Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Ouverture

Ze liep langs het water. De rivier was veel breder dan anders. Waar ze gisteren nog kon staan, golfde en kolkte nu de zilverachtig bruisende witte stroom die was gezwollen door de overvloedige regenval van de afgelopen dagen. De zandbank in het midden van de rivier was nauwelijks nog zichtbaar. Een laatste hoopje zand probeerde het hoofd boven het wilde water te houden dat oostwaarts daar vandaan uit de bergen kwam, door kloven, spelonken en bosrijke dalen voerde en langs talloze kronkelingen een rijke laag kalkachtig sediment meenam naar zee, een paar kilometer verderop. Het water schuurde zich door de bedding en nam mee wat het onderweg in zijn loop tegenkwam aan takken van esdoorns, cipressen, beuken of zwarte dennen en de kadavers van dieren als gemzen, vossen, moeflons en zelfs wilde katten die door de vloed waren verrast. Afgezanten van de streken die de rivier had bezocht.
Haar kinderen hadden honger, zij had honger. Waar was Calvero die voor eten zou zorgen? Ze had hem al een paar dagen niet gezien. Trouweloosheid was niets voor hem. Ze moest dus vrezen dat hem iets was overkomen, haar kameraad en vader van haar kinderen. Misschien was hij in gevecht geraakt met een beer en had hij een fatale klap van diens machtige klauw ontvangen. Of misschien had hij haar willen verrassen met een everzwijn, maar hadden de flijmscherpe slagtanden zijn buik opengescheurd. Misschien had een opgejaagd hert hem op de puntige takken van zijn gewei genomen juist toen hij zelf wilde toeslaan. Maar ze had geen tijd om te treuren om Calvero. Ze moest zelf op zoek naar eten. Daarom was ze naar de rivier gegaan. Soms liet de stroom iets eetbaars op zijn oevers achter als een gift van het fortuin of een blijk van welgezindheid van de goden, vermomd als het kadaver van een dier of soms als een spartelende forel die met een golf op het land was terechtgekomen en net niet met het wegtrekkende water naar de veilige diepte had kunnen terugkeren. Maar ze vond alleen takken en kiezels.

In de verte zag ze iets. Het was een stukje bij de oever vandaan waar het land van de stroom werd gescheiden door een grindbed. Een mens? Mensen betekenden vaak eten, maar ook gevaar. Misschien was Calvero wel naar het dorp gegaan dat verder stroomopwaarts op een heuvel lag en hadden de mensen hem verjaagd met pijlen en had hij zich bloedend uit vele wonden onder een boom neergelegd om zo zijn einde af te wachten, ver van haar en hun kinderen. Maar niet getreurd nu om Calvero. Ze wist niet of ze bang moest zijn, maar de honger en nog meer die van haar kinderen dwong haar naderbij te sluipen. Gelukkig viel ze in haar grijze gewaad niet erg op tussen het zilveren water en de grijsheid van de stenen die her en der aan de oever lagen. Ze verschool zich achter een wilgenstruik. Boven het ruisen van de rivier hoorde ze een ijle stem. Het was een vrouw die op haar sandalen haar weg zocht tussen de kiezelstenen. Haar haren hingen los, zoals alleen vrouwen in wanhoop dragen. Ze was gekleed in een witte tunica die in ruime bochten van haar afviel en haar lichaam tot haar voeten bedekte. In haar blote armen droeg ze twee kinderen, op elke arm een. Ze hadden hun blonde hoofdjes tegen haar borst gevlijd. Ze kon niet horen of de vrouw zong, praatte of huilde, maar ze ervoer op de wind die haar hoge stem meenam de onmiskenbare boventoon van verdriet. De vrouw liep naar het water waar iets stond, een klein mandje gemaakt van rivierriet, leek het wel, dat als een bootje langs de stroom klaarstond. Ze kuste de kinderen, telkens opnieuw. Het geluid van haar stem was nu doortrokken met snikken. Ze kuste ze nog een laatste keer voordat ze hen behoedzaam een voor een in het mandje legde. Ze zorgde dat ze goed lagen, dat hun hoofdjes niet tegen de harde rieten bovenrand van de mand zouden stoten en dekte ze toe met een dekentje dat in het mandje klaarlag. Toen zocht ze onder haar kleed naar iets, vond de ketting die om haar hals hing, nam die af en legde deze bij de kinderen in het mandje. Daarna duwde de vrouw met een hartverscheurende snik als afscheid het mandje af de stroom op, draaide zich om zonder het na te kijken en liep met gebogen hoofd weg, huilend, haar handen in haar loszittende blonde haar.
Als ze wel had omgekeken, als ze in haar wanhoop nog eenmaal de tranen uit haar ogen had geveegd en haar wapperende lokken met haar hand naar achteren had geduwd om een laatste blik te werpen op het rieten mandje met zijn dierbare inhoud, was het misschien allemaal anders gegaan. Zoals zo vaak boekstaaft de geschiedschrijving – of was het de legende? – wel de feiten, maar zelden de personen die onder de feiten het meest hebben geleden. We weten niet eens wie deze vrouw was, die daar bij haar trieste gang werd gadegeslagen. We weten alleen – en zelfs dat is niet helemaal zeker – dat zij niet de moeder van de kinderen was en dat zij in opdracht handelde van koning Amulius van Alba Longa. Deze had zijn koninkrijk aan zijn oudere broer Numitor ontstolen. Naar goed gebruik in die tijd werd iedereen, die ooit rechtmatige aanspraken op de troon zou kunnen doen, door de nieuwe heerser uit de weg geruimd. Dat was ook het lot dat deze twee kinderen, een tweeling bestaande uit jongetjes die de namen Romulus en Remus droegen en die de kleinkinderen van Numitor waren, te wachten stond. Amulius had hun moeder Silvia Rhea, de dochter van de door hem verdreven Numitor, al eerder in de rivier laten werpen. Ze had wild gesparteld in het snelstromende water, ze had aan haar kinderen gedacht en dat had haar nog meer kracht gegeven, maar uiteindelijk was ook die kracht uitgeput en had ze zich moeten overgeven aan de rivier. Haar lichaam was met de stroom meegegeleden, haar tunica als een vlek om haar heen. Maar vanuit de diepte zag de riviergod haar strijden en liet zich tot vlak onder haar in de stroom opstijgen. Hun gezichten en hun lichamen waren dicht bijelkaar. “Aanvaard mijn omhelzing,” zei de riviergod, “en laat mij je als mijn bruid naar mijn troon voeren. Ik ben hier om te klateren, te voeden, te omspoelen, te dragen en een huis te zijn voor zilveren vissen, maar niet om te verstikken of te verdrinken, en zeker niet om beulswerk te verrichten voor Amulius. Aanvaard mijn troon en wij spelen als forellen van de bergen tot de zee en van de zee tot de bergen.” En Rhea Sylvia, dochter van Numitor, stemde in. Zo ontliep zij het lot dat Amulius voor haar had beoogd en zo kan ook het verloop van de verdere gebeurtenissen worden verklaard, want de woeste stroom betoonde zich opeens buitengewoon mild voor de kinderen die in hun rieten bootje aan haar wateren waren prijsgegeven. In plaats van het mandje te laten kapseizen, in een kolk naar haar diepten te trekken of het mee te voeren naar open zee, beteugelde de Tiber haar stroom, trok zich terug binnen haar zomerbedding en zette het mandje genadiglijk neer op een grindbank langs de oever.
Het verdriet van de vrouw, waarschijnlijk hun voedster, die het mandje met de kinderen had afgeduwd, zou veel minder groot zijn geweest als ze had gezien dat het een stukje verderop was gestrand. Waarschijnlijk zou ze dan vol vreugde naar het mandje zijn toegestapt en de kinderen eruit hebben gehaald en naar koning Amulius zijn gegaan om hem te zeggen dat de goden dit offer niet aanvaardden, in de hoop dat hij hun het leven zou schenken. Maar dan zou Amulius ongetwijfeld een andere en meer doeltreffende manier hebben gevonden om zich te ontdoen van deze kinderen, die immers op grond van hun oude rechten een gevaar voor zijn koningsschap en het levende bewijs van de wandaad jegens zijn broer vormden. En dan zou het met deze kinderen anders zijn afgelopen.
Het ergste wat de kinderen nu overkwam was dat een natte neus in hun mandje werd geduwd en aan ze snuffelde, en dat ze een voor een, uiterst behoedzaam, werden opgenomen door de sterke tanden van een grote grijze wolvin die ze uit het mandje tilde en over de grindbank naar een plekje onder de beschutting van een vijgenboom bracht waar zij haar leger had, hoog en veilig op de oever, een stukje bij de rivier vandaan. Daar legde zij hen tussen haar andere pasgeboren jongen in die blij waren dat hun moeder terug was en nieuwsgierig hun nieuwe gezinsleden opnamen. Daarna ging ze nog een keer terug en haalde het dekentje en – vooral – de ketting op die de voedster in het mandje had gelegd en het enige blijk van liefde was geweest dat de kinderen hadden meegekregen.
Een vijgenboom is een struikige boom met grote leerachtige bladeren, een lommerrijke kruin en wortels die soms een stuk boven de grond uitsteken en tussen zijn uitlopers de ideale plek voor een nest bieden dat de jongen aan bijna alle kanten beschermt en aan het oog onttrekt. Zo'n vijgenboom was die van Lupa – zo heette deze wolvin. Haar jongen moesten nog gezoogd worden, net als de mensenkinderen die ze had meegenomen en die honger hadden. Ze dronken melk bij haar net als haar eigen kinderen. Terwijl ze neerlag bij haar jongen, miste ze Calvero meer dan ooit. Ze had immers nog steeds niet te eten en had nu zelfs meer nodig dan toen ze die morgen op voedsel uitging. Ze miste zijn steun en het gevoel van veiligheid voor haar gezin en voor haar zelf, dat hij belichaamde. Niet treuren om Calvero, dacht ze, minstens voor de derde maal die dag.
- “Zal ik eten voor je halen?,” vroeg een stem.
Ze schrok op. Vlakbij haar zat een zwarte specht. Het was een grote vogel met een gitzwart verenkleed, een felrode streep op zijn kop en grijze poten. Aan weerszijden van zijn lichtgrijze snavel keken twee gele ogen haar aan. Gele ogen als die van een wolf, dacht ze. Vriendelijk en wijs, maar ze konden ook priemend en angstwekkend zijn.
- “Waarom wil je eten voor mij halen?,” vroeg ze. “Weet je niet dat hongerige wolven ook vogels eten?”
- “Hongerige wolven eten ook mensen en die heb je ook niet opgegeten,” zei de vogel. ”Je eet vast de hand niet die je voedt.”
- “Of die hand mij zal voeden of dat ik hem beter meteen kan opeten, staat nog te bezien,” zei Lupa. “Hoe heet je?”
- “Martius,” zei de specht. “De god Mars heeft mij gezonden. Hij is de vader van de mensenkinderen.”
- “Kun je een everzwijn voor me vangen, Martius?,” vroeg Lupa.
- “Nee.”
- “Een konijn dan?”
- “Nee.”
- “Wat kun je wel voor me vangen, Martius?,” vroeg Lupa.
- “Een lekkere snuitkever, een voedzame tor of een paar vette vliegenmaden,” zei Martius.
- “Die lust ik niet,” zei Lupa. “Bovendien zou ik er aan paar honderd nog niet genoeg hebben.”
- “Ik weet wel waar ik groenten en fruit kan vinden. Lust je die soms?,” vroeg Martius.
- “Ja. Het is geen feestmaal voor een wolf, maar het kan er mee door. Als je die kunt vinden, graag. Maar beloof me dat als je ergens een konijn ziet liggen, je het meeneemt,” zei Lupa.
Vanaf dat moment vloog Martius af en aan met wat hij aan groenten en fruit kon vinden en zorgde zo goed mogelijk voor Lupa en haar zes jongen. Hij zat achter konijnen aan die hij in het veld zag lopen en slaagde er zelfs een paar keer in er eentje tegenspartelend door de lucht mee naar haar nest te nemen. Hij verontschuldigde zich bij Lupa voor het feit dat zijn snavel uitstekend geschikt was om holtes in bomen uit te hakken en zijn klauwen om zich loodrecht aan de stam van een boom vast te houden, maar dat zij niet waren gemaakt om levende konijnen mee te nemen. Hij was – hij zei het met iets van minachting in zijn stem – geen roofvogel. Als Lupa trek had in een stukje vlees moest ze zelf op jacht en dan paste hij, Martius, op het nest. Dat vond Lupa een goed idee. Terwijl zij achter een ree of een hert aanzat, verdreef hij haviken en buizerds die te dicht in de buurt van de vijgenboom kwamen en er zelfs niet voor terugschrokken een jonge wolf te stelen. Hij dook onverschrokken bovenop slangen die meenden dat de wortels van de boom een geschikt toevluchtsoord waren, joeg marters, wezels en wilde katten weg die de vijgenboom te dichtbij wilden passeren op weg naar de rivier. Toen de jongen en de kinderen zelfstandiger werden en de omgeving van het nest begonnen te verkennen, waakte Martius over hen vanuit de lucht of vanuit de top van de boom en kon hij menigmaal worden gezien met een jonge wolf in zijn snavel, hoe ongeschikt daarvoor ook, die naar zijn oordeel te dicht bij de rivier was gekomen.
In het nest van Lupa ravotten de kinderen en de wolven onderling en aten het voedsel dat zij en Martius voor hen meenamen en dat Lupa gelijk onder hen verdeelde. De wolfsmelk deed de kinderen goed. Ze groeiden voorspoedig. Naarmate haar kinderen minder kwetsbaar waren en minder bij haar dronken, kon ze zich meer met de jacht bezighouden. Op een dag zag ze een ree dat bij de rivier aan het drinken was. Ze sloop op hem af maar op het laatste moment kreeg het ree haar in de gaten en nam de benen. Ze vloog achter hem aan. Hij verdween in het bos dat op die plaats dicht bij de rivier kwam. Ze sprong over het kreupelhout heen dat tussen de bomen lag, maar kon toch niet voorkomen dat het dier ontkwam. Binnenkort heb ik zes jagers om mij heen om een ree als dit in te sluiten en te vangen, dacht ze. Ik moet ze binnenkort de eerste beginselen van het jagen gaan bijbrengen. Op dat moment zag zij door de takken van de bomen heen Martius die boven het bos vloog. Hij had haar ook gezien en door de boomkruinen heen riep hij haar toe dat ze snel naar haar nest moest gaan.
Lupa draaide onmiddellijk om en ging terug naar de vijgenboom. Het nest was verlaten. Op de grond lagen alleen nog de resten van het dekentje en de ketting. Martius streek naast haar neer.
- “Er is een mens gekomen die de kinderen heeft gestolen,” riep hij haar toe. “Ik heb op alle mogelijke manieren geprobeerd hem tegen te houden, maar kon niet verhinderen dat hij de kinderen elk op een arm meenam.”
Een grote ongerustheid maakte zich van Lupa meester. Haar eigen jongen waren in paniek alle kanten uitgevlucht. Ze vond er een achter de boom, Martius haalde een andere bij de rivier vandaan, nog een was een stukje verderop onder een laurierstruik gekropen en de laatste zat in een kuil onder een bessenstruik. Maar waar waren de kinderen? Terwijl Lupa haar jongen tot bedaren bracht ging Martius op onderzoek uit om te kijken waar de kinderen waren gebleven. Tegen de avond keerde hij terug.
- “Ik weet waar ze zijn,” vertelde hij haar. “Ik vond de mens met de kinderen die op weg was naar het dorp verderop. Ik volgde hem en zag hem in het dorp een hut binnengaan.”
Ook Lupa zou de geschiedschrijving – of was het de legende? – hebben kunnen veranderen, als ze toen had besloten de kinderen terug te halen en als ze daarin was geslaagd. Ze was verdrietig, want moeders houden nu eenmaal van kinderen die ze aan de dood hebben onttrokken en gezoogd, ook al zijn ze niet van hen. Maar ondanks haar verdriet besefte Lupa dat deze kinderen bij de mensen thuishoorden en door hen moesten worden opgevoed. Daarom berustte ze, wetend dat het beter was zo, al dacht ze nog vaak terug aan die rare blote kindertjes met hun bolle blonde koppies die met haar eigen jongen hadden gestoeid en haar melk hadden gedronken. Ze keek naar de ketting die als een herinnering was achtergebleven. Iets bracht haar ertoe haar neus door de opening te steken en de ketting over haar oren en om haar nek te laten glijden. Vreemd. Hij woog bijna niets, maar er ging toch kracht vanuit. Hij leek haar te verbinden met de vrouw die ze de kinderen had zien wegbrengen, maar toen ze het gevoel langer op zich liet inwerken was het meer dan dat. Hij verbond haar met liefde en genade. Hij was een schakel tussen mens en dier, alsof hij wilde zeggen dat het er niet toe doet wie wie helpt, zolang er maar wordt geholpen als dat nodig is. En het leek alsof de ketting om haar nek haar een vergezicht bood dat haar verdriet wegdrukte. Ze zag de kinderen afrekenen met Amulius en zelf tronen bestijgen. Ze zag de Tiber – de witte rivier – stromen onder grote bruggen door, schepen met driehoekige zeilen voeren op kaden aan, grote tempels met gecanneleerde zuilen en fraai gebeeldhouwde driehoekige timpanen verrezen op het eiland in het midden van de rivier en op haar beide oevers. De heuvels om haar heen waren alle zeven bebouwd met huizen en fraaie gebouwen. Ze zag mensen bedrijvig door straten gaan en legioenen marcheren. Ze zag een wereldrijk ontstaan. De ketting deed haar voelen dat ze had bijgedragen aan de ontwikkeling van iets onbevattelijk groots.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken