Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Het beleg van Heksenheuvel

Er is ooit een Grote Geest geweest die de aarde maakte door rondom een vurige kern een bal van zand, rotsen, water en lucht te kneden. Zo luidt een van de vele verklaringen voor het ontstaan van de aarde. De afdrukken van de handpalm zijn later volgelopen met water en vormden de zeeën, de richels die tussen de vingers zijn ontstaan zijn de bergruggen. Aan de vingers van de handen waarmee hij de aarde schiep droeg deze Geest allerlei ringen van goud en ijzer en ander metalen en versierd met edelstenen waarvan de sporen als aders in de korst zijn achtergebleven.
Natuurlijk was deze korst niet helemaal dicht. Alleen een slechte kneder zou hem hebben afgesloten. Er waren schoorstenen die dienden om de hitte van de gloeiende kern een uitweg te geven. Deze vormden de stoom die de wolken werden. Niet altijd even leuk, misschien, maar wel noodzakelijk. De Grote Geest kneedde toen de Dwerg, gaf hem een formaat waardoor hij krachtig genoeg was om het zware werk te verrichten dat de Geest hem wilde laten doen en toch in de smalle en lage gangen en spleten van de aardkorst uit de voeten kon. Toen droeg de Geest hem op ervoor te zorgen dat de schoorstenen openbleven. In ruil daarvoor mochten de Dwergen de schatten winnen die de Grote Geest in de aardbodem had achtergelaten.

De Dwergen moesten hard werken. Ze hakten de rots weg die rondom de kern stolde om de afvoerkanalen open te houden. Hoe harder de rots werd, des te harder werkten de Dwergen. Totdat de kern was afgekoeld en de schoorstenen, op een paar na, niet meer nodig waren. Zij bleven in de aardkorst over als een stelsel van gangen, grotten en spelonken. Toen de laatste rookslierten waren opgetrokken, zagen de Dwergen dat de wanden niet alleen uit steen bestonden. Er waren delen waar glanzende metaalachtige uitstortingen uit de wanden leken te zijn gekomen die op weg naar de vloer van de gangen waren gestold. En ze zagen glinsterende kristallen in de rotswanden, klein maar in staat zelfs het schaarse licht een felle en kleurige flonkering te geven. Zouden dat de schatten zijn die de Grote Geest bedoelde toen hij hen opdroeg de rookkanalen open te houden? Sommige Dwergen begonnen het metaal en de blinkende kristallen uit de rotsen te hakken. Ze hadden immers hun hele leven al gehakt. Anderen hadden aan de uitmonding van de schoorstenen licht gezien en wilden weten hoe de wereld buiten hun aardrijk er uitzag. En dus klommen ze naar boven. Daar aangekomen knepen ze hun ogen samen voor het felle zonlicht en keken verbaasd om zich heen. Weiden, bossen, bergtoppen, wezens net als zij maar dan langer, vaak zonder snorren en baarden. Grond die gewassen opleverde, hout dat gekapt moest worden om huizen te bouwen en haarden te stoken, kou die de allesdoordringende gedaante aannam van sneeuw en ijs. De aarde, die zij van binnenuit kenden, voedde en verwarmde hier op een andere manier. Maar de Dwergen waren niet geschikt om akkers te bebouwen en herten te jagen. Ze hadden zo lang onder de aarde gewoond en gewerkt, dat ze aan haar oppervlak niet konden wennen. Ze voelden zich thuis in de duisternis van grotten en spelonken en koesterden zich aan de warmte van de aarde zelf. En dus bleven zij daar, ongezien, behalve voor de mensen die hun producten afnamen: mineralen, ijzer, goud, edelstenen, alles wat de Grote Geest voor hen had achtergelaten. Producten die de mensen graag wilden ruilen voor zaken die de Dwergen onder de grond nodig hadden, en die zo waardevol waren dat de mensen, waarmee ze contact onderhielden, er niet over spraken uit angst hun bronnen prijs te geven.

De Dwergen delen de onderaarde met de Kobolden. Het Grote Boek van de Kobolden bevestigt grotendeels de lezing van de Dwergen omtrent het ontstaan van de aarde, maar met een verschil: de Grote Geest kneedde eerst de Kobold en pas toen de Dwerg. Waar hij de Dwerg toerustte met een grootte en lichaamsbouw die hem geschikt maakten voor zijn taak onder de aarde, voorzag hij de Kobold van geestkracht om de schatten van de onderaarde te exploiteren en van creativiteit en handvaardigheid om aan deze schatten meerwaarde te verlenen in de vorm van gesmede en geslepen producten en sieraden.
Met deze lezing lijkt de Koboldse versie van de Grote Geest het primaat bij de Kobolden te hebben gelegd en de Dwergen een dienende rol te hebben toebedeeld. Het vegen van schoorstenen kan niet goed als een ambacht worden uitgelegd dat zijn beoefenaren voorbereidt op een leidende rol. Daarmee heeft de Geest de onderaarde beërfd met een probleem. Terwijl in de lezing van de Dwergen de Kobolden niet eens worden genoemd, zou de Geest tegen de Kobolden hebben gezegd dat zij de baas over de Dwergen waren. Natuurlijk leidde dat tot spanningen in de onderaarde die af en toe tot uitbarsting kwamen, zoals ten tijde van de Dwergenkoning Krimm, onder wiens bestuur de Kobolden onder hun latere koning Gnomer zich definitief afscheidden. En natuurlijk leidde dat, zoals gebruikelijk bij afscheidingen, tot naijver en oud zeer, vooral als het beide volkeren niet goed gaat, zoals het geval was bij Dwergen en Kobolden. En dat kwam weer doordat de mens zich er - weliswaar niet rechtstreeks maar in de rol van afnemer en concurrent - mee bemoeide. Het is echter de vraag of deze spanningen niet even goed waren opgetreden als er geen lezingen waren geweest.

Diep onder de hellingen van het noordelijke gebergte lag de Koboldenstad Stratz. De stad was lang geleden gesticht door koning Gnomer die ook de grondlegger van de hoofdstad Koboldia was geweest. Toen Gnomer zag dat Koboldia te veraf lag van de woonplaatsen van de mensen om een gezonde economie op te bouwen, was hij op zoek gegaan naar nieuwe vestigingsplaatsen voor zijn Kobolden. Hij had deze vooral gezocht in de dalen waar de meeste mensen woonden, maar daar waren weinig grotten en spelonken die de Kobolden voor hun bestaan nodig hadden. Zij waren nu eenmaal van oudsher een volk dat onder de grond leefde. De Kobolden zelf zeiden overigens liever dat ze in de onderaarde woonden. Niemand leeft graag “onder de grond”.
Misschien had Gnomer moeten overwegen zijn volgelingen voor te houden dat er eigenlijk geen redenen meer waren voor een bestaan in de onderaarde. De mens, de enige afnemer van Dwergen en Kobolden, beschikte zelf over mijnen om ertsen en edelstenen te vinden, zodat de belangstelling voor deze onderaardse activiteiten van de Kobolden gering was. De Kobolden konden beter zelf in deze mijnen gaan werken. Ze waren er qua lichaamsbouw beter voor geschikt dan de mensen en kenden de onderaarde ook beter. Evenzo konden ze beter landbouwer worden dan 's nachts op het land gaan werken en maar afwachten welk karig loon de boeren voor hen zouden achterlaten, als ze al loon achterlieten.
En misschien dachten de meeste andere Kobolden er net zo over als Gnomer, maar sprak niemand daarover. Er zijn geen aanwijzingen dat het hun aan realiteitszin ontbrak. Dat Gnomer het denkbeeld, dat hem zo tegenstond, verwierp zal hem zijn ingegeven door zijn vrees dat als de Kobolden voor de mensen zouden gaan werken, zij zich ook aan de bovenaarde zouden gaan vestigen en dat dus het volk van de Kobolden feitelijk zou ophouden te bestaan. Ze zouden immers snel opgaan in de mensheid voor wie ze soortgenoten waren. Kleine wellicht en met een paar bijzondere eigenschappen, maar toch soortgenoten. Na een paar generaties zou het gedaan zijn met alle verschillen en bijzonderheden en zouden er geen Kobolden meer zijn en nauwelijks nog Koboldse trekjes in de nazaten. Als leider van de afscheiding van de Dwergen had Gnomer zijn volk opgeroepen om een nieuw bestaan op te bouwen. “Dit lijkt een nederlaag, maar dit is de dageraad van een nieuwe, grootse toekomst,” had hij met het bij een dergelijke gelegenheid passende pathos gezegd en de Kobolden hadden hem toegejuicht in de grote spelonk die later Koboldia zou omvatten. Hij zal hebben gemeend dat hij niet èn de dageraad èn de ondergang van zijn volk in zich kon verenigen.
Dat niemand er over sprak is begrijpelijk. Kobolden zijn eigenlijk een grote familie met hechte onderlinge banden. Men was zich bewust van familiebetrekkingen tot in de zoveelste graad, het liefst helemaal terugvoerend tot de aartsvaderen der Kobolden, en men was ook bereid de daarmee samenhangende verplichtingen over en weer te honoreren. Verjaardagsfeesten bijvoorbeeld hadden daarom al gauw de omvang en het karakter van een volksfeest. Er werd ruimhartig uitgenodigd. Het was nu eenmaal volstrekt onoirbaar om een familielid over het hoofd te zien, maar er was geen enkele bezwaar om niet-familie te laten meedelen en een familiale status te geven. Die werd bezegeld met een paar kroezen bier dat door de Kobolden zelf uit allerlei geheime kruiden, hop en gerst werd gebrouwen en dat al hun feesten een buitengewoon plezierig karakter gaf. Sommigen beweerden dat dit bijzondere bier de echte reden voor het instandhouden van hun ingewikkelde netwerk van familierelaties was, omdat dat netwerk ervoor zorgde dat er steeds iets te vieren viel waarbij het bier kon worden genuttigd.
Bij zoveel onderlinge gehechtheid moest een toekomst van verstrooiing en opgaan in een ander volk wel een schrikbeeld zijn. Toch zal Gnomer door naar locaties dichter bij de mensen te zoeken hebben gehoopt zowel de toekomst van zijn volk als het samenhoud veilig te stellen. Handel en omgang met de mensen konden op den duur best de vorm van een dienstverband aannemen waardoor de leefomstandigheden werden zekergesteld, terwijl een onderaardse vestiging de familiezin en de onderlinge gehechtheid bewaarde, waardoor het volkseigene behouden bleef.
Een andere reden die Gnomer kan hebben gehad om niet te doen wat achteraf het verstandigste lijkt, was macht. Natuurlijk verschafte hem dat aanzien en waarschijnlijk zetten meer steden zijn leiderschap meer luister bij. Maar een belangrijkere reden zal zijn geweest dat macht ook het zinnebeeld van de pas verworven eenheid van zijn volk was en dat hij die eenheid nodig had om een andere wens te vervullen: wraak op de Dwergen. Gnomer droomde van de dag waarop zijn volk groter en sterker dan dat van de Dwergen zou zijn en zich zou kunnen revancheren voor hun smadelijke aftocht uit Cyrillum, de hoofdstad van de Dwergen. Tot het zover was moesten hij en zijn opvolgers, die deze opvatting hadden geërfd, zich beperken tot kleine hinderlijke acties tegen hun vijanden.
Het kwam Gnomer daarom goed uit dat hij aan de rand van de noordelijke hellingen een grottenstelsel vond dat geschikt was voor de vestiging van een nederzetting en dat dichter bij menselijke bewoning lag. Zowel boven- als ondergronds was de plek vanuit Koboldia goed te bereiken (al moest je bovengronds wel een rivier oversteken) en voldeed hij aan een andere voorwaarde, de beschikbaarheid van aardwater waaraan de Kobolden net als Dwergen hun lange levensduur dankten. Zo werd Stratz gesticht. Maar na een korte opleving deelde Stratz het lot van de andere Kobolden-vestigingen die ook te maken hadden met de geleidelijke teruggang van het aantal Kobolden. De groei stagneerde en Stratz werd niet groter dan een ondergronds dorp.
Aan die situatie veranderde niet veel totdat Helmann, de laatste opvolger van Gnomer, inzag dat een figuur als Werra kansen bood voor een opleving van de Kobolden. De macht van Werra's wolven zou makkelijk een einde aan de onderaardse heerschappij van de Dwergen kunnen maken. Dat zou de leefomstandigheden van de Kobolden verbeteren – daarop was Helmanns hoop gevestigd. Wat de Dwergen aan arbeid en handel verrichtten, zou simpel door de Kobolden worden overgenomen. Ook zij konden ertsen en edelstenen delven en verkopen. En waren de Kobolden niet van oudsher de vaklui die de edelstenen sliepen en sieraden ontwierpen en vervaardigden? De vraag naar dit vakmanschap was hun door toedoen van de Dwergen ontnomen, maar oudere Kobolden beheersten het nog steeds.
Om Werra voor zich te winnen was echter meer nodig. Helmann zou zijn oorlogszuchtige bondgenoot moeten laten zien dat de Kobolden strijdbaar en strijdvaardig waren en betrouwbaar. Daarom vormde hij een leger van werkloze Kobolden, waarvan er immers genoeg waren, zorgde voor militaire training en intensiveerde de acties tegen de Dwergen. Toen Werra hem vroeg om langs de noordelijke hellingen van het gebergte te patrouilleren en grijze wolven tegen te houden, was dat de erkenning die Helmann met zijn strijdmacht had beoogd. In het conflict dat zich aftekende werkten grijze wolven samen met de Dwergen en dat betekende dat ook acties tegen de Dwergen bondgenootschappelijk waren. Aan de noordzijde van de bergen had Helmann een vestiging, Stratz, die als uitvalsbasis voor zijn activiteiten ging dienen.

“Dit is de tempel van Stratz,” zei Gerbrand tegen Stole die naast hem stond en hij wees op een zijruimte van de grote grot waarin de onderaardse stad gevestigd. De ingang van de tempel werd gemarkeerd door twee gecanneleerde zuilen die in de kalk van de grotwanden waren uitgespaard. Daarboven was de wand uitgehakt als een vooruitspringende timpaan die op de zuilen leek te rusten. Van de buitenkant zag de entree er daardoor uit als het front van een tempel. Het was een van de ideeën van de oude Gnomer geweest om een geloof met de bijbehorende eredienst te introduceren als versterking van de identiteit en de samenhang van de Kobolden. Maar welk geloof? Die vraag had Gnomer ook niet kunnen beantwoorden en daarom was het bij een enkel gebouw gebleven. Niettemin waren de Kobolden van Stratz trots op hun tempel, waarvan er maar een was in het hele rijk. Helman had er het hoofdkwartier van zijn leger in gehuisvest.
Stole kwam uit Koboldia en liep met Gerbrand door Stratz. Beiden waren soldaat. Dat kon je zien aan hun mosgroene kleding. Ze droegen een wambuis van gewatteerde katoen met om hun middel een leren riem en daaronder een nauwsluitende kniebroek met kousen. Hun hoofd was getooid met een achterovervallend vilten jachthoedje met veren. Het aantal veren gaf hun rang aan. Als ze in actie moesten komen trokken ze over hun wambuis een vest van dik rundleer aan dat hun bovenlichaam meer bescherming bood. Al deze kledingstukken waren in werkplaatsen van de Kobolden gemaakt.
Helman noemde ze zijn jagers. Het was hun taak de hellingen te verkennen en met hun bogen te verdedigen. Ze moesten snel en wendbaar zijn en een eventuele vijand kunnen najagen totdat deze was verdreven en daarom hadden ze een lichte uitrusting. Helman had ook soldaten die met bijlen en knotsen waren bewapend en een helm en een maliënkolder droegen. Dit waren zijn legionairs. Ze waren bestemd voor de strijd in de ondergrondse gangen, waar lansen en pieken en zelfs bogen onpraktsich waren.
Dat ze spoedig in actie zouden komen, stond vast. Helman had zijn leger op een drietal plaatsen verzameld en zijn soldaten opdracht gegeven zich paraat te houden.
- “Wat denk jij dat er gaat gebeuren?,” had Stole aan Gerbrand gevraagd.
- “Ik denk dat we eindelijk op de Dwergen af gaan,” antwoordde Gerbrand. “Dat wordt een keer tijd. Daarom ben ik in het leger gegaan.”
De ander had niets gezegd en ze waren de tempel binnengegaan. Het was er vol met andere soldaten die hier hun opdrachten kregen. Een commandant gaf Gerbrand de marsorder voor zijn eenheid van vijf Kobolden door.
- “Patrouilleren,” zei hij kortaf en wees op een kaart de zone tussen de rivier en de bergtoppen aan. “Patrouilleren en alles uitschakelen wat voorbij deze lijn wil.”
Zijn vinger trok een streep over de kaart van de toppen van de bergen tot aan de rivier.
- “Vooral uitkijken naar grijze wolven. Begrepen? Mars!”
Ze verlieten de hoofdgrot waarin Stratz was gevestigd. De grot was kleiner dan die waarin Koboldia was gevestigd, vond Stole. Het was maar goed dat de plannen van Gnomer niet waren uitgekomen want voor een flinke stad was hier geen plaats geweest, zelfs niet als alle zijgrotten en spelonken waren gebruikt. Nu had elke inwoner een onderkomen kunnen vinden in de woningen die in de galerijen van de hoofdgrot waren uitgehakt. Alleen de soldaten waren in een andere grot ondergebracht. Daar stonden lange rijen met honderden bedden. Langs de wanden stonden kasten en rekken voor hun wapens. Elke jager droeg een lange boog met op de rug een pijlenkoker en aan de riem een hartsvanger, evenals de pijlpunten afkomstig uit Koboldse smederijen. Gerbrand verzamelde zijn eenheid en droeg ze op hun leren borstrokken aan te trekken en hun wapens te pakken. Daarna gingen ze op weg.
Het was een opdracht die ze in de afgelopen weken vaker hadden uitgevoerd en die al bijna routine was geworden. Ze zouden na drie dagen weer terug zijn. Ze liepen door de gangen van het grottenstelsel naar de uitgang die bovengronds uitkwam. Hun ogen moesten wennen aan het zonlicht dat veel feller was dan het licht van de toortsen in de grotten. De bergen torenden hoog boven hen uit. Ze groetten de soldaten die bij de uitgang op wacht stonden en gingen op weg naar het begin van de lijn die hun commandant hun had aangegeven. “Makkelijk. Een commandant trekt even een streep op de kaart en zij konden drie dagen gaan klimmen en dalen. Als er tenminste niets gebeurde,” dacht Gerbrand. Ze liepen achter elkaar met een flinke tussenruimte en zeiden niets terwijl ze scherp om zich heen keken. Kobolden kunnen zich onhoorbaar verplaatsen en dat deden deze ook. Alleen het gras en de struiken waar ze doorheen liepen ruisten. Verderop in het bos klonk soms het gekraak van een takje of het geluid van een wegrollende dennenappel of steentje maar hun gang was overwegend geluidloos. Daardoor kwam het dat wild vaak pas op het laatste moment door hun komst werd opgeschrikt. Een konijn, dat zich aan een pluk bosgras te goed deed, vluchtte op het laatste moment weg. De Kobolden reageerden bliksem snel, pakten hun bogen, legden een pijl op de pees en schoten. Vijf pijlen vlogen achter het konijn aan dat door een daarvan werd getroffen en dood neerviel. “Goed,” zei Gerbrand. Hun handelingssnelheid en trefzekerheid waren uitstekend. “Neem het konijn maar mee voor het avondeten.” Ze trokken verder. “Ik hoop dat ze dat ook doen als ze een Dwerg of grijze wolf vinden, “dacht hij, “dan kan ik een extra veer in mijn hoed steken.” Als leider had hij er al een meer dan de rest van zijn groep, maar met twee veren meer zou hij in aanmerking voor een grotere groep komen.

Wij zijn de Westdwergen
hier komen we aan

De stemmen klonken door het bos als een koor van tenoren met hier en daar een bas. Ze behoorden toe aan een compagnie van zo'n tweeëndertig Dwergen die oostwaarts marcheerden. Het waren soldaten. Ze droegen een maliënkolder met daaronder een donkere tuniek en een korte broek die een deel van hun benen vrijliet. Aan hun voeten droegen ze stevige sandalen die met leren riemen om hun kuiten waren vastgemaakt. De meesten hadden een ronde, spits toelopende helm op het hoofd die ook de slapen bedekte en waren bewapend met het favoriete wapen van de Dwergen, de puntige knots. Aan hun riem hadden ze een kleine bijl. De meesten droegen over hun schouders een korte boog met een pijlenkoker.

... We lopen door bergen
en as't mot naar de maan.
We houden van bier en
van onze vrouwen.
En als je komt klieren
zal dat je berouwen!

Ze liepen in een losvaste formatie over een bospad. Stof op hun kleding en wapenrusting gaf aan dat ze al een lange tocht achter de rug hadden. Niet alleen hun gezang, maar ook hun houding wekte de indruk dat ze zich zelfverzekerd en op hun gemak voelden. Misschien waren het veteranen. Alleen de boogschutters vooraan en achteraan de groep keken voortdurend waakzaam om zich heen. Vooraan en naast de kolonne liep de commandant, Saul, die herkenbaar was aan een goudkleurig insigne op zijn helm. Af en toe stapte hij opzij om de kolonne in zijn geheel aan zich voorbij te laten trekken, om daarna weer snel naar het hoofd ervan te lopen. Ook hij zong mee en glimlachte instemmend als een van zijn soldaten een nieuw couplet inzette.

Hier zijn wij, Westdwergen.
Zie ons hier staan.
Strijdbaar onze houding,
fier onze vaan.
Kom op als jullie durven!
Steek één vinger uit!
We knotsen je lurven
en kerven je snuit.

De laatste regels vonden veel onthaal bij de marcherende soldaten en werden met nog meer animo meegezongen.

Daar gaan wij, Westdwergen.
De klus is geklaard.
De vijand verslagen,
de vree terug op aard'.
Wij trekken ten strijde
om, vrij, onvervaard,
de aard' te bevrijden
van Werra z'n kwaad.

Sommigen zongen “van Werra z'n baard”. Daarna volgde meestal een frivole versie van het laatste couplet die eindigde met de regels:

... Wij kussen de meiden
om hen, onvervaard
geheel te ontwijden
naar soldatenaard.

gevolgd door een gelach dat tussen de bomen schalde. Het marslied kende ongetwijfeld nog meer coupletten.
Zo zingend waren ze onder de Drakentand doorgetrokken, die ze een dag eerder waren gepasseerd, en oostwaarts verder gegaan langs de beboste noordelijke hellingen van het bergland. Sauls compagnie was afkomstig van een van de westelijke Dwergenvestigingen aan de overzijde van de Endor. Ze waren door de oostDwergen van Twell te hulp geroepen om Umar bij te staan in zijn strijd tegen de wolven van Werra, die op Umars grot uit was. De Westdwergen waren al een paar dagen op pad. Omdat hun gangenstelsel over zulke grote afstanden geen ondergrondse verbinding mogelijk maakte, hadden ze het grootste deel bovengronds afgelegd. 's Nachts waren ze – onopgemerkt, naar ze dachten, door de mensen die in de dalen wonen - de Endor overgestoken met vlotten die ze van boomstammen hadden gemaakt en, eenmaal aan de overkant, waren ze weer zingend verdergegaan.
Rond het middaguur gaf Saul het teken om halt te houden. Hij riep zijn ondercommandant Linus bij zich en samen bekeken ze de kaart. Sauls vinger wees Stratz aan.
- “We komen in Koboldengebied. We moeten op onze hoede zijn,” zei hij.
Linus knikte.
- “Denk je dat ze gaan proberen ons te onderscheppen?,” vroeg deze.
- “Ja, daar moeten we rekening mee houden en dat moeten we ook zien te vermijden. We gaan wat hoger tegen de hellingen op om in een zo groot mogelijke boog om Stratz heen te trekken en de kans op een ontmoeting klein te maken.” Sauls vinger beschreef een wijde bocht om Stratz. “We moeten ook een paar voorzorgsmaatregelen nemen.”
Saul wendde zich tot de groep die het zich verspreid langs het pad gemakkelijk had gemaakt. Hij praatte met gedempte stem.
- “Wij zijn niet ver van de Kobolden,” zei Saul. “Van hier af aan moet we voorzichtig zijn. Dus niet meer zingen. We verlaten dit pad dat het dal ingaat. Daar willen we nu juist niet zijn. Verderop ligt een ondergrondse Koboldenstad. We gaan dus een stukje bergop om de kans op een treffen zo klein mogelijk te maken.”
- “We hoeven toch nergens bang voor te zijn?,” vroeg een van de soldaten. Hij maakte met zijn van stalen punten voorziene knots een veelzeggend gebaar.
- “We zijn hier niet om met Kobolden te vechten,” zei Saul, “maar om zo snel mogelijk bij Umar te zijn en dat is een heel stuk verder. We moeten elk oponthoud voorkomen en daarom de Kobolden proberen te ontlopen.”
De soldaten knikten.
- “Dus zo min mogelijk geluid maken en niet meer praten en zingen,” vervolgde Saul, “dat trekt de aandacht. Wees op je hoede. Jullie weten, maar ik zeg het nogmaals, dat Kobolden ons het liefst vanuit een hinderlaag verrassen. Daarom gaan er ook een paar verkenners voor ons uit. Houdt de flanken en de achterhoede goed gedekt. Let ook scherp op de bomen en op de takken. Blijf dicht bij elkaar en loop twee-aan-twee met tussenruimten van ongeveer twee man tussen de rijen in. Zorg dat in elke rij tenminste een boogschutter zit.”
De soldaten knikten weer. Linus trad nu naar voren.
- “Nog een paar aanwijzingen, ook al kennen jullie die al lang. Loop in een rij niet te dicht naast elkaar en val bij onraad allebei de tegenovergestelde kant uit, zeker zolang we nog niet weten waar het gevaar vandaan komt, zodat iedereen rugdekking heeft. Naderen we een kloof of terrein met gesloten struikgewas en bosjes, houd dan je boog klaar met een pijl op de pees.” Linus keek om zich heen of alle soldaten naar hem luisterden.
- “Kobolden hebben grotere bogen dan wij en schieten dus over een grotere afstand. Om ze van ons af te houden moeten we uit onze dekking komen en ze aanvallen. Wacht op een teken van mij of van Saul en ga in geen geval zelf in de aanval, ook niet als je denkt dat het er maar een paar zijn. Dat een kan een valstrik zijn.” Hij keek nogmaals de rij langs.
- “Druif en Gannef, naar voren en neem toeters mee,” zei Linus terwijl hij ze met een armgebaar de berg opstuurde. De aangesprokenen sprongen overeind. Ze kregen elk een gekromde hoorn van metaal aangereikt. Linus gaf ze nog een paar instructies en daarna gingen ze op weg in de aangegeven richting. De rest kwam ook overeind.
Ze liepen op een afstand van een paar honderd meter achter de verkenners aan. De vrolijkheid van zonet op hun gezicht had plaatsgemaakt voor spanning. Elke soldaat liep op z'n tenen en probeerde het kleinste geluid te vermijden. Saul wist dat het een tijdelijk effect was en dat ze na een poosje weer net zo zouden marcheren als eerder die dag. Hij ging naast Linus lopen.
- “Wie zijn die twee, die je vooruit hebt gestuurd?,” vroeg hij met gedempte stem. Linus had de groep getraind en kende de mannen beter.
- “Gannef was een ouwe boef voordat 'ie bij ons kwam. Brak wel eens in en lichtte links en rechts wat op. Daarom noemen we 'm zo. Heeft een goed stel ogen en een hoop lef.”
Saul knikte.
- “Druif heet zo omdat 'ie in het begin alles verkeerd deed. Later haalde hij dat ruimschoots in, maar toen had 'ie z'n bijnaam al. Heeft ook een boel lef en een paar goeie ogen.”

De eerste pijl die in dit conflict – als je het zo mocht noemen – werd afgeschoten, kwam van de boog van de Kobold Stole, beschreef een kromming die onder het bladerdak van een stel beukenbomen door en langs een wirwar van takken en stammen voerde en trof de Dwerg Druif in de schouder, bij de hals waar hij dankzij diens maliënkolder de Dwerg niet al te zwaar verwondde, voordat hij achter hem op de grond belandde. Het was, de flinke afstand in aanmerking genomen, een meesterschot van Stole die, terwijl hij stilstond om tegen een boom te wateren en daardoor bij de rest van zijn groep achterop was geraakt, opeens een beweging waarnam in het bosje waarop hij gedachtenloos zijn blik had gevestigd en toen een Dwergenhelm tussen wat bladeren zag opduiken. Stole pakte daarop zijn boog, legde een pijl op en schoot. Het is de vraag of hij er niet beter aan had gedaan om zijn medesoldaten te waarschuwen. Nu slaakte Druif een ingehouden kreet, dook weg en voelde aan zijn schouder. De punt van de pijl had een paar maliën en het daaronder liggende vlees doorsneden, maar was niet blijven steken. Druif verbeet de schrik en de pijn aan zijn schouder en zette zijn hoorn aan zijn mond. Daarop bedacht hij dat hij beter geen lawaai kon maken maar onder dekking van het bosje waaruit hij zo juist tevoorschijn was gekomen terug gaan naar de compagnie en die waarschuwen. Hij keek naar Gannef, hogerop de helling en zag hem niet meer. Die had waarschijnlijk zijn kreet gehoord en was ook ergens achter weggedoken. Daarna keek Druif in de richting waaruit de pijl was gekomen. Hij meende een kleine, groene gestalte gebukt tussen de stammen en struiken door bergopwaarts te zien rennen. Waarschijnlijk was dat de schutter of het was de valstrik waarvoor Linus ze had gewaarschuwd. Druif rende terug.
Hij vond zijn compagnie een paar honderd meter verderop. Saul zag zijn bebloede verkenner aan komen wankelen, liet de kolonne met een armbeweging in dekking gaan en hoorde zijn relaas aan. Linus verzorgde de wond van Druif. Saul gaf met gedempte stem zijn mannen opdracht een lange linie te vormen en door het struikgewas op te rukken. Ze hingen hun knotsen over hun schouders, hielden hun bogen met een pijl op de pees gereed en liepen behoedzaam verder.
Gerbrand was gewaarschuwd door Stole, die hem buiten adem had ingehaald, en was daarop met zijn groep teruggekeerd naar de plek waar de Kobold de Dwerg had gezien. Nu kon hij de Dwergen in tirailleurslinie op zich af zien komen. Hij begreep dat zijn groep te klein was om het tegen hen op te nemen. Hij telde het aantal Dwergen en stuurde vervolgens een van zijn Kobolden terug naar Stratz. “Vertel ze dat het er minstens vijfendertig zijn en dat ze waarschijnlijk naar het oosten gaan. Wij houden ze in de gaten.” De Kobold rende de helling af, ongetwijfeld blij uit de buurt van de Dwergen te zijn. Gerbrand zelf trok zich snel met zijn Kobolden terug in de richting van het dal, met de bedoeling de Dwergen te laten passeren om ze daarna des te beter te kunnen volgen.
Saul was met zijn compagnie de eerste hindernis zonder al te veel kleerscheuren voorbij gekomen, maar kon vermoeden wat hem nog te wachten stond. Gannef had hem verteld dat het een groep van vijf Kobolden was geweest waarvan er een was weggerend, waarschijnlijk om hulp te halen. Nu hij toch was ontdekt bestond zijn beste kans eruit dat hij probeerde het gebied zo snel mogelijk te doorkruisen. Hij hoefde dus niet meer om Stratz heen te trekken en kon rechtdoor naar het oosten marcheren.

De volgende pijl was die van de Kobold Sturz die met zijn eenheid in hinderlaag lag tegen de helling van een van de bergen, haaks op de marsrichting van Saul. De soldaat Sturz maakte deel uit van een groep van vijftig Kobolden die hals over kop uit Stratz naar deze plek was gedirigeerd. Later hadden zij nog versterking van kleinere groepen gekregen die in de buurt opereerden, waaronder die van Gerbrand. Hun positie besloeg een deel van een bosgebied waar de grond wat vlakker was. Aan de bergzijde ging de helling steil omhoog. De dalkant werd gevormd door een diep ravijn. De begroeiing bestond vooral uit loofbomen met een ondergroei van bosjes en struikgewas. Het terrein was opener en bood minder beschutting dan de compacte naaldbossen met hun vervlochten takken en hun varens die de hellingen tot daar toe bedekten. Aan de rand van dit gebied, onder de naaldbossen die hier weer begonnen, hadden de Kobolden zich genesteld en het leek Sturz toe dat je wel een blind paard moest zijn om, komende uit de richting van Saul, hier niet meteen een hinderlaag te vermoeden.
Maar Sturz wist niets van de haast van Saul en dat was ook zijn taak niet. Sauls verkenners waren teruggekomen en hadden Saul inderdaad bericht dat er een gebied aankwam dat ideaal leek voor een hinderlaag. En dat niet alleen: ze hadden ook een paar Kobolden gezien. “Hoeveel zitten er daar?,” vroeg Saul, maar de verkenners wisten dat niet. “Een boel,” dacht de een, maar de ander had er maar een enkele gezien. Tijd om de situatie goed onderzoeken was er niet. “Kunnen we er omheen?,” vroeg Saul maar de verkenners dachten van niet omdat aan de ene kant de helling steil omhoog rees en aan de andere kant een kloof was. Daar zouden ze dan ook omheen moeten en hoeveel tijd dat zou kosten konden ze niet zeggen. Saul bekeek de ligging. Op het terrein voor de rij bosjes stonden een paar bomen die dekking konden bieden. “Toch maar er doorheen,” zei Saul. Er bestond een kans dat er weinig weerstand zou zijn, meer bedoeld om hem te vertragen dan om hem tegen te houden. Hij liep terug naar zijn mannen en schilderde de situatie. “Loop van boom naar boom en sprint dan naar de bosjes. Eerst de bogen, daarna de knots.” Hij betreurde dat ze geen schilden hadden meegenomen om zich tegen de pijlen van de Kobolden te beschermen. “Die heb je tegen wolven niet nodig en daar heb je onderweg alleen maar last van,” had zijn commandant gezegd en Saul had hem toen geen ongelijk kunnen geven.
De Dwergen pakten hun bogen en liepen over een breed front op de bosjes af. Toen schoot Sturz. Zijn commandant had net gezegd dat ze op zijn teken moesten wachten, of Sturz liet de pees per ongeluk los en de pijl schoot weg. Hij kwam voor de Dwergen op de grond terecht en waarschuwde ze voor de aanwezigheid van de Kobolden. De Dwergen wisten al dat die er zaten, zodat het effect gering was, maar ze konden nu aardig taxeren wanneer ze binnen schootsafstand waren. Ze sprongen van boom tot boom en naderden de Kobolden steeds dichter, bijna dicht genoeg om hen zelf met pijlen te bestoken. Toen gaf de Kobolden-commandant het lang verwachte teken en stormde een brede waaier van pijlen uit de bosjes met een boog op de Dwergen af. Ze doken achter hun dekking weg, maar dat voorkwam niet dat sommigen werden geraakt. Een boom geeft beschutting bij horizontale pijlen, maar niet bij pijlen die uit de lucht komen vallen.
Saul schrok toen hij het aantal pijlen zag: er waren veel meer Kobolden dan hij had verwacht. Dat zo'n op het oog vreedzame en stille rij bosjes zo veel kwaadaardigheid kon uitbraken. Van boom tot boom springend rende hij naar Linus die voorin met een paar Dwergen achter een dunne beuk lag. Een tweede waaier beschreef een boog en kwam als een zoevende stortbui van pijlen op hen af. Er werden weer een paar Dwergen geraakt. “Na het volgende salvo, zodra je de pijlen ziet, als één man overeind en er op af,” zei Saul. Linus knikte, verwisselde de boog voor de knots met de moordadige punten en gaf een teken aan de mannen om zich heen die hetzelfde deden. Hij keek gespannen naar de bosjes en schoot overeind op het moment dat hij daaruit een nieuwe pijlenwaaier zag oprijzen om op hen neer te dalen. Hij spurtte op de bosjes af waar de Kobolden bezig waren een nieuwe pijl op hun bogen te leggen. “Knotsen,” brulde hij. Achter alle bomen kwamen nu Dwergen tevoorschijn die “knotsen” brullend als een strijdkreet op de bosjes afstormden.
Hoe goed de Kobolden ook waren getraind in het snel en doelgericht afschieten van hun pijlen, nu – met een vijand die op hen afstormde en het op hun leven had gemunt – waren ze te gespannen om nog een behoorlijk salvo af te geven. Dat was een geluk voor de Dwergen die zonder dekking nog een flinke afstand moesten overbruggen. Er vlogen nog wel wat pijlen hun kant uit en sommige daarvan troffen ook doel, maar de meeste Kobolden hingen hun bogen om en pakten hun hartsvangers om zich voor te bereiden op een gevecht van man tegen man. Ze zagen de bosjes uiteenbuigen en de Dwergen met hun knotsen brullend op zich afkomen. Sommige Kobolden, zoals de nerveuze Sturz, zetten het op een lopen, maar de meesten bleven staan door het gebulder van hun commandant die ze toeschreeuwde stand te houden en aan te vallen. Standhouden, allá, maar aanvallen? De Dwergen waren net zo groot, maar een stuk forser dan de Kobolden en zagen er met hun baarden, helmen, maliënkolders en vreselijke knotsen angstaanjagend uit, om te zwijgen van de bijlen die ze in hun gordel droegen. Tijd om na te denken kregen de Kobolden niet. De eersten merkten dat een hartsvanger niet geschikt is om een knots af te weren en werden snel verslagen. Onder hen was Gerbrand die, gehoorzaam aan de opdracht van de commandant, zijn groep Kobolden voorging en met uitgestoken zwaard op een Dwerg afrende. Maar de Dwerg deed op het laatste moment een stap opzij en liet zijn knots tijdens het passeren van Gerbrand op diens hoofd neerdalen. Terwijl de Kobold ineenzeeg, kon hij nog net zien dat zijn mannen waren blijven staan. Hij viel op de grond, naast zijn kekke en bebloede jachthoedje dat hem op weg naar het einde vooraf was gegaan. Stole verging het niet beter. Toen hij zijn aanvoerder zag vallen sprong hij woedend naar voren, op de Dwerg af die Gerbrand had geveld, maar deze ontweek de zwaaiende kling en stootte bliksemsnel de punt van zijn knots dwars door de leren borstrok in de borst van de arme Kobold, die naast zijn aanvoerder op de grond terechtkwam. “Goed gedaan, Gannef,” zei een Dwerg die naast hem stond en ook een Kobold neersloeg.
Bij de rest van de Kobolden laaide, na de ontzetting over zijn aanblik en na hem een paar van hun kameraden te hebben zien neerslaan, nu de haat en de woede tegen deze oude vijand op. Ze vermanden zich en stortten zich op de Dwergen. Er ontstond een fel gevecht. De Kobolden merkten dat ze het van hun snelheid en hun getalsmatige overwicht moesten hebben. Een knots was in de handen van een Dwerg een dodelijk wapen, maar die Dwerg kon zich slechts op een Kobold richten en niet gelijktijdig zijn flanken en rug beschermen, en daar lagen voor de Kobolden de kansen. Zodra een Dwerg buiten de dekking van zijn formatie raakte werd hij van alle kanten door Kobolden aangevallen.
Saul en Linus zagen het gevaar en brulden hun mannen toe dichtbij elkaar in een linie te blijven. Toen de Dwergen hun rijformatie hadden hersteld en elkaars flanken dekte, drong Saul naar voren. Het bezighouden van de Kobolden leek hem de enige manier om te voorkomen dat sommigen de Dwergen van een afstand met pijlen zouden gaan beschieten. Nu dreven ze de Kobolden terug die ondanks hun verliezen felle tegenstand boden. Totdat hun leider struikelde. Hij was in gevecht met Saul omdat hij zag dat die de aanval van de Dwergen leidde en probeerde met ware leeuwenmoed diens knots te ontwijken en openingen te zoeken om met zijn hartsvanger toe te steken, toen hij zich verstapte en op de grond viel. Saul werd in beslag genomen door de Kobolden die rondom hun leider vochten en stapte gewoon over de gestruikelde commandant heen. Sommige Kobolden dachten dat hij was gesneuveld, trokken zich terug en namen de anderen mee. Opeens sloeg onder de Kobolden de paniek toe en die leidde uiteindelijk tot een wilde vlucht.

De Dwergen hadden het gevecht gewonnen, maar de prijs was hoog. Saul en Linus telden vijf dode en elf gewonde Dwergen, naast vijftien dode Kobolden en evenveel gewonden die niet op eigen kracht hadden kunnen wegkomen. Ze overlegden wat ze moesten doen, terwijl de andere Dwergen de doden begroeven en de gewonden zo goed mogelijk verzorgden. Vijf Dwergen waren te ernstig gewond om zelf te kunnen lopen en zouden gedragen moeten worden.
- “De dichtstbijzijnde basis is Cyrillum,” zei Linus.
- “Dan moeten we nog een heel stuk door Koboldengebied,” zei Saul.
- “We hebben niet veel keus. We kunnen niet terug omdat de gewonden dat niet halen en wij ze over die afstand niet kunnen vervoeren.”
- “Als we naar Cyrillum gaan worden we natuurlijk door de Kobolden opgewacht, “ zei Saul. “Die verwachten niet anders dan dat we daar naartoe gaan.” Hij vond het idee van een mars door bosgebied waarbij ze voortdurend door boogschutters zouden worden bestookt erg onaantrekkelijk.
Op dat moment kwam Druif naar Linus en Saul toe. Een verband beschermde de verwonding aan zijn schouder, opgelopen tijdens het eerste treffen met de Kobolden.
- “Ik heb een tijd in Cyrillum gewoond. Van daaruit trokken mijn vrienden en ik vaak de bergen in. Er ligt hoog in de bergen, ik denk een dagreis van Cyrillum, een huis dat wordt bewoond door een paar heksen. Die kunnen onze gewonden verzorgen en misschien hulp halen.”
Het leek hun beste kans. In plaats van naar het dal te gaan waar Cyrillum lag, zouden ze bovenlangs gaan. Ze zouden hun sporen moeten proberen uit te wissen, al zou dat de Kobolden niet lang op een dwaalspoor brengen. Maar het zou de Kobolden tijd kosten om de soldaten die nu in het dal lagen naar boven te halen om de Dwergen op te vangen. En het zou op de onbegroeide hellingen onder de toppen lastiger zijn de Dwergen te verrassen.
- “Bovendien,” zei Druif, “is het huis waar ze wonen goed verdedigbaar.”
De keus was gemaakt. Saul gaf opdracht hout te kappen om draagbaren voor de vijf Dwergen te maken die niet zelf konden lopen. Daarna gingen ze op weg. Buiten het zicht van de gewonde Kobolden die op het slagveld waren achtergebleven begonnen ze aan de zware klim die nog werd bemoeilijkt door de vijf draagbaren. Aan het eind van de groep liep een Dwerg die met een bladerrijke boomtak de sporen zo goed mogelijk probeerde te wissen.

Heksenland – het is een naam die met een lichte huiver wordt uitgesproken bij de aanblik van een gebied waarin hemel, aarde, eenzaamheid en mysterie een verbond lijken te hebben gesloten. De hemel vaardigt een wolkendek af dat zich om de bergtoppen vlijt, een dode boom graait als een skeletachtige hand naar de lucht, de bosrand ziet eruit als de getraliede toegang tot een kerker. Het land lijkt zich tegen iedereen te keren, behalve tegen de enkeling die er thuishoort.
Saul was dankbaar voor dit heksenland waarin hij en zijn Dwergen de volgende morgen waren beland. Hoog in de bergweiden onder de bergtoppen benam de mist hen het uitzicht maar gaf daar onzichtbaarheid voor terug en daar was Saul blij mee. Het zou voor de Kobolden lastiger zijn een hinderlaag te leggen of guerilla-achtige acties te ondernemen waarvoor je de route van je tegenstander goed moest kunnen zien. Je moest hem immers ergens onderscheppen en dat ergens was nu een stuk lastiger bepalen. Bovendien moest je dan – als Kobolden-commandant – ook nog maar zien dat je daar op tijd soldaten had om de Dwergen op te vangen. Het enige probleem van Saul was dat hij – of liever gezegd Druif – het uitzicht miste om de Heksenheuvel te kunnen zien liggen. Volgens Druif moesten ze nog minstens een dag langs de bergketen lopen om in de buurt van het heksenhuis te komen.
- “Hoeveel heksen zitten er?,” vroeg Saul onder het lopen aan Druif.
- “Ik heb er twee gezien,” antwoordde Druif, “maar dat was al weer een tijdje geleden. Ik weet natuurlijk niet hoeveel er nu zitten.”
- “Hebben ze je niet in een pad veranderd?,” vroeg Saul.
- “Misschien had ik het dan wat warmer gehad,” zei Druif.
Het was inderdaad koud op deze hoogte.
- “Als je het koud hebt, moet je je maliënkolder wat meer om je heen trekken.”
Toen vloog er een pijl tussen de kolonne. Saul kon de Kobold niet zien die hem had afgeschoten, maar hij kwam uit de diepte aan hun linkerkant. Het was een pijl die aan het krachtenloze eind van zijn boog was en niemand raakte. Saul liep naar Thaddeus die de linkerflank dekte, maar ook deze had niets gezien. Samen liepen ze met hun bogen schietklaar naar een stapel stenen toe, de enige plaats in de buurt die een schutter dekking had kunnen bieden. Op weg er naartoe rende er, amper zichtbaar in de mist, een Kobold weg, de helling af. “Ze weten waar we zijn,” zei Saul die zijn boog liet zakken, “ze zijn alleen nog niet klaar voor een hinderlaag. Hou je ogen open.” Hij liet nog een Dwerg naast Thaddeus aan de linkerzijde lopen en waarschuwde Linus aan de achterkant van de kolonne. Maar die liep, zoals hij zelf zei, “de hele tijd al achterstevoren.”
De lucht betrok steeds meer. Het begon harder te waaien en de wind voerde een vettige miesregen aan die de helling gladder maakte en in hun gezicht en op hun blote benen woei. Saul keek naar zijn kolonne: de Dwergen liepen met gebukte hoofden voort, wegglijdend en struikelend, de ogen samengeknepen tegen de regen die van hun helmen over hun gezicht liep en uit hun baarden drupte. De dragers torsten, eveneens wegglijdend, de baren waarop, vrijwel onbeschermd tegen de regen, de gewonden lagen die Saul af en toe hoorde kreunen. Hun tunieken waren doorweekt en maakten het nog kouder dan het was. Bovendien hadden ze al twee dagen niet gerust en gegeten. Vermoeidheid en honger tastten hun kracht en uithoudingsvermogen aan. En wat nog erger was, dacht Saul, hij had ook al een tijdje geen wild meer gezien op een enkele vogel na, dus veel kans op een spoedig maal was er niet. Ze zouden een nachtverblijf moeten vinden waar ze tenminste vuur konden maken.
De avond viel maanloos in. De Dwergen sjokten door in de regen die bleef vallen. De wind was wat gaan liggen. Toen vond Thaddeus eindelijk iets. Een uitstekende rotspunt, wat lager op de helling, die aan de onderzijde was uitgehold, waarschijnlijk door water dat eeuwenlang van de top was gestroomd. De ruimte die zo was ontstaan zou de gewonden en een paar gelukkigen beschutting tegen de regen kunnen bieden en er zou een vuur kunnen worden gestookt omdat de rots zelf voorkwam dat de Kobolden het schijnsel zouden kunnen zien. Saul stuurde een paar man er op uit om lager op de helling hout te gaan zoeken. De gewonden werden onder de overhuiving geplaatst. Het duurde nog een tijdje voordat ze het natte hout aan het branden hadden.
Midden in de nacht schrok Saul wakker. Terwijl alles in hem smeekte om slaap was er iets dat nog harder schreeuwde om zijn ontwaken. Mensen zoals Saul en misschien Linus, die hebben leren omgaan met gevaar, ontwikkelen daarvoor een zintuig dat nooit rust, ook als al hun andere zintuigen dat wel doen. Het vuur was uitgegaan. De hemel stak iets lichter af tegen de donkere achtergrond van de berg en daardoor kon hij bewegende silhouetten onderscheiden die zich over een liggende Dwerg bogen en hoorde hij een zucht slaken. Hij had die zucht vaker gehoord en wist dat dat niet de geruststellende ademtocht van een van zijn mannen was. In een oogwenk was hij overeind en brulde “alarm” terwijl hij zich met zijn knots op de schaduwen stortte. Met een zwaai raakte hij er een half en een ander vol. Hij stond op een Dwerg die zich, goddank, bewoog. Naast hem dook een Dwerg op met zijn knots in de hand. De andere schaduwen vlogen weg. Hij hoorde een boog zingen: iemand zond ze een pijl na die miste.
- “Maak het vuur aan,” zei Saul. “Linus,” riep hij.
Linus kwam achter de rots vandaan.
- “Dood,” zei hij, bijna met een snik in zijn stem.
- “Wie?,” vroeg Saul.
- “Gannef,” zei Linus. “De schoften hebben z'n keel doorgesneden. Hij stond op wacht.”
- “Hier! Nog een,” riep een Dwerg die zich over een van de donkere schaduwen van, naar Saul dacht slapende Dwergen had gebogen.
Wie nu nog niet wakker was, was vermoord. Saul zag nog een paar schaduwen liggen. Gelukkig rezen er toch nog een paar slaapdronken overeind. Uiteindelijk bleken de kelen van vier Dwergen in hun slaap te zijn doorsneden. Twee liggende schaduwen behoorden toe aan twee Kobolden, waarvan er een dood was en de ander zwaargewond. Zij waren het slachtoffer geworden van de uithaal van Saul.
Ze begroeven de doden en gingen weer op pad. Niemand had willen slapen op een plek waar hun kameraden waren vermoord, hoe moe ze ook waren. Ze waren nog bedrukter dan daarvoor, al regende en woei het niet meer.
- “Geen kruis, niks,” zei Linus.
- “Thuis richten we een monument voor ze op,” zei Saul.
- “Wat een schoften, hè.”

Heksenheuvel was waarschijnlijk het vreemdste bouwwerk van het bergland. Je bereikte het vanuit het dal over een eindeloze en eindeloos stijgende weg door de beboste bergen. Net als je het gevoel kreeg dat het pad op elk moment kon ophouden wegens volstrekte nutteloosheid – er was in geen velden of wegen iets te bekennen dat op een bestemming leek waarnaar paden doorgaans leiden – maakte het een scherpe bocht en stond daar opeens een flatgebouw van drie verdiepingen. Het was opgetrokken uit grijze betonplaten. Dat kon je goed zien omdat de middelste etage geheel van deuren, ramen, kozijnen en binnenmuren was ontdaan, als ze er al ooit in hadden gezeten. De kale muren deden alleen nog dienst om, naakt, verweerd en ogenschijnlijk zinloos, de begane grond en de bovenverdieping uit elkaar te houden. Op de hoogste en laagste verdiepingen waren wel tekenen van bewoning zichtbaar, zelfs tamelijk uitbundige. Beneden stonden alle deuren open. Een zeug en wat kippen schommelden naar believen naar binnen en naar buiten. De planten op de vensterbanken leken zich te hebben vereenzelvigd met de weelderige begroeiing die vanuit het erf tegen de muren opklom. In een hoekje van het platgetrapte erf dat als vanzelf overging in een soort moestuin met bedden, stond een overwoekerde cementmolen. Achter het huis stond een waterpomp. Vanuit de ramen op de bovenverdieping guirlanderden allerlei groeisels naar beneden. Op een piepklein balkonnetje met een roestige ballustrade stond tussen planten die uit potten waren opgeschoten een gipsen Mariabeeld met vuurrode lippen dat over het toegangspad staarde en dat zijn vrome bleekheid bij nadere beschouwing vooral ontleende aan de uitwerpselen van vogels, die het heiligenbeeld oneerbiedig als uitzichtpunt kozen om de posities van de verschillende katten te verkennen die tot de levende have van het huis behoorden. Op het platte dak was het een komen en gaan van vogels.
In dit merkwaardige bouwwerk woonden Luthilde en Alosia. De blonde Luthilde woonde beneden – in het “sousterrain” zoals Alosia het noemde. Ze zou ook niet boven hebben willen wonen. Ze kon de waanzin van deze bruiloftstaart in de wildernis nog verdragen als ze niet steeds allemaal ladders hoefde te beklimmen. Ze had de begane grond – Hoezo, begane? Gewoon grond! – nodig om op te blijven staan en haar dingetjes te doen. Ze begon 's morgens met een kop koffie te zetten. Een gewoonte die ze al had toen ze nog beneden in het dorp woonde en die ze hier op de berg had voortgezet, ook al was de koffie al lang geen echte koffie meer maar een brouwsel dat ze zelf samenstelde uit allerlei kruiden die ze om zich heen aantrof. De samenstelling was niet helemaal constant en dat gold voor meer dingen om haar heen, zoals de slivovitsj die ze zelf stookte. Als de pruimen op waren, ging ze moeiteloos over op peren, kersen, brandnetels of iets anders, en zo was haar favoriete slaapmutsje een seizoensdrank geworden. Bij de gedachte eraan greep ze even naar haar hoofd, want de slaapmuts van de avond ervoor zat nog knellend om haar schedel. Ook het brood dat ze bakte was sterk afhankelijk van het materiaal dat ze vond of kreeg. Het was zelden van tarwe, rogge of mais. Soms vond ze in een veldje een paar halmen van wat ze vermoedde dat wilde gerst of haver was. En soms had ze geen flauw idee wat ze gevonden en gebakken had. Grasbrood, noemde ze dat. Als het echt niet eetbaar was, ging het naar de dieren om haar heen die ook sterk van samenstelling verschilden. Alleen de zeug, een paar kippen en een haan waren vaste elementen in haar huishouden. De rest bestond uit dwaalgasten zoals dwaalmuizen, dwaaleekhoorns, dwaalkonijnen en vooral dwaalkatten. Ze moest eigenlijk een tamme raaf hebben, omdat die bij haar professie behoorde, maar in plaats daarvan zaten er meestal een paar dwaalduiven in de bomen rondom haar huisje. Alosia op driehoog had wel raven, maar geen tamme. Dan niet, dacht Luthilde.
Vroeger woonde ze beneden aan de berg in het dorpje dat daar nog steeds ligt. Ze werkte in de plaatselijke munitiefabriek. Daar leidde ze een rustig bestaan totdat Sandor in haar leven kwam. Ze was weg van Sandor en hoopte vurig dat dat gevoel wederzijds was. Op een avond liep ze terug van de fabriek naar haar huisje en zag langs de kant van de weg een bloempje groeien. Ze plukte het en begon blaadjes te tellen, hardop zoals het hoort: “Hij houdt van mij, hij houdt niet van mij, ...” Verder kwam ze niet omdat een stem zei: “Inderdaad, hij houdt niet van je.” Luthilde keek om zich heen, maar het enige dat ze zag was een forse lindeboom die naast haar op het marktplein stond. Overdag bood hij schaduw aan de ouderen die met een stoel of kruk kwamen aanlopen en een plaats onder zijn kruin zochten. Op marktdagen overhuifde hij de bedrijvigheid van boeren uit de omtrek die hun waren kwamen aanbieden aan de huisvrouwen van het dorp. 's Avonds, als ouderen en kooplui waren verdwenen, verzamelden de jongeren zich onder zijn gebladerte en dekte de boom hun verkennende bezigheden met een vergoelijkend schemerduister toe. De avondwind ritselde in zijn bladeren die zich als een parasol over het marktplein hadden ontvouwd. “Zei jij dat?,” vroeg Luthilde aan de stam, die uit de aangestampte aarde van het marktplein oprees. “In-der-daad,” zei de boom, “je ziet wel eens wat, als markt-boom.” “Zei jij dat?,” herhaalde Luthilde. Ze schreeuwde bijna en schopte met haar blote voeten tegen de verweerde bast. Maar de boom zei niets meer. Later die avond zag ze haar geliefde innig omstrengeld met de mooie Katja naar het dorpsfeest lopen. Toen ze eenmaal wist dat de boom niet alleen kon spreken, maar ook de waarheid kende en misschien wel kon voorspellen, raadpleegde ze hem vaker. Maar dat viel op en op een avond kwam de dorpsoudste naar haar toe. “Loeschka, de mensen zeggen dat jij met bomen praat en dat vinden ze gek,” zei hij. “Maar ik doe daar toch niemand kwaad mee, vadertje” zei Luthilde. “De directeur van de munitiefabriek wil liever niet dat mensen die met bomen praten aan zijn mooie kogels werken,” zei toen de dorpsoudste. Luthilde was dus haar baan kwijt en wat ze verder ook probeerde te gaan doen, wasvrouw, postbestelster, arbeidster op de kolchoze, niemand wilde een vrouw die met bomen praatte. Bovendien moest ze haar huisje uit dat nog van de munitiefabriek was. Toen kwam de dorpsoudste weer bij haar langs.
- “Loeschka,” zei hij, “ken jij het huis van Andres?
- “Je bedoelt dat rare met al die lagen?”
- “Jij mag in zijn huis gaan wonen. Daar kun je net zoveel met bomen praten als je maar wilt.”
En zo kwam Luthilde op de Heksenheuvel terecht, al had dat toen nog geen naam.
Dat was lang geleden. De bomen begeleidden haar op weg naar volwassen heksendom, wijdden haar in in de geheimen van de kruidenwereld en leerden haar een paar toverspreuken. Zelf zorgde ze voor een flinke ketel om haar eten en kruidenmengsels te bereiden. Ze hield zich bezig met het genezen van zieke dieren en mensen, die daarvoor zelfs de berg opkwamen waarnaar ze haar hadden verbannen. Helaas hadden de bomen haar niet geleerd hoe ze vervelende lieden – zoals Sandor, Katja en de directeur van de munitiefabriek - in padden kon veranderen.
Op zekere dag kwam er een vrouw bij haar aan. Luthilde had haar niet tegen de berg zien oplopen, dus moest ze van de andere kant zijn gekomen. Dat was wel raar, want er was eigenlijk geen andere kant.
- “Hallo,” zei ze tegen de vrouw.
- “Ja,” antwoordde de vrouw, “ik kwam je eens opzoeken.”
Ze zag er uit als kaas, vond Luthilde, daaraan kon je ook nooit zien hoe oud die was.
- “Jij hebt een probleem met je man,” zei Luthilde die behalve voor heks ook graag voor helderziend wilde doorgaan en met die opmerking meestal succes had.
- “Hou maar op,” zei de vrouw, “jij bent geen helderziende. Ik ben Alosia en ik heb geen man. Wil ik ook niet. Ik ben heks.”
- “Ik ook,” zei Luthilde.
- “Dat weet ik,” zei Alosia.
- “Oh, jij bent zeker wel helderziend?,” vroeg Luthilde.
- “Nee hoor. Ik heb het beneden in het dorp gehoord.”
- “Kun jij iemand in een pad veranderen?,” vroeg Luthilde.
- “Nee. Ik ben nooit verder gekomen dan stevige uitslag.”
Daarop moesten ze alletwee hard te lachen. Alosia vertelde dat ze een stuk verderop in een huisje had gewoond dat door de bliksem was getroffen, dat ze afstamde van hele oude adel, en dat ze op zoek was naar woonruimte. Of ze een étage kon huren.
- “Een wàt?,” vroeg Luthilde.
- “Een étage,” zei Alosia. Ze sprak het op z'n Frans uit als “eetaazj”. “Een verdieping,” verduidelijkte ze.
- “Oh, ga je gang,” zie Luthilde die het snapte, “d'r zijn er genoeg,” en ze knikte met haar hoofd omhoog.
Ze kende nog een paar heksen die in de buurt woonden, zoals Gorre en zelfs een man, Doctor Bas, die waarschijnlijk wel iemand in een pad kon veranderen. Ze hield niet van koffie maar was wel ingenomen met de slivovitsj van Luthilde. “Nu kunnen we een heksenkring maken,” zei Alosia. En zo werd zij een vaste bewoonster van de Heksenheuvel.

Alosia had haar intrek genomen op de bovenste verdieping en bewoonde nu een “appartement” – ook dit sprak ze op z'n Frans uit met een “n” die haar neusvleugels deden trillen, zoals ze ook “sousterrain” uitsprak. Dat laatste klonk een beetje neerbuigend. Wie haar hoorde spreken, kreeg meteen een duidelijk beeld van de bouwkundige en de sociale ordening van het huis, waarbij de begane grond als plebejisch moest worden beschouwd. De trap naar boven begon achter het huis, leidde door een gat in de vloer van de onbeschutte tussenverdieping naar een gammele houten trapleer waarlangs je, alweer door een gat, in de enige kamer kwam die de hoogste etage rijk was. Alosia had een tafel over het gat gezet nadat ze een keer door de opening was gevallen en zich danig had bezeerd. “Ze had iets raars gerookt en toen dacht ze dat ze in de armen van een adellijke cavalier tijdens een bal masqué over de dansvloer zweefde. En toen ... boem,” wist Luthilde die desgevraagd ook vertelde dat er maar weinig bezoek voor Alosia kwam en dan hoofdzakelijk 's avonds als de duisternis de identiteit verhulde van de man die krakend de trap en de ladder beklom. “Dat is helemaal geen man,” reageerde Alosia dan, “en, trouwens, zeg jij maar niks. Bij jou komt ook van alles over de vloer.”
Net als Luthilde beheerste Alosia de natuurheelkunde, alleen had zij zich gespecialiseerd in vogels, vooral raven en kraaien. Zelf zag ze er met haar zwarte haar en grote neus er ook een beetje als een vogel uit. “Haar fladdertjes,” noemde ze haar patiënten liefkozend, die haar onderhielden door wat ze nodig had bij de schaarse bewoners in de omgeving te stelen. Dat verkocht ze dan weer en van de opbrengst schafte ze eten aan dat ze nodig had naast de voortbrengselen van haar moestuintje. Natuurlijk liep ze op gezette tijden tegen de lamp omdat ze immers nooit wist van wie de vogels het hadden gestolen. In de buurt woonden niet veel mensen – zelfs het dichtstbijzijnde dorp was nauwelijks meer dan een gehucht – zodat je een gerede kans liep het kleinood aan de oorspronkelijke eigenaars terug te verkopen. Maar als Alosia zich niet uit de situatie kon redden door naar waarheid te zeggen dat de dief een vogel was geweest en niet zij, dan kon ze de aanklager iets lelijks bezorgen waardoor deze zijn geheugen enige tijd kwijt was en zij kon ontkomen.

Die morgen deed Luthilde in haar keukentje een kastje open, rommelde wat rond op zoek naar kruiden en vond niet wat ze zocht. Dus trok ze haar schoenen aan, liep de tuin in en riep Alosia:
- “Ik ga kruiden plukken en wat spullen voor m”n brood. Pas jij even op?”
- “Waarop moet ik passen?,” vroeg Alosia die uit het raam hing, ”dat er geen boze mannen komen, of zo?” Ze lachte.
- “Dat je niet uit het raam valt,” zei Luthilde.
Ze pakte een mandje, sloot de deur en liep door haar moestuin de berg op. Het had de vorige dag geregend waardoor het bos nu prikkelend geurde. Rozenwortel moest ze hebben en guldenroede, en wat ze nog meer vond, maar vooral rozenwortel. Ze glimlachte terwijl ze al lopend om zich heen keek. Ze zag zwammen en paddenstoelen en deed soms iets in haar mandje, maar voor rozenwortel moest ze hoger op de berg zijn, en dus stapte ze flink door. Op de weide boven het bos zou ze ook wel wat tarwe-achtigen vinden, al nam ze dat begrip ruim. Als een grasspriet een soort aar had, was het wat haar betrof al gauw een tarwe-achtige en dus geschikt voor haar brood. Goed, het ging wel eens mis, maar er waren ook leuke dingen gebeurd. Zoals die keer dat ze Alosia een stukje brood had laten eten omdat het ze het zelf zo lekker vond. Ze hadden in de tuin gezeten. Zij, Luthilde, op een omgekeerde krat en Alosia in de oude schommelstoel. Luthilde vond dat Alosia er mal uitzag met dat rode opgeblazen gezicht en die rare grijns. Ze zat haar gewoon uit te lachen en op datzelfde moment barstte Alosia zelfs in een schaterlach uit:
- “Wat heb jij eigenlijk een belachelijke zure snoet. Moet je een beetje suiker?”
Daarop had ze haar de inhoud van de suikerpot in het gezicht proberen te gooien. Het gooien lukte beter dan het raken want het gezicht van Luthilde bleek zich op een heel andere plaats op te houden dan waar Alosia het had vermoed. Vervolgens hadden ze hun gezamenlijk afschuw van het beton uitgesproken waaruit hun huis was opgetrokken, in het bijzonder van de grauwe kleur, en waren begonnen het huis te schilderen, waarvoor ze de doos met kleurpotloden van Alosia – die nog een tijdje kunstenares was geweest - hadden gebruikt en daarna de lipstick van Luthilde. Toen die op was, was het brood ook uitgewerkt en was een stuk van de buitengevel voorzien van merkwaardige maar fleurige bloemen. Alosia had zelfs een hart getekend met een pijl erdoor en aan weerszijden de letters L en A en ze hadden boter, kaas en eieren op de muur gespeeld. Ze bekeken het resultaat: veel beter, vonden ze alletwee. Maar na een flinke regenbui was de verbetering weer verdwenen.
Ze bukte zich om een hanenkam te pakken die aan de voet van een oude dennenboom groeide. “Nee,” zei de boom en Luthilde liet de paddenstoel los. Ze bekeek hem goed en zag toen dat het een giftige variant was. “Dank je,” zei ze tegen de boom. Het had zo zijn voordelen op goede voet met de bomen te verkeren. Ze liep verder en liet de laatste bomen achter zich. Voor haar lag het bergweitje onder de rotsige top. Rozenwortel – daar kon ze een leuk drankje van maken. Ze had al wat alcohol klaarstaan. Dat zou nog een veel aardigere uitwerking hebben dan dat brood, waarvan ze overigens de samenstelling was vergeten. Maar waar stond de rozenwortel ook alweer? Terwijl haar ogen langs de helling zochten rende er een paar steenbokken door haar beeld. Vertrouwde verschijningen op deze kale hoogten, alleen wekten deze de indruk ergens door te zijn opgejaagd. Terwijl ze zich afvroeg waardoor, ontwaarde ze iets anders. Over de kam kwam een kleine, gedrongen gedaante die om zich heen keek en inelkaar leek te duiken toen hij haar zag. Van een afstand leek het haar geen bewoner van het hooggebergte, zoals een berggeit of een steenbok. Het leek haar zelfs geen dier, eerder iets rechtopgaands zoals een mens. Maar dat was het toch ook niet helemaal. Het leek haar ook geen Kobold. Die had ze een enkele keer gezien, maar die zag er toch anders uit. Wat was het dan wel? De verschijning liep bijna sluipend op haar toe. Luthilde bleef staan. Met toenemende verbazing zag ze iets op haar afkomen dat hoe langer hoe meer op een Viking begon te lijken. Een klein soort Viking met een baard, een helm, een rare jas van allemaal ringetjes en een geweldige knots die vlak voor haar stilhield.
- “Wij zijn Dwergen,” zei de Viking, “wij zoeken de Heksenheuvel.”
Achter hem zag Luthilde een merkwaardige stoet over de kam komen.
- “Ik ben Luthilde,” antwoordde ze aarzelend. “De Heksenheuvel is daar.” Ze wees in de richting van het huis.
- “Maar, eh, wat komen jullie doen?,” vroeg ze vervolgens.
De Dwerg keek haar aan.
- “Vraag dat maar aan de baas. Daar komt 'ie net aan,” zei hij en liep verder in de richting die Luthilde hem had gewezen.
Inmiddels had de groep haar bereikt. Een van de Dwergen liep op haar toe.
- “Hoort u bij de Heksenheuvel?,” vroeg hij.
Luthilde knikte.
- “Wij zijn Dwergen. Wij zijn overvallen door Kobolden en hebben zware verliezen geleden. Wij hebben een aantal gewonden. Kunt u ons helpen?”

Het was een drukte van belang op de Heksenheuvel. Alosia had haar appartement verlaten om de intocht gade te slaan van Sauls Dwergen en ze plaatsen aan te wijzen in hun merkwaardige flatgebouw. Ze legde een verrassende besluitvaardigheid aan de dag. De gewonden liet ze op de begane grond en improviseerde bedden voor ze. Omdat er niet voor iedereen genoeg bedden waren, zond ze gezonde Dwergen erop uit gras te halen dat als ligplaats kon dienen. Ze overzag de voedselvoorraad en informeerde of er Dwergen waren die verstand hadden van jagen, zodat er wild kon komen. Ze zette Luthilde aan het werk om de gewonden te onderzoeken en te verzorgen. Zelf zorgde ze voor warm water en voor repen stof die als verbandmiddel konden dienen. Ze maakte kompressen en trok kruidentheeën, rende twee etages op en af om te kijken of zij de kruiden had die Luthilde nodig had en rende af en toe het bos in om snel een paar kruiden te zoeken.
Luthilde excelleerde bij de verzorging van de gewonden. Ze goot versterkende thee tussen hun gebarsten lippen en vroeg ze waar ze pijn hadden. Als ze geen antwoord kreeg, ontdeed ze hun van hun helmen en zware maliënkolders, sjorde hun tunieken omhoog om te zien waar ze gewond waren en trok hun broek uit als dat nodig was. “Tss, tss,” zei Alosia die de hele tijd in en uit rende en binnenkwam toen Luthilde net een broek uittrok. “Ja,” zei Luthilde, “het zijn kleine kereltjes, maar ...” Alosia zette de nieuwe ketel met warm water neer en rende weer weg om meer verband te halen. Af en toe moest Luthilde even weg om de boom op het erf te raadplegen. Het was lastig omdat hij verlegen was en er opeens een hele boel nieuwe gezichten om hem heen waren. Luthilde moest haar oor tegen de stam aangedrukt houden om te horen wat hij zei. “Smeerwortel,” verstond ze in antwoord op de vraag wat ze een bepaalde patiënt moest geven. Waar haalde ze zo gauw smeerwortel vandaan? Misschien groeide die beneden, bij de Narwa, maar niet hier in de bergen. Dan maar Sint-Janskruid besloot ze. Dat was door zijn opwekkende uitwerking op Heksenheuvel het meest gebruikte kruid. “Genezing vindt vooral plaats tussen de oren,” zei ze vaak, “en dat is nou net waar dit kruid erg actief is.” En zo was het een panacee voor zowat alle kwalen geworden.
De Dwergen die niet gewond waren of door Linus aan het werk waren gezet, wasten zich onder de pomp die op het erf achter het huis stond. Ze wasten meteen hun kleren die zij uitwrongen en, onbekommerd om hun naaktheid, verderop te drogen hingen. Luthilde deed Aliosia geen groter plezier dan door haar om meer water te vragen, dat zij langdurig bij de pomp ging halen. Natuurlijk keek zij daarbij om zich heen omdat zij immers moest voorkomen dat zij zich verstapte of met haar ketel zou struikelen. En natuurlijk ontging het haar niet dat de Dwergen sterke jonge kerels waren, goedgebouwd, alleen wat kleiner, nou ja ... Je moest van baarden houden, maar ook daarvan waren voordelen in te zien. Verbazend, dacht zij, hoe makkelijk je wordt als je maar lang genoeg op een houtje hebt moeten bijten.
Saul had zich eerst over zijn gewonden ontfermd en toen hij zag dat die bij Luthilde en Alosia in goede handen waren, was hij zich met verdediging van het gebouw gaan bezighouden. Dwergen hadden meer ervaring met de strijd in gangen en spelonken dan in hoogbouw, maar hij voorzag geen grote problemen. Linus kwam bij hem staan.
- “'t Is net als onder de grond, Linus,” zei Saul, “als ze met een paar komen, pakken we ze, en als ze met erg veel komen, zijn wij het haasje.”
Linus lachte.
- “Een van de vrouwen zei dat ze hier bijna nooit Kobolden zagen. In tien jaar tijds twee of drie keer,” zei hij.
- “Dan wordt dit de vierde keer,” zei Saul. “Ik geloof niet dat ze ons zomaar laten gaan. We kunnen hun pijlen gebruiken, hè?,” vroeg hij.
Linus knikte.
- “Ze zijn wat langer dan de onze omdat ze grotere bogen gebruiken, maar we kunnen ze gebruiken.”
- “Laat ze in elk geval zoveel pijlen maken als we pijlpunten hebben. Zet een mannetje op het dak en op nog een paar uitkijkpunten en zend patrouilles uit. Bekijk de situatie goed, Linus. Laat minstens een patrouille een wijde boog om dit gebouw maken zodat we vroeg op de hoogte zijn van vijandelijke bewegingen. Laat een paar mannetjes de bomen kappen die zo dichtbij staan, dat de Kobolden ons van daaruit kunnen bestoken. Zo behouden wij het voordeel van de hoogte.”
Linus knikte terwijl hij de opdrachten in zich opnam.
- “Bekijk de deuren en luiken aan de onderkant en let op of ze naar binnen of naar buiten opengaan. Barricadeer alles wat naar binnen opengaat. Hou er rekening mee dat ze misschien ladders meenemen. Breng dus een borstwering op de tussenverdieping aan, zodat we daar een paar mannetjes kunnen neerzetten die ladders kunnen terugduwen. Misschien proberen ze brandende pijlen naar binnen te schieten. Dan moet er water klaarstaan om brandjes te blussen.”
- “Onze gastvrouwen zullen blij met ons zijn als we de hele boel beginnen te verbouwen,” zei Linus. “Ben je echt van plan hier te blijven? We kunnen ook de gewonden hier achterlaten en verder gaan.”
- “Ik wil in elk geval vannacht hier blijven, de mannen rust geven en de gewonden laten verzorgen. Dat gebeurt erg goed, geloof ik. Misschien kunnen we het er morgen op wagen dat de Kobolden onze gewonden niets doen en in plaats daarvan achter ons aangaan. Maar het kan ook zijn dat zij ons vannacht al gaan belegeren. De rest van de troep die wij uit elkaar hebben geslagen, omvatte zo'n vijfentwintig man en er zullen er nog wel een paar in de buurt zijn geweest. Dus het zou kunnen dat ze ons hier insluiten in afwachting van versterking en daarop moeten we zijn voorbereid.”
Saul ontrolde de kaart die hij bij zich droeg.
- “Maar als ze ons gaan belegeren, is dat eigenlijk een buitenkans. Kijk eens hier ...” Saul wees op de kaart. “... We zitten ongeveer hier.” Zijn vinger wees een plek aan ten Oosten van het massief van de Oblique. “Het is van hieruit ongeveer evenver naar Stratz, waar de Kobolden vandaan moeten komen, als naar Cyrillum. Zie je wel?” Zijn vinger mat de afstanden af. Het scheelde inderdaad niet veel, al was het verschil wel in het nadeel van Cyrrillum. “Stuur de snelste man die je hebt naar Cyrillum en laat hem soldaten en voedsel vragen. Ik verwacht dat de Kobolden met pakweg vijfhonderd man zullen komen. Dan weten ze in Cyrillum wel hoeveel ze er nodig hebben om ons te ontzetten.”
- “Is dat niet een beetje veel? Vijfhonderd man?,” vroeg Linus.
- “Misschien. Maar beter te veel dan te weinig. Na hun echec zullen ze niet opnieuw het risico van een zeperd willen lopen. Maar dat gaat wel gebeuren, als ze ons gaan belegeren. Een strijdmacht die een beleg slaat, loopt altijd zelf het het risico in een omsingeling te raken. De omsingelaar is zelf immrs al half omsingeld. Het enige dat je nog mist is de andere helft en die moet uit Cyrillum komen. lk wil bereiken als ze ons vannacht gaan belegeren.”
Linus knikte.
- “Waar ik me zorgen over maak, is de voedselsituatie. We hebben niet genoeg eten voor ons allemaal hier en als een beleg een paar dagen duurt, wordt dat nijpend. Laat je mannetjes dus flink konijnen vangen en niet na een enkele stoppen. En zorg voor voldoende water. Als ze in de bosjes zitten kunnen we de put op het erf niet meer gebruiken.”
Daarna stapte Saul het huis binnen. Luthilde en Alosia waren met een vijzel – ze hadden geen tijd om te persen - bezig olie te winnen uit de vruchtjes van Sint-Janskruid. Saul zette zijn helm af.
- “Wat zijn dat voor leuke bloempjes? Is er iemand jarig of zijn jullie een welkomstboeketje voor ons aan het samenstellen?,” vroeg Saul.
Luthilde vertelde dat het Sint-Janskruid was, waarvan de olie niet alleen goed was voor het genezen van wonden maar ook een positieve uitwerking had op de moraal. Saul bekeek de gele bloempjes. Daarna pakte hij een vreemd gevormd groen blaadje van een hoopje.
- “En wat is dit?,” vroeg hij.
- “Herderstasje, “ zei Alosia. “Daarvan maken we een aftreksel dat wordt gebruikt om wonden te behandelen.”
Er lagen nog veel meer kruiden en er hingen talloze bosjes aan het plafond te drogen. Op een plank langs de muur stonden aardewerk en glazen potten met namen van kruiden als opschrift.
Saul keek het vertrek rond. Stoelen waren aan een kant opgestapeld om plaats te maken voor de vijf gewonden die op bedden ongeveer in het midden lagen. Er was een raam dat openstond en voor frisse lucht zorgde. Bloedspoeren op de keukentafel maakten duidelijk dat deze kennelijk ook als behandeltafel had gediend. Achter een gordijn bevond zich een raamloze zijkamer die vrijwel geheel door een tweepersoons ledikant in beslag werd genomen.
- “Nee,” gilde Luthilde opeens.
Saul hoorde dat ze de vijzel in de kom liet vallen en naar buiten rende. Hij greep zijn helm en rende achter haar aan. Hij zag hoe Luthilde zich op een Dwerg stortte die met een bijl had klaargestaan om deze in de boom op het erf te zetten. Ze had zijn opgeheven arm met twee handen vastgegrepen.
- “Laat dat,” gilde ze. “Ben je helemaal gek geworden. Je gaat mijn boom toch niet omhakken?”
De Dwerg keek haar verbaasd aan.
- “Orders van de baas,” zei hij.
- “Wie denk je dat hier de baas is?,” riep Luthilde.
- “Laat die boom maar staan,” zei Saul. “Als ze daar inklimmen, schieten we ze d'r zelf wel uit.” En tegen Luthilde:
- “Mogen we wel een paar bomen verderop aan de bosrand kappen?”
- “Wat zijn jullie eigenlijk van plan?,” vroeg Luthilde wanhopig. Ze liet de arm van de Dwerg los die hem opgelucht liet zakken.
Ook Alosia kwam aangetrippeld.
- “We proberen ons voor te bereiden op de komst van de Kobolden. We zijn bang dat ze ons hier niet met rust laten. En die bomen daar ..,” Saul wees op een paar bomen die uit de bosrand naar voren sprongen, “... zijn uitgelezen plaatsen om pijlen op de verdedigers af te schieten.”
- “Die bomen zijn niet alleen mijn vrienden, maar ook mijn raadgevers, medisch lexicon, farmacopee en wat al niet meer,” zei Luthilde. “Zonder die bomen kan ik niks. Zag je me daarnet niet aan de stam van deze boom hier luisteren? Hij vertelde me wat ik een van je gewonden moest geven.”
- “Hoe lang zijn jullie van plan bij ons te blijven?,” vroeg Alosia, terwijl ze met een hand een lok haar uit haar gezicht streek. Als ze er niet ook met haar wimpers bij had geknipperd, had Saul haar vraag als een verzoek kunnen opvatten om weer snel te verdwijnen en zo de mate van verwoesting te beperken. Nu leek het eerder een uitnodiging om met voorbijgaan aan het probleem van de bomen hun verblijf vooral niet te kort te laten duren. Luthilde interpreteerde haar woorden en gebaren ook op die manier. “Slet,” zei ze en liep met nijdige passen terug het huis in. “En blijf van mijn bomen af,” riep ze tegen iedereen die het horen kon voordat ze door de deuropening uit het zicht verdween.

De avond viel snel in. Er waren geen berichten over activiteiten van de Kobolden. Linus zette de wachtposten uit. De meeste Dwergen waren uitgeput gaan slapen. Alosia en Luthilde hadden hun ruzie weer bijgelegd en zaten aan het wrakke tafeltje dat op het erf stond. Er hing een wat onwerkelijk nazomersfeertje, alsof er geen dreiging bestond. Saul had ergens een krat gevonden, deze aangeschoven en daarop plaatsgenomen. Luthilde had een fles met haar eigengestookte slivovitsj op tafel gezet en wat kleine glaasjes ingeschonken. “We noemen het slivovitsj omdat er wel eens een pruim doorheen heeft gezeten, toen ons boompje nog pruimen gaf, maar tegenwoordig zit er van alles doorheen. Bramen, appels. Als je d'r maar genoeg alcohol bij doet, maakt dat niet zoveel uit,” zei ze. Saul vertelde wat ze hadden meegemaakt en wat het doel van hun reis was.
- “Werra? Zwarte wolven?,” zei Alosia, “Ik heb daar mijn fladdertjes over gehoord. Verder naar het oosten schijnt het vol met zwarte wolven te zijn. Er horen ook vogels bij. Valken en gieren, vertellen ze. Er zijn nogal wat vogels door ze aangevallen en die komen dan naar mij toe als ze het overleven.”
Linus kwam terug van zijn rondgang langs de wachtposten, zette zich eveneens aan het tafeltje en nam gretig een slok van het drankje dat hij van Luthilde had gekregen. “Jemig,” riep hij uit, toen de alcohol zijn mondholte verbrandde. Er sprongen tranen in zijn ogen en zijn gezicht liep rood aan. “Arme schat,” zei Alosia, “we hadden je even moeten waarschuwen. zo'n gevoelig soldaatje en dan al zo'n heftig heksenbrouwsel. Neem wat water.” En ze hield hem een glas voor.

Midden in de nacht werd Saul gewekt door een van zijn Dwergen. “Ze zijn er,” had deze hem toegefluisterd. Hij maakte zich los van het warme lichaam van Luthilde dat zich tegen hem had aangevlijd en van de arm die zij om hem heen had gelegd. Toen de duisternis was gevallen had hij haar gevraagd waar hij moest gaan liggen en zij had hem zonder iets te zeggen haar eigen bed gewezen. Er was, welbeschouwd, ook geen anders plaats geweest, maar de kus die ze hem gaf verhief de enig overgebleven ligplaats tot liefdesnest. Terwijl ze het gekreun van een gewonde die zich omdraaide voor lief namen, evenals het gevaar anderen te wekken, hadden zij elkaar met grote hartstocht bemind, waarbij de een iets van zijn vuur ontleende aan de doorstane spanningen en de ander iets van het hare aan de lange eenzaamheid. Daarna waren zij tegen elkaar aan in slaap gevallen.
Saul kleedde zich snel aan, trok zijn zacht rinkelende maliënkolder over zijn hoofd, gordde zijn riem om, greep zijn wapens en helm en rende naar buiten, naar de wachtpost die hem had gewekt. Het was een donkere nacht. Natuurlijk, dacht hij, dat is voor hen een voordeel. Als bewoners van de onderaarde konden Dwergen en Kobolden allebei veel meer in het donker onderscheiden dan bijvoorbeeld mensen, maar ten opzichte van elkaar verviel dat voordeel en bleef alleen het feit over dat het een donkere nacht was die de aanvaller meer dekking bood dan de verdediger.
- “Wat heb je gezien?,” vroeg hij hem op fluistertoon.
- “Beweging in het bos daar,” zei de wachtpost eveneens met gedempte stem en wees op een gedeelte van de donkere bosrand.
- “Weet je zeker dat het Kobolden zijn?”
- “Dat weet je alleen zeker als ze voor je neus staan en dan is het te laat.”
Saul knikte.
- “Is Linus al gewaarschuwd?”
- “Denk het niet. Ik heb hem nog niet gewaarschuwd. Ik ben meteen weer teruggegaan naar mijn post”
- “Prima. Blijf hier en hou me op de hoogte. Ik ga hem even halen. Pas goed op.”
De wachter knikte.
Linus zou de patrouilles opdracht moeten geven in de aangegeven richting te gaan kijken. Zelf zou hij meteen doorlopen naar de post op het dak. Hij ging snel het huis binnen en klom de trap op naar de tussenverdieping. Hier was de ruimte het grootst en lagen de meeste Dwergen te slapen. De borstweringen van stammetjes aan de uiteinden van de pijpenla waren klaar. Hij maakte Horatio wakker.
- “Ssst. Er is alarm. Laat ze nog even slapen, maar blijf zelf wakker en kijk goed uit.”
Horatio knikte en schoot overeind. Saul liep naar de trap naar de derde verdieping en klom naar boven. Hij was hier nog niet geweest. Ook hier lagen een paar Dwergen op de vloer te slapen, maar Linus was daar niet bij. Hij schoof het gordijn voor de zijkamer weg en bleef een ogenblik verbaasd kijken naar wat de restanten van een orgie leken. Boven op het bed dat er stond, lag een naakte Alosia met aan weerszijden een eveneens ontklede Dwerg. Ze had haar armen om beiden heengeslagen. Een van de Dwergen was Linus. Ook aan het voeteneinde en in de smalle ruimte tussen ledikant en muur lagen Dwergen. Saul probeerde Linus te bereiken zonder op iemand te staan, kreeg zijn hand te pakken en trok daaraan tot Linus zijn ogen opendeed.
- “Ssst. Alarm. Kom er uit.”
- “Eh ja. Moment. Ik kom meteen.”
Linus was zichtbaar verlegen met de situatie.
- “Sorry,” zei hij, terwijl hij zich aankleedde, “het liep een beetje uit de hand. Ze had al in geen jaren een vent gezien en de jongens zijn ook al een tijdje van huis. Ik ook, trouwens.”
Saul legde hem de situatie uit en gaf hem opdracht zijn patrouille en de andere wachtposten te waarschuwen. Daarna liep hij naar het balkon vanwaar hij met behulp van een provisorische ladder naar het dak klom.
- “Wat gezien?,” vroeg hij aan de wachter.
- “Nee, althans niets alarmerends,” zei de Dwerg.
- “Kijk goed uit, ondermeer naar de bosrand daar,” hij wees in de richting die de andere wachter had aangegeven. “Er is alarm geslagen.”
Daarna was hij weer naar beneden gegaan.

Ze kwamen tegen de ochtend, toen de duisternis het diepst was, dus nog voordat het prilste begin van een nieuwe dag zich als een streep aan de oostelijke hemel zou aftekenen. Linus patrouille had ontdekt dat er inderdaad Kobolden in het bos zaten. Maar zonder zelf te worden ontdekt konden de Dwergen van de patrouille niet vaststellen hoeveel het er waren. Ze hadden Kobolden gezien die zich in een kwart cirkel aan de bosrand hadden opgesteld. Er was dus nog geen sprake van een volledige omsingeling, maar Saul twijfelde er niet aan dat die gauw zou komen. Alle Dwergen waren inmiddels wakker en paraat. Doordat de omsingeling nog niet volledig was, was er dus nog gelegenheid om langs de achterzijde hout voor lange bogen te snijden, waarmee hij de Kobolden verder weg zou kunnen houden. Ze moesten lang genoeg zijn om de Kobolden uit de bomen aan de overzijde te schieten. Hij had aan de achterzijde ook nog een stapel stenen gezien, die naar het dak moesten worden gehaald en dus zette hij Linus aan het werk. De patrouille en de wachtpost op het erf had hij teruggetrokken omdat zij te kwetsbaar waren. Er bleef alleen een post achter bij de weg naar het dal, waarlangs eventueel de versterking uit Cyrillum zou komen, alhoewel hij die pas over twee dagen verwachtte. De bezetting op het dak was versterkt. De deuren en luiken aan de voorzijde van het huis waren gebarricadeerd. Tegen Luthilde zei hij dat ze naar boven, naar Alosia, moest gaan omdat ze daar veiliger was, maar Luthilde weigerde dat omdat ze beneden dichter bij de gewonden was en beter voor ze kon zorgen. Ze had daar haar kruiden en water, zolang ze nog bij de pomp achter het huis kon komen, en bovendien waren daar de gewonden en niet boven.
De aanval kwam toch nog onverwacht, hoewel iedereen erop was voorbereid. Saul rekende op een bombardement met pijlen of ander tuig om de verdediging te testen, maar blijkbaar vond de commandant tegenover hem, Joska, dat niet nodig. Niet helemaal ten onrechte ging Joska er vanuit dat het om dezelfde groep ging als waarmee ze eerder te maken hadden gehad. Hij beschikte over een aanzienlijke strijdmacht van honderdvijftig Kobolden – die nog versterkt zou worden door soldaten die vanuit Stratz onderweg waren - en had deze opdracht gegeven ladders te maken waarmee ze op de tussenverdieping konden komen. Op ruime afstand van de Heksenheuvel, ver genoeg om het geluid van hun gehak er niet toe door te laten dringen, waren ze aan het werk gegaan. Joska had ze ook opgedragen een stevige boomstam van takken te ontdoen en aan een uiteinde in een punt te laten toelopen. Toen ze dat hadden gedaan en ook een stuk of tien ladders gereed hadden, was Joska klaar. Hij had zijn soldaten voorgehouden dat hier hun kans lag om niet alleen af te rekenen met het smadelijk verleden, maar ook met de nederlaag die de Kobolden een paar degen eerder tegen uitgerekend deze Dwergen hadden geleden. Hij constateerde tevereden dat het moraal van zijn Kobolden hoog was. Joska wees een man of tien aan om de boomstam in looppas en zo hard mogelijk tegen de voordeur te rammen en nog eens tien om de ladders te dragen. De mannen met de ladders zouden voorop gaan, hun ladders tegen de voorgevel zetten en vasthouden. De rest zou pijlen schietend op het huis afrennen en de ladders beklimmen. Vervolgens wachtte hij op het meest geschikte tijdstip, namelijk dat waarop de Dwergen vast zouden slapen. Toen zijn verkenners meldden dat het stil was rond het huis, slopen Joska en zijn mannen vanuit hun schuilplaats naar de bosrand. Daar gaf hij het sein voor de aanval.
De Dwergen zagen tot hun verbazing hoe luidkeels joelend een stel ladders vanuit de bosrand door het open veld op hen afkwam. Het gejoel kwam van de tientallen Kobolden die achter de ladders aanrenden. Als de Dwergen nog hadden geslapen, zouden ze door dit gejoel zeker zijn gewekt. Op de tussenverdieping beval Horatio iedereen zuinig met pijlen te zijn en pas te schieten als ze binnen bereik waren en ze een duidelijk, niet te missen doel hadden. Ondertussen ging het transport van stenen naar het dak met dubbele energie voort.
Zodra de ladders binnen schootsafstand waren, daalde een regen van pijlen op hen neer. Bijna alle ladders vielen toen hun dragers waren geraakt, maar ze werden door degenen die achter hen kwamen weer opgeraapt en deze stormden met de ladders verder naar het huis. De Dwergenpijlen bleven echter komen en velden opnieuw veel ladderdragers. De Kobolden die achter de ladders kwamen, waren deze nu zo dicht genaderd dat zich een rennende kluwen had gevormd waarbinnen elke Dwergenpijl raak was. Dat belette ze echter niet de eerste ladders tegen de muur te zetten. Bij de Dwergen kwamen nu Horatio”s ladderduwers in actie die stokken met een gevorkt uiteinde hadden - 's middags nog in het bos gezocht - waarmee ze de ladders achterover konden duwen. De Kobolden zetten daarop de ladders veel schuiner tegen de gevel en sprongen er meteen met zoveel mogelijk man op om het terugduwen onmogelijk te maken. Horatio en zijn mannen probeerden vervolgens de ladders zijwaarts te doen kantelen, maar de opdringende rijen Kobolden gaven de klimmers dekking met een regen van pijlen die de afduwers dwong achter de borstwering dekking te zoeken totdat de klimmers zo hoog waren gevorderd dat de pijlen alleen hen konden raken. Vanaf het dak gooiden de Dwergen stenen naar beneden in de menigte Kobolden die daar klaarstond om de ladders te beklimmen, maar ook de stenengooiers waren blootgesteld aan de pijlen van de boogschutters. Tegelijkertijd naderde nu de stormram die door een lager tempo achterop was geraakt. Op de derde verdieping zag Linus door het raam de boomstam naderbij komen. Hij kon de nadering ook horen omdat de dragers “hoi, hoi, hoi” riepen in het tempo van hun looppas. Het duurde even voordat hij het gevaar doorhad, maar gaf toen zijn boogschutters en de stenengooiers op het dak opdracht op de dragers daarvan te mikken. Hij zag de ene na de andere drager vallen. De boomstam leek te aarzelen, maar Joska brulde andere Kobolden toe de plaats van de gevallenen in te nemen en daarna ging het weer verder met een eensgezind “hoi, hoi, hoi”. Vlak voor de deur staakte de opmars van de boomstam echter opnieuw omdat daar gevallen Kobolden lagen die eerst moesten worden weggesleept. Opnieuw vielen er veel slachtoffers onder de dragers die midden in het schootsveld van de verdedigers moesten wachten tot de weg was vrijgemaakt.
Op de tussenverdieping ging de strijd nu tussen klimmers die op de borstwering stonden en zich met hun korte zwaarden een weg naar binnen wilden hakken, en Dwergen die hen met hun knotsen en bijlen bestreden. Net als in het eerste gevecht was gebleken, waren de Kobolden in lijf-aan-lijf gevechten niet tegen de fysiek sterkere en beter bewapende Dwergen opgewassen. Maar de Kobolden hadden een grote overmacht en waren bovendien vastbesloten hun eerdere nederlaag te wreken. Vanaf de rand van het erf brulde Joska, als officier de enige Kobold met een maliënkolder die zijn bovenlichaam enigszins tegen pijlen beschermde, zijn mannen naar boven. Saul, die de hele tijd van boven naar beneden door het huis had gerend en overal zijn verdedigers had aangemoedigd, stond tussen de mannen van Horatio en liet zijn knots neerdalen op de onbeschermde hoofden van de Kobolden die zich boven de borstwering vertoonden. De Kobolden die achter hen kwamen, zochten eerst op het erf, waar nog hout was waarmee de borstwering was gemaakt, een geschikt stammetje dat ze tijdens het klimmen met een hand boven hun hoofd hielden terwijl ze hun hartsvanger tussen hun kaken geklemd hadden, om daarmee de slagen op te vangen. Maar het hielp niet veel.
Ondertussen hadden andere Kobolden de lichamen voor de deur weggesleept die de stormramzijn de doorgang had belet. De dragers namen de boomstam weer op en gingen verder met hun “hoi, hoi, hoi”. Saul deelde nog een klap met zijn knots uit en rende toen naar beneden. Zijn Dwergen hadden zich aan de zijkant van de deur opgesteld, klaar om elke binnendringende Kobold te vellen. “Deur open,” riep Saul. Zijn mannen keken hem ongelovig aan. “Open,” riep Saul nogmaals en rende zelf op de grendel af die de deur afsloot. De voorste Dwerg trok de sluitbalk weg en een ander lichtte de klink waardoor de deur openzwaaide, precies op het moment waarop de punt van de stormram hem zou raken. De Kobolden, die zich hadden ingesteld op een botsing met een deur maar niet met een gat, struikelden, lieten de boomstam los en vielen over elkaar. Gevolgd door zijn mannen sprong Saul bovenop de stam en hakte in op de Kobolden die op de grond lagen. Ze waren kansloos. Een Dwerg trok de stam naar binnen terwijl de anderen de dragers snel uitschakelden. “Terug,” riep Saul toen ze klaar waren. De Dwergen schoten weer naar binnen en sloten de deur met de grendel af.
Het mislukken van zijn stormram was voor Joska aanleiding de aanval af te breken. Hij had erg veel verliezen geleden, veel meer dan waarmee hij vooraf rekening had gehouden, en zijn laatste hoop was het forceren van de deur op de begane grond geweest. Met het verlies van zijn geprepareerde boomstam was die hoop verkeken en daarom gaf hij het sein voor de terugtocht. De Kobolden op het erf en op de ladders beëindigden hun gevechten en renden zo hard ze konden terug naar de bosrand.

Ze stonden op de tussenverdieping en keken naar beneden, Saul, Linus en Horatio. Het erf lag bezaaid met dode en gewonde Kobolden. Hun eigen verliezen waren gering. Drie Dwergen waren gedood en zes gewond. Maar Sauls vreugde over de afgeslagen aanval werd getemperd door het besef dat hij nog slechts drieëntwintig man over had, waarvan een flink aantal gewond was. Bovendien vulde de aanblik van de dood die op het erf had huisgehouden hem met afschuw.
- “Ik snap niet dat ze ons niet gewoon hebben belegerd,” zei Saul hoofdschuddend, “dat had een hoop levens gescheeld.”
- “Misschien waren ze bang dat als het te lang zou duren wij versterking uit Cyrillum zouden krijgen. Misschien hadden zij jouw plannetje wel gewoon door,” zei Linus.
- “Maar dan nog: dan ga je toch niet blindelings tegen een muur aanrennen? Dan probeer je toch eerst of je de boel in brand kunt schieten of zo? Met dat houten dak en die houten vloeren was ik daar het meest bang voor,” zei Saul.
- “Ik niet,” zei Horatio, “We hadden bluswater klaarstaan en de rest hadden we gewoon uitgetrapt.”

Het was inmiddels licht geworden. Een paar Dwergen groeven achter het huis een graf voor hun gestorven kameraden. Anderen zochten pijlen om de geslonken voorraden weer aan te vullen. Linus stuurde een patrouille op pad om te zien wat de Kobolden uitvoerden. Luthilde en Alosia verzorgden de gewonden. De meesten hadden niet al te ernstige pijlwonden aan armen en benen. Als de Dwergen dat al niet zelf hadden gedaan, probeerde Luthilde de pijl voorzichtig uit de wond te trekken en de wond schoon te maken en te desinfecteren met alcohol die ze zelf voor haar drankjes had gemaakt en gelukkig ruim op voorraad had. Daarna behandelde ze de wond met een kruidenafstreksel dat de kans op ontsteking verkleinde en genezing bespoedigde. Als het uittrekken niet ging zonder nog meer te beschadigen, verdoofde ze de wond en maakte daarna, als een ware chirurgijn, met een scherp mesje een insnede die ruim genoeg was om de pijl te verwijderen. De boom op het erf, dankbaar voor haar tussenkomst toen de Dwergen hem hadden willen omkappen, had haar verteld hoe ze dat moest doen. Ze was met een gezicht van afschuw over de dode en gewonde Kobolden, die rondom de boom lagen, heen gestapt om het hem te vragen. Alosia, die bij dergelijke operaties meestal ineenzeeg en door Luthilde moest worden bijgebracht en van de vloer geraapt, deed er vervolgens een verband omheen.
- “Kijk dan niet,” zei Luthilde.
- “Ik kon het niet laten,” zei Alosia. “en ik moest z'n arm of been vasthouden, weet je nog. Trouwens, wat had jij door die slivovitsj van gisterenavond heen gedaan?”
- “Rozenwortel,” antwoordde Luthilde, “de appels waren op. Waarom vraag je dat?” Ze glimlachte vals.
- “Nou, eh ... zomaar.”
Er was een vage blos op de wangen van Alosia verschenen. De blik in haar ogen verried dat het niet om de herkomst van hoofdpijn ging, maar om iets anders.
- “Hoeveel?,” vroeg Luthilde alleen maar.
Alosia dacht even na.
- “Dat wil je niet weten. Ik weet het zelf niet meer.”
- “Hoeveel?,” herhaalde Luthilde met de zekerheid van een visser die een net uit een kweekvijver ophaalt.
- “Drie of vier,” zei Alosia, terwijl ze naar het plafond keek, “maar het waren kleintjes” voegde ze er verontschuldigend aan toe.
- “Slet.”
- “Heks.”

Een Kobold was, zwaaiend met een witte vlag, naar het huis gelopen en had aan Horatio gevraagd of ze hun doden en gewonden mochten weghalen. Horatio had tien ongewapende Kobolden toegestaan, die met geïmproviseerde draagbaren kwamen aangerend, waar ze haastig hun gevallenen op legden om die snel naar de bosrand af te voeren. Luthilde en Alosia liepen tussen de gewonden door om ze water te geven. Een gewonde Kobold wilde kruipend wegvluchten omdat hij dacht dat de twee heksen hem wilde vergiftigen, maar Alosia rende hem achterna en stelde hem gerust. “Hé gekkie, blijf nou liggen tot ze je halen. Ze komen er zo aan. Van dat gekruip krijg je een vieze broek. Hier, neem vast wat water. Dat zal je goed doen,” zei ze. Ze goot wat water uit haar theeketeltje in zijn mond. “Waarom moesten jullie nou zo nodig knokken? De hormoontjes zeker, hè?” Twee Kobolden die een gewonde wilden meenemen moesten wachten tot Luthilde en Alosia met hem klaar waren. Hij had een lelijke hoofdwond die Luthilde wilde verzorgen voordat hij meeging. Ze was bezig de wond zo goed mogelijk schoon te maken en Alosia zat klaar met een verband. Toen zijn hoofd was omwikkeld, goot Luthilde nog wat water tussen zijn lippen. “Voorzichtig,” zei ze tegen de Kobolden, “hij heeft zich lelijk bezeerd.” De Kobolden knikten, bedankten haar voor de zorg en namen hem behoedzaam op hun draagbaar mee. “Lelijk bezeerd” had ze gezegd alsof het een patiënt uit de buurt was. Het was gelukkig geen echte oorlog, dacht Saul die het allemaal gadesloeg en hoorde, “meer een rel op het dorpsplein met een paar vermanende buurvrouwen erbij, maar wel een met nogal wat slachtoffers.”

Die dag schreef Joska een brief aan koning Hellman:

Majesteit,
 
Ik heb geen goed nieuws.
Ik meende dat de moraal van onze jonge strijdmacht gediend zou zijn met een snel succes. Daarom heb ik meteen het huis aangevallen, waarin onze tegenstanders zich hadden verschanst.
Deze aanval is afgeslagen. Onze soldaten hebben zich op elk terrein onderscheiden, maar zij waren door het hevige verzet niet in staat het huis te bezetten. Zij hebben als leeuwen gevochten, wat uit de verliezen blijkt, maar ze werden telkens teruggeslagen. Nochtans bleven zij aanvallen. Ik heb uiteindelijk het sein voor de terugtocht moeten geven.
Na afloop bleken 47 van mijn soldaten de dood te hebben gevonden. 63 zijn gewond geraakt.
Ik heb bewust voor de toegepaste tactiek gekozen en daarbij andere, die succes op langere termijn beloofden, ter zijde gelegd. De resultaten van eerdere treffens met onze tegenstanders maakten het mijns inzies ongewenst de komst van een ontzettingsmacht te riskeren. De gevolgen bezie ik met afschuw.
Ik aanvaard de verantwoordelijkheid voor onze terugtocht die ik zelf als een nederlaag beschouw en bied u mijn ontslag aan.
In afwachting van een vervanger heb ik de rest van mijn soldaten teruggetrokken.

Uw dienstwillige dienaar

Joska

Hij schreef niet wat hij nog meer dacht. Dat hij opdracht had gekregen om snel succes te boeken met soldaten die toegerust waren voor verkenningen, maar niet voor veldslagen en belegeringen. Dat zijn verzoek om legionairs was weggehoond omdat die te ver weg waren gelegerd voor een snelle overwinning en omdat hij immers over een vijfvoudige overmacht beschikte. Zijn opvolger zou het wel niet met hem eens zijn. Hij vouwde de brief dicht en gaf hem aan een koerier die klaarstond om hem naar Koboldia te brengen.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken