Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Onrust in het Paktargebergte

Het was fris hier hoog in het Paktargebergte nu de zon bijna weg was. Hij zette de kraag van zijn parka omhoog en knoopte hem tot zijn kin dicht. Hij keek om zich heen. De stammen die ze vandaag hadden geveld lagen netjes langs de rand van het pad dat ze op het weerbarstige woud hadden veroverd. De besneeuwde grond was bezaaid met takken en stukken schors – humus voor nieuwe generaties bomen. Morgen zou Wassili met zijn paard komen en de stammen naar de Zwarn slepen die ze zou meevoeren naar een zagerij, kilometers stroomafwaarts. Hij pakte de bijl op en legde hem op zijn schouder. Waar was Juri? Waarschijnlijk al in de hut. Tijd om naar huis te gaan. Hij begon het pad af te lopen.
Over de eindeloze zee van boomtoppen klonk aan langgerekte kreet. Kreet? – het was meer een gehuil. Hij huiverde, zoals alle mensen en dieren huiveren die een wolf horen huilen. Zelfs hier, waar de bergen en de bossen een natuurlijk thuisland voor wolven waren en waar mensen en wolven in de loop van de tijd aan elkaar gewend waren geraakt. Het gehuil van een wolf betekende vaak dat de kou eraan kwam. Ook aan de kou waren ze gewend, en ook die deed ze huiveren, elk jaar opnieuw.
Vergiste hij zich of was er meer in die huivering dan alleen kilte? Jaar na jaar kwam hij hier om bomen te kappen. Hij kende het bos, zijn bewoners. zijn geluiden, de sfeer die tussen de bomen hing. De sfeer, ja, daaraan herkende hij het bos dat er eigenlijk precies zo uitzag als elk ander perceel naaldbos. Maar toch had elk perceel zijn eigen sfeer, een optelsom van nauwelijks merkbare effecten zoals een lichte aflopen naar de rivier, de neiging van bomen zich op de zon te richten, dieren die ergens anders in een andere mate voorkwamen omdat dit stuk dichter bij de rivier lag. De sfeer was anders geweest. Nauwelijks merkbaar. Zo gering dat het verschil, als dat er al was, niet door het bos maar heel goed door hem zelf zou kunnen zijn veroorzaakt. Of door Juri die misschien anders was dan in voorgaande jaren.
De ondergaande zon wierp lange schaduwen van de bomen langs het pad. Tussen de dicht op elkaar gepakte naaldbomen was geen plaats meer voor schaduw en daar heerste al de donkerte die zich met het verdwijnen van het zonlicht nog verder zou verdiepen. Hij wist dat achter zich de nachtdieren zich klaarmaakten om de plaats te onderzoeken waar Juri en hij die dag hadden gewerkt. Marters en eekhoorns zouden hun nieuwsgierigheid niet kunnen bedwingen en met hun trillende neusvleugels de geur opsnuiven van hars, vers-gekapt hout, losgerukte schors en mens. Een opgejaagd hert zou over de stammen springen die langs het pad lagen opgetast. Wellicht zou een beer zich losmaken van zijn schuilplaats diep in het woud om te zien wat ze hadden gedaan. Hij had ze gezien, de afdrukken van berenpoten en stammetjes die niet op hun plaats lagen. Hij verdacht de beer ervan dat hij voor zijn plezier de opgestapelde stammen van elkaar had laten rollen, ook al hadden er een paar dikke tussengezeten. De verse eerste sneeuw sprak boekdelen. En ongetwijfeld zouden wolven komen kijken naar de oorsprong van het lawaai dat hun bijlslagen en vallende bomen altijd veroorzaakte. Ook hun sporen had hij gezien.
Hij hoorde weer wolvengehuil, nu dichterbij dacht hij, ook al was het lastig om de afstand uit hun gehuil op te maken. Wolven variëerden hun gehuil zodat het leek alsof er meer wolven op verschillende plaatsen waren. Slim. Ze moesten een hond meenemen, die ze zou kunnen waarschuwen als een wolf te dichtbij kwam. Sommige berghonden waren zo groot dat geen wolf of lynx het in zijn hoofd zou halen bij ze in de buurt te komen. Een boer onderaan de berg had er een, sterk genoeg om een kar te trekken en met tanden die minstens vijf centimeter lang waren.
Hij liep door. Hij dacht aan Olga. Het eerste wat hij zou doen als hij weer thuis was, was tegen haar aanliggen, het donzen dekbed over hen beiden heentrekken en het hele bergland vergeten. Het was afzien in zo'n houthakkershut met zijn krappe houten britsen en muffe slaapzakken die in de zomer te warm en in de winter te koud waren. Drie maanden op de berg was genoeg. Langer was iets voor mensen als Juri die geen huis had en geen Olga en die soms urenlang peinzend uitstaarde over de boomtoppen, kijkend naar niets, ogenschijnlijk tevreden met zijn afzondering. Iemand die de beschaving had uitgestoten of door de beschaving zelf uitgestoten was. Hij wist het niet en zo lang Juri deed wat hij moest doen, hield het hem ook niet erg bezig. In dit werk moest je je niet teveel bemoeien met de achtergronden van je collega's. Iedereen die zich een tijdje op zo'n berg afzonderde had daarvoor een goede reden, maar het was niet voor iedereen goed om die reden ook te kennen.
In de verte zag hij de hut. Er schemerde een roodachtig licht tussen de kieren van de houten luiken voor het venster. De olielamp was ontstoken. Zo, gelegen langs het pad aan een klein erf, leek hij bijna gastvrij. De hut was gebouwd van halve boomstammen, die in de lengte waren doorgezaagd en tot wanden opelkaar gestapeld. Ook het overstekende gekante dak bestond uit halve stammen. Het leek vanuit de verte wel een beetje op een datcha.
Er huilde weer een wolf. Ze waren onrustig. Gewend zijn aan wolven en andere dieren betekende dat je je voor ze in acht nam, niet dat je ze negeerde. Wolven gingen het liefst om deze tijd van de dag, zo tegen het invallen van de schemering, op jacht. Al vielen ze niet vaak mensen aan, je wist nooit wat ze zouden doen als ze honger hadden. Ook al liep er aan het begin van de herfst nog genoeg wild rond dat aantrekkelijker voor ze was, het bleef verstandig om waakzaam te zijn en te zorgen dat hij de ondoordringbare en geheimzinnige duisternis van het woud achter zich liet en in de keet kwam. Hij versnelde zijn pas. Op het erf stampte hij de sneeuw van zijn laarzen en betrad de hut. Juri was er inderdaad al. Hij verdween meestal voordat de schemering inviel, stak de houtkachel aan en maakte hun avondmaal klaar. Boven het vuur hing een dampende pot met eten. Ongetwijfeld iets met schapenvlees. Dat was het enige dat in het dorp te koop was.
Hij groette Juri, zette zijn bijl naast de zijne tegen de wand en ging in een houten stoel bij het vuur zitten. “Neem wat te eten,” zei Juri. Er stond een fles waaruit hij twee glazen inschonk. Sasja schepte wat eten in een kom.
- “Heb je nog vreemde sporen gezien?,” vroeg Juri hem. Hij had hem dat elke dag gevraagd. Sasja had zijn hoofd ontkennend geschud en Juri was gerustgesteld verder gegaan.
- “Waarom vraag je dat steeds?”.
Juri had eerst niet willen antwoorden, zo leek het. Maar later, toen ze aan tafel zaten, was hij plotseling gaan praten.
- “Ik heb hier voordat jij kwam lange tijd alleen gewerkt,” begon hij. Sasja knikte. Hij wist dat Juri hier het hele jaar werkte, behalve in de winter als de houtkap stillag.
- “Er was volop sneeuw en er viel nog steeds bij. Ik werkte alleen. Ik velde de bomen en hakte de takken eraf. Wassili kwam net als nu dagelijks langs met zijn paard en sleepte de stammen naar de oever van de Zwarn..
Op een dag stond ik daar als alle dagen te hakken. Het was al wat later in de middag. Opeens gleed er een koude huivering langs mijn rug, een ijselijke rilling ondanks het feit dat ik het door al het gehak warm had. Ik had het gevoel dat er iemand naar me keek. Ik stopte, wiste het zweet van mijn voorhoofd en keek om mij heen, maar zag niets. Dergelijke gevoelens zijn vaak misleidend, al hoewel wij hier in de Paktar zeggen dat er dan altijd wat is en dat als er niks is te zien, er een geest naar je kijkt.” Juri nam een slok van zijn wodka.
- “Dat is toch niet zo erg,” zei Sasja, “als er een geest naar je kijkt.”
- “Vergis je niet. Dat hangt er helemaal vanaf wat voor een geest dat is. Maar laat ik verdergaan met mijn verhaal. Normaal verdwijnt zo'n gevoel dat er iemand naar je kijkt weer snel, maar nu niet. Ik ging door met hakken maar het gevoel bleef aanhouden en werd zelfs sterker en onbehaaglijker. Ik stopte opnieuw met hakken en draaide me om en toen zag ik de oorzaak van mijn gevoel.”
Juri wachtte even alsof hij nog eenmaal wilde overwegen of hij het wel vertellen zou.
- “En? Ga verder,” zei Sasja aanmoedigend.
- “In het bos, een meter of vijftig achter mij, zat een gedaante op een boomstam. Hij was helemaal in het zwart gekleed. Hij droeg zo'n zwarte mantel zoals monniken dragen met een kap die hij over zijn hoofd had getrokken. Ik schrok toen ik hem zag, al wist ik niet waarom. Hij deed niets, toen nog niet tenminste, en dat was het beangstigende. Hij zat daar, zwijgend, roerloos, en hij keek. Hij keek naar mij. Aan zijn kap, waarvan de rand over zijn gezicht heenviel zodat zijn ogen onzichtbaar waren, kon ik de richting van zijn hoofd zien.
Ik was een moment sprakeloos. Toen, al was dat vooral om de beklemmende zwijgzaamheid te doorbreken, groette ik hem, onzeker omdat ik voelde dat hij niet een toevallige voorbijganger was met wie je in deze eenzaamheid minstens een gesprek aanknoopt en die je een teug uit je veldfles met wodka aanbiedt, als je hem al niet om de hals zou willen vliegen omdat het buiten Wassili de eerste mens was die je in maanden ontmoette. Maar was het wel een mens? Ik stond daar en wij keken naar elkaar. Ik stond daar net zo roerloos als hij daar zat, met dit verschil dat ik langzamerhand versteende van angst en hij waarschijnlijk gewoon zichzelf was, wat dat ook moge wezen. Alles spookte in die ogenblikken door mijn hoofd. Was hij de dood die mij kwam halen? Was hij de wrekende gerechtigheid die mij voor mijn zonden kwam straffen?
Na een paar ogenblikken, die voor mij oneindig lang leken te duren, kon ik dit over-en-weer naar elkaar kijken niet langer verdragen. Ik keerde mij om, pakte mijn bijl en liep weg. Ik had in een dolle ren willen wegvluchten, maar ik wist mij te beheersen totdat ik bij het pad was. Daar draaide ik mij om om nog een keer te kijken. Maar de zwarte gedaante was verdwenen, opgelost tussen de stammen, takken, schaduwen.”
Juri nam nog een slok. Sasja stond op, schonk hem nog wat bij en ging weer zitten.
- “Ik sliep die nacht onrustig. In die korte momenten van slaap keerde deze zwarte gestalte steeds terug, soms zittend op de boomstam, dan weer staand en vragend met uitgestrekte hand, altijd zwijgend. De volgende morgen stond ik vroeg op, gooide de luiken open en zag dat het niet had gesneeuwd. Sporen zouden dus nog zichtbaar moeten zijn. Ik pakte mijn bijl en ging naar de plek toe waar hij had gezeten. Het enige dat ik vond waren sporen van wolven, veel wolven, maar geen enkel spoor dat wees op een mens die op die boomstam had gezeten. Later sprak ik Wassili en vroeg of hij wel eens van zo'n verschijning had gehoord als ik had meegemaakt, maar hij schudde zijn hoofd. Later, toen hij op weg was naar huis, sprak hij mij aan en vertelde dat hij zich uit oude verhalen herinnerde dat Paktar, de berggeest, zich vroeger wel eens in zo'n gedaante vertoonde.
Dus niet de dood of de gerechtigheid. Ik vond zijn verhaal wel geruststellend.
Van het drietal dood, gerechtigheid en berggeest leek de laatste mij het minst afschrikwekkend. Berggeesten hebben, voor zover ik wist, alleen lokale betekenis en roeren zich tegenwoordig alleen nog als er echt ingrijpende dingen met hun gebergte gebeuren, zoals een weg die met grof geweld door de rotsen wordt aangelegd. Met deze berggeest had ik, voor zover ik wist, geen problemen, tenzij die mij het kappen van bomen was gaan kwalijk nemen. Maar er zijn genoeg bomen. Bovendien is de houtwinning hier zo ongeveer de oudste activiteit en heb ik nooit iets van zijn ongenoegen daarover vernomen. Ik ging dus gewoon door met hakken. Maar een paar dagen later, omstreeks hetzelfde tijdstip, overviel mij weer hetzelfde gevoel, ingeleid met dezelfde huivering. Ik liet mijn bijl zakken en keek naar de boomstam die Wassili had laten liggen en daar zat opnieuw dezelfde zwarte gedaante.”
Juri pauzeerde weer even.
- “Dezelfde beklemming ging van hem uit maar ik was minder bang, hoewel toch nog te bang om tegen hem te zeggen wat ik mij had voorgenomen. We keken weer geruime tijd naar elkaar waarin ik de angst voelde toenemen, maar ik hield het langer vol dan de eerste keer. Misschien maakte hij mij minder bang of was ik door onze eerste ontmoeting toch enigszins aan zijn verschijning gewend geraakt. Maar ik verdroeg trillend zijn aanblik en zijn in het duister van zijn kap onzichtbare maar vorsende ogen lang genoeg om hem tot een kleine beweging te brengen. Hij had zijn handen in de mouwen van zijn priesterkleed gestoken, maar nu haalde hij zijn rechterhand uit de linker mouw, een witte benige hand met lange puntige vingers, en met die hand wenkte hij mij.
Het was een vreemde tegenstrijdigheid. Hij stootte mij af met de angst die hij verspreidde en wenkte mij om dichterbij te komen. Omdat angst vraagt om een leider en deze gebiedende hand die leider leek te zijn en omdat gehoorzaamheid de weg leek die de angst zou verminderen, deed ik aarzelend een paar stappen voorwaarts, maar toen stopte ik en zette mijn bijl aan de voet. Ik wilde me niet aan hem uitleveren en zo zou het hebben gevoeld als ik was doorgegaan.
Toen hij zag dat ik stopte en niet van zins leek nog verder in zijn richting te gaan, veranderde hij zijn wenkende hand in een opengevouwen, vragende hand, alsof hij iets van mij wilde hebben. Ik wist niet wat hij bedoelde. Daarom maakte ik met mijn beide handen een niet-begrijpend gebaar en prevelde met mijn lippen ook zoiets als “ik snap niet wat u bedoelt”, en dat laatste nog meer om beleefd te zijn dan dat ik dacht dat mijn gebaar niet duidelijk was geweest. Het feit dat we praatten, al was het nog zo onbeholpen en in gebarentaal, had mijn angst weer wat verminderd. Ik wachtte af wat zou doen.
Toen maakte hij met zijn hand een beweging, naar ik dacht, alsof hij mij de hals wilde afsnijden. Zijn vinger bewoog over zijn borst heen en weer langs de omtrek van zijn hals.”
Juri nam maar weer eens een slokje uit zijn glas en ordende zijn gedachten.
- “Ik schrok. Er zat daar iemand voor wie ik al bang was en die nu ook nog mijn hals wilde afsnijden. Als daar een mens van vlees en bloed had gezeten die mij bedreigde, was ik daar natuurlijk op afgestoven, maar – zo waar als ik hier zit – dit was geen mens van vlees en bloed. Natuurlijk had ik kunnen vragen waarom hij mij de keel wilde afsnijden, maar ook dat ging niet. Mijn tong was verlamd. Ik deed het enige dat ik kon doen, pakte mijn bijl weer op, keerde hem de rug toe en liep weg, terug naar het pad. Ik probeerde weer te voorkomen dat ik zou rennen, alhoewel dat mijn eerste aanvechting was. Ik hoopte dat mijn houding iets van onaangedaanheid zou uitstralen, alsof zijn bedreigingen me koud lieten. En koud was ik. Innerlijk was ik nauwelijks beter af dan de vorige keer. Maar met mijn hand aan de bijl had ik het gevoel dat er toch wat moest gebeuren voordat ze mijn hals te pakken hadden, al geloof ik nu dat zelfs een bijl weinig tegen geesten kan uitrichten.
Ik liep terug naar de hut. Daar voelde ik me om de een of andere reden veilig. Ik ging aan tafel zitten, schonk mijzelf een glas in en dacht na. Eerst overwoog ik of het toch de dood of de gerechtigheid kon zijn, maar ik geloofde van niet. Ik ben kerngezond en heb niets op mijn kerfstok dat een achtervolging in de binnenlanden van het Paktargebergte zou rechtvaardigen. Dus moest het de berggeest zijn, tenzij ik een mogelijkheid over het hoofd zag.
Maar wat is een berggeest? Een mythische figuur, bekend uit oude verhalen. Meer een schepping van de primitieve mens, ontworpen om alle bijzonderheden in een bergland, zoals het wisselvallige weer, de lawines, de plotselinge overstromingen te kunnen verklaren, dan een voortbrengsel van de natuur of van enige voorzienigheid, dacht ik. Maar als de ouden die dit hadden geloofd nu eens minder gek zijn geweest dan wij, die alles menen te weten, denken? Dan heb je dus te maken met een geest, waarvan, omdat hij niet bestaat, niet bekend is hoe met hem om te gaan. Misschien dat Wassili meer zou weten.
Ik liep in mijn herinnering nogmaals de gebaren na die de meeste indruk hadden gemaakt. De geopend hand, vragend op en neer bewogen, kon alleen maar betekenen dat hij iets van mij wilde hebben. Als dat wat hij wilde zich daar op die plek had bevonden, had hij dat wel aangewezen. Het ging dus om iets anders. Iets waarvan mij de betekenis ontging die hij eraan hechtte, maar waarvan hij aannam dat ik die wel degelijk kende. Maar ik had geen flauw benul wat.
Dan dat hals-afsnijgebaar. Bedoelde hij echt dat hij mijn keel zou doorsnijden als ik hem niet gaf wat hij wilde, zoals ik had aangenomen? Terwijl ik erover nadacht, maakte ik de beweging na die hij had gemaakt en toen begon ik langzaam te begrijpen wat hij had bedoeld. Het was niet het gebaar van keel doorsnijden, dat hij had gemaakt. Dat is een zaagbeweging in een rechte lijn over je hals, vlak boven de boord van je hemd, als je dat draagt tenminste, ter hoogte van je ademsappel. Maar het gebaar dat hij had gemaakt, beschreef een ruime bocht over de borst. Het kon maar een ding betekenen. Het duidde op iets dat om je hals hangt, een ketting of zo.”
Juri pauzeerde even en smeerde zijn tong met nog wat wodka die Sasja ondertussen in zijn glas had gedaan.
- “Dat lijkt vreemder dan het is. Begrijp me goed: ik heb niks met halskettingen. Ik heb zelfs geen vrouw die ik er een plezier mee zou kunnen doen. Maar toevallig had ik een paar weken eerder in het bos een halsketting gevonden, een kralenketting. Het was een vreemde plek om een halsketting te verliezen omdat er geen pad in de buurt was, en zelfs als dat er wel was geweest zou een vrouw met een halsketting daar een vreemde verschijning zijn geweest. Wat deed zo'n menselijk voorwerp in zo'n onmenselijke omgeving? De confrontatie tussen een intiem kleinood als een sierraad, hoe eenvoudig ook, en de onmetelijke eenzaamheid van de bossen verleende het voorwerp iets dramatisch. Zoals een enkele eenzame kinderschoen aan de oever van een rivier een teken kan zijn van een tragedie die zich heeft afgespeeld. Ik nam het daarom mee naar de hut. Die avond kwam Dennis, de boswachter, langs en dronk aan deze tafel een glaasje mee. Ik liet hem de ketting zien. Hij begreep het raadsel van de vindplaats ook niet. Het was een onbegaanbaar stuk bos waar hij kort tevoren nog een oude wolf had geschoten. Misschien was de ketting verloren in een tijd dat er nog wel een pad liep, al moest dat dan lang geleden zijn geweest. Mogelijk was de ketting dan ook erg oud. Hij bood aan hem mee naar de stad te nemen en aan een kenner laten zien. Misschien kregen we er dan nog wat wat voor.

Ik twijfelde er niet aan of het was deze ketting die de zwarte gedaante had bedoeld. Hij was de ketting kwijtgeraakt en wilde hem terug. Hij kon vermoeden dat ik hem had gevonden omdat ik de enige was die regelmatig verbleef op de plek waar hij hem blijkbaar was kwijtgeraakt. Hoe was mijn zaak niet. Ik zou dus de volgende keer naar hem toelopen en vertellen dat ik begreep dat hij de halsketting had bedoeld die ik had gevonden maar dat die helaas niet meer in mijn bezit was. Natuurlijk zou ik Dennis ernaar vragen als ik hem weer zag, maar dat zou best even kunnen duren omdat die niet elke week langskomt.
De volgende dag bekeek ik eerst de plaats waar hij had gezeten. Ik vond geen sporen van hem, maar wel weer afdrukken van een groep wolven. Eigenlijk dacht ik er verder niet over na, hoewel het ontbreken van sporen natuurlijk vreemd was, evenals het feit dat ik hem nooit had horen komen of weggaan. Ik ging hakken en als hij zou komen dan zou ik het misverstand uit de wereld helpen.
Hij kwam een paar dagen later. Ik werd weer overvallen door de huivering en het al bekende gevoel van angst, maar kon me er nu beter tegen verzetten. Ik zag hem op zijn boomstam zitten en wij keken elkaar eerst weer een tijdje aan. Ik benutte de tijd om moed te verzamelen en toen me dat was gelukt liep ik naar hem toe. Ik geloof dat ik meer strompelde dan liep, maar ik kwam vooruit. Eenmaal op spreekafstand vertelde ik hem mijn verhaal. Gewoon, beleefd, al was ik tot het uiterste gespannen en bang en trilde mijn stem en stotterde ik. Ik besloot met te zeggen dat het mij speet, dat ik niet had geweten dat de ketting van hem was en dat ik mijn best zou doen hem terug te krijgen. Daarna bleef het een tijdje stil. Ik had het gevoel dat ik van onder die kap werd bekeken en gewogen. Toen stond hij op, langzaam als een oude man. Zijn monniksgewaad bedekte hem bijna tot over zijn voeten zodat ik zelfs niet kon zien wat voor schoenen hij aan had. Om zijn middel droeg hij een gordel van gevlochten donkergrijs touw dat in een knoop uitmondde waarvan de uiteinden naar beneden hingen. Zijn handen staken nog steeds in zijn mouwen. Hij begon met onhoorbare passen te lopen, eerst om de boomstam heen, daarna in de richting van het bos. Geen takje kraakte onder zijn voeten.
Toen hij op het punt stond dieper het bos in te lopen, draaide hij zich opeens om, keek me weer aan en sprak tegen mij met een trage, donkere stem. Sommige diepe stemmen zijn welluidend. Ze lijken in het binnenste van de spreker te zijn gevormd en daardoor oprechter en warmer te klinken. Maar deze stem ontleende zijn donkerte aan een ijselijke holte als een reusachtige spelonk en op slag was de angst weer terug. “Pas op voor zwarte wolven,” zei hij. Toen liep hij door en loste op in de duisternis van het bos.
Ik was blij met het feit dat mijn beoordeling juist was geweest. Het ging inderdaad om die ketting. Maar de zwarte had een waakhond bij mij achtergelaten in de vorm van de angst die in tegenstelling tot voorgaande keren in al zijn verstikkendheid om mij heen was blijven hangen. Deze waakhond, die geen moment van mijn zijde week, deed me besluiten alles te doen om Dennis zo snel mogelijk op te sporen en hem te vragen mij de ketting terug te bezorgen, zelfs als hij die inmiddels zou hebben verkocht. Ook bedacht ik dat de wolven waarvan ik de sporen had gezien wel eens de zwarte wolven zouden kunnen zijn waarvoor de zwarte mij had gewaarschuwd. Ik had bovendien de indruk dat deze wolven steeds na hem waren gekomen. Ze zaten hem dus achterna. Het leken mij andere wolven dan die waarmee wij hier normaal hebben te maken en die geen gevaar opleveren als je je voor hen in acht neemt. Mag ik er nog eentje?”
Juri hief zijn lege glas op en Sasja schonk hem bij.
- “Ik ging koortsachtig op zoek naar Dennis. Ik vond zijn huis waar zijn vrouw mij vertelde dat Dennis naar de stad was. Maar waar in de stad? Als ik dat niet wist had het geen zin achter hem aan te gaan. Zij verwachtte dat hij over een paar dagen weer terug zou zijn. Ik keerde weer naar de hut terug en ging hakken. Ik zag dat er opnieuw grote groepen wolven waren geweest waarvan de sporen vers waren.
Toen ik voor de tweede keer naar zijn huis ging, trof ik daar Dennis. Maar hij had de ketting niet meer en kon hem ook niet terughalen. De kenner had hem verteld dat de ketting in een museum thuishoorde en daar had hij hem naartoe gebracht en er officieel afstand van gedaan. Ik liet het hakken voor wat het was en ging naar het museum maar daar werd mij verteld dat de ketting nu staatseigendom was en alleen via een omslachtige procedure aan de rechtmatige eigenaar mocht worden teruggegeven. Ik was slechts de vinder.
Met een bezwaard gemoed keerde ik terug en ging weer aan het werk. De angst hield mij in zijn greep. Telkens als ik op de plek aankwam waar ik aan het hakken was, hoorde ik die stem weer, niet zozeer de woorden die hij sprak en die niet eens zo onvriendelijk waren geweest, maar dat onnatuurlijke afgezantschap van het donkerste der aarde dat ermee was verbonden en dat tussen de bomen bleef echoën alsof het geen weg terug kon vinden. Ik zou er een lief ding voor over hebben gehad als ik een tijd niet had hoeven hakken en zodoende die zwarte en zijn wolven zou kunnen ontlopen. Ik wist niet voor wie ik banger was. Bij die wolven heb je nog het misleidende gevoel dat je iets met je bijl kunt uitrichten, maar bij iemand die door het bos loopt en dwars door de bomen gaat zonder dat er een takje kraakt heb je zelfs dat niet. Ik was, hoe dan ook, buitengewoon op mijn hoede en vermeed het in de schemering in het bos te zijn.
De angst bleef aanhouden. Na een paar dagen kondigde een verheviging aan dat de zwarte gedaante er weer was. Ik draaide mij abrupt om en daar zat hij weer, helemaal in het zwart, met zijn akelige witte hand vragend uitgestoken. Ik geloof dat ik toen afknapte. De angst, die ik voor iedereen had proberen te verbergen, had me zo uitgehold, dat ik geen verzet meer kon bieden. Je denkt misschien dat angst niet erger kan zijn dan angst voor de dood, maar dat is niet zo. Je kunt zo bang zijn dat je zou wensen dat je dood was. Ik liet mijn bijl vallen, viel zelf op mijn knieën en brulde. Waarachtig: ik zat op de grond en brulde, jammerend dat ik de ketting niet had. Ik stond op en wankelde naar hem toe. Om aan die verstikkende angst te ontkomen, moest ik hem ervan overtuigen dat ik alles had gedaan om hem die ketting terug te geven, maar dat dat gewoon onmogelijk was. Ik bood hem aan een andere ketting te kopen, veel mooier dan deze. Maar hij zat daar met zijn uitgestoken hand. Ik bleef tegen hem praten en herhaalde steeds wat ik had gezegd. Dat ik Dennis had gezocht en gevonden. Dat ik zelfs naar de stad en in het museum was geweest. Ik was inmiddels dichter bij hem gekomen dan daarvoor en zat op mijn knieën tegenover hem. Ik zat als een smekeling op mijn knieën en zou zijn voeten, als hij die had gehad, hebben gekust als ik daarmee die angst had kunnen wegnemen. Ik kon zien dat zijn pij van een wollige stof was gemaakt. Daar waar hij over de grond zou moeten slepen waren geen rafels van slijtage. Het enige waaruit ik kon afleiden dat hij mij begreep was dat zijn hand verstarde en ophield met op en neer bewegen. Toen trok hij zijn vragende hand terug, stopte hem in de mouw van zijn andere arm en stond op. Terwijl hij oprees had ik, vanaf mijn lage gezichtspunt, onder de kap tenminste de onderkant van zijn gezicht moeten zien, zo niet meer. Maar ik zag niets. Er was niets, alleen donkerte, een gaping. Hij draaide zich om en liep dwars door de boomstam waarop hij had gezeten onhoorbaar terug naar het donkerste deel van het bos. Daar werd hij door de heersende duisternis opgenomen. Misschien vloog hij weg of verdween er in de aarde. Ik kon hem in elk geval niet meer zien, maar de angst bleef onverminderd en verstikkend om mij heen hangen. Pas toen de vogels weer begonnen met hun gerucht van wieken en fluiten viel mij de ongewone stilte in het bos op. Met de komst van de zwarte was het leven verstomd dat zich nu weer hernam. Ik had geen dier gehoord of gezien, toen niet en bij onze eerdere ontmoetingen evenmin.
De volgende dag vond ik weer sporen van een grote groep wolven. Ik werkte en vertrok voor de schemering inviel. Ik wilde de zwarte niet nog eens tegenkomen. Hij had voor mij naast de gedaante van berggeest ook de betekenis van gerechtigheid en dood aangenomen. Ik had hem immers zijn eigendom ontnomen en de dood waarde als een onvoltrokken vonnis om mij heen. Ik sliep slecht. Meestal zat ik urenlang hier aan tafel, dronk een glaasje in de hoop dat de vermoeidheid het zou winnen van de altijd aanwezige angst en dacht na. Veel meer kun je hier niet doen. Ik bedacht dat het gek was dat die zwarte per se deze halsketting wilde en geen andere. En dat het ook gek was dat wolven, die er toch niet om bekend staan dat ze sieraden dragen, ook iets met die halsketting hadden. Ik vroeg me af of ik iets over het hoofd zag.
Ik ben bang voor die zwarte, niet voor de nacht. Ik was en ben zo intens bang dat die angst ook iets magnetisch kreeg. Ergens, helemaal aan het einde, versmelten plus en min en sluit de cirkel zich. Zo is het ook met angst. Afstoting en verlangen komen bijelkaar. Doodsangst wordt doodsverlangen. Ik wilde naar de bron toe en ik dacht te weten waar ik die kon vinden. Ik ging dus vaak 's nachts naar buiten, op mijn hoede, doodsbang maar onweerstaanbaar aangetrokken door de zwarte, zijn ketting, de wolven. Ik zei je dat die ketting voor mij iets dramatisch had. Misschien was ik helemaal doorgedraaid door de spanningen en de slapeloosheid, maar ik stelde me daarbij een vrouw voor die hem in haar radeloosheid had verloren. In haar radeloosheid, ja, want een vrouw kan alleen in zo'n toestand op een plek als deze zijn. Het was alsof het daarmee samenhangende gevoel nog aan die ketting kleefde. Of misschien is het achteraf juister als ik zeg dat de ketting mij met een emotie vervulde die ik, bij gebrek aan wetenschap omtrent de vraag wat zich werkelijk heeft afgespeeld dat tot het verlies van de ketting leidde, alleen met een dergelijke reden kon verklaren, maar die wellicht een andere, niet minder heftige, aard had. Of misschien was het denkbeeld dat er wellicht onlangs een radeloze vrouw was geweest in de nabijheid van mij en de bescherming die ik haar had kunnen bieden de reden dat deze ketting mij zo sterk aansprak.
Ik trok er vooral 's nachts op uit als de maan vol was en de omgeving verlichtte, en liep in de richting waar wij staan te hakken. De vindplaats van de halsketting was iets verder. Ik wist dat het zinloos was, maar toch hoopte ik iets te weten te komen. Misschien zag ik die zwarte en kon ik mij eindelijk bevrijden van die angst door met hem te praten of door hem aan te vallen, of misschien zag ik die wolven voor zij mij zagen en kon ik zien wat zij waren: zwart of niet. Of wellicht zag ik iets van de vrouw die de ketting had verloren, haar schim, een beeld van vroeger dat nog niet in de mist der tijden was vervlogen zoals ook de stem van de berggeest nog steeds tussen de stammen rondwaarde. Iets waaraan ik kon uitleggen dat ik vlakbij was geweest en graag had geholpen door een toevlucht te bieden of de bedreiging weg te slaan die haar ertoe had gebracht de ketting te verliezen of weg te werpen.
Zo dwaalde ik menig nacht rond. Ik vond geen sporen van wolven meer en werd ook niet meer overvallen door dat gevoel van paniek dat de aanwezigheid van die zwarte verried. Misschien zijn ze tevreden met de zekerheid dat ik nog steeds bang voor ze ben. Misschien hebben ze aanvaard dat ik die ketting niet heb en dat ik – naar menselijke maatstaven – er niet eens zo onredelijk mee heb gehandeld. Ook al weet ik, zoals iedereen, dat het het voorrecht van geesten is de menselijke redelijkheid volmaakt te negeren en de mens hun eigen willekeur op te leggen. Maar hoe ook, ik heb er enigszins mee leren leven. Als angst en verlangen versmolten zijn, treedt blijkbaar een nieuwe fase van acceptatie in. Ze hebben zich aan elkaar en elkaars heftigheid te goed gedaan en laten het menselijk slachtoffer een betrekkelijke rust. Maar daarom toch steeds mijn vraag of je nog sporen hebt gezien, want als dat zo is, weet ik dat ze zijn teruggekomen.” Buiten, beslist veel dichterbij nu, huilde een wolf.

Land moet oeroud zijn om die typische zweem van mystiek en mythologie te kunnen uitwasemen. Misschien is dat wel wat aan nieuw land ontbreekt: de overtuiging dat er nooit een draak, geest, elf, heks, dwerg, Kobold of zelfs maar een wolf heeft rondgelopen. In echt oud land voel je dat ze er zijn geweest, nog niet eens zo lang geleden en dat ze misschien nog niet helemaal weg zijn. Het is net als of er een figuur van een oud schilderij is verwijderd. Je blijft zien dat er iets was, al weet je niet precies wat. Zelfs als de achtergrond keurig is hersteld, blijft aan de ordening van de voorstelling die verwijderde figuur ontbreken. Iemand kijkt naar hem of haar, wijst, keert zich af of maakt plaats. De compositie deugt niet meer. Zo is het ook met landschappen, dorpjes en steden in oud land: er ontbreekt iets aan dat vroeger de mensen danig bezig hield, namelijk het oude met al zijn geloof, bijgeloof, mystiek. Het ontbreekt omdat het geweest is, afdruk heeft nagelaten, krassen gemaakt op oude staldeuren, splinters losgemaakt uit hout van vakwerkhuizen langs de markt. Haal alle eenvoudige kruisbeelden boven schuurdeuren, kapelletjes langs de weg, dorpskerkjes met fraaie altaren en beierende klokken weg, en je creërt een leemte, gevolg van het feit dat je probeert eeuwen van geloof, hoop, liefde en vrees uit te bannen. Je komt aan een geheim dat eeuwenlang deel van het bestaan heeft uitgemaakt. Je komt aan iets dat niet verstoord mocht worden. Het delicate evenwicht tussen de mens en zijn mythische omgeving.
Sommigen van ons hebben dat nog: dat vermogen om op de knieën in het gras te zitten en een wereld te ontdekken. Een wereld die een gigantisch bos van grassprieten is. Je kijkt op de boomtoppen en ziet daaronder, aan de voet van de stam, de aarde. Je kunt paden zien, begaanbare en onbegaanbare gedeelten, omgevallen bomen, kronkelende dalen met rivieren die moeten worden overgestoken, grotten, de uitmondingen van onderaardse gangenstelsels. Zelf ben je natuurlijk de berg waar je bovenop staat en waar je vanaf naar beneden kijkt. Het vraagt maar een heel klein beetje meer verbeeldingskracht om figuurtjes te zien lopen. Doelloos, zo lijkt het, maar als je het zou kunnen vragen, zou iedereen je vertellen waar hij of zij naartoe onderweg is. En je zou niet alleen ontdekken dat miniatuurfiguurtjes allemaal een doel hebben, maar ook dat zij met allerminst miniature zaken bezig zijn, zoals liefde en leed, voor- en tegenspoed, angst, de strijd tussen goed en kwaad. En waarom ook niet? Denk je dat formaat iets aan de ernst van het bestaan toe- of afdoet? Denk je dat als je kleiner bent kwaad minder kwaad is en dus niet bestreden hoeft te worden? Weet je wel zeker dat je boven op die berg staat en niet toevallig deel uitmaakt van die wereld waar je bovenop kijkt?

Het Paktargebergte is oud. Oeroud. Het heeft de vorm heeft van de naar het westen gerichte kop en de gebogen nek van een draak. Het heeft talloze pieken die een hoog gezichtspunt kunnen verschaffen. Het is eerder te groot dan te klein, eerder te hoog dan te laag, 's winters misschien te koud en 's zomers te warm. Het ligt tussen het oosten en het westen. Dat lijkt misschien onzin, want ligt niet alles tussen het oosten en het westen? Maar hier betekent het dat het de poort is geweest tussen totaal verschillende werelden. Er zijn volksverhuizingen door deze poort gegaan, triomferende en verslagen legers doorheen getrokken, vorsten, prelaten, reizigers, zwervers, avonturiers en gelukzoekers gepasseerd. Er zijn burchten en kastelen gebouwd en weer met de grond gelijkgemaakt.
Het gebergte is ontstaan door een mengelmoes van invloeden. Aardschollen botsten tegen elkaar en veroorzaakten opstuwingen die delen van de aardkorst als ijsschotsen tegen elkaar lieten botsen en over elkaar heen schuiven en ontzagwekkende pieken en peilloze afgronden deden ontstaan. Spanningen in de aardkorst zorgden voor diepe plooien en nog meer hoogtes, zonder zich iets aan te trekken van de richting waarin de opstuwingen zich hadden ontwikkeld. Vulkanen droegen, voordat ze doofden, het hunne bij aan het ontstaan van het gebergte en vormden kraters met hoge wanden en diepe schachten en lieten richels van gestolde lava achter. De bodem bestaat uit vruchtbare poreuze kalksteen waarin het water van de bergtoppen op weg naar de vele rivieren en beken tienduizenden grotten en spelonken heeft uitgehold en minstens zoveel gangen waarlangs het water zijn voorlopige bestemming kan bereiken. Naast de zachte kalksteen zijn er stukken hard gesteente met een overvloed aan mineralen. Er zijn woeste dalen en open hoogvlaktes. Het is vrijwel ondoordringbaar en daardoor op veel plaatsen ongerept. Op zijn hoogste pieken ligt bijna het hele jaar door sneeuw.
De Hoge Paktar is het oog van de draak. Het is de hoogste top van het gebergte en maakt deel uit van een massief dat als een reusachtige klomp rots boven de rivieren de Drenk in het zuiden, de Endor in het westen en de Narwa in het noorden uittorent. Door zijn hoogte dwingt de Hoge Paktar wolken die verder willen zich te ontdoen van regen en sneeuw die op zijn hellingen en de omliggende rivierdalen neerkomen en daar zorgen voor uitstekende bevloeiing van de grond en het voeden van al die beken en rivieren. De beken die op de Paktar ontspringen voeren vooral veel kalk van hogere gelegen rotsen mee en zetten dat lager op de hellingen en in de dalen weer af als een laag vruchtbare slib. Geen wonder dat in de dalen veel dorpjes en boerderijen zijn te vinden en dat de soms glooiende maar vaak steile hellingen tot aan de boomgrens toe dicht zijn bebost met naaldwouden die lijken op de onmetelijk Boheemse oerbossen van dennen en sparren, en op veel plaatsen langs de lagere hellingen met beuken- en eikenbossen. Hier en daar worden de bomen afgewisseld met struiken en overal is een ondergroei van kleine struiken en varens, behalve daar waar de bomen te dicht opelkaar staan en de takken elkaar over en weer omstrengelen als om het licht weg te houden van het tapijt van dennennaalden op de grond. Die rijke geschakeerdheid, die vooral prettig is voor de vele dieren die hier wonen, draagt bij aan de indruk van ondoordringbare geheimzinnigheid die zo'n oerbos maakt. Dit is de plaats waar de mythes werden geboren waaraan het land zo rijk is.

Het was een heuvelig landschap dat in de verte in bergen overging waarvan de toppen schitterden in de zon, met dichte wouden van sparren en dennen die vanuit het veld als een vriendelijke maar ondoordringbare wal oprezen. Hoge naaldbomen, hoger en ouder dan wij ze kennen, met sierlijke wijd-afhangende weelderige, altijd-groene takken die zich in die van hun buren hadden verstrengeld alsof ze hand in hand besloten hadden niemand toe te laten. Wie toch probeerde tussen de stammen door te komen werd gestuit door kreupelhout. En wie alleen maar langs de stammen keek, zag een mysterieuse duisternis die donkerder en geheimzinniger werd naarmate je verder het bos in wilde zien. Misschien was er ergens een enkele stoffige felle lichtstraal die als een theaterspot door wat takken heen had weten te breken en het blad van een krulvaren bescheen en waarin een paar vliegende insecten lichtgretig opdwarrelden. Het leed geen twijfel: dit waren bossen die geheimen toedekten, waarin je de lichte schim van een fee of een elf verwacht. Dieper, ver achter die buitensluitende facade, weken hier en daar de bomen uiteen om doorgang te verlenen aan de stralen van de zon en daar ontstond tussen de stammen een idyllische plek op een zacht tapijt van dennennaalden. zo'n plek waarvan je je kunt voorstellen dat er opeens een konijn komt aanhupsen, een eekhoorn voorbijschiet of een ree even blijft stilstaan om een enkele spriet bosgras te eten die er vast ook groeit. Daar, op zo'n plek, daar was het. Bomen, struikgewas, heuvels, rotsen – de wereld was een schatkamer van dingen, geuren en kleuren waar je eten gewoon tussendoor liep. Hij sprong met vier poten tegelijk op een klein struikje alsof het een haas was. Maar het was geen haas en dus sprong hij verder, nu op een stuk kiezel dat wegrolde. “Ha, hij probeert te ontsnappen” en hij sprong er nog een keer bovenop, greep de steen tussen zijn tanden en schudde heftig zijn kop heen en weer terwijl hij de steen vasthield.
- “Knap hoor,” riep zijn broer Lasja, “Loeban heeft een echte steen doodgebeten!”
Ze waren beide flinke grijze wolven, ruim twee jaar oud en bijna volwassen. Hun vacht vertoonde op de flanken een tekening van grijstinten die van bijna wit bij hun buik naar bijna zwart op hun rug en de bovenkant van hun lange gepluimde staart verliepen. Het wit van hun buik zette zich voort in een witte vlek op hun borst en op hun wangen waartegen de donkere tinten van hun snuit goed afstaken. Hun ogen, dicht bijelkaar aan weerszijden van de lange neus geplaatst, waren goudgeel met donkere pupillen die een scala van uitdrukkingen konden aannemen, variërend van intens verstandig en alert tot angstaanjagend. Deze uitdrukkingen werden nog versterkt door de witte wenkbrauwen in de zwarte vacht boven hun ogen. Uit hun gepunt toelopende oren staken toefjes witte vacht. Ze deden met al dat grijs hun naam van grijze wolven eer aan; veel van hun soortgenoten vertoonden nog allerlei andere tinten zoals schakeringen van rood en bruin tot het diepe roodbruin dat was terug te vinden in de vacht van hun verre verwant, de vos.
Zijn vader had Loebans gevecht met de steen hoofdschuddend aangezien.
- “Wat had je nu gedaan als in dat struikje een adder had gezeten? Zo eentje die als een weggebogen wilgentak overeind schiet en je in je poot bijt?,” vroeg hij. “Niet over nagedacht, hè.”
Op Gurds gezicht stond een belerende trek. Hij was een grote wolf. Met zijn vijf jaar was hij de oudste en grootste van hun roedel en hij was net zo grijs als zijn zoons. Hij had bovendien de meeste jachtervaring die hij nu op zijn zoons probeerde over te brengen. Ze waren aan elkaar gewaagd, Loeban en Lasja. Fors, sterk, met de drieste dadendrang die hem – Gurd - kenmerkte en de aanleg voor wijsheid van hun moeder Rufa. Aanleg voor wijsheid, dacht Gurd, dat kon niet. Je was wijs of je was het niet. Wijsheid was het product van belangstelling en ervaring en het vermogen daaruit lering te trekken en op andere situaties toe te passen. Je kon in Loeban en Lasja de onmiskenbare leergierigheid zien die nodig was om op latere leeftijd wijs te zijn. En je kon de hand van hun moeder Rufa zien in de ontwikkeling van hun moreel besef, ook al stond dat soms haaks op wat hij hen probeerde bij te brengen. “Heb je een konijn gevangen, Loeban? Had je honger? Nee? Waarom heb je het dan gevangen? Een echte wolf doodt alleen als het moet.” Geen wolvin zou het in haar hoofd halen de ontwikkeling van het jachtinstinct van haar kinderen zo te temperen, behalve Rufa. “Als ze slim zijn leren ze het wel van die keren dat er echt eten nodig is, maar we gaan niet voor de lol dieren doden.”
- “Kijken voor je wat doet. Kijken, kijken, kijken! Stel nou eens dat er echt een haas was geweest. Gelukkig gaat die ook niet naar die struik toe als er een slang zit. Maar als 'ie slim is, slaat 'ie vlak ervoor een haak en jij komt er middenin terecht. En dan - hàp!”
Maar Loeban leek niet onder de indruk.
- “Dat geldt alleen voor bejaarde wolven. De eerste haas die ik niet in een haak kan volgen, moet nog worden geboren.”
Ze trokken er met z'n drieën op uit, Gurd, Lasja en Loeban. Ze jaagden overdag. Waarom ook niet? Ze hadden hier geen natuurlijke vijanden en dat gold eigenlijk ook, hoewel in wat mindere mate omdat zij er immers waren, voor hun prooidieren, die daarom konden gaan eten als ze honger hadden en niet hoefden te wachten tot de schemering was ingevallen. Vroeger waren hier veel bruine beren, maar zo lang je hem niet lastigviel was een beer niet gevaarlijk. Bovendien waren de meeste verdwenen – uitgeroeid. Alleen al bij de gedachte aan dit verschrikkelijke woord ging er een huiver door Gurd heen. Omdat beren gehecht waren aan hun eigen stukje grond en, ook al deden ze niemand kwaad, nu eenmaal niet geneigd waren zo maar te verdwijnen als er een mens in de buurt was. Ook de lynxen die in deze bossen woonden, leverden geen gevaar voor de wolven op, vooral omdat de lynxen zelf zo'n confrontatie uit de weg gingen, al zou de uitslag vantevoren geenszins vaststaan. Een volwassen lynx was bijna zo groot als een volwassen wolf en zekere zo wendbaar en atletisch en had net als deze een voorliefde voor ree. Maar een lynx zou, bij het zien van een paar wolven, met katachtige souplesse in een boom klimmen en hooghartig afwachten tot ze waren gepasseerd. Gurd dacht aan wat hem was overkomen toen hij jaren geleden voor het eerst een lynx ontmoette. Hij had de lynx bang gemaakt en opgejaagd, dacht hij, en die was inderdaad een boom ingeklommen en languit op een tak gaan liggen, niet eens zo hoog boven de grond. Het was een groot dier met een geel-bruin gestreepte vacht, een opvallend korte staart en met grote klauwen waarvan hij de punten in het hout van de tak had geslagen om zich zelf in evenwicht te houden. Hij had gele ogen met donkere pupillen. Hij blies tegen hem, waardoor zijn kop met de uitstaande bakkebaarden en de pluimen die uit zijn oren groeide nog groter leek.
- “Hé, lijkenpikker,” had hij sissend tegen Gurd gezegd die onder de boom naar hem stond te kijken zonder te weten wat hij moest doen, “moet je je snuit niet in een of ander kadaver steken? Heb je geen trek in een lekkere hap vliegenmaden?”.
Lynxen hadden nu eenmaal weinig waardering voor de gewoonte van wolven om hun prooi te begraven als ze daarvan genoeg hadden gegeten en de rest voor een volgende maaltijd te bewaren. Zelf aten Lynxen alleen vers.
- “Ach,” had Gurd geantwoord, “zal ik je even onder je kinnetje kietelen? Wou je niet even kopjes komen geven? En gossie, wat hebben ze met je staart gedaan? In je flapoortjes gestopt, soms? Ik zie daar allemaal haren uitkomen.”
Het had uren geduurd. De lynx was in slaap gevallen of deed alsof. Ook Gurd was erbij gaan liggen, op veilige afstand van de boom zodat hij niet kon worden verrast, maar zonder te weten wat hij eigenlijk kwam doen. Uiteindelijk was hij maar weggegaan omdat hij honger had gekregen. Het was eigenlijk een afgang.
Waarvoor je wel moest oppassen waren everzwijnen, vooral omdat je als wolf wist hoe lekker die smaakten, waardoor de verleiding om op ze te jagen groot was. Maar everzwijnen waren geduchte tegenstanders die minstens even groot en veel zwaarder waren dan een volwassen wolf en bovendien waren toegerust met een stel formidabele slagtanden in hun onderkaak die ver buiten hun snuit uitstaken en waarmee ze makkelijk een buik konden openhalen. Ze waren eigenwijs genoeg om niet bang te zijn. In plaats van wegvluchten, vielen ze vaak aan, met hun kop met die tanden naar voren en op hun schouders en nek – de favoriete aanvalsplaats van een wolf – gedekt door een soort pantser van zwoerd dat doorbijten bijna onmogelijk maakte. Zelfs voor een wolf waarvan toch werd gezegd dat zijn kaken het dijbeen van een koe konden kraken. In je eentje begon je er niet aan, ook niet omdat je nooit wist of de ever alleen was of met meer, en Gurd voelde er niets voor om zijn twee onervaren zoons aan zo'n geïrriteerde krachtpatser bloot te stellen.
Dan koos hij liever een hert of een moeflon. Die had je hier ook. Maar ook bij hen, althans bij de mannetjes, moest je oppassen voor hun gewei of hun horens, al waren die van de moeflon het minst gevaarlijk. Ze waren naarbinnen gedraaid en eigenlijk alleen geschikt om tegen de hoorns van een andere moeflon te stoten. Het gewei van een hert was gevaarlijker, maar gelukkig gebruikte hij het zelden om zich te verdedigen. Opgejaagde herten waren vooral bezig met vluchten en zichzelf uitputten. Een hert was snel, vooral in het open veld, en om het te pakken te krijgen moest je het insluiten. Dat vereiste enige ervaring en hij was hard bezig zijn zoons die bij te brengen.
En dan had je natuurlijk nog de wolven zelf. Je moest oppassen dat je niet in het territorium van je buren belandde want die zouden dat als een provocatie kunnen opvatten. En soms was er zelfs geen provocatie, opzettelijk of niet, voor nodig om ruzie met de wolven te krijgen die naast je woonden. Er waren talloze verhalen van roedels die tegen elkaar optrokken, alleen maar omdat ze te dicht opeen zaten of meer wolvinnen nodig hadden. Maar Gurd had geen buren, tenminste niet zo dichtbij dat je er problemen mee kon verwachten. Hij had zelfs al een tijdje geen sporen van andere wolven meer gevonden. Door de rijke wildvoorraad hadden ze geen overdreven groot territorium hoeven reserveren. Het was een min of meer vierkant gebied van zo'n vijf bij vijf kilometer dat naald- en loofbossen, velden en een paar beken omvatte. Maar niemand zou het ze hebben betwist als ze het nog een paar keer groter hadden gemaakt.
Voor de meeste dieren in het bos waren zij de natuurlijke vijand en daarom hadden ze ook geen reden om de beschutting van het donker af te wachten of het zou moeten zijn omdat hun meest favoriete prooidieren pas in de schemering uit hun schuilplaatsen kwamen. Maar in zo'n rijk revier als dit bestond ook overdag altijd een kans dat een dier in zijn slaap door de wolven werd opgeschrikt en tevoorschijn kwam. Daarom liep Gurd voorop, keek scherp om zich heen en stak af en toe zijn neus in de lucht om geuren op te snuiven. Wolven kunnen niet alleen zowel overdag als in het donker goed zien, maar ze hebben een ontzettend goede neus. Als de wind een beetje meehelpt kan een wolf een prooi op een afstand van zo'n drie kilometer ruiken. Natuurlijk liep Gurd voorop. Niet alleen was hij de meest ervaren jager uit hun roedel, maar hij was ook de hoogste in de rangorde. Op Rufa na, dan. Rufa was de oudste wolvin en de moeder van Loeban en Lasja en hun drie dochters die bij hun leger waren achtergebleven. Hij en Rufa waren de baas. Alhoewel - Gurd gaf het niet graag toe - Rufa vaak gelijk had en daarom eigenlijk nog meer de baas was dan hij. Als ze weer eens op zoek gingen naar een ander leefgebied liep Rufa meestal voorop omdat zij de beste plekken en de rijkste jachtgronden wist te vinden. Bovendien had Rufa relaties. Ze kende niet alleen veel wolven uit andere roedels – Gurd werd elke keer weer verrast als een onbekende wolf een verre neef van haar bleek te zijn – maar ze sprak ook elfen zoals Alberon en Gurd verdacht deze ervan dat hij Rufa heimelijk influisterde waar ze het best naartoe konden verhuizen. Kunst, dacht hij als Rufa het weer eens bij het rechte eind had gehad, om zo de beste plaatsen te vinden en met de eer te gaan strijken.
Achter hem, schuin aan weerszijden als in een V-formatie en met een tussenruimte van een paar meter, liepen Loeban en Lasja. Echt jagen was het niet wat ze deden. Ze hadden niet de gespannen houding van een jagende wolf. Die herkende je aan de oren die recht naar voren stonden, de ogen tot de scherpste blik samengeknepen, de bek gesloten om alle ingeademde lucht door de neus te laten onderzoeken, de hals, rug en staart in een rechte, enigszins dalende lijn, de achterpoten sprongklaar doorgezakt, een voorpoot soms wat opgetrokken. Maar Loeban en Lasja stapten vrolijk voort, hun staarten omhoog. Af en toe hield er een stil bij een steen, een stam of een struikje om een geur op te snuiven of – en daar verdacht Gurd ze het meest van – te doen alsof. Echt stil waren ze ook niet. Jonge wolven zijn ervan overtuigd dat niets ze ontgaat, dat hun scherpe ogen elke beweging zien en hun oren de geringste trilling opvangen en er dus helemaal geen reden is om overdreven stil te zijn. Daarom rolden er nogal wat stenen onder hun poten weg, ze trapten met plezier op dode takken die het krakend onder hun bijna volwassen gewicht begaven en ze liepen met opzet zwabberpotend door dorre bladeren om die alle kanten te laten opstuiven.
- “Stil zijn en opletten is zeker ook uitsluitend voor bejaarde wolven, hè,” riep Gurd hun geërgerd toe, “laten we maar teruggaan.”
Ze gingen terug naar hun leger dat zich op een plek in het bos bevond waar de bomen iets verder uiteen stonden. Hun leger was een diepe kuil tussen de wortels van een omgewaaide spar. De grote, gekantelde wortelkluit vormde een natuurlijk dak. Malin stond ze op te wachten aan de grens van hun territorium die op een afstand van paar kilometer van hun leger lag. Hun zusje was een jaar ouder, ook groot en stevig en had net als zij een grijze vacht. Toen ze haar zagen, stormden Loeban en Lasja op haar af en liepen haar ondersteboven. Ze rolden gedrieën door het zand, speels bijtend en grommend, met hun oren in hun nek. Daarna begroette Malin haar vader Gurd door op hem af te lopen en aan zijn snuit te likken. In de kuil lag Rufa en keek hen aan met schrandere ogen die fel oplichtten in het zwarte masker rond haar ogen. Zij was een ruim vier jarige wolvin, groot en net zo grijs als haar kinderen, maar in de vacht op haar kop tussen de oren zat een klein stukje roodbruin.
- “Waar is Laerke,” vroeg Loeban die een goede band had met zijn oudste zus.
- “Die is ook ergens op jacht.”
- “Ook op jacht?” zei Gurd, “je denkt toch niet dat wij op jacht waren. Dankzij deze twee herrieschoppers is er voorlopig in de wijde omtrek geen wild meer te bekennen.”
In de schemering vingen ze toch nog een ree. Ze waren er weer op uitgetrokken en nu hadden Lasja en Loeban zich oplettender gedragen. Laerke was teruggekomen met een flinke haas parmantig tussen haar kaken die ze demonstratief in hun nabijheid was gaan opeten en dat konden ze niet op zich laten zitten. Het ree stond aan de rand van het bos te grazen, gespitst op gevaar dat zich vanuit het open veld zou kunnen voordoen en klaar om bij onraad met een sprong tussen de bomen te verdwijnen. Ook de wind kwam uit de richting van het veld en zou alle geuren en geluiden direct aan zijn scherpe zintuigen doorgeven. Maar het gevaar sloop juist tussen de bomen vandaan. Lasja zag het dier als eerste staan, afgetekend als een silhouet tegen het lichte veld in de ondergaande zon. Gurd beduidde ze het in een halve cirkel te besluipen. Ze moesten behoedzaam zijn want juist langs de bosrand was het struikgewas het dichtst en het moeilijkst te doordringen zonder geluid te maken en bovendien lagen hier veel droge dunne takjes op de grond, maar ze slaagden uitstekend. Pas op het laatste moment, toen ze al uit het bos waren, kreeg het ree ze in de gaten. Het probeerde in het vrije veld te ontsnappen, maar toen was Gurd al met een dodelijke sprong onderweg naar zijn nek.
Het was een forse reebok en dat betekende eten voor de hele roedel. En die was er ook in een oogwenk, gelokt door de noodkreten van het stervende dier. Ze sleepten het terug naar de bosrand en onder beschutting daarvan aten ze zoveel als ze konden. Ze waren te ver van hun leger om het daar helemaal naartoe te slepen. Ze zouden bovendien een uitnodigend reukspoor achterlaten voor eventuele vijanden. Dus lieten ze het hier liggen, ook al betekende dat dat andere bosbewoners, zoals vossen, ervan zouden eten. Ook een eenzame, roedelloze wolf zou zich aan het kadaver te goed kunnen doen, als die tenminste bereid was het risico te nemen dat de territoriumgrens voor hem inhield. Eenzame wolven en vooral mannetjes hoefden niet op veel mededogen van een roedel te rekenen als zij op hun terrein werden onderschept. Zij waren een gevaar voor de verhoudingen binnen de groep. Loslopende wolven en wolvinnen konden zich als rivalen ontpoppen. Maar hoe zouden zij kunnen weten dat Rufa en Gurd, dankzij de hechte gezinsband die het bindweefsel van hun roedel vormde, daarin wat toegevelijker konden zijn dan andere roeddelleiders?
Voldaan lagen ze later in hun leger toen er opeens een zwarte schaduw, nauwelijks te onderscheiden in de ingevallen duisternis, fladderend neerstreek, weer opsprong en vervolgens neerkwam voor de neus van Laerke die er onmiddellijk een poot oplegde en haar kaken omheen sloot.
- “Stop,” riep Rufa, “niet bijten.”
Hoe snel ze ook reageerde, ze zou te laat zijn geweest als Laerke niet net had gegegeten. Nu had de wolvin meer uit nieuwgierigheid vastgegrepen en niet direct doorgebeten. Met haar scherpe nachtogen had Rufa in de fladderende schaduw een enkel detail gezien, een rode streep, dat onmiddellijk haar aandacht en voorzichtigheid had opgeroepen. Laerke liet spartelende zwarte ding los, spoog een veer uit, maar hield het met haar poot stevig tegen de bodem van de kuil gedrukt.
- “Laat me los,” krijste het.
- “Wie ben jij,” vroeg Laerke.
- “Ik ben een ... eh ....,” klonk het onder de poot van Laerke vandaan.
- “Jij bent een kraai, hè,” zei Laerke.
- “Nee,” zei Rufa, “het is een zwarte specht. Laat los.”
- “Waarom?,” vroeg Laerke terwijl ze het dier met tegenzin liet gaan. De vogel richtte zich op, vouwde zijn vleugels samen en schudde zich een paar maal helemaal uit.
- “Ik ben een zwarte specht, ja, blijf van me af.”
Hij spreidde zijn vleugels en probeerde op te vliegen maar verder dan wat krachteloos gewiek kwam hij niet.
- “Ben je gewond?,” vroeg Rufa en ze klonk bezorgd.
- “Nee,” snerpte de vogel die weer een vruchteloze poging ondernam om weg te vliegen, uit de buurt van de kaken van de wolven vandaan. Maar omdat vliegen niet lukte, hupte hij naar de rand van de kuil.
- “Je hoeft niet bang te zijn,” zei Rufa, “blijf maar rustig bij ons om op verhaal te komen.”
Eenmaal op de rand voelde de vogel zich wat meer op zijn gemak, al behield hij zijn wantrouwen tegen de wolven in de kuil die tenslotte ook als vogeleters bekend stonden.
- “Ik ben een zwarte specht – laat me los,” herhaalde hij nog een paar keer terwijl hij ondertussen in alle richtingen om zich heen keek en vooral naar boven, de bomen in.
- “Ben je soms je nest uitgevallen?,” vroeg Rufa.
- “Uitgevallen? – Uitgejaagd!,” zei de vogel, “ik ben geen kuiken.”
- “Door wie?,” vroeg Rufa.
- “Door een grote havik,” zei de vogel. Haviken jagen meestal niet boven dichte bossen behalve als er een open plek is, zoals bij hun leger.
- “Maak je maar geen zorgen, haviken zijn bang voor ons,” zei Loeban, maar het was duidelijk dat dát de vogel ook niet helemaal geruststelde. Hij wist dat wolven slim waren en hield rekening met de mogelijkheid dat ze vreedzaam waren en bereid om hem tegen zijn belagers te beschermen alleen maar om hem bij de hand te hebben als hun eigen honger terugkeerde. En je wist nooit wanneer dat het geval zou zijn.
- “Waarom mogen we hem niet opeten?,” vroeg Laerke zachtjes.
- “Omdat je al gegeten hebt en omdat spechten voor ons heilige vogels zijn,” zei Rufa, “zij hebben vroeger Lupa geholpen. Ik heb jullie toch wel eens het verhaal van Lupa en de specht verteld?”
- “Nee, vertel,” zeiden de wolven.
- “Lupa,” zei Rufa, “is een voorbeeld voor alle wolven. Lang geleden liep zij langs een grote rivier. Ze had een nestje met een paar jongen en was op zoek naar voedsel. Haar echtgenoot was niet teruggekeerd van de jacht, dus ze moest zelf voor het eten voor haar jongen en haarzelf zorgen. Het was voorjaar en de rivier was enige tijd buiten haar bedding getreden geweest, maar nu had het water zich teruggetrokken en waren haar oevers weer begaanbaar. Vaak blijft er dan voedsel achter, zoals vissen of het karkas van een dier. Daarom zocht Lupa de oevers en banken af. Tot haar verbazing vond ze een tenen mandje met daarin twee mensenkinderen. Ze huilden, dus ze leefden nog. Ondanks haar honger nam ze ze een voor een voorzichtig in haar bek, bracht ze naar haar leger dat ze onder een vijgenboom had verstopt, en legde ze tussen haar andere jongen in. Daar zorgde ze ervoor dat ze te eten kregen. Net als haar andere wolfjes dronken ook de nieuwe jongen bij haar. Dat hield ze dagenlang vol. De enige die haar hielp was een grote specht die onvermoeibaar met voedsel aan en af vloog. ...”
- “En daarom zijn spechten heilige dieren en eten wolven ze niet, hoeveel honger ze ook hebben,” zei Gurd.
- “Hoe gaat het verhaal verder?,” wilden de andere wolven weten.
- “De mensenkinderen sterkten aan en speelden met de andere wolfjes,” vervolgde Rufa. “Maar op een dag, toen Lupa er op uit was getrokken om voedsel te vinden, werd haar leger door een mens ontdekt. Haar wolfjes wisten te ontkomen, maar de mensenkinderen niet en zij werden door de mens meegenomen. Alleen de ketting die een van hen bij zich had toen Lupa hen vond, lag er nog. Lupa heeft ze nooit meer teruggezien, hoe vaak ze ook terugging naar de rivier. Zij neemt nu een ereplaats aan de hemel in, groter dan alle anderen en bijna zo groot als de zon. Maar nog steeds gaat ze regelmatig terug naar de rivier om haar verdwenen kinderen te roepen en dan kunnen wij haar even niet zien.”
Ook de specht had het verhaal van Rufa gehoord en begrepen dat hij veilig bij hen was en meer dan een uitgestelde maaltijd. Daarom zat hij er de volgende morgen nog steeds, al had hij 's nachts nog wel een paar pogingen gedaan om weg te vliegen. Loeban bekeek hem eens goed in het vroege zonlicht. Het was een grote zwarte vogel met gele kraaloogjes – geen wonder dat Laerke had gedacht dat het een kraai was. Als hij zijn vleugels spreidde, was hij zeker zo groot. Het meest opvallende verschil was een brede rode streep die over zijn kop liep. Hij had een grote, krachtige spitse snavel en zijn poten waren grijs.
-“Ik ben een heilig dier,” krijste de specht afwerend toen hij de belangstelling van Loeban gewaar werd.
- “Hoe heet je,” vroeg deze.
- “Balo, balo,” riep de specht en vanaf dat moment heette hij Balo, ook al was niet duidelijk of dat zijn naam was of dat het woord iets anders betekende.
- “Waarom kun je niet vliegen?”
Balo vertelde dat hij een van zijn vleugels niet goed kon bewegen.
- “Zoek je eten, Balo?,” vroeg Loeban toen hij zag dat de specht in de grond pikte, op zoek naar insecten.
De grond zat vol snavelafdrukken die verrieden dat hij daarmee al de hele nacht bezig geweest.
- “Ja, graag. Een lekkere boomkever,” zei Balo.
- “Waar vind je die?,” vroeg Loeban.
Balo keek omhoog, de bomen in.
- “Daar kan ik niet bij,” zei Loeban, “en ik denk dat boomkevers te klein zijn om te jagen. Lust je ook ree?”
- “Wat is ree?,” vroeg Balo.
- “Dat is lekker,” zei Loeban, “maar je kunt natuurlijk niet vliegen. Weet je wat? Klim op mijn rug, dan gaan we er samen naartoe.”
Tot Loebans verbazing sprong de specht zonder veel aarzeling op zijn rug en zette zich vast in zijn vacht. Als boomklimmer had hij geleerd zijn tenen, snavel en staartveren te gebruiken om zich aan loodrechte stammen te kunnen vasthouden, maar een bewegende wolvenrug was nog iets anders. Zodra Loeban zich in beweging zette, viel hij er vanaf. De wolven lachten.
- “Ja, lach maar,” kraste Balo, “als ik straks weer vlieg zal ik jullie in je kop pikken.“
- “Je moet dichter bij mijn kop gaan zitten, je poten zo ver mogelijk uitelkaar doen en je met je snavel aan mijn vacht vasthouden,” zei Loeban.
Ze probeerden het nog een keer en nu ging het beter, zolang Loeban tenminste niet al te hard ging. Zo bereikten ze de plek waar het ree lag, maar toen Balo het zag, trok hij een vies gezicht. Hij lustte dan wel een kevertje, maar daarmee was hij nog geen vleeseter.
- “Ik ben geen kraai,” riep hij.
Gelukkig lag er vlakbij het ree een oude, omgevallen boom waarin hij onder de schors niet alleen een paar snuitkevers vond, maar ook een holte waarin regenwater was blijven staan, voldoende om zich te wassen en wat te drinken.

Tarras vertrouwde het niet helemaal. Vanachter een boom speurde hij over het veld dat voor hem lag. Hij snoof de lucht op. Niets. Geen reukspoor verried een levende ziel in zijn buurt, behalve natuurlijk zijn eigen zwarte wolven die achter hem stonden. Geen beweging in het veld of aan de bosrand duidde op de aanwezigheid van een ander wezen. En juist daarom vertrouwde hij het niet. Op dit uur van de dag moest er minstens een vogel zijn die waakzaam in de lucht boven zijn nest hing. Wat hem betrof had er ook best een houtduif uit de bomen verderop mogen opvliegen of een konijn aan de wortels van een plant knagen. Hij kende maar een situatie die zo vreedzaam leek en toch zo levenloos was: als de dood in de buurt was. Tarras kende de dood. Hij had hem bezig gezien in het bos, waar hij bomen omhakte, of – nog erger – in het veld waar hij hele stukken platbrandde om later in de grond te graven. Hij had hem op nog veel meer plaatsen gezien die daarna nooit meer hetzelfde waren als daarvoor. En hij kende hem in zijn meest dodelijke gedaante: als hij door het bos liep, vaak vergezeld van een of meer honden. Zag je de dood, dan moest je maken dat je wegkwam want zijn arm was lang en machtig. Soms kwam de dood in groepen, zoals toen ze een paar schapen hadden opgegeten. Alsof het wolven waren zo trokken ze door het veld. Tussen hen, de dienaren van de dood, was steeds een afstand van een paar meter – dat hadden ze goed van de wolven afgekeken. De honden renden daar opgewonden blaffend tussendoor. En steeds opnieuw strekte de lange arm zich met een knal uit naar de roedel van Tarras en liet vrienden, broers en zusters tuimelen en sterven.
Tarras haatte de dood in deze menselijke gedaante, en zijn hondse vrienden zo mogelijk nog meer. Deze haat deelde hij met al zijn soortgenoten: de zwarte wolven, die gezworen hadden de mens te bestrijden waar ze konden. Om dat te bereiken hadden ze een deel van hun wolfse gedragingen moeten aanpassen. Ze hadden een leider gekozen en deze was begonnen met absolute gehoorzaamheid van hen te eisen, ook van de roedelleiders die gewend waren hun eigen beslissingen te nemen. Wie niet luisterde werd zonder pardon doodgebeten door de lijfwacht van de leider, die bestond uit een groep extra-sterke en grote zwarte wolven. “Als we resultaat willen hebben, moeten we één zijn. Dus ook één roedel.” En met één roedel bedoelde hij dat alle zwarte wolven op elkaar waren aangewezen en op elkaar moesten kunnen vertrouwen alsof ze samen een roedel vormden. Daarna had de leider alle bestaande roedels afgeschaft en opnieuw ingedeeld in wat hij strijdroedels noemde, samengesteld op basis van kracht en snelheid en zonder acht te slaan op de familiale betrekkingen die de grondslag van de oude wolvenroedels waren geweest. “Familie is minder belangrijk dan het doel,” had hij gezegd. Hij had zelf de leiders benoemd die niet alleen vaardig en dapper moesten zijn, maar ook trouw aan hem. “We kunnen in deze strijd nu eenmaal niets aan het toeval overlaten.” Hij had ze in lange marsen door stoffige zanderige steppen getraind om zich zo snel mogelijk te verplaatsen en zo lang mogelijk zonder water en voedsel toe te kunnen. Deze aanpak had Tarras erg aangesproken, helemaal toen de leider hem belastte met het aanvoerdersschap van zo'n strijdroedel.
Hij was een sterke wolf. Hij had dat vroeger gemerkt in de vechtpartijtjes met zijn broertjes en zusjes, die hem op een speelse manier hadden voorbereid op een bestaan als volwassen wolf. Hij had sneller dan wie ook door dat je een tegenstander met je neus op de rug kon rollen waarna je alleen nog over hem of haar heen hoefde te gaan staan met je bek boven de onbeschermde keel om de ander duidelijk te maken wie de baas was. Terwijl hij opgroeide leerde hij andere technieken waarin zij kracht, snelheid en gewicht goed van pas kwamen. Een schouderduw tegen hem had meestal het averechtse effect dat de duwer zelf omtuimelde. Rituele vechtpartijen waarbij wolven op hun achterpoten staan en elkaar met hun voorpoten, wijd-geopende bekken en blikkerende tanden bestrijden terwijl ze ondertussen de ander met het gewicht van hun opgeheven lichamen proberen om te werpen, pakten meestal ook slecht voor zijn tegenstanders uit. Al jong ervoer hij de sensatie van het in de nek grijpen van een prooidier en het doorbijten van de halszenuw. Hij voelde hoe het dier in volle ren stokte als zijn tanden de vitale zenuw doorsneden en sidderend ineenzakte. Hij zag de ogen breken die zoëven in hun doodsnood nog wijdopen waren gesperd en hij bemerkte hoe het levende dier veranderde in voedsel. De smaak van het verse, warme bloed beviel hem wel.
Onvermijdelijk kwam het moment waarop jonge wolvinnen zijn kwaliteiten begonnen op te merken en hij op zijn beurt niet naliet die te bevestigen, het liefst in hun aanwezigheid. Hij bewees eens te meer sterker te zijn dan zijn leeftijdsgenoten, maar ook sterker dan veel oudere wolven. En even onvermijdelijk kwam het moment waarop de leider van de roedel reageerde door hem te uit te stoten. De leider wist dat zijn aanvoerderschap vooralsnog geen gevaar liep, maar dat de nu nog jonge wolf over niet al te lange tijd een geduchte rivaal zou zijn. Waarom zou hij dat moment afwachten? Voor de bijna volwassen wolf was de sterke en ervaren leider nog een maatje te groot en dus vertrok Tarras.
Geen van de jonge wolvinnen had het aangedurfd met hem mee te gaan en daarom ging Tarras een tijdlang alleen zijns weegs. Hij was sterk genoeg om zich in zijn eenzaamheid te handhaven. Maar waar de wetmatigheden van de natuur voorschrijven dat hij een eenzame wolvin ontmoet die eveneens om rivaliteitsredenen uit haar roedel was verstoten en samen met haar een eigen roedel begint, kwam hij in contact met Werra. Werra had niet lang nodig om zijn kwaliteiten te zien. Bovendien beviel hem het feit dat Tarras een geboren leider was maar geen roedel had. Tarras, op zijn beurt, was onder de indruk van de kolossale weerwolf, niet alleen vanwege diens omvang – die hem op slag van elke zucht naar leiderschap genas - maar ook vanwege zijn haat tegen de mens, en sloot zich bij hem aan. Werra plaatste hem in zijn lijfwacht.
- “Verkenner naar links,” beduidde Tarras aan de wolven achter hem en een van hen sloop eerst van boom tot boom en daarna door het gras naar een houtwal die daar lag. De rest van zijn groep van tien wolven bleef keurig in dekking, weggedoken achter een boom of verscholen in het lange gras. Stipte gehoorzaamheid was een leefregel voor alle zwarte wolven. Tarras volgde met zijn ogen de verkenner die langs de houtwal sloop totdat hij bleef staan. Zijn houding verried dat hij iets had gezien. Even later was hij weer terug. “Mens met hond gezien,” rapporteerde de verkenner. Tarras knikte tevreden. Precies wat hij had verwacht. Waar wat nu. Hij had een geheime opdracht die hij zo snel mogelijk moest uitvoeren. “Laat je dus niet afleiden. Geen zinloze jachtpartijen, geen aanslagen,” zo luidden de instructies die hij had ontvangen, “en, oh ja, geen ruchtbaarheid. Niemand mag weten dat je er bent.” Zo snel mogelijk hield in dat hij niet kon wachten totdat de mens en zijn hond eindelijk uit zichzelf waren verdwenen, maar dat hij ze zo snel mogelijk opruimde. Hij kon ook om ze heen trekken, maar dat zou evenveel tijd kosten als wachten tot ze weg waren. ”t Mocht wat dat opruimen ruchtbaarheid zou kunnen betekenen, dacht Tarras. Voor ruchtbaarheid zouden er toch eerst getuigen moeten zijn en die zag hij vooralsnog niet. Hij wenkte zijn groep en sloop naar de plaats toe waar hij zijn verkenner het laatst had gezien. Inderdaad, aan de bosrand op een paar honderd meter bij hem vandaan stond een mens en keek over het veld waarin Tarras met zijn groep achter de houtwal lag; de hond stond naast hem. De wind stond in zijn richting, maar was gelukkig erg zwak, anders had de hond de wolven misschien al geroken. Tarras gaf zijn groep instructies: de ene helft linksom, de andere rechtsom, door het bos, tot ze achter de mens waren. Als ze in positie waren, zou hij vanachter de houtwal de hond naar zich toelokken. De mens zou waarschijnlijk op zijn plaats blijven staan, zoals hij altijd deed omdat hij immers op afstand kon doden. Als de hond weg was, moesten ze ongemerkt binnen sprongsafstand van de mens te komen en dan tegelijk aanvallen. Hoe dichter je bij hem bent, hoe kleiner de kans dat hij je kan verwonden of doden.
Tarras zag ze behoedzaam langs de houtwal sluipen en het bos ingaan. Hij wist dat ze hun natuurlijke angst voor een mens moesten overwinnen, maar ook dat ze hem haatten. De angst maakte ze voorzichtiger, de haat meedogenlozer. De hond was een zacht eitje voor hem, ook al was hij dan een ver familielid. Niet eens in staat zelf te jagen, net goed genoeg om een slachtoffer van zijn baas op te halen en kansloos als het op een vechtpartij aankwam. Zelfs zijn zintuigen waren de mindere. Een wolf, die voor zijn voedsel op zijn eigen kwaliteiten was aangewezen, had zijn neus, oren en ogen veel beter leren gebruiken dan een hond. Alleen met zijn neus moest je rekening houden. Hij tuurde strak naar de bosrand om te zien waar zijn wolven waren. Hij zag ze niet, een goed teken. Sluipen, het onmerkbaar benaderen van alle soorten prooien was een onderdeel van de training geweest. Die bewees nu, zoals zo vaak, zijn waarde. Net zoals hun vaardigheid om in hoog tempo en zonder oponthoud voort te jagen. Oponthoud betekende niet alleen tijdverlies maar meestal ook onnodige extra sporen.
Het bijna onmerkbaar bewegen van een boomtop langs de bosrand was het teken dat de wolven hun plek hadden ingenomen. Nu kwam het er voor Tarras op aan zich zichtbaar te maken voor de hond en onbereikbaar voor de lange arm van de mens. De hond stond nog steeds roerloos naast zijn baas. Tarras liep naar de plaats verderop waar de houtwal over een afstand van een paar meter zoveel lager was dat mens en hond hem zouden moeten kunnen zien. Als de mens niet in zijn jachthouding stond, zou het hem zoveel tijd kosten dat Tarras makkelijk de overkant kon halen. Hij keek nog een keer en stak toen bijna op zijn gemak het onbeschutte gedeelte over. Aan de overkant bleef hij wachten en luisterde. Hij hoorde de hond blaffen en zijn baas iets tegen hem zeggen. Toen hoorde hij de galopsprongen waarmee het dier zijn kant uit rende. Vrijwel meteen daarna hoorde hij de geluiden die zijn wolven maakten toen die de mens naar zijn keel sprongen. Tarras keek naar de bosrand. De hond stond halverwege stil, had zich weer omgedraaid en keek in de richting waar zijn baas had gestaan. Daar zag Tarras zijn wolven scheuren en rukken aan iets dat op de grond lag. Hij had zelfs de gevreesde knal niet gehoord.

Zoltan zette het houten hek open om zijn 8 koeien door te laten naar de glooiende achterste weide. Daar groeide het meeste lange en voedzame gras. De weide waar ze vandaan kwamen was zo ver afgegraasd dat zij er weinig meer aan hadden, maar zijn schapen des te meer.
- “Ts, ts,” riep Maja, zijn dertienjarige dochtertje dat met een twijg in haar hand achter de melkkoeien liep en ze voortdreef, het hek door.
Soms gaf ze een koe een tikje op een bil, niet hard, om ze geen pijn te doen. De grote, roodbont gevlekte dieren zouden haar met gemak kunnen vermorzelen, maar waren als de dood voor het kleine meisje met het blonde haar en haar twijg. Vroeger had Zoltan meer koeien gehad. Veertig en soms nog meer magyartarka”s hadden de weiden begraasd die rondom zijn kleine boerderij in de heuvels lagen, en de kleine Maja had ze even onvervaard opgedreven als deze acht. Maar de laatste tijd was de melkprijs zo laag dat hij het aantal koeien had moeten verminderen. In plaats daarvan had hij meer schapen genomen, maar daarvoor had hij eigenlijk al dat grasland niet nodig. Het land mijner vaderen, dacht hij bitter, ik zou het eigenlijk moeten verkopen en in de bosbouw gaan. De uitgestrekte oerbossen sloten het dorp en zijn weidegronden bijna als een enclave in en reikten hier tot aan zijn land. Als veetelers hadden zijn voorvaderen het bos meer als vijand dan als vriend gezien. Het vertoonde een voortdurende neiging tot expansie ten koste van hun land. Hij had bij andere boeren gezien hoe snel het bos prima cultuurgrond had ingepalmd en herbebost. En het bos bracht af en toe ook roofdieren voort die een gevaar waren voor zijn dieren. Zoals vossen die zijn kippen stalen en lynxen die een schaap opaten. Hij sloot het hek achter de laatste koe, schoof de sluitbalk op zijn plaats en legde zijn hand om de schouders van zijn dochter die naast hem was blijven staan.
- “Mag ik vanavond met Lilla naar het oogstfeest, papa?,” vroeg ze.
Hij schrok. Een jaar geleden nog had ze gevraagd of ze met hem naar het oogstfeest mocht. En nu met Lilla. Dat betekende zoveel als: ik kan niet met jou mee, ik ben te groot om me met jou laten zien. Gaat dat zo snel? En aan wie kun je je niet met mij laten zien? Ik weet zeker dat mijn vrienden en kennissen daarmee geen enkele moeite hebben. Dus zijn het de jouwe. Wie zijn die vrienden? Maar hij sprak al die vragen niet uit.
- “Waar gaan jullie dan naartoe?” vroeg hij alleen.
Als ze naar het dorpshuis zouden gaan, zouden ze elkaar toch weer tegenkomen en dan zou ze dus net zo goed wel met hem mee kunnen gaan.
- “We gaan naar de schuur van Nikolasz,” zei ze.
Verschrikkelijk. De schuur van Nikolasz was het vaste trefpunt van de jongeren uit het dorp en onderdak voor al hun feesten. Hij lag buiten het dorp, aan de rand van het bos, en was ideaal – vonden ze - omdat ze daar geen geluidsoverlast veroorzaakten en omdat het te veraf was om voortdurend door nieuwsgierige ouders te worden lastiggevallen. Oorverdovende herrie was een probaat middel tegen eigenwijze papa”s en mama”s die hun dochters nog even onder hitsige boerenzonen vandaan wilden houden. Hij voelde de sterke neiging om nee te brullen en haar nog dichter tegen zich aan te trekken, maar hij wist dat ze na een paar maanden met dezelfde vraag zou komen en dat hij niet altijd nee zou kunnen blijven zeggen. En dus zei hij maar “ja”. Ze gaf hem een zoen op zijn wang en samen liepen ze hand in hand terug naar de boerderij. Maja huppelde bijna naast hem. Van plezier - omdat je je niet met mij hoeft te laten zien, dacht hij wrang. Maar je bent nog een kind.

Het oogstfeest was in volle gang en Zoltan danste met de mooie Vanda op de muziek van een zigeunerorkestje dat net zo makkelijk volksmuziek als een tango speelde. Het bier stortte zich bruisend in de kroesen. De trekharmonica sleepte het bomvolle dorpshuis mee langs de euforische hoogten en dramatische diepten van de zigeunermuziek. Zoltan vergat bijna dat hij Maja met Lilla het erf had zien aflopen op weg naar de schuur van Nikolasz. Alsof je je kind meegaf met een kinderlokker. Maar Vanda had immers haar eigen dochter – of was het haar zoon? - ook naar die schuur laten gaan en zij danste hier onbekommerd rond. Goddank danste ze hier rond en Zoltan liet met welgevallen zijn blikken over de struise boerin gaan die in een folkloristisch laag-uitgesneden jakje en met opwaaiende rokken over de dansvloer zweefde. Het werd tijd, dacht hij, dat hij als weduwnaar zich weer eens openstelde voor een nieuwe vrouw. Hij had de gedachte al die tijd uitgebannen, maar nu Maja begon op te groeien voelde hij wat hij al die tijd had gemist. Of was het misschien het bier, of was het het beeld van die vrouw daar op de dansvloer tegenover hem. Vanda was beslist een goede kandidate.

Zijn stemde zweefde door het gotische kerkgewelf. “De bijbel is bovenal een boek dat ons verhoudingen leert. De verhoudingen tussen de mensen onderling en tussen de mens en de aarde. Hebt uw naasten lief - het is misschien het meest misbruikte zinnetje uit de bijbel. Wat betekent dat liefhebben? Niet dat u op uw buurvrouw verliefd moet worden ...”
Er klonk een beschaafd gegrinnik op vanuit de houten kerkbanken. De gelovigen keken elkaar tersluiks aan. Een dergelijk vanzelfsprekende en zelfs wat banale bijbeluitleg vond bij zijn eenvoudige kerkgangers, die voor het merendeel boeren uit zijn dorp en de omgeving waren, altijd een gunstig onthaal en betrok ze meer bij de strekking van de schrift dan de veel verfijndere interpretaties die hij er ook aan had kunnen verbinden.
- “... maar dat u elkaar respecteert. Dat u elkaar de ruimte gunt die een ieder nodig heeft om te zijn die hij of zij is. En wie zijn uw naasten? Uw buren? ...” Er klinkt weer gegrinnik.
- “... Ja, ook. Ook uw buren, maar ook uw buren in het volgende dorp, in het volgende land, achter de volgende zee. Vreemde buren met andere huidskleuren. Raar, misschien, maar dat vinden zij van u ook. Heb ze lief. We kunnen niet anders! De bijbel vraagt het niet, maar gebiedt het ons. Hebt uw naasten lief is onze strikt persoonlijke goddelijke opdracht!”
Hij nam een slok water uit het glas dat voor hem op de katheder stond en keek zijn toehoorders aan.
- “Weten we nu wie onze naasten zijn? Nee! Want we zijn het grootste deel nog vergeten. Denkt u dat God tegen u zei: ik laat u, mens, los op mijn schepping, en u hoeft daarvan maar een stukje lief te hebben? Kies maar uit welk. Nee, natuurlijk niet! Hij bedoelde álles. De dieren, de planten, de hele reutemeteut.”
Zijn hand roffelde op het houten katheder. De kansel rustte tegen een van de pilaren die de grote kruislingse spitsbogen droegen waar schip en zijbeuken elkaar ontmoetten. Vanaf deze plaats, hoog verheven boven de stenen vloer, kon zijn stem zijn hele gemeente bestrijken die zich in de rijen banken had neergezet die uit alle richtingen op hem toekwamen. Links was het altaar met de glas-in-loodramen die gekleurde stralen zonlicht naar binnen lieten. Rechts, aan het einde van het schip, bevond zich het orgel boven het portaal dat toegang gaf naar het kerkplein. De eikehouten kanseltrap spiraleerde kunstig om de onderzijde van de pilaar. De trap was voorzien van gebeeldhouwde cherubijnen die langs de leuning doorliepen tot onder het front van zijn katheder waar ze met ten hemel gestrekte armpjes de bijbel die voor hem lag leken te torsen. De kerk was groot, te groot voor het dorp, maar niet voor de boeren en landarbeiders uit de wijde omtrek. Ze keken hem verwachtingsvol aan. Hij hield van simpele, alledaagse woorden die bij zijn gehoor de meeste zeggingskracht zouden vinden.
- “... Alles wat hij heeft gemaakt om in goddelijke harmonie met elkaar te verkeren. Denk toch na: waarom zou hij anders een planeet hebben gemaakt als het niet zijn bedoeling was geweest daarop met z'n alllen in vriendschap en liefde samen te leven? Elke sigarettepeuk die u op zijn aarde uitdrukt, drukt u in zijn gezicht uit. Bij elke kever die u onder uw schoenzool verplettert, per ongeluk of niet, is het alsof u uw hak in zijn gezicht zet en ronddraait. En die harmonie begint bij elk van u, individueel, hier...”
Hij trommelde op zijn borstkas, ongeveer op de plaats waar zijn hart zat.
- “... en hier.”
Hij nam zijn hoofd tussen zijn handen.
Even later stond hij in het portaal onder de toren terwijl de gemeente langs hem heen naar buiten schuiffelde. Er woeien wat barokke orgelklanken door de grote geopende kerkdeuren mee naar buiten, het kerkplein op. Als uitgeleide aan de kerkgangers speelde de organist Buxtehude. De meeste kerkgangers bedankten hem, anderen knikten. Toen de laatste was gepasseerd, wierp hij een blik op de berghellingen die achter het kerkplein oprezen, liep terug het kerkgebouw in en sloot de hoge deuren. Daarna liep hij door het portaal het schip binnen. De deur van het portaal sloot met een luide klik. Hij stond even stil, keek naar de rijen met lege houten banken die daarnet nog vol waren geweest, naar het altaar waar de kaarsen nog brandden. De koster zou ze straks doven. Hij wist dat wat hij had gezegd nu bezig was weg te lekken uit de hoofden van de boeren die op weg waren naar hun hoeven waar ze niet anders zouden doen dan daarvoor. Hij zou nog indringender moeten zijn.
- “Doctor Petrus Mayer.”
Hij schrok bij het horen van zijn naam. Niemand sprak hem zo aan. De leden van zijn gemeente noemden hem “vader” of “mijnheer pastoor”. Hij draaide zich om. Naast het portaal, in het licht van het lampje dat daar brandde, stond een kleine gestalte met een breedgerande zomerhoed op.
- “Ik hoop dat ik u niet heb laten schrikken.”
De stem – een lage vrouwen- of hoge mannenstem – klonk beschaafd en had niet het plaatselijk dialect. De gestalte kwam op hem toe. Het leek alsof hij het licht van het portaallampje meenam. Hij droeg een licht halflang linnen jasje over een eveneens lichtgekleurd overhemd zonder boord en een crêmekleurige broek. Onder de broekomslagen staken twee lichtbruine schoenen. Tussen de kraag van zijn jasje en de hoed zag Mayer krullend grijs haar. Een kunstenaar, dacht hij.
- “Mag ik alstublieft even met u praten?”
De ander had een fijn getekend gezicht, heel anders dan de grove en weerbestendige boerse trekken van de meesten van zijn kerkgemeente. Een paar heldere lichtblauwe ogen gaven het gelaat een uitdrukking die je beslist niet snel vergat. Mayer had hem nog niet eerder gezien.
- “Ja, natuurlijk,” zei Mayer, “wilt u biechten?”
- “Nee. Neemt u mijn niet kwalijk. Ik heb me nog niet voorgesteld. Mijn naam is Alberon en ik vertegenwoordig een aantal ... eh ... groeperingen.” Hij aarzelde even. Toen zei hij, gedempt maar duidelijk hoorbaar: “Fenrir is los!”
Mayer verbleekte.
- “Komt u mee, meneer Alberon.”
Ze liepen door het schip naar de achter de kerk gelegen pastorie. Fenrir – de naam dreunde door Mayer hen. Fenrir was een weerwolf uit de Noorse sagenwereld. Als jonge weerwolf groeide hij op tussen de goden maar naarmate hij groter werd, werd hij lastiger. Hij was niet alleen erg sterk, maar ook sluw en kwaadaardig, waarop de goden besloten zich van hem te ontdoen. Het was echter al te laat: maar liefst drie goden, stuk voor stuk niet voor een kleintje vervaard, slaagden er niet in hem te vangen. Daarop namen de goden hun toevlucht tot een list, waarbij ze zinspeelden op de snoeverigheid die weerwolven nu eenmaal eigen is en die in het geval van de jonge Fenrir nog werd versterkt door zijn puberale geneigdheid tot zelfoverschatting. Ze smeden een ijzeren ketting en vroegen Fenrir of hij net zo sterk was als deze. “Ik ben sterker,” zei Fenrir, precies zoals ze hadden verwacht, en hij stond hun toe zijn nek, lichaam en poten met de ketting vast te binden. Nauwelijks waren ze daarmee klaar of Fenrir verbrak, tot ontzetting van het trio goden, spelenderwijs de ketting. Ook een tweede ijzeren ketting, tweemaal zo sterk als de eerste, was niet tegen zijn ontzettende kracht bestand.
Wie moest dit kwaad beteugelen als de goden het zelf niet konden? Ten einde raad wendde oppergod Odin zich tot de dwergen, de smeden uit de eerste en alle latere uren van de schepping, met de vraag of zij geen ketenen konden vervaardigen die sterk genoeg waren om Fenrir te binden. De dwergen dachten na. Het had geen zin het nog eens met een ijzeren ketting te proberen. “Als Fenrir sterker is dan het mogelijke, moeten wij er een maken uit het onmogelijke,” dachten zij en vervaardigden vervolgens een ketting uit zes onmogelijke bestanddelen: de ademhaling van een vis, de baard van een vrouw, het speeksel van een vogel, de wortels van een berg, het geluid van de poten van een kat en de pezen van een beer.
Odin, die een ontzettend zware ketting had verwacht, was verrast toen hij een bijna zijdeachtig lint ontving, maar hij kende de bekwaamheid van de dwergen. Fenrir vertrouwde het niet. Hij was slim genoeg om te beseffen dat als er na de ijzeren kettingen nu een lint kwam, magie daarin een rol moest spelen. Aan de andere kant: het was zo dun. Hij besloot dat hij zich wel wilde laten binden, maar dan met de hand van de god Tyr tussen zijn kaken als waarborg tegen een of andere toverachtige listigheid. Tot ieders verbazing weerstond het dunne lint de fenomenale krachten van Fenrir die in zijn woede de hand van Tyr afbeet. Voor de goden, behalve dan voor Tyr, was dat een klein offer om van hem te zijn verlost.
Sindsdien is Fenrir vastgebonden en wacht op de dagen van de godenschemering. Maar niemand weet wanneer die aanbreekt en evenmin of het lint waarmee hij is vastgebonden het zo lang zal houden. Daarom verbleekte Mayer toen hij Alberon die naam hoorde noemen. Fenrir was synoniem met het boze in zijn meest kwaadaardige en minst beteugelbare vorm. En al was Fenrir een mythologisch wezen, alles wat zijn naam droeg moest serieus worden genomen.
Ze namen plaats aan de houten tafel die in de pastorie stond.
- “Vindt u het erg als ik mijn hoed ophoud. Het zal u straks duidelijk worden waarom dat nu even nodig is.”
De hoed van de man tegenover hem aan de tafel bedekte een groot deel van zijn hoofd, maar liet zijn gezicht vrij. Mayer kon er geen leeftijd aan verbinden. Het grijze haar en de kleine rimpels zouden op een gevorderde leeftijd kunnen wijzen, maar de ogen drukten beslist iets jeugdigs uit.
- “U zei dat u bepaalde groeperingen vertegenwoordigde?”
- “Ja. Ik heb er lang over nagedacht of we u moesten benaderen. Ik ben zo vrij geweest mij in u te verdiepen. Ik ken uw theologische kwalificaties en uw belangstelling voor mystiek en magie. Ook hebt u invloed op andere niveaus dan uw optreden in dit dorpje doen vermoeden. Ik heb uw preken gelezen en daaruit geconcludeerd dat u geen verstarde aanhanger van uw geloof bent maar dat u dat met een open oog voor de tijd en de omstandigheden belijdt. Maar bovenal hebt u keer op keer duidelijk gemaakt dat u geen andere persoonlijke ambitie koestert dan dat u de geestelijk leidsman van uw parochie wilt zijn. U houdt van dit land, deze dorpjes en deze mensen en hebt geen behoefte de clericale ladder te beklimmen ook al zijn u posten aangeboden op belangrijker plaatsen. Wij zijn tot de slotsom gekomen dat als we iemand konden benaderen, u diegene moet zijn.”
- “Wie zijn we?”
- “Ik hoop dat ik in deze paar zinnen serieus genoeg ben overgekomen om geloofwaardig te zijn als ik zeg dat ik de bewoners van dit bergland vertegenwoordig. Niet als afgezant van een of andere menselijke groepering, maar van alle bewoners rechtstreeks.”
Mayer keek hem aan. Hij had in zijn bestaan als pastor wel meer vreemde verhalen gehoord en geleerd de ander te laten praten. Wat de ander zei of juist niet zei, hoe deze zich gedroeg terwijl hij of zij praatte, vertelde hem meer dan wanneer hij deze zou onderbreken en ontmoedigen met zijn eigen standpunten. De man die daar zo rustig formulerend zat en hem aankeek met zijn lichte, vriendelijke, maar tegelijk fascinerende ogen maakte inderdaad niet de indruk gestoord te zijn.
- “U bedoelt dat u de dieren van het Paktargebergte vertegenwoordigt?”
- “Onder meer.”
- “Hoe kunt u een afgezant van de dieren zijn?”
- “Ik praat met ze. Ze vertrouwen mij en ze weten dat ik de enige ben die deze stap uit hun naam kan zetten.”
- “Wie bent u dan?”
- “Wilt u, voordat ik dat uitleg, mijn verhaal aanhoren? Dan worden een paar zaken vanzelf duidelijk.” Alberon glimlachte.
- “Natuurlijk. Ik hoor graag uw verhaal.”
- “Ik moet u verzoeken om geheimhouding. Veel van wat ik u ga vertellen zou een reden kunnen zijn voor een stormloop op dit gebied en dat zou het einde voor zijn bewoners betekenen.”
- “Ik kan u geheimhouding verzekeren, zolang u niet van mij verlangt dat ik iets geheim houd dat een gevaar voor mijn gemeente, mijn kerk of mijn geloof is.”
- “Ik verzeker u dat, hoewel uw gemeente en uw geloof in mijn verhaal een rol spelen, het handhaven van de huidige situatie het doel is.”

- “De bergen en wouden die dit dorpje zijn idyllische ligging verschaffen, zijn niet alleen een achtergrond voor het leven in de dalen, maar dankzij hun ontoegankelijkheid een wereld op zichzelf, waar de bemoeienis van de mens nog niet is doorgedrongen. Daarom is het een wijkplaats geworden voor alles dat elders door de mens werd verdreven. Het eerste waaraan u denkt zijn dieren, maar er zijn meer wezens die zich buiten dit gebied niet meer op hun gemak voelden, hoe teruggetrokken hun bestaan ook was, maar zich hier, vaak in gedecimeerde omvang, wisten te handhaven. Zo is er een bijzondere en gemengde gemeenschap ontstaan. Kenmerk tot dusver was een algemeen besef, althans onder die wezens die tot een besef in staat geacht moeten worden, dat we hier zijn om gezamenlijk te overleven. De betrokkenen ontzagen elkaar zoveel mogelijk, oude twisten werden niet opnieuw tot leven gewekt.
Ik vrees echter dat ook deze gemeenschap zich niet kan onttrekken aan het lot van veel menselijke gemeenschappen, hoezeer de leden daarvan ook verschillen van de onze, om een leider te kiezen. Leiderschap is vaak een noodzaak om een gemeenschappelijk doel te bereiken, zoals je aan veel revoluties kunt zien, maar is tevens het begin van conflicten. Want wie moet de leider zijn en wat zal het beleid worden?
Binnen mijn veelzijdige gezelschap leefde die vraag aanvankelijk niet. Er waren een paar groeperingen waarbinnen wel een duidelijke sociale structuur bestond, maar bij de hoofden daarvan bestond geen enkele behoefte zich op te werpen als kandidaat voor een overkoepelend leiderschap. Het uitoefenen van macht met geen ander doel dan de macht zelf en het overheersen van anderen dan de eigen soort was van geen van hen een ambitie. De duiven wilden niet de baas zijn van de mussen of de haviken, om van de veldmuizen en de hazen te zwijgen. Daarbij komt dat de gemeenschap het gevoel had dat door zich in het Paktargebergte terug te trekken eigenlijk aan het belangrijkste doel – overleven – was voldaan. Vooruitziendheid is een schaars goed.
Ik noemde een paar diersoorten om iets van de diversiviteit en de verdeelheid aan te geven. Het zijn echter niet de soorten waar het hier om gaat. Duiven, mussen, hazen vinden hun weg wel. Anders is dat met dwergen en Kobolden, een enkele berggeest, gieren en bergadelaars, een paar lynxen, bruine beren en vooral wolven. Die kunnen nergens anders naartoe. Het Paktargebergte is door zijn geïsoleerdheid niet alleen een soort natuurhistorisch reservaat, maar ook het rariteitenkabinet van de mythische oudheid.”
Alberon liet de ander zijn woorden verwerken. Mayer bleef hem aankijken. Zijn vragen bewaarde hij voor later.
- “De status quo veranderde echter toen er op zeker moment een bijzondere wolf opstond, Werra. Sommigen zeggen dat hij een weerwolf is. Wat hij ook is, Werra heeft een menselijk aandoende boosaardige sluwheid naast zijn kwaliteiten als wolf. En bij die kwaliteiten moet ik, voor het juiste begrip van de situatie, even stilstaan. Wolven zijn er niet voor niets in geslaagd eeuwenlang te overleven ondanks de vervolging door de mens. Kijk eens goed in de ogen van een wolf. Ze zijn intelligent, zelfs wijs, hebben hun eigen manier van communiceren en beschikken over superieure zintuigen. Ze hebben een formidabele sociale structuur. Volgens sommigen kan binnen een roedel zelfs een zekere mate van inspraak voorkomen: een leider, vaak een leidend paar, kan zich laten beïnvloeden door wat de andere wolven willen. Wolven kunnen individueel optreden, maar ook als groep en dan zijn ze het sterkst. Ze zijn in staat in hun jacht op groot wild situaties te beoordelen en vervolgens hun gezamelijke plan te trekken, een plan dat in al zijn complexiteit zelden faalt. Ze sluiten tijdens de jacht zelfs tijdelijke bondgenootschappen met andere wolven om succces te bereiken, gebaseerd op de nuchtere afweging dat als ze niet samenwerken, niemand iets heeft. Ze zijn sterk, gehard, opgewassen tegen de extremen van natuur en klimaat en onvoorstelbaar moedig. Met dergelijke uitgelezen kwaliteiten benaderen ze de mens misschien het dichtst van alle dieren en wellicht is dat ook de reden voor de wisselende houding die de mens door de eeuwen heen tegenover de wolf heeft aangenomen. Grieken en Romeinen gaven hoog op van de wolven, prezen hun wijsheid maar waren ook bang voor ze. Primitieve stammen hulden zich vaak in wolvenhuiden die als een teken van mannelijkheid en onverschrokkenheid werden gezien en tegelijkertijd angstaanjagend waren. Maar in de middeleeuwen kentert de waardering en wordt de wolf als gevaarlijk en bloeddorstig beschouwd en begint de vervolging.
Ondanks al hun kwaliteiten hebben wolven nooit de ambitie gekend die de mens zijn speciale en bedenkelijke rol heeft gegeven: begeerte naar overdaad en macht. Ze hebben hun talenten alleen en in alle terughoudendheid aangewend voor zich zelf en voor de instandhouding van hun eigen soort. Al hoewel ze daartoe de mogelijkheden hadden, hebben ze zich ten tijde van de vervolgingen nooit gemeenschappelijk verzet maar zich dieper in hun afkalvend leefgebied teruggetrokken. Ik zeg met nadruk dat ze de mogelijkheden hadden zich gezamenlijk te verzetten, zeker tegen hun eerste middeleeuwse vervolgers, zoals ze ook in staat zijn een gezamelijke jacht te organiseren, maar dat ze daarvan welbewust hebben afgezien. Zij hebben het intelligente besef dat ruimte laten aan anderen in de praktijk vaak betekent dat de prijsgegeven ruimte wordt ingenomen door prooidieren die aldus zelf de voedselvoorraad van de wolven weer aanvullen. Daarnaast is een van hun meest miskende eigenschappen hun geneigdheid geweld uit de weg te gaan als dat kan. Ik weet niet of ze dat nu weer zullen doen. Ze zijn een boog waarvan de pees uit respect voor de pijl nooit is losgelaten.”
Alberon keek zijn gesprekspartner aan.
- “Werra, half-menselijk, half-wolf, vatte het idee op te doen wat de wolven tot dusver hadden nagelaten: ze als geheel organiseren, zodat ze als geheel kunnen opereren en zich te weer stellen. Als hij dat enkel had gedaan om ze beter voorbereid te maken op een onzekere toekomst, zou dat begrijpelijk zijn. Hij zegt ook dat dat zijn doel is. Maar hij is voldoende mens om over een eigenschap te beschikken die dieren vreemd is: begeerte naar macht. Werra wil de baas zijn, de onbetwiste leider. Vervolgens wil hij zich tegen de mens keren, niet op een passieve manier, maar met agressie. Hij denkt, en ook daarin is hij erg menselijk, dat je geweld met geweld kunt bestrijden.
Binnen de wolvengemeenschap, die veruit de talrijkste is, is daardoor opschudding ontstaan. Natuurlijk hebben de wolven zich al eeuwenlang voor de mens moeten terugtrekken en even natuurlijk is er een – laten we zeggen - revanchistische behoefte ontstaan die van generatie op generatie is doorgegeven: al zouden ze maar een enkele keer flink terugslaan. Werra bespeelt dat sentiment met verve en voor hem goed gevolg. Wolven en andere dieren sluiten zich bij hem aan. Sommigen omdat ze niet verder kunnen zien dan een enkel succes – ik zei al dat vooruitziendheid een schaars goed is, niet alleen bij de mens, maar ook in het Paktargebergte - anderen in het besef dat daarna pas de problemen komen, maar dat ze dan in elk geval dat ene succes hebben gehad. Een soort geneigdheid tot zelfvernietigende heroïek.
Daar tegenover staan die wolven die weten dat ze niet tegen de mens zijn opgewassen en dat terugslaan betekent dat de vervolgingen weer terugkeren. U en ik weten ...,”
Alberon keek hier Mayer indringend aan,
“...dat deze wolven gelijk hebben en dat na een paar incidenten wordt geconstateerd dat er sprake is van overbevolking van wolven in het Paktargebergte en dat de jagers weer op pad worden gestuurd om het overschot terug te dringen, zoals het netjes heet. Dat kleine succesje, dat zo goed zou zijn voor de gemoedsrust van de wolven, heeft het effect van een rotsblok dat in een doodstil vennetje valt. Het schudt bij de mensheid alle verzonken gevoelens in al hun heftigheid weer wakker. Het is daarom voor deze groep wolven van het levensbelang de anderen te beletten hun plannen uit te voeren.
Daarmee zijn er binnen de wolvengemeenschap twee onverenigbare opvattingen tegenover elkaar komen te staan die tot een splijting hebben geleid. Een bijzondere splijting waarin de duiven de havikken de baas moeten zien te worden. De gematigden vinden dat zij omwille van het voortbestaan van de gemeenschap de andere groep het uitvoeren van zijn plannen moet beletten, desnoods met geweld. Zoals u weet is dit voortbestaan van de soort een van de krachtigste motieven in de dierenwereld. Daarom is de contrareactie zo heftig.”
Alberon pauzeerde even. Mayer stond op.
- “Wilt u iets drinken?”
- “Wat water, alstublieft.”
Mayer liep naar de keuken, vulde twee glazen met water onder de kraan. Het beeld dat Alberon hem had geschilderd was verontrustend en fascinerend tegelijk. Vooral fascinerend. Iemand met belangstelling voor magie en mythologie had Alberon hem genoemd en dat was inderdaad zo, maar dan alleen voor de literatuur over deze onderwerpen. Hem boeide de vraag wat de mens ertoe had gebracht zijn toevlucht in bezwerende rituelen en onwaarschijnlijke godsbeelden te zoeken, maar hij had geen moment gemeend dat iets daarvan ooit waar zou kunnen zijn. Toch zat deze man tegenover hem die een afgezant leek van een niet-bestaande wereld, een wereld die zich bovendien van een alleszins redelijke kant liet zien. Hij keerde weer terug en zette de glazen op de tafel neer. Alberon nam zijn glas dankbaar aan en nipte er van. Daarna vervolgde hij:
- “Werra”s fout is dat hij dan wel menselijke trekken vertoont, maar de mens absoluut niet kent. Hoewel er weinig over zijn achtergrond bekend is, staat vast dat hij ergens in de bossen van de zuidhellingen van het Paktargebergte is opgegroeid, waar ook nog wat familieleden van hem wonen. We moeten maar niet te lang nadenken over de vraag hoe zo'n monster geconcipieerd kon worden, maar eveneens vast staat dat hij door wolven werd opgevoed. Gewone wolven misschien, of andere weerwolven. Dat hij zonder menselijke beïnvloeding een dergelijk streven naar macht kon ontwikkelen, zou – als het daadwerkelijk bij hem vandaan komt en niet door een derde factor is ingegeven – wetenschappers die zich in de mens verdiepen te denken moeten geven.”
- “Wat zou die derde factor kunnen zijn?,” vroeg Mayer.
- “Ik ben daar nog niet zeker van. Ik dicht Werra misschien te grote kwaliteiten toe. Ik vermoed dat er op de achtergrond een andere kracht werkzaam is, maar ik weet niet welke. Nóg niet. “
- “In welke richting zoekt u die kracht?,” vroeg Mayer.
Alberon keek hem aan. De ogen onder de borstelige wenkbrauwen waren verwachtingsvol op hem gericht. Onder zijn kortgeknipte donkerbruine haar had de priester een open gezicht met een vriendelijke uitdrukking.
- “Ik heb u pas een deel van het verhaal verteld. Ik zou u meer kunnen vertellen, veel meer. Maar ik denk dat ik u voor dit moment wel genoeg heb overvallen. Ik stel voor dat wij deze bespreking over een paar dagen voortzetten. Dan, als ik u een vollediger beeld heb geschilderd. kan ik u ook mijn vraag voorleggen, want u iets vragen uit naam van de bewoners daar...” - Alberon wees in de richting van de bergen – “... is het eigenlijke doel van mijn komst.”
- “U bent ... een elf?”
Alberon knikte en zette zijn hoed af.
- “Om u te dienen.”
Mayer zag de enigszins puntig toelopende oren die uit zijn grijze krullen opdoken en het enige zichtbare uiterlijke kenmerk van een elf waren.
- “Knap dat u dat uit mijn verhaal hebt kunnen opmaken?”
- “Dus u bestaat. Elfen bestaan. Hoe is het mogelijk?”
- “U gebruikt anders elfen in uw predikingen alsof ze bestaan.”
- “Ja, in overdrachtelijke zin. Als metafoor voor de goede mens. Ik wilde niet suggereren dat er echte elfen bestaan.”
- “Ze bestaan.”
- “Ja, blijkbaar.” Op Mayers gezicht stond de hele tijd een uitdrukking van verbazing.
- “Schokt dat u.?”
- “Ja. Begrijp me goed: ik schrik niet van u, maar wel van uw ... achtergrond. Het christelijke geloof bant magie uit. Dat standpunt lijkt verdedigbaar totdat je oog in oog met ... magie komt te staan. Als iemand zegt dat hij een spook heeft gezien, kan het geloof met enig succes volhouden dat hij zich dat heeft verbeeld. Dat wordt anders als het geloof zelf met een spook praat. Magie wordt realiteit en dat schokt wel enigszins.”
- “Ik kan mij dat voorstellen. Wij laten ons niet aan mensen zien en geven hen dus ook geen reden om ons bestaan te vermoeden. Wij verkiezen onze teruggetrokkenheid in de wouden en bergen en zijn het geloof alleen maar dankbaar dat het deze afzondering stimuleert. In feite is het handhaven van onze teruggetrokkenheid een van de redenen van mijn komst. Dat ik hier openlijk aan u verschijn is een uitzondering, een noodgeval.”
- “U noemde Fenrir.”
- “Ja. Ik noemde Fenrir, maar het is de vraag of het hier om Fenrir gaat. Waarschijnlijk niet en dat is een geruststelling.

Elfen zijn een oud volk. Gewone stervelingen hebben allerlei veronderstellingen gedaan over de herkomst van elfen. Maar de meesten houden het erop dat zij zijn voortgesproten uit een vonkje dat wegsprong bij het ontstaan van de aarde. Welke grote geest daarvoor ook verantwoordelijk is geweest, en ook daarover zijn veel veronderstellingen, het lijkt aannemelijk dat deze, die al die tijd onnoemelijke hoeveelheden zand, rotsen, water en lucht rondom een vurige kern kneedde om deze begaanbaar te maken, van één weerbarstig vonkje heeft gezegd dat dapperheid beloond moest worden, dat licht getemperd maar niet gedoofd, dat koude fris maar niet levenloos mocht zijn, dat warmte warm maar niet verzengend mocht zijn, dat in de ziel van mens en dier hoop moest kunnen leven, dat de rusteloze zoeker naar het goede zou worden bijgelicht, en daarom dat vonkje heeft laten voortdansen over de pas gemaakte aardkorst voordat hij een rotsblok in de laatste opening plaatste die de kern van de aarde voor eeuwig afsloot. Uit dat vonkje zijn de elfen ontstaan, waarvan je niet kunt zeggen dat ze geen materie zijn omdat de aarde ze immers voedt, zo min als je kunt zeggen dat ze niet geestelijk zijn. Want wie van een vonk zou durven beweren dat die niet geestelijk is, begrijpt de geest niet.
Sindsdien dansen de elfen voort over de aarde en getrouw aan de opdracht van hun maker zuiveren zij, lichten bij, helpen het goede en richten hun pijlen op het kwaad. Net als een vonk zijn ze wel of niet zichtbaar, naar zij zelf verkiezen, en kunnen ze vrijelijk bepalen welke vorm ze aannemen. En evenzeer volgens hun scheppende geest zijn zij tijdloos, want lucht en water zijn in de loop van de tijd veranderd, de rots is niet zo hard of de mens kan hem versplinteren, de aarde zelf is omwoeld op zoek naar bodemschatten, maar het vonkje is altijd hetzelfde gebleven.
Van oudsher hielpen de elfen mens en dier. Vroeger was tussen hen weinig verschil, maar naarmate de mens zich van het dier ging onderscheiden, werden de elfen meer de boodschappers tussen beide uiteendrijvende bewonersgroepen van de aarde. Zij beheersten alle talen, zowel de taal van de dieren die vooral intuïtief en daardoor universeel is, als de taal van de mensen. Toen de mens in de greep raakte van de ratio die alle onmeetbaarheid uitsluit, trokken de elfen, onmeetbaar als zij zijn, zich terug in de bergen en wouden om zich vooral bezig te houden met dieren en planten en bruisende bergbeken en zo. Daarmee verdween de boodschapper tussen mens en dier naar de achtergrond, juist op het moment waarop de behoefte aan hem groter was dan ooit. Misschien was de uitvinding van de chip wel een van de laatste elfse vingerwijzingen. Het moet immers typisch elfs zijn geweest om tegen de mensen, die worstelden met de kiem van deze ontdekking, te zeggen: probeer kiezel eens, probeer het meest voorkomende element dat de aarde bevat. Misschien hoopten ze de mens, door deze op het breukvlak van de nieuwe tijd naar de aarde zelf te verwijzen, nog eenmaal aan het heilige verbond met diezelfde aarde te herinneren. Misschien hebben de elfen zich toen verkeken op de gevolgen die daaruit bestonden dat de mens nog hoogmoediger werd en meer overtuigd van zijn eigen kunnen. Of misschien zien zij wel verder dan dat.
Tussen hun wouden en bergen en bruisende beken beoefenen de elfen de geneeskunde, die altijd een van hun belangrijkste bezigheden is geweest en waarin zij buitengewoon bedreven zijn. Of, zoals een elf eens zei, “wie de aarde eet, leert haar bronnen kennen”. Zij zijn de artsen van het dierenrijk. Kunnen zij daarbij toveren en de grens tussen kunde en magie overschrijden? Wat voor de een magie is, is voor een ander waarschijnlijk gewoon kunde, zoals het voor hen ook kunde is om plotseling op te duiken en weer te verdwijnen en op hetzelfde moment weer ergens anders tevoorschijn te komen, ver daar vandaan. Of om geluidloos en schijnbaar gewichtloos door het bos te dansen. Als een rij feestelijke vlammetjes, maar zonder dat het bos de vurige tol moet betalen die echte vlammen eisen, zingend met heldere stemmen, niet volgens een vaste compositie maar in een spontane en alsmaar veranderende harmonie waarbij vrouwenstemmen als een guirlande van klanken nog boven die van mannen door de toppen van de bomen zweven.
Het kan niet anders of een volk dat al zo lang kennis vergaart, is wijs. Wijsheid is nu eenmaal kennis in combinatie met het inzicht om die kennis toe te passen. Uit hun wijsheid spruit hun geneigdheid tot het goede voort. “Er is,” zeggen de elfen, “geen kwaad zonder goed. Zij ontlenen hun betekenis aan elkaar. En hoe meer er van het een is, des te waardevoller wordt het andere. Wie de hemel heeft zien maken en de worsteling kent tussen het alom aanwezige duister en die paar lichtpuntjes, begrijpt hoe kostbaar die zijn.” Maar daarmee zijn de elfen geen doetjes. Als zij het kwaad niet door overtuigingskracht kunnen bestrijden, zijn ze uitstekend in staat het goede te verdedigen.

Tot dit volk behoorde Alberon. Hij verscheen die avond aan Rufa door er eenvoudigweg te zijn, waarbij je nooit weet of hij een heel stuk had gelopen of dat hij zomaar uit de lucht was komen vallen en zich toen pas zichtbaar had gemaakt. En hij straalde een flauw wit licht uit, daar tussen de bomen in zijn lange witte elfenmantel met zijn grijze haar, niet verblindend, maar met de ingetogenheid van het goede en wijze dat hij belichaamde.
- “Blij je te zien, Rufa,” zei hij. De andere wolven kenden hem. Balo ging een stukje verderop zitten.
- “Alberon,” riep Rufa uit.
Hij nam plaats op de rand van hun hol. Daar wisselden ze wat beleefdheden uit. Maar Rufa wist dat Alberons komst een bijzondere reden moest hebben.
- “Wat brengt je hierheen?” vroeg Rufa.
- “Is Gurd er niet?,” vroeg Alberon.
- “Die zal zo wel komen. Hij heeft sporen van andere wolven gevonden en wil uitzoeken van wie die zijn,” zei Rufa. “Zo vaak gebeurt het niet dat hier andere wolven komen. We zitten in een uithoek.”
- “Dat is erg verstandig van hem.” Alberon knikte.
- “Daarom kom ik hier ook, Rufa,” vervolgde hij. “Ik maak me grote zorgen. Er is van alles gaande dat jullie hier niet zullen hebben opgemerkt. In andere delen van het bergland en vooral naar het oosten toe is grote beroering ontstaan, niet alleen onder de wolven, maar onder alle bewoners en ook onder dwergen en Kobolden. De oude twisten tussen deze volkeren zijn weer opgelaaid. De oorzaak is Werra.”
- “Wie?,” vroeg Rufa.
Alberon vertelde het verhaal van Werra.
- “Wat bezielt hem?,” vroeg Rufa zich hardop af toen Alberon klaar was en het grote gevaar had geschilderd dat hen allen bedreigde..
- “Dat is inderdaad de vraag, Rufa. Wat bezielt Werra, of – liever gezegd – wie bezielt Werra? Hij mobiliseert overal medestanders, tot ver buiten het Paktargebergte. Ik geloof niet dat hij dat allemaal in zijn eentje bekokstooft. Ik geloof ook niet dat zijn doeleinden zo nobel zijn als hij wil doen geloven: het behoud van leefgebied voor iedereen. Het lijkt veel meer om macht te gaan, al begrijp ik niet wat hij met die macht moet.“
Hij keek even peinzend voor zich uit.
- “Er zijn krachten aan het werk, Rufa, waarvan ik de aard en de omvang nog niet doorgrond. Zelfs Paktar, de berggeest, is in zijn slaap gestoord en weer opgestaan, maar ik geloof niet dat hij de figuur achter Werra ist. Ik geloof zelfs niet dat hij met Werra samenwerkt omdat Werra”s wolven juist achter hem aan lijken te zitten. Waarom ze dat doen weet ik nog niet. Al moet je Paktar niet onderschatten, maar degene die achter Werra zit is machtiger dan een uitgebluste berggeest. Kijk in de richting waar Werra vandaan komt en je zult zien dat zich een dreigende schaduw van donkere wolken heeft samengepakt die groter wordt naarmate de macht van Werra toeneemt. Wie de hemel kan beheersen moet een machtig tovenaar zijn.”
- “Paktar kan als berggeest toch het weer besturen?”
- “Dat kon hij vroeger. Toen hij nog sterk was, kon hij het in zijn gebergte laten donderen en bliksemen, stormen en regenen, hagelen en sneeuwen. Maar alleen in zijn gebergte en hij is nu veel minder krachtig.“
- “Weet je waarom Paktar is gewekt?”
- “Nog niet. Misschien heeft het gevoel dat een ander zijn plaats dreigt in te nemen hem gealarmeerd. Hij lijkt naar iets op zoek te zijn, maar ik weet nog niet wat.”
Hij dacht weer even na en keek toen Rufa aan.
- “Het probleem is ook dat we niet kunnen toezien en afwachten. Als hij zich sterk genoeg voelt – en dat moment lijkt niet ver weg – is hij van plan de mensen aan te vallen. De mensen zullen reageren, en geloof me, wij zijn volstrekt kansloos, wat Werra ook zegt. De reactie, die we maar al te goed kennen, zal eruit bestaan dat ze ons bergland binnentrekken en alles uitroeien wat ze tegenkomen, grijs of zwart. Hoe slim jullie ook zijn, zij zijn slimmer. Hoe goed jullie je ook verstoppen, hun speurhonden vinden jullie. Hun “dood op afstand”, zoals jullie hun geweren noemen, zal klinken. Ze maken geen onderscheid. Als we dus Werra z'n gang laten gaan is het gebeurd met ons leventje hier.”
Rufa keek Alberon aan.
- “Wat moeten we dan doen. Wat kunnen we doen?
- “We moeten proberen hem tegen te houden,” antwoordde Alberon, “en daarmee moeten we haast maken. Werra wordt steeds sterker en naarmate hij sterker wordt en zijn verhaal meer bijval vindt, lopen er meer naar hem over. Die vergroten niet alleen zijn kracht, maar zijn ook voor ons verloren.” Hij pauzeerde even.
- “Ik heb al met een paar partijen gesproken,” ging hij verder. “Ik ben bij de dwergen geweest. Ik heb wat vrienden geraadpleegd en gevraagd of ze ons willen helpen. Ik heb met een aantal wolvenleiders gepraat die op hun beurt weer anderen waarschuwen en voor ons winnen. De zaak is niet hopeloos – nog niet tenminste. Maar wat er ook gaat gebeuren: er is een belangrijke rol voor jullie wolven weggelegd. Jullie zijn het talrijkst en het slimst. Daarom heeft die magische kracht die zich van Werra bedient juist hem uitgekozen. Los van wat hij nog meer is, is Werra een wolf en daarom kon hij de zwarte wolven om zich heen verzamelen. Ze zijn lang niet allemaal zwart maar laten we ze gemakshalve zo noemen. Ze komen overal vandaan. Hij heeft ook een verbond met de Kobolden gesloten. Die zijn bang dat hun onderaardse bestaan gevaar loopt. Bovendien hebben ze nog een appeltje te schillen met hun oude vijanden de dwergen. Daarnaast heeft hij vriendschap gesloten met de valken en ik weet niet wie hij nog meer aan het ompraten is. Maar de zwarte wolven zijn de kern van zijn macht. Wie hem wil tegenhouden, moet daarom wolven meenemen. Ik zou niet weten wie dat anders zouden kunnen doen. Er zijn lang niet genoeg elfen en dwergen. Ik ken een stuk of vijf beren en een paar lynxen, maar die kunnen ook niets tegen al die wolven uitrichten.”
- “Mensen?,” vroeg Rufa en keek de elf vragend aan.
- “Dat is bij de duivel te biecht gaan, vind je niet,” antwoordde Alberon. “Maar het is een goede gedachte. Ik heb dezelfde gedachte gevolgd en me afgevraagd of er mensen zijn die ons zouden kunnen helpen. Ik ken er een paar en die heb ik benaderd. De meesten wonen hier in het gebergte, moeten niets hebben van andere mensen, en zijn bereid mee te doen. Maar het zijn er enkelen en het is de vraag wat je aan ze hebt als het tot een conflict komt en daar gaat het wel naar toe. Nee, wat we zo snel mogelijk moeten doen en ook gaan doen is een ting beleggen.”
- “Een ting?,” vroeg Rufa.
- “Een ting,” bevestigde Alberon. “Ik neem aan dat je weet wat dat is: een vergadering van alle wolven bij de tingboom. Alleen zou ik nu graag willen dat ook anderen daarbij aanwezig zijn, zoals bijvoorbeeld de dwergen.”
- “Is dat niet riskant – alle wolven bij elkaar? Als die nu eens allemaal het verkeerde besluiten?,” vroeg Rufa.
- “Daar heb je natuurlijk volkomen gelijk in. Maar bij een ting hebben we meteen al onze medestanders bij elkaar. Om over te lopen hoeft niemand op een ting te wachten. We kunnen wel proberen weifelaars en afvalligen naar onze zijde terug te halen. Zo slecht zijn onze argumenten niet. Misschien is Werra er zelf wel en kunnen we twijfel zaaien onder zijn aanhangers. Wat we daar in elk geval moeten doen is een nieuwe wolvenkoning kiezen.”
- “Een wolvenkoning?,” vroeg Rufa.
- “Ja, een wolvenkoning,” zei Alberon. “Er is er vroeger altijd een geweest. Die werd jaarlijks gekozen als alle wolven bij de tingboom samenkwamen. De wolvenkoning is het symbool van eenheid onder de wolven. Het was niet de grootste of sterkste, die werd verkozen, maar de wijste wolf. De wolvenkoning genoot hoog aanzien. Als symbool van zijn functie droeg hij het halssnoer dat aan Lupa heeft toebehoord en dat sindsdien in het bezit van de wolven is gebleven.”
- “Dat heb ik wel eens gehoord, ja.”
- “De laatste wolvenkoning is een aantal jaren geleden door een jager doodgeschoten. Daarbij is het halssnoer verloren gegaan. Nadien zijn er geen wolvenvergaderingen meer gehouden. Er werden geen nieuwe koningen meer gekozen omdat het symbool van zijn waardigheid zoek was. Ook waren de wolven inmiddels steeds meer verspreid geraakt, zodat samenkomen steeds lastiger werd.”
Rufa keek hem aan.
- “Dat halssnoer is echter nog niet zo lang geleden teruggevonden en in een museum terecht gekomen. Volgens de overlevering heeft het snoer magische krachten en is dat de redenen waarom het jullie redelijk goed is gegaan. Weliswaar zijn jullie in aantal teruggegaan en is jullie leefgebied kleiner geworden, maar lynxen en beren zijn in dezelfde periode praktisch uitgeroeid. Het had dus nog een stuk beroerder voor jullie kunnen zijn. Nu het snoer zoek is, duikt opeens Werra op. Misschien was dat niet gebeurd als het halssnoer nog in jullie bezit was geweest. Hoe dan ook, ik denk dat het snoer in elk geval van waarde kan zijn in de rol die het altijd heeft vervuld, namelijk als symbool van eenheid. En eenheid hebben we nu harder nodig dan ooit.”
- “Maar we hebben het snoer niet. Het ligt in een museum, zeg je,” zei Rufa.
- “Daar wordt aan gewerkt. Ik probeer iemand zover te krijgen dat hij het snoer uit het museum haalt en naar de tingboom brengt.”
- “Moet wij ook naar de tingboom?”
- “Ja, en vooral jij. Ik heb er lang over nagedacht en denk dat er voor jou een bijzondere rol is weggelegd.”
- “Jeetje,” zei Rufa, “kun je daar wat meer over zeggen?”
- “Nee.” Alberon schudde zijn hoofd. “Nog niet. Ik zou je daardoor alleen maar meer in gevaar brengen.”
- “Meer in gevaar?” Rufa keek hem verbaasd aan.
- “Ja, inderdaad. Je loopt namelijk gevaar, Rufa. Jullie lopen allemaal gevaar,” Alberon keek om zich heen waar Malin en Laerke en Balo zaten, “maar jij nog meer, vooral als ik uiteenzet waaraan ik denk. Ik heb proberen duidelijk te maken dat er niet alleen gewone krachten werkzaam zijn, krachten van het type “ik ben sterker dan jij”, maar ook magische en zolang ik die niet precies ken, kan ik niet zeggen of die soms in staat ons af te luisteren of aan te voelen wat onze plannen zijn. Misschien heb ik al te veel gezegd, maar zonder iets te zeggen gaat het gewoon niet ”

(...) - “Onder andere. Er is meer. Ik zal je daarover vertellen, zodra ik kan. Nu moet je zo snel mogelijk hier opbreken en op reis gaan. Ik zal tijdens de reis bij je in de buurt blijven en misschien meereizen. Houd er ook rekening mee dat er gevaren kunnen zijn. Laat je daardoor zo min mogelijk van het doel van je reis afbrengen en probeer zo snel als je kunt bij de Tingboom te zijn.”
Rufa keek hem en de andere wolven, die om hem heen waren gaan zitten, aan. Zelfs Balo was naderbij gehupt en had zijn woorden gehoord.
- “Het klinkt verontrustend, Alberon.”
- “De bedoeling van mijn woorden was om je voorzichtig te maken, niet bang.”
- “De eerste die aan Rufa komt is mijn,” krijste Balo.
Rufa glimlachte en vroeg zich toen af met wie ze op reis zou moeten.
- “Neem je hele roedel mee. Die heb je nodig,” zei Alberon, die de vraag voelde.
- “Gurd, Loeban en Lasja zijn er niet en Balo kan niet eens mee,” zei Rufa
- “Balo kan wel mee,” zei Alberon. Hij stak een hand naar de specht uit, die kalm bleef zitten, vouwde de gekwetste vleugel uit en streek er een paar maal over.
- “Zo,” zei Alberon, “jij kunt Rufa gewoon helpen. Gebruik onderweg je scherpe ogen goed, kijk uit naar zwarte wolven en pas op voor valken en buizerds. En haviken, natuurlijk, maar vooral valken, slechtvalken.”
De vogel schudde zich een paar maal, stak zijn gewonde vleugel uit en merkte dat hij dat zonder pijn kon doen. Hij vloog op en maakte een paar vreugderondjes door de donkere lucht tussen de bomen rond de open plek terwijl hij met overslaande stem uitriep dat hij – hahaha - weer kon vliegen. Toen streek hij naast Rufa neer.
- “Gurd komt eraan,” zei Alberon, waarop Malin en Laerke opstonden, verbaasd over het feit dat zij nog niets hadden gehoord terwijl de elf dat wel leek te hebben gedaan. Alberon wees de richting waar Gurd vandaan zou komen en de wolvinnen gingen daar naartoe, vergezeld van Balo die boven de bomen voor hen uit scheerde. Even later was hij terug.
- “Ze hebben een gewonde wolvin bij zich,” riep Balo, “een zwarte!”

Het was een geluk dat Alberon er nog was toen Sara en de andere wolven arriveerden. Zonder de elf zou het genezen van haar poot tijdrovend zijn. Dit toeval plaatste hun reis onder een gelukkig voorteken, al zouden er onderweg ongetwijfeld nog genoeg redenen komen om daaraan te twijfelen. Toen Rufa en de andere wolven met haar hadden kennisgemaakt en Gurd had verteld waarom hij Sara had meegenomen, ontfermde Alberon zich over haar gekwetste poot, terwijl Rufa aan Gurd vertelde wat de elf haar had gezegd. “Naar de tingboom?,” zei Gurd toen hij het reisdoel vernam, “dat is een eind. Minstens een maand ver. Wanneer moeten we daar zijn?”
- “De Ting is over ruim 3 weken,” zei Alberon. De poot van Sara rustte op zijn linkerhand terwijl de palm van zijn rechterhand er bovenop lag. De wolvin liet het vol vertrouwen gebeuren, alsof ze Alberon allang kende.
- “Hoe moet dat met Sara,” vroeg Loeban.
- “Sara kan morgen weer gewoon lopen,” zei Alberon. “Haar poot is niet gebroken maar behoorlijk gekneusd. Een andere vraag is of jullie haar mee moeten nemen.”
- “Waarom niet?,” vroeg Rufa.
Alberon aarzelde even, keek hen beide even aan en vervolgde toen:
- “Omdat Sara behoort tot de wolvengroep die tegen de wolvenkoning is.”
Er viel een stilte. Gurd, Loeban en Lasja hadden het motief van de reis nog niet gehoord, maar begrepen dat dit een ernstige mededeling was. Iedereen keek naar Sara die naast Alberon zat, haar zere poot opgeheven in de handen van de elf. Ze leek niet in het minst op een gevaarlijke tegenstander.
- “Ik geloof dat je even iets moet uitleggen, Alberon,” zei Rufa.
Alberon dacht na.
- “De reden dat jullie – en ik ook – naar de Tingboom moeten, heeft te maken met het feit dat er op dit moment twee groepen wolven tegenover elkaar staan: jullie, grijze wolven, en de zwarte wolven waartoe Sara behoort. We hopen de problemen die er zijn bij de Tingboom te kunnen uitpraten. Lukt dat, dan is er niet zoveel aan de hand. Lukt het niet, dan brengen jullie elkaar in problemen. Jullie doordat je met iemand van de tegenpartij aankomt. Sara, doordat ze door haar gemeenschap als een afvallige zal worden beschouwd. En ik denk dat Werra, de leider van haar gemeenschap, dat niet licht zal opnemen.”
- “Zei je zwarte wolven,” vroeg Gurd.
- “Ja, gitzwart van kop tot staart, net als Sara,” zei Alberon
- “Wij zijn vandaag achter een groep wolven aangegaan, die ons bespioneerd heeft. Wij hebben hun spoor gevolg. Ik vond onder meer zwarte haren en geen haren van andere kleuren. Het lijkt me dat die nooit allemaal alleen van Sara zijn geweest.”
Alberon keek hem nadenkend aan.
- “Ik denk ook niet dat de aanwezigheid van Sara hier toeval is. De zwarte wolven zijn dichterbij dan ik dacht. Jullie moeten onmiddellijk vertrekken,” zei Alberon. Zijn gezicht stond bezorgd.
- “En Sara dan?”
Alberon hield nog steeds haar poot vast. Het leek alsof hij via die poot haar gedachten probeerde te lezen. Rufa keek onderzoekend naar Sara. Er flitsten allerlei denkbeelden door haar hoofd. Waarom werden ze bespioneerd? Was het toeval dat Sara nu opdook? Alberon scheen haar kwetsuur ernstig te nemen, dus was het geen voorwendsel om een spion binnen hun roedel te krijgen. Haar intuïtie zij haar dat Sara weinig boosaardigs in de zin had en oprecht blij was in hun gezelschap te verkeren en niet in dat van haar vorige roedel. En zelfs als ze het verkeerd beoordeelde, dan was het nog onduidelijk wat Sara of haar groep daarmee aan zou kunnen. Op weg gaan was het enige dat Rufa en haar roedel zou doen en dat zou iedereen makkelijk uit hun sporen kunnen afleiden, evenals hun reisdoel. Er viel dus niets te spioneren.
- “Ik geloof niet dat er veel kwaads in haar zit,” zei Rufa. “Wat wil je zelf, Sara? Hier blijven of met ons mee?”
- “Ik wil graag bij jullie blijven als dat mag,” zei Sara, “de groep waarin ik zat was niet leuk. Geen enkele groep was leuk.”
- “Ben je je bewust van de risico”s die je daarmee neemt?”
- “Ja,” zei Sara.
- “Dan gaat ze mee,” besliste Rufa. “Gurd heeft haar niet gered om haar hier aan haar lot over te laten. We gaan nu slapen en vertrekken morgenvroeg. Wij praten onderweg wel, Sara.”

Zoltan en Vanda liepen van het dorpshuis naar de schuur van Nikolasz waar het oogstfeest nog in volle gang was, zoals ze duidelijk konden horen. Zoltan zou de kleine Maja ophalen en Vanda haar kleine dochter – of was het haar kleine zoon? Hun gang was niet helemaal vast meer, wat voor Vanda een reden was om te zeggen dat ze nog draaierig was van het dansen en voor Zoltan om zijn arm om haar heen te leggen. Het kan natuurlijk zijn dat ze toen hun evenwicht hebben verloren. Zoltan had ook gedanst en had dus dezelfde reden om draaierig te zijn als Vanda, zodat zijn arm meer draaierigheid dan stabiliteit aan hun tweeën zal hebben toegevoegd. Verder was de weg van het dorpshuis naar de schuur er een waarop het verliezen van evenwicht niet direct catastrofale gevolgen hoefde te hebben. De weg liep door de velden en was omzoomd met wat braamstruiken, een enkele boom en stukken hekwerk. Behalve dan dat kleine stukje, vlak voor het dorpshuis, waar de weg door het laatste perceel bos liep dat zich temidden van de akkers en weiden had weten staande te houden. En daar zouden ze dan hun evenwicht hebben verloren waardoor ze van de weg afrolden en in het bos terechtkwamen.
Het kan natuurlijk ook anders zijn gegaan, hoewel niet erg veel. Zoltan kan Vanda een kus hebben gegeven en Vanda kan zich daarvan niet afkerig hebben betoond. Het kan zijn dat in de arme Zoltan toen een vonk opgloeide die lange tijd gedoofd was geweest, zo goed als het kan zijn dat zich in de arme Vanda iets soortgelijks voltrok. En het kan zijn dat al die vonken in die vonkendorstig lichamen zich niet weer lieten beteugelen tot zich een andere gelegenheid tot oplaaien zou voordoen waarvan niet te voorspellen was wanneer dat zou zijn, en dat de arme Zoltan en Vanda besloten de weg ter hoogte van het bos te verlaten om hun vonken in het bos enige uitwisseling te gunnen.
Het zou allemaal kunnen en misschien vonden zij elkaar daar in dat bos tussen dorpshuis en schuur en wisselden hun vonken uit. Het zij hen gegund. Maar wie hen daar ook vonden, nauwelijks te onderscheiden van de donkerte van de nacht, waren een paar gitzwarte wolven.

De nacht was gevallen. Sasja lag in bed en luisterde. Hij was ergens wakker van geworden, maar waarvan? In de verte huilde een wolf. Ze waren beslist erg onrustig, onrustiger dan anders, maar toch kon dat niet het geluid zijn dat hem had gewekt. Toen hoorde hij het weer: een schrapen tegen de houten wanden van de keet. Wat zou het zijn? Een beer? Beren snuffelen graag rond tussen etenresten en ander afval. Maar hij hoorde ook andere vage geluiden die konden betekenen dat er meer dieren om de hut liepen: bijna onhoorbaar snuffelen, iets dat weggleed in de rotzooi rondom het huisje. Het nachtorkest uit de bergen, dacht Sasja. Opnieuw klonk schrapen, maar nu naast de deur. Juri, dacht Sasja. Hun gesprek was anders geweest, die avond, en Juri was opeens niet meer die afgewende en inzichzelfgekeerde houthakker maar een mens van vlees en bloed, bang, bijna een vriend. Sasja richtte zich op om te zien waar Juri was, maar het was te donker in de keet. “Juri?,” riep hij, maar kreeg geen antwoord. Hij liet zich van zijn brits afglijden en tastte naar de plek waar Juri moest liggen. Hij vond het opengeslagen, lege bed. Juri moest naar buiten zijn gegaan waar de wc was. Krabbelde hij soms aan de deur? In een flits schoot de gedachte door hem heen dat die vermenselijking, zo'n opwelling van zachtaardigheid waarvan Juri die avond blijk had gegeven, wel eens vaker de voorbode was van iets ernstigs, een instorting of zo. Zou Juri niet goed zijn geworden, naar buiten zijn gegaan en nu proberen zijn aandacht te trekken? Sasja keek door het venster. De maan scheen helder en dompelde het erf in een kil licht dat donkere langgerekte schaduwen opwierp van de bomen en van het toilethuisje waarvan de deur zachtjes heen-en-weer zwaaide in de wind. Alles was normaal, op een ding na. Midden op het erf, in dat kille licht van de maan, stond onmiskenbaar, majestueus, als de voorbode van iets ernstigs, van iets groots en onheilspellends, een grote inktzwarte wolf.

De tragische lotgevallen van Zoltan en Wanda, van Juri en van Sasja, die zijn Olga niet meer in zijn armen heeft mogen nemen, en van anderen die in hetzelfde tijdsvak plaatsvonden, hebben voor dit verhaal geen andere betekenis dan dat zij grote bekendheid kregen en een gevoel van angst onder de mensen wakkerschudden. De onschuld van Zoltan en Wanda, die zoveel recht hadden op een gelukig bestaan en op de drempel daarvan in plaats van elkaars leven de dood in elkaars armen vonden, werd breed uitgemeten. De dood van een paar hardwerkende bosbouwers sprak evenzeer tot de verbeelding van mensen die generaties lang van de bosbouw hadden geleefd. Zo steeg uit de beboste hellingen van het Paktargebergte een beklemming op die de bevolking in zijn greep nam. Lang was die beklemming er niet geweest. De “redeloosheid der dieren” was met wapengeweld uit de dalen teruggedreven. Sommigen meenden dat dat nu opnieuw moest gebeuren. Een enkele visionaire geest liet zich niet in dit gevoelen meeslepen en bedacht dat er sprake was van een gedragsverandering onder de wolven en dat daarvoor een oorzaak moest zijn.

Er was ook een oorzaak voor.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken