en had de akkers, die aan zijn zorg waren toevertrouwd, tot bloei gebracht, om er vervolgens achter te komen dat de boer voor wie hij werkte zijn geld er doorheen had gejast. Voor een andere boer had hij schapen geweid en zich daarbij niet ontzien de steilste hellingen met het voedzaamste gras en de heilzaamste kruiden op te zoeken zodat zijn kudde in blakende gezondheid verkeerde en zijn schapen zich als konijnen vermeerderden. Niet een was van de rotsen gevallen of door een wolf meegesleurd. Maar in plaats van dankbaar was deze boer gierig en had de beste ram uit zijn eigen kudde verstopt om hem, Paktar, te kunnen verwijten dat hij deze had verspeeld zodat de boer zijn loon kon inhouden. Hij had deze boer kunnen straffen, evenals de vorige, maar hij had dat niet gedaan. Toen was hij voor een rechter gaan werken, maar deze nam het zelf met de wet niet zo nauw en misbruikte die voor zijn eigen belangen. Toen hij daarop ontslag nam, liet de rechter hem opsluiten. Natuurlijk kon hij makkelijk ontsnappen – hij was immers een geest die elke gedaante kon aannemen – maar hij had de ondankbaarheid en leugenachtigheid van de mens leren kennen.

Zelfs toen had hij zich nog niet geheel van de mens afgekeerd. Hij moest zijn bitterste teleurstelling nog ondergaan. Bij een waterval had hij de mooie Emma zien baden en de aanblik die zij hem – eenzame berggeest – had geboden, had hem bekoord en in hem de wens wakker geschud een vrouw te bezitten. En niet zomaar een vrouw, maar Emma. Toen zij later opnieuw naar de waterval ging, vond Emma daar niet de bruisende beek met zijn stenige bodem maar een prachtig marmeren bad dat hij voor haar had laten bouwen. In het midden stond een fontein en vanuit de hoeken spoten fraai gebeeldhouwde naiaden stralen water in het bad. Voorzichtig was zij er ingestapt, maar niet voorzichtig genoeg en zij was weggegleden in een peilloze diepte die haar rechtstreeks in zijn rijk en in zijn armen had gevoerd. Maar was zij daarmee de zijne? Nee, natuurlijk. Ze was blij dat iemand haar opving, maar haar blijdschap verdween toen ze begreep dat haar redder tevens de veroorzaker van haar val was en het werd er niet beter op toen ze doorhad wie hij eigenlijk was.
Hij had zich daarop van zijn meest beminnelijke kant laten zien, zich voorgedaan als sprookjesprins en haar zijn rijk getoond. Haar waardering werd daardoor wel gunstiger, maar een huwelijk zag ze nog niet helemaal zitten. Ze vertoonde die merkwaardige vrouwelijke eigenschap te willen weten wie iemand ècht is, hoewel dat vaker een manier is om tijd te winnen dan een blijk van oprechte diepgaande belangstelling. Ze vond het eng dat hij een geest was. “Denk je nou werkelijk,” had hij haar gevraagd, “dat ik minder echt ben dan wat jij een echte prins noemt, zo'n nazaat van moordzuchtige roofridders, zo'n kind van een hoogst twijfelachtige afstamming, zo'n ten dode gedoemd voortbrengsel van leugenachtig en misplaatst menselijke eerbetoon en te veel barensnood?” Ze had geknikt, al wist ze ook niet waarom. Hij had haar de spieren van zijn arm laten voelen, die haar moesten overtuigen van zijn meer dan menselijke mannelijkheid. Maar hij had zich verkeken op die onuitgesproken andere vrouwelijke eigenschap om hem te beoordelen op zijn vaderschap. Wat zou er in haar schoot ontkiemen als de verwekker een geest was? Hij mocht het machtigste en rijkste wezen uit de wijde omtrek zijn, maar hij legde het vooralsnog af op het vlak van teeltkeuze.
Zich van dit laatste niet bewust, leek het hem een kwestie van gewenning die met enig geduld wel op te lossen zou zijn. Voorlopig verbleef zij aan zijn hof hoog in het Paktargebergte waar zij werd bediend door oreaden en naiaden. Toch voelde ze zich eenzaam. Vaak keek ze dromerig en verlangend uit over de bergtoppen die haar meer van de hemel dan van de aarde lieten zien, maar waarachter zij haar dorp wist. Zo had hij haar op zeker moment aangetroffen en hij was geroerd toen ze hem vertelde dat ze erg eenzaam was. Dat ze verlangde naar haar familie, haar huis, haar dorp, haar vriendinnen. In haar prachtige ogen, die hij mooier vond dan de mooiste smaragd in zijn gebergte, welde een traan.
Niets is zo vernietigend als verdriet aanschouwen in de ogen van een beminde. Wordt om het geringste verlangen van een geliefde te vervullen de rede al achteloos opzij gezet, bij verdriet gaan alle remmen van de logica los en geraakt de rede in een vrije val tot diep in de put van de waanzin. Verdriet is een uitzinnige krachtproef die beoogt de bereidheid tot zelfvernietiging van de minnaar te toetsen. Alleen stom toeval kan hem dan nog redden.
Hij zou en moest die traan uit haar ogen wegnemen en hij bedacht dat hij dat ook kon. Lang geleden had zich een magiër aan zijn poorten vervoegd, niet zoals deze schreeuwlelijk die nu voor de deur stond, maar een die oneindig wellevender en respectvoller voor hem, de berggeest, was geweest. Hij had de magiër op vorstelijke wijze onthaald. De grote zaal was verlicht geweest met duizenden kaarsen. Geurige oliën verspreidden hun aroma”s door de gangen en spelonken. Hij had andere gasten uitgenodigd en een feestmaal laten aanrichten met gebraad en wijnen, musicerende Kobolden en dansende nymfen, en de magiër had iets van zijn verbazende kunnen getoond. Daarna, toen de gasten weer waren vertrokken, hadden zij nog enige tijd samen gezeten. Berchaël, zoals de magiër heette, had zich tot hem gewend.
- “Dit is een fantastische zaal. Een fantastische paleis, eigenlijk. U moet zeer tevreden zijn.”
Hij had instemmend geknikt.
- “zo'n paleis vervult toch elke behoefte, zelfs die van een onsterfelijke?”
Misschien kwam het door de wijn, maar hij liet zich ontvallen dat wat hij nog te wensen had op een ander vlak lag.
- “Het zou mij een groot genoegen zijn als dit een vlak is waarop ik u een handreiking zou kunnen doen,” zei Berchaël. Hij had het gesprek handig op het onderwerp gebracht waar hij heen wilde.
Daarop zei hij, Paktar, dat een van de problemen van onsterfelijkheid het feit was dat veel sterfelijken hem waren ontvallen.
Berchaël keek nadenkend.
- “Zijn deze gestorvenen waardevol voor u?,” had hij aan hem gevraagd.
Hij had geknikt terwijl hij aan sommigen dacht die hem dierbaar waren geweest. Hij wist toen nog niet wat dierbaarheid precies inhield. Misschien had de wijn hem een mistroostige trek op het gezicht bezorgd. Maar ook zonder die uitdrukking zou Berchaël beslist het volgende hebben gezegd.
- “Hoewel dat heel moeilijk is, heb ik gehoord van de mogelijkheid gestorvenen terug te roepen.”
En hij, Paktar, had meteen toegehapt, nog niet eens vanwege die dierbaren, maar meer omdat hem dat wel leuk leek: gestorvenen terugroepen. Op een feest als op dat van die avond zou hij zelf de hoofdrol vervullen en deze niet aan een magiër hoeven laten. Daarom had hij Berchaël zijn interesse getoond en een week later was de magiër teruggekomen met wat hij een catena noemde, een halsketting met de mogelijkheid gestorvenen opnieuw tot leven te wekken. Maar de halsketting kon meer, zoals het oproepen van dierbaren die nog niet waren gestorven. De prijs van de halsketting was een fortuin, zelfs voor iemand als hij, Paktar, maar zijn mijnen rendeerden op dat moment erg goed, zodat hij de koop afsloot.
De halsketting bewees zijn waarde tijdens een volgend feestje waarbij een van de aanwezigen hem, nadat hij hoog van zijn catena had opgegeven, had uitgedaagd een bepaalde gravin op te roepen. Tot ieders verbazing verscheen de gravin inderdaad. Ze werd met applaus en luide toejuichingen ontvangen, kreeg een ereplaats aan de feesttafel en zijn succes leek volkomen. Maar toen iedereen naar huis ging, wilde de gravin niet mee, terwijl de gasten bij hun thuiskomst vernamen dat de gravin die avond was overleden. Zo werkte de catena blijkbaar als je een levende wilde oproepen. Gelukkig geloofde niemand het verhaal van de feestgangers zodat zijn geheim nog een tijdje bewaard bleef, maar hij, Paktar, zat nog jaren met de gravin opgescheept.
Er was nog een bestemming die hij voor de catena beoogde en die hem met het klimmen der jaren steeds duidelijker voor ogen kwam te staan. Onsterfelijkheid werd steeds meer een last. Hij kon het zien aan andere onsterfelijken die alles al vele malen hadden gedaan of meegemaakt en voor wie niets meer leuk was. Zij waren dan wel onsterfelijk, maar niet onverveelbaar. De fut was er uit. Hun vaardigheden om onzichtbaar te zijn en andere gedaantes aan te nemen verminderden naarmate hun behoefte om daarvan gebruiken te maken afnam. Ze staarden eenzaam en lusteloos voor zich uit, deden niets meer en zouden het liefst sterven om daarmee het dodenrijk te kunnen betreden. Hoewel ze niet zeker wisten hoe het daar was, hadden ze het vermoeden dat, omdat er meer zielen vertoefden en niet eens de minst aangename, het er dus minder eenzaam was en er meer te doen zou zijn. Het moest wel heel erg tegenvallen als het er nog beroerder was dan wat ze hier meemaakten. Maar het dodenrijk was voor onsterfelijken nu eenmaal ontoegankelijk.
Zijn catena zou de sleutel zijn waarmee hij de poort van deze hades kon ontsluiten. Hij hoefde de ketting alleen maar mee te geven aan een betrouwbare sterfelijke en deze verzoeken om hem op te roepen zodra hij of zij in het dodenrijk was gearriveerd. Berchaël had hem uitdrukkelijk gezegd dat de catena ook in omgekeerde richting werkte en sterk genoeg was om het formele bezwaar van zijn onsterfelijkheid opzij te schuiven. Zo zou hij zich kunnen onttrekken aan het weinig benijdenswaardige lot van zijn onsterfelijke collega”s en de vloek van de onsterfelijkheid kunnen ontlopen. Nu, terwijl hij dagelijks – maar wat was nog dagelijks in zijn donkere spelonk – de gevolgen van zijn onsterfelijkheid ervoer, besefte hij eens te meer wat voor een schat de catena betekende.
Uitgerekend deze catena was de oplossing voor de eenzaamheid van Emma. Hoe groot het belang van de halsketting voor hem zelf ook was, het speelde geen rol als het om Emma ging. De put van de waanzin stond wagenwijd open en hij stapte er manmoedig in. Verblind door liefde en haar betraande gezicht had hij Emma zijn ketting om de hals gehangen.
- “Je mag deze halsketting gebruiken om je vriendinnen bij je te laten komen,” zei hij tegen haar, “maar zweer me dat je hem aan mij teruggeeft als je klaar bent. Bedenk ook dat als je een vriendin oproept, deze de plaats waar zij is alleen door te sterven kan verlaten en dat zij nooit meer kan terugkeren. Door iemand naar je toe te laten komen, schenk je jezelf vreugde, maar berokken je dus ook veel verdriet. “
Emma had gezworen hem de halsketting te zullen teruggeven en had er vervolgens een dag lang naar gekeken. Toen was ze naar hem toe gekomen en had gevraagd wat er zou gebeuren als ze iemand opriep die was gestorven.
- “Die komt terug,” had hij geantwoord.
Dat had haar tevreden gesteld. Maar hij zag geen vriendinnen verschijnen. Niet na een dag, niet na een week, evenmin na een maand. Als hij haar ernaar vroeg, antwoordde ze dat ze erover nadacht wie ze zou ontbieden omdat ze immers rekening met hun familie moest houden. Ze wekte de indruk niet meer zo eenzaam te zijn en daarom vroeg hij niet verder. Ze ging steeds makkelijker met haar bedienden om. Het leek alsof ze zich meer thuis voelde. Daarom vroeg hij haar opnieuw met hem te trouwen en tot zijn grote blijdschap stemde zij toe.
Zijn paleis was in rep en roer. Alles werd voor het huwelijk in gereedheid gebracht. Gasten werden uitgenodigd, kleermakers naaiden aan Emma”s huwelijksgewaad, koks waren dagenlang bezig met het bereiden van gerechten, bedienden renden af en aan. In een zijruimte oefende een orkest en studeerde een huwelijkshymne in. De beste fijnsmeden en diamantbewerkers van Dwergen en Kobolden werkten eensgezind aan een schitterende gouden kroon, afgezet met juwelen.
Wie zegt dat een geest niet over gevoel beschikt? Hijzelf was het gelukkigste wezen op aarde. Hij liep zingend door de gangen, huppelde over zijn terrassen en danste met de koks in de keuken. Maar de dag voor het huwelijk sloeg het noodlot toe. Een bediende kwam buiten adem aangerend en riep hem toe dat hij naar Emma moest gaan. Aan zijn gezicht zag Paktar dat er iets ernstigs was gebeurd. Hij vloog de trappen op naar de vertrekken van Emma. Rondom haar prachtige bed stonden meer bedienden. Hij drong ze opzij en keek in het bed. Tussen de zijden lakens lag Emma in een plas met bloed. Ze had zichzelf de polsen doorsneden.
Hij sprong op haar toe, maar het was al te laat. Huilend keek hij naar haar bleke lichaam waaruit met het laatste bloed ook het laatste leven was weggevloeid. Hij brulde van verdriet. Toen schoot er iets door hem heen: “De catena. Met de catena kan ik haar terughalen. Waar is de catena?” Ze had de ketting niet omgehad dus moest deze zich hier in haar vertrekken en tussen haar spullen bevinden. Hij rukte kasten en laden open, keek tussen haar kleding maar vond hem niet. Hij liet al zijn bedienden het paleis doorzoeken, maar de ketting bleef onvindbaar. Hij liet ze verder zoeken. De hof werd omgespit, de wegen nageplozen. De catena was verdwenen.
Hij zat dagenlang voor zich uit te staren, verdoofd door smart. Hij kwelde zich met de vraag wat hij verkeerd had gedaan, maar kon het antwoord niet vinden. Totdat op de vierde dag een denkbeeld in hem opkwam, waarvoor in die eerste dagen van allesoverheersend verdriet geen plaats was geweest. Als Emma nu eens zelf eerst de catena had weggestuurd, om zich vervolgens door de ketting naar die andere plaats te laten halen? Als haar houding en haar bereidheid met hem te trouwen nu eens bedrog waren geweest? Nu opeens herinnerde hij zich haar vraag wat er zou gebeuren als je een gestorvene opriep. Dat was precies wat ze had gedaan: ze had een ander de catena laten geven en zich door hem laten roepen. Om het huwelijk met hem te ontlopen had ze zich het leven benomen. Daarom had zij hem niet gebruikt om haar vriendinnen en familie op te roepen. Zij waren ergens anders nodig. Nu bedacht hij pas dat hij niet de wijkende geest van de dode had gevoeld toen hij bij haar pas gestorven lichaam had gestaan, hoewel die bij jonge mensen vaak talmend langzaam en met tegenzin de reis naar het dodenrijk aanvaardt. Haar geest was al vertrokken, opgeroepen door de catena.
Zij moest hulp hebben gehad om de catena het paleis uit en bij een ander te krijgen. Hij had zijn bedienden ondervraagd en uiteindelijk bekende haar kleedster dat Emma haar had opgedragen ervoor te zorgen dat een klein pakje in haar geboortedorp werd afgegeven. De catena!. Hij had zich naar haar dorp gespoed, onzichtbaar, maar Emma was er niet. Niemand sprak van haar terugkeer, maar wel hoorde hij de mensen daar praten over de plotseling verdwijning van een jonge man, Ratibor, die naast Emma had gewoond en met wie zij voor haar verdwijning trouwbeloften had gewisseld. Toen begreep hij de toedracht en werd de volle omvang van het bedrog hem duidelijk.
- “Paktar, laat me niet wachten, anders kom ik je halen,” riep de stem buiten.
Hij wist dat het voor de ander een kleinigheid zou zijn binnen te treden omdat deze kon zijn waar hij wilde zijn. Wel, laat hem komen. Laat allen komen die het verhaal willen horen van de berggeest die door de mens keer op keer werd bedrogen. Laat allen horen hoe een goeddoener een kwaaddoener werd.
Het was na dit bedrog gedaan met zijn welwillendheid. Slecht weer, lawines en omlaag geworpen rotsblokken gaven uitdrukking aan zijn misnoegen, teleurstelling en verdriet. Reizigers die door zijn domein kwamen, waren hun leven verre van zeker. Men meed zijn gebergte. In de dalen werd zijn naam alleen nog met angst en vrees uitgesproken. Zelf zwierf hij, altijd eenzaam, door zijn bergen, dalen en bossen als hij niet in de spelonken van zijn onderaardse rijk verbleef. Soms hielp hij een enkele behoeftige die een oprechte smeekbede tot hem richtte, zoals een arme moeder met vier jonge kinderen waarvan een aan de borst en een ander op de rug, die in zijn bossen kruiden en eten zocht. Maar meestal was zijn hulp niet zo onzelfzuchtig. Een jonge vrouw die hij snikkend onder een boom aantrof omdat haar verloofde onterecht tot de strop was veroordeeld, hoorde hij aan waarna hij zei dat ze naar huis moest gaan omdat haar verloofde spoedig zou terugkeren. Hij zorgde er inderdaad voor dat deze vrijkwam, maar niet dan nadat hij de jonge vrouw zelf in de gedaante van haar verloofde had bezeten en al de verrukkingen genoten die zij hem had bereid omdat zij dacht dat hij, de berggeest, haar weergekeerde minnaar was. Hij glimlachte bij de gedachte aan dat ene moment van menselijkheid waarop hij was aanvaard, al was het slechts voor even en dan nog door list en bedrog.
Nu zat hij hier in zijn grote zaal. Eenzaam. Verdwenen waren de oreaden, naiaden en bedienden. Hij had ze teruggestuurd naar waar ze vandaan kwamen, de bossen in het zuiden. De duizenden kaarsen waren al sinds eeuwen gedoofd en nooit meer aangestoken. Hij had geen licht nodig. Wat wilde hij nog zien van al die dingen waarop zijn oog met welgevallen had gerust omdat hij dacht dat ze de omlijsting zouden zijn van een gelukkig leven met Emma. Wat hun glans zou geven was verdwenen en hun schitter was verbleekt. Ook vrijwel gedoofd waren zijn vermogens, net als bij die andere onsterfelijken die naar de dood verlangden. Goed, hij kon zich nog onzichtbaar maken en zich vrijwel tijdloos verplaatsen, maar het kostte hem steeds meer moeite. En bovendien: waarom zou hij? De vijandschap en ontrouw van al die machtelozen daarbuiten had hem uiteindelijk de lust benomen daar te zijn. Zijn vriendschap was niet aanvaard. Zelfs zijn behoefte aan wraak was geluwd. Hij wenste dat hij tussen gelijkgestemden kon zijn die niet voor hem wegvluchtten omdat zij waren zoals hij, geesten, niet zo machtig misschien, maar toch. Die niet alleen maar bezig waren hun belachelijke stoffelijke omhulsels voor hem in veiligheid te brengen, doodgewoon omdat ze die niet meer bezaten. Doodgewoon. Hij wenste dat hij in het dodenrijk was. Nu had hij zijn catena nodig. Maar zijn catena was hem ontstolen door degene die hij meer had bemind dan enig ander.
Waar was zijn catena? Nadat hij Emma”s bedrog had ontdekt, had hij niet het toen nog verse spoor gevolgd naar de plaats waar zij met haar geliefde heen was gevlucht, getrouwd en ongetwijfeld een huis had betrokken, maar was naar zijn paleis teruggekeerd om daar zijn verdriet, woede en teleurstelling te verbijten. Toen hij opnieuw ging zoeken, nu om zijn catena terug te halen, was er niets meer te vinden. Geen wonder: de tijd die hij had laten verstrijken omvatte vele mensenlevens, waarin de ketting in talloze andere handen kon zijn overgegaan. Emma, haar man, hun kinderen en kindskinderen waren allang gestorven, wat bewees dat ze de ketting niet meer hadden omdat ze zich daarmee anders wel het eeuwige leven hadden verschaft waartoe de ketting ook mogelijkheid bood. Je hoefde als nabestaande de gestorvene immers alleen maar terug te roepen.

- “Paktar, waarom kwam je niet toen ik je riep. Probeer je je voor mij te verbergen?” De roeper stond voor hem en verspreidde een vaag wit licht in de duisternis van zijn spelonk. Paktar maakte zich langzaam los van zijn herinneringen. De meewarige glimlach stierf stierf langzaam van zijn gezicht weg.
- “Waarom zou ik komen als je mij wilt spreken, als je zelf de weg weet, Alberon? Ben ik de poortwachter? Waarom zou ik opspringen als je mij gebiedt? Is je eerbied voor oude vorsten zo diep gezonken? Dwing ik zo weinig respect af dat elk straathond mij meent te kunnen ontbieden?”
Alberon strekte zijn armen uit. Uit zijn handen vlogen lichtflitsen in alle richtingen die zich als lichtpunten aan de wanden en het plafond hechtten en de ruimte in een hel licht zetten.
- “Ik zie dat de duisternis van de afgelopen eeuwen je gezichtsvermogen heeft aangetast, Paktar. Kijk mij aan. Zie je een straathond? Straathonden zijn toch die wezens die watertanden als de slager zijn bedorven worst uitdeelt?”
Paktar bleef zitten en bewoog alleen zijn handen. De ruimte vulde zich met het geloei van een opkomende storm die de lichtpunten de een na de ander doofde. Toen de duisternis, op de lichtgevende gestalte van Alberon na, weer was hersteld, nam het geluid van de storm af.
- “Licht is mij slecht bekomen, Alberon. Licht doet mij aan elfen en mensen denken en aan bedrog. Probeer mij niet hier in mijn eigen huis te tarten. Vertel me waar je voor komt.”
- “Ben je zo zwak geworden, Paktar, dat je je gramschap op een paar wolven richt?”
- “Ik zoek de catena die mij toebehoort, Alberon, desnoods bij wolven en straathonden. Ik heb gehoord dat jij weet waar hij is. Ik heb gehoord dat de wolven jouw honden zijn geworden.”
- “Wou je je ellendige bestaan wat opvrolijken met de schimmen uit je verleden, Paktar?”
- “Het zou je verbazen als je wist wat ik wil, Alberon.”
- “Wat zijn dat voor vrienden die jou vragen een paar wolven aan te vallen? Is dat niet toch die slager met zijn bedorven worst? Als je zo machtig bent, heeft hij dan geen eervollere opdrachten voor je?”
Paktar maakte een handbeweging waardoor het geluid van de storm weer aanzwol. Alberon voelde de wind aan zich trekken en zette zich schrap.
- “Ik hoef van niemand opdrachten te aanvaarden, Alberon, van jou noch van een ander. Wel vind ik een welgemanierde slager, ook al lust ik zijn worst niet, beter gezelschap dan een onbehouwen elf, zeker als die slager dezelfde vijanden heeft als ik.”
- “Is het bestrijden van de mens en zijn trawanten eerloos, Alberon? Daar kun jij als trawant zelf niet over oordelen. Ik ken de mensen en ik kan je een ding vertellen: als je goed wilt doen, bestrijdt dan de mens.”
Terwijl de wind die Paktar had ontketend als een slang om de gestalte van Alberon spiraleerde, stak deze nogmaals zijn hand uit. Uit het duister trad de lichtgevende gestalte van een vrouw naar voren die gracieus en onhoorbaar door Paktars spelonk schreed en zich van haar kleding ontdeed alsof zij een bad wilde nemen. Paktar kreunde.
- “Neem haar mee, Alberon, haal haar weg. Benut mijn gastvrijheid niet om mij te kwellen.”
- “Is dit de mens die je wilt bestrijden, Paktar?”
Paktar had zijn hoofd tussen zijn handen genomen.
- “Dit is de mens die mij heeft bedrogen. Laat haar verdwijnen, Alberon. Speel geen spel met mij. Jij en je verduivelde licht.”
- “Het is niet alleen licht, wat je ziet.” Alberon wendde zich tot de vrouwengestalte. “Emma,” zei hij.
De vrouwengestalte zakte op haar knieën.
- “Vergiffenis, heer Paktar, vergiffenis. Ik vreesde dat de vergankelijkheid van ons mensen sterker zou zijn dan welke belofte ook. Ik kon de verwelking van mijn schoonheid nog verdragen, maar niet die van uw liefde.”
- “Je liegt. Het zou je nog tot eer strekken als je zei dat je trouwbeloften aan Ratibor sterker waren dan die aan mij. Daarvoor zou begrip mogelijk zijn geweest. In plaats daarvan heb je mij met leugenachtige beloftes bedrogen en mij mijn catena ontstolen. Waar is mijn catena?”
Maar de schim antwoordde niet meer en op een handbeweging van Alberon verdween zij uit de ruimte. Paktar kreunde toen hij haar voor de tweede keer zonder hem zag vertrekken.
- “Waar is ze nu, Alberon?”
- “Vraag niet naar de bekende weg, Paktar. Zij is waar jij wilt zijn. Daar doolt ze ongedurig rond, op zoek naar de vergiffenis die jij haar niet wilt schenken.”
Ze is waar jij wilt zijn - Alberon wist blijkbaar van zijn wens. De aanblik van Emma had zijn verlangen naar het dodenrijk weer aangewakkerd, zo niet vanwege haar zelf, dan wel vanwege zijn behoefte aan wraak die evenzeer de kop had opgestoken en met die van liefde om de voorrang streed.
- “Waar is ze, Alberon?” Paktar schreeuwde. Zijn stem sloeg over in de buiging van bulderende boosheid naar schrille wanhoop. Net zo min als in het spectrum van menselijke gevoelens, liggen deze gemoedstoestanden op de vocale toonladder naast elkaar.
- “Ze is eeuwen geleden gestorven, Paktar, maar haar geest leeft in in jouw gedachten voort op de wijze waarop jij je haar herinnert. Haar schim weet niet wat jij niet weet. Daarom kon ze geen antwoord op je vraag geven. Alleen omdat zij in jouw geest leeft, kan ik haar zichtbaar maken, maar ik kan haar niet meer kennis geven dan waarover jij beschikt.”
- “Je liegt. Ze leeft voort als degene die mij het meest heeft bedrogen en ze gebruikt mijn catena om onsterfelijk te zijn, zonder mij het loon van haar onsterfelijkheid te gunnen.”
- “Als zij jouw catena gebruikt, kunnen mijn wolven dat niet doen. Laat die dan met rust, Paktar.”
- “Als zij mijn catena niet gebruikt, kunnen jouw wolven dat zeer wel doen. Zij noemen mijn catena toch hun graal?”

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken