Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

De val van Umar

De grot van Umar lag in een nauwe kloof in een van de eerste bergruggen die je vanuit het noordoostelijk laagland, dat het stroomgebied van de rivier de Drent vormde, tegenkwam. De kloof leek een veelbelovend begin van een weg dwars door het gebergte naar de andere kant ervan, maar wie die deze route nam stuitte al gauw op het massief van de Magar dat achter de kloof oprees. Wie het massief wilde passeren, moest zijn weg langs de steile en vrijwel onbegaanbare hellingen van de berg zoeken. Er was een pas die ging door het zadel tussen de Magar en de naamloze piek die zuidoostelijk naast hem lag, maar daarmee was alles gezegd. Doordat de Magar zoveel boven het omliggende bergland uitsteeg, lag de pas op zijn flanken hoger dan sommige naburige bergpieken en verschilden de omstandigheden ook niet van die op deze kale en verweerde rotspunten. Vroeger had een enkele reiziger wel eens gemeend zich de enorme omweg om het gebergte heen te kunnen besparen door via de pas af te steken, maar de grote problemen die de route opleverden hadden hem er verder van doen afzien en menigeen halverwege doen omkeren. Het slechte weer werd als een wolk spreeuwen door de kale piek van de Magar aangetrokken en spoedde zich zelfs in hoogzomer van veraf naar de top toe om zich daaromheen te vleien en zich in regen-, hagel-, donder- en sneeuwbuien van zijn ballast op de hellingen van de berg te ontdoen. Paarden en ezels moesten bij de beklimming van de rotsige pas worden achtergelaten, vaak met de handelswaar die ze torsten. Zonder die bagage had de reiziger meestal niets meer aan de andere kant had te zoeken. Daardoor werden de pas, als deze de naam al verdiende, en de kloof die ernaartoe leidde weinig gebruikt en uiteindelijk vergeten. De enige die het ravijn nog gebruikte was de beek die van de Magar afkwam en zich een weg zocht naar de Drent en die zonder twijfel ook de veroorzaker van de insnijding was geweest.
De enige mensen die, naast enkele gefrustreerde reizigers, de kloof hadden gekend waren de prehistorische bewoners van de grot geweest die zich in de wand van de kloof bevond. De aanwezigheid van water, een overvloed van wild in de directe omgeving en van vruchtbaar land op de lager hellingen vlakbij de kloof, maar vooral de beschutting die de grot 's winters bood, maakten deze tot een uitgelezen vestigingsplaats. Op de lange winteravonden als de bewoners bijeengedromd om het vuur zaten dat in de rokerige voorruimte zal zijn onderhouden, was een enkeling bij het schijnsel van de vlammen jachttaferelen gaan schilderen op de gladdere delen van de rotswand. Hij had verf gemaakt van rode leem en roet, vermengd met spuug en bijenwas en met andere materialen die hij vond en die bijdroegen aan de kleuren die hij wilde maken. Met een takje dat hij aan het eind kwastachtig had uitgekauwd bracht hij de verf op de wand aan. Hij tekende eerst de omtrekken van zijn hand en daarna, toen hij de techniek eenmaal onder de knie had, mammoeten, wisenten, bizons, oerossen, herten. De ontmoetingen met deze dieren waren de grote gebeurtenissen uit zijn bestaan. Hij schilderde ze met vaste hand en in krachtige kleuren die dankzij de constante atmosfeer en de duisternis in de grot nauwelijks onder de tijd hadden geleden. In zijn schilderingen verried hij een uitstekend waarnemer te zijn en het talent te hebben om zijn waarnemingen ook uit te beelden. Misschien beoogde hij met zijn schilderingen macht te verkrijgen over de dieren die hij afbeelde of poogde hij door zijn jachtprestaties aanschouwelijk te maken het respect van zijn stamgenoten te vergroten. Om dat laatste nog wat aan te wakkeren had hij zichzelf afgebeeld terwijl hij met een spies dieren te lijf ging die veel groter waren dan hijzelf. Maar wat het doel ook was, hij of zij was zeker een van de eerste mensen die de regelmaat van jagen, eten, vechten en paren doorbrak om toe te geven aan de behoefte om de eigen omgeving te versieren en de hoogtepunten van zijn realiteit uit te beelden zoals die zich voordeden. Zo diende zich in de lange winter van de laatste ijstijd de dageraad van de scheppende mens aan.
Uiteindelijk waren de grotbewoners weggetrokken en waren de wolven gekomen die vanaf dat moment de grot niet meer hadden verlaten. Sindsdien had er een onafzienbare rij generaties van wolven gewoond, geleefd, gevochten, was er gestorven en opgevolgd door nieuwe. De laatste in deze lange rij was de generatie van Umar, een sterke grijze wolf die in de gemeenschap in hoog aanzien stond – niet veel wolven konden erop bogen eigenaar van een grot te zijn – en naar wie de grot was genoemd, zoals deze voor hem naar zijn vader was vernoemd en daarvoor naar diens vader enzovoort.
De grot bestond uit een ruim gewelf dat op het oosten lag. De koude die 's winters vanuit het oosten werd aangevoerd werd buitengehouden door de steile rotswand aan de overzijde van de kloof die hoog boven de ingang uitstak en deze volledig afschermde. In de achterwand van het ingangsgewelf bevonden zich een doorgang naar de dieper gelegen grot. Het geheel zou onderdak kunnen bieden aan wel tien roedels, vooral als je bedacht dat er net als in de prehistorie voldoende voedsel in de omgeving was te vinden. De bossen rondom de grot waren rijk genoeg aan alle soorten wild, groot en klein. In de kloof voor de grot stroomde als vanouds de beek die niet alleen een beschuttende begroeiing opleverde waardoor de ingang van de grot bijna aan het zicht was onttrokken, maar ook een onophoudelijke toevloed van vers water was dat een stukje verderop zelfs een meertje had gevormd waar groot wild als herten, moeflons en gemzen regelmatig kwam drinken.
De wolven die hier onder deze idyllische omstandigheden huisden hadden alle redenen om tevreden te zijn, maar zij waren dat niet en Umar was dat evenmin. Werra had, ingenomen met alle voordelen die de grot bood, zijn oog, of - liever gezegd – het allesziende oog van Asa, op Umars huis laten vallen en had Stern naar hem toegestuurd. Als Umars wolven toen hadden geweten wat ze later wisten, hadden ze Stern niet eens doorgelaten. De zwarte wolf was opeens verschenen.
- “Ben jij Umar, de roedelleider?”
Umar had geknikt.
- “Ik ben Stern, de afgevaardigde van Werra. Ik zou graag een gesprek met je willen hebben.”
Ze hadden een gesprek gehad waarin Stern Umar had gepolst over samenwerking met Werra. Samenwerking, waarvoor? - had Umar gevraagd. Stern vertelde dat Werra roedels zocht die hem konden helpen zijn voedselprobleem op te lossen, en de grote roedel van Umar had beslist mogelijkheden daartoe, niet alleen doordat hij in een rijk jachtgebied woonde, maar ook doordat hij voldoende wolven had om het wild te vervoeren. Maar Umar had dat idee weggewuifd. Zijn roedel was groot, inderdaad, maar daardoor leek zijn voedselvoorraad groter dan deze was. Met dat antwoord was Stern niet erg ingenomen geweest. De nood was hoog, zei hij, en wolven hadden de taak hun broeders bij te staan. Werra zou boos zijn. Wie was die Werra?, vroeg Umar. Stern vertelde dat hij de leider was van de grootste roedel op aarde die duizenden wolven omvatte. Zo veel?, vroeg Umar, geen wonder dat je dan problemen met voedsel kreeg. Stern had geknikt en verteld dat verschillende leiders hun roedels bij Werra hadden aangesloten om samen een blok te vormen tegen de verkleining van hun leefgebied door de mensen. Want dat was de oorzaak van Werra's voedselgebrek, zei Stern. Of hij, Umar, er niet voor voelde zich aan te sluiten. Het was ook in zijn belang, zei Stern, en het gaf geen pas andere wolven de kastanjes uit het vuur te laten slepen en zelf niet mee te doen. Maar Umar had zijn kop geschud. Hij herinnerde Stern aan een uitspraak van de wolvenkoning, enige tijd geleden, waarin deze had gezegd dat hun leefgebied weliswaar kleiner werd, maar nog steeds groot genoeg was. Toen Umar het over de wolvenkoning had, veranderde de houding van Stern. Wie was die wolvenkoning, vroeg Stern op zijn beurt aan Umar. Volgens hem zou Werra een betere wolvenkoning zijn en zo dachten al die ander roedels, die wèl meededen, er ook over.
Het gesprek was op niets uitgelopen en Stern was weggegaan. Maar later was hij teruggekomen om Umar te vertellen dat Werra inderdaad ontstemd was geweest over zijn weigering. Hij vertelde dat Werra vanwege de behoeftigheid van zijn volk zijn weigering niet kon accepteren, maar dat hij Umar en zijn roedel, als Umar van mening veranderde, wel een bevoorrechte positie zou geven. Of hij, Umar, er nog eens over na wilde denken omdat Werra anders andere maatregelen zou moeten nemen. Wat dat voor andere maatregelen waren?, wilde Umar graag weten. Stern kon of wilde dat niet precies zeggen, maar zinspeelde op de mogelijkheid dat Werra dan zijn wolven zou sturen om de grot in te nemen. Daarna was Stern weer vertrokken.
Umar wist niet goed wat hij hiermee aanmoest. Moest hij Werra en Stern serieus nemen? Hij vroeg het een paar zwaluwen die bij hem neerstreken en ging naar bevriende roedels toe en toen hij terugkwam was hij bezorgd. Al was er geen aanwijzing voor een aanval, het werd toch tijd om een paar maatregelen te treffen. Hij bracht de vierendertig wolven die zijn roedel vormden op de hoogte van Werra's dreigement. Hij stelde een paar verkenners aan die Werra in de gaten moesten houden. Een daarvan posteerde hij op de heuvel boven de grot die van daaruit een wijds uitzicht op de hele omgeving had, de andere moest voortdurend heen en weer lopen langs de grens met het laagland waar Werra vandaan zou komen als hij een aanval van plan was. Aan de uiteinden van de kloof, waar de naakte rotswanden elkaar bijna raakten en loodrechte naar beneden liepen, liet hij versperringen maken van takken en bomen die ze in het bos vonden en datzelfde deed hij voor de ingang van de grot. In de grot sloeg hij zoveel mogelijk plantaardig voedsel op, zoals kool, bessen en andere vruchten. Als Werra er aankwam, zouden ze ook vers vlees opslaan. Deze voorraad kon ze in staat stellen langer weerstand te bieden als ze niet buiten hun eigen versperringen konden komen om te jagen.
Met zijn vierendertig wolven had Umar wel een grote roedel, maar die zou nog steeds niet opgewassen zijn tegen de duizenden waarover Stern had gesproken. Daarom nodigde hij een paar naburige roedels uit om de verdediging te komen versterken en later – in de winter – te profiteren van de voordelen en de ruime voedselvoorraden die de grot van Umar en zijn omgeving bood. Twee roedels besloten inderdaad te komen waardoor het aantal verdedigers steeg tot vierenvijftig. Weliswaar was dat nog steeds veel te weinig om het tegen Werra op te nemen, maar misschien was het aantal groot genoeg om de grot, die in een vesting was veranderd, een tijdje te verdedigen.
Maar nu was zijn verkenner, die langs de grens van het laagland patrouilleerde, met het verontrustende bericht teruggekomen dat hij grote groepen zwarte wolven in het laagland had gezien, en ook de verkenner die op de heuveltop had gestaan, kwam vertellen dat hij die had waargenomen. Umar had de verkenners teruggezonden en zijn wolven gezegd dat ze zoveel mogelijk vlees moesten opslaan, het teken dat de vijand eraan kwam. Hij was vervolgens naar de top van de berg geklommen en naast zijn verkenner gaan zitten om de nadering van Werra te bekijken. Wat hij zag, stelde hem allerminst gerust.
De top van zijn berg was kaal en bood een schitterend uitzicht op de wijde omtrek. Hij kon het oostelijke laagland overzien van het noorden tot bijna in het zuiden waar de bergrug waarop hij zat oostwaarts uitstulpte. Hij zag de uitgestrekte groene steppen, doorsneden met rivieren, met daarachter de gelige vlakten waar de mensen graan verbouwden. Hier en daar vertoonde het najaar zich met bruine kleuraccenten tussen het groen. Heel in de verte zag hij steden en dorpen van de mensen liggen, verbonden door wegen. In het noorden gingen de grasvlakten verder in de richting van de Tingboom. Hij had hier menigmaal gezeten met zijn neus in de wind die hier altijd woei en die geuren vanuit alle verten aanvoerde, maar hij had het gevoel dat dit wel eens de laatste keer kon zijn. Onder de bergrug zag hij zwarte stippen tussen de bomen en in de groene velden. Hoe langer hij keek, des te meer hij er zag. Boven de stippen, zelfs hoger dan hij zelf zat, bewogen grote vogels door de lucht. “Hij komt eraan, de boosaardige” zei zijn verkenner. “Hij komt over de grond en door de lucht.”
- “Hoe lang nog?,” vroeg hij de verkenner.
- “Ik denk dat ze hier voor de avond zijn.”
Umar bleef zwijgend naar de stippen kijken. Op deze afstand leken ze nauwelijks te bewegen, maar hij wist dat ze dat wel degelijk deden. Ze kwamen snel en in groten getale op hem en zijn grot af. En hij twijfelde er niet aan dat wat hij zag niet alles was. Er zouden er meer komen en er zouden groepen langs andere routes naar hem onderweg kunnen zijn.
- “Kunnen we niet beter vertrekken?,” vroeg de verkenner. “Hier kunnen we nooit tegenop.”
Umar zweeg. Wat was de zin van tegenstand bieden aan een overmacht, zo verpletterend als deze?
- “Wat moeten we dan doen?,” vroeg hij. “Wolven verdedigen hun leefgebied. Meestal hebben we geen flauw idee hoe groot en sterk onze tegenstander is, maar we verdedigen het. Nu zien we toevallig hoe groot hij is. Moeten we daarom weglopen en tegen Werra zeggen: “Ga je gang maar, pak maar wat je pakken wilt?” Het minste dat we kunnen doen is hem duidelijk maken dat er wolven zijn die opkomen voor hun rechten, al was het vanwege al die anderen die hij hun leefgebied wil ontnemen.”
Hij keek weer naar de zwarte stippen in de verte. Een grote valk hing in de lucht boven de berg met Umar en zijn verkenner en schreeuwde. Een aangeleerde schreeuw, dacht Umar, valken schreeuwen niet als ze in de lucht zijn.
- “Voel je dat?,” vroeg hij de verkenner terwijl hij nadenkend voor zich uit keek.
- “Wat?,” vroeg de verkenner.
- “Voel je die dreiging uit het zuiden en het oosten. Alle vogels die hier thuishoren zijn weg. Je hoort ze niet meer en ziet ze nauwelijks. De laatste vliegen nog laag boven het bos om weg te komen. Zelfs insekten hoor ik niet meer. Het lijkt wel of de bloemen die hier staan zich in hun knop terugtrekken, zoals ze doen als de zon ondergaat.”
- “Ja, nu je het zegt,” zei de andere wolf.
- “Dat is Het Kwaad,” zei Umar.
- “Weet je wat me zo nijdig maakt,” vervolgde hij tegen de verkenner. “Werra zegt dat het hem om leefgebied gaat dat ons, wolven, door de mensen is ontnomen. Dat we ons sterk moeten maken tegenover de mensen en dat hij daarin onze leider wil zijn. Maar het enige dat hij doet is andere wolven hun leefgebied afpakken. Op jou, op mij en op alle anderen uit onze groep rust de trieste taak om hem namens de rest van de wolvengemeenschap duidelijk te maken dat dat niet vanzelf gaat.”
Umar draaide zich om, daalde de berg weer af en ging terug naar zijn grot. In de spelonk achter de hoofdgrot lagen drie wolvinnen met hun welpen. Gelukkig waren de welpen groot genoeg om zelf te lopen. Ze sprongen vrolijk op hem af en likten zijn bek, maar hij had nu geen tijd om met ze te ravotten. “Werra komt eraan,” zei hij tegen de wolvinnen. “Jullie moeten zo snel mogelijk vertrekken. Ga naar het westen en zorg dat je zo ver mogelijk uit de buurt bent. Jullie kunnen samen een zelfstandige roedel vormen. Als alles hier weer normaal is, komen jullie weer terug.” Als alles weer normaal is – het had geruststellend geklonken alsof het een voorbijgaand incident zou zijn, maar dat geloofde hij niet. Umar zag erop toe dat ze inderdaad vertrokken. Hij liep naar de meest westelijke versperring die rechts van de ingang van de grot lag. Hij had Stijn aangesteld als leider van de tien wolven die hier de wacht hielden. Hij bekeek de barricade die bestond uit hoog opgetaste stammen en takken. In het midden was een smalle doorgang opengelaten; ernaast lag het sluithout klaar. Hij vertelde Stijn dat hij de opening definitief moest sluiten als de wolvinnen en hun welpen waren gepasseerd. “Komt Werra eraan?,” vroeg Stijn. Umar had geknikt en Stijn had niet meer gevraagd.
Daarna ging Umar naar de oostelijke versperring. Hier verwachtte hij de eerste aanval en had hij de meeste wolven neergezet. Hun aanvoerder was Zeth, een ontzettend grote wolf die leider was van een van de roedels die Umar op het laatst te hulp waren gekomen. Ook hier lag een hoge barricade klaar, die alleen nog in het midden moest worden afgesloten.
- “Het gaat straks beginnen, Zeth,” zei hij tegen hem, “is iedereen binnen?” Zeth knikte.
- “Wanneer verwacht je ze?,” vroeg hij aan Umar.
- “Voor de avond,” zei Umar, “maar misschien vallen ze pas morgenochtend aan. Probeer nog zoveel mogelijk eten binnen te halen, maar zorg ervoor dat je geen jagers buitensluit als je de versperring dichtmaakt.”
Toen hij terugkwam in de grot vond hij daar Stijn.
- “Het water stroomt hier van west naar oost. Als we de bevers vragen de beek bij de versperring af te sluiten, komt de westelijke toegang onder water te staan en wordt het een stuk lastiger om ons van die kant aan te vallen,” zei Stijn.
- “Verdrinkt de hele grot dan niet?,” vroeg Umar.
- “Volgens mij niet. De grond aan de andere kant van de versperring loopt in westelijke richting een stukje naar beneden. Het water zou zich aan de andere kant van de versperring verzamelen, niet aan deze kant.”
- “Maar waarom zouden de bevers ons helpen? Ze zijn bang voor ons,” zei Umar.
- “Misschien wel. Maar ze hebben hier niets van ons te vrezen gehad omdat we makkelijkere en grotere prooien voor het grijpen hadden. En als Werra hier komt, heeft hij zoveel voedsel nodig dat hij de bevers niet zal ontzien.”
- “Goed idee, Stijn, ga meteen met ze praten en vraag hoeveel tijd ze nodig hebben. Misschien kunnen we ze helpen bij het bouwen van de dam.”

Na korte tijd was Stijn weer terug.
- “Hij wil alleen met de leider praten,” zei hij.
- “We gaan samen,” zei Umar. “Hoe heet hij?”
- “Wilhelm.”
Ze klommen over de half-versperde doorgang die Stijns wolven nog aan het afsluiten waren. Met tevredenheid constateerde Umar dat het een hele opgave was de barricade, zelfs terwijl hij pas half-hoog was, te passeren. De poten van een wolf zakten tussen de stammen weg zodat hij een makkelijke prooi voor de verdedigers zou zijn. Ze liepen verder en staken de beek over. Op de andere oever, vlak onder de rotswand, liep Stijn naar een stapel takken toe die eruit zagen alsof ze met de stroom waren meegevoerd. Onder de takken, half in het water, verbleef Wilhelm, die bij hun nadering tevoorschijn kwam, druipend uit zijn roodbruine vacht.
- “Blijf daar maar staan,” riep hij hen toe, toen ze nog een paar meter van hem verwijderd waren.
- “Ik heb onze leider Umar meegenomen,” zei Stijn.
- “Gegroet, grote beverleider,” zei Umar.
- “Komt ge in vrede, Umar, of ziet ge in mij en mijn bloedverwanten slechts voedsel voor uw onverzadigbare magen.” Hij sliste een beetje door zijn grote voortanden. Een paar pedante oortjes draaiden op zijn kop heen en weer. Langs zijn opvallende snor keken zijn donkere ogen hem onderzoekend aan.
- “Ik kom in vrede en om u te waarschuwen voor wolven die dat niet zullen doen,” zei Umar.
- “Wat betekent vrede voor iemand als gij, Umar, tussen wiens kaken de vreedzaamheid van deze vallei menigmaal in doodsgezang is gestorven. Voor wie de wrede dood van andere dieren een noodzaak is?”
Umar bereidde zich voor op een langdurig onderhoud.
- “Wij komen juist om daarover te praten, Wilhelm. Er komen boosaardige zwarte wolven aan die u en ons zullen verzwelgen.” Hij betrapte zich erop dat hij de plechtstatige manier van spreken van de bever overnam. “U kunt ons helpen in ons beider belang deze dreiging te weerstaan.”
- “Moet de onschuldige veldmuis de vileine adder geloven die hem vraagt te helpen, zodat hij op een gelegener tijdstip slechts met meer smaak tot zijn dis mag strekken?,” vroeg hij. “Moet de arme ...” Wilhelm wilde nog even in bloemrijk ingeklede metaforen doorgaan, maar Umar onderbrak hem.
- “Vergelijk mij niet met een adder, Wilhelm,” zei Umar. “Als ik u had willen opeten, was ik nu al met het puntje van uw grote staart beziggeweest. Ik beloof u dat ik u en uw familie niet laat opeten als u ons helpt met het bouwen van een dam in de beek. Dit is een goed en eerlijk voorstel, dat ook in uw eigen belang is.”
De bever begreep dat Umar haast had en hem een belangwekkend voorstel had gedaan. Umar vertelde hem wat er dreigde en wat hij van hem wilde.
- “Maar de kamers van onze kinderen alsmede onze kinderen zelve, de vruchten van de schoot van mijn gemalin, zullen aan deze watersnood ten offer vallen,” zei Wilhelm.
- “Verplaats uw gemalin, uw kinderen en hun kamers stroomopwaarts, dan zijn ze ook veilig voor de zwarte wolven,” zei Umar.
Wilhelm moest daarover nadenken, maar Umar en Stijn hadden geen tijd meer om daarop te wachten en gingen weg.
- “We gaan zelf die dam bouwen,” zei Umar tegen Stijn. “Waarschijnlijk komt hij dan wel helpen. Wilhelm ziet dan dat er toch een dam komt en zelfs hij snapt dat hij meer heeft aan een dam met, dan een zonder een afspraak over niet opgegeten worden. En die kinderen – volgens mij heb ik die allang zien zwemmen.”

Lanz zat op een heuvel vlakbij de kloof vanwaar hij een goed zicht had op de oostelijke ingang. Op de tegenover de ingang gelegen hellingen zag hij grote groepen zwarte wolven die zich daar hadden verzameld. Hij had een kleinere groep onder leiding van Stavros om de kloof heen gezonden en wachtte tot hij bericht had ontvangen dat die daar was aangekomen. Hij kon vanaf zijn plaats een deel van de versperring zien die bij de oostelijk ingang was opgericht. Hij had aan een verkenner gevraagd wat dat voor takkenbossen waren en die had hem verteld dat ze de hele doorgang blokkeerden en dat de grijze wolven van Umar zich aan de andere kant bevonden. De hoop dat ze de grot van Umar gewoon zouden binnenwandelen, links en rechts wat bijten en dat daarmee de grot van hen zou zijn, was daarmee vervlogen. Hij zou iets anders moeten bedenken. Hij kon zijn wolven tegen de versperring opsturen en kijken wat er zou gebeuren. Weliswaar zou het afdalen aan de andere kant van de versperring lastig zijn, maar daartegenover stond dat hij een grote overmacht had die elk voordeel voor de verdedigers teniet zou doen.
Naast hem streek een van Asa”s slechtvalken neer.
- “Aan de andere kant is ook zo'n versperring,” berichtte deze. “Bovendien zijn ze daar in de beek onder de versperring een dam aan het bouwen.”
Een dam, dacht Lanz, wat willen ze daar mee?
- “Hoever is Stavros?,” vroeg hij aan de valk omdat hij wilde weten waar de groep was die hij om de kloof heen had gestuurd.
- “Halverwege,” zei de valk, “ze moeten een grote omweg maken.”
- “Zeg hem dat hij zich moet haasten,” zei Lanz, “en dat hij meteen moet aanvallen als hij is aangekomen.” De vogel vloog weg.
Een zwarte wolf, die keurig had gewacht tot hij met de valk was uitgepraat, kwam nu naar hem toe.
- “Dino laat weten dat hij klaar is,” zei hij.
Lanz keek naar de hellingen die voor de oostelijke ingang van de kloof uitkwamen. Het krioelde daar van de zwarte stippen. Het leken er duizenden, maar in werkelijkheid waren het er zevenhonderd.
- “Zeg Dino dat hij nog even geduld moet hebben totdat Stavros klaar is,” zei hij tegen de boodschapper.
Lanz mocht zich verheugen in de welgezindheid van zijn leider. Die had hij, vond hijzelf, ook wel verdiend. Hij had zich jarenlang behoorlijk uitgesloofd. Hij was begonnen als gewone wolf maar werd al gauw vanwege zijn forse formaat geselecteerd voor de persoonlijke lijfwacht van de leider. Daar werd hem duidelijk gemaakt dat hij zich zo snel mogelijk moest zien te ontdoen van de weekhartigheid, die wolven ten aanzien van hun soortgenoten eigen was. De taak van een lijfwacht was niet alleen zorgen dat de leider niets overkwam – deze leider zag eruit alsof hem niet zo gauw iets zou overkomen – maar ook zorgen dat zijn opdrachten stipt werden uitgevoerd. Menig onnozele wolf dacht dat als de leider niet keek, het met zijn opdrachten niet zo'n vaart zou lopen. “Wolven zijn geen mieren,” zo werd er gemord en dat betekende dat wolven zelf vonden dat ze niet in de wieg waren gelegd voor het uitvoeren van allerlei opdrachten. Maar Werra had duidelijk gemaakt dat eigenheid geen obstakel mocht zijn voor opofferingsgezindheid. “Leven is ook zo'n eigenheid. Om te kunnen leven moeten we offers brengen. Niemand is als offer in de wieg gelegd. Is dat dan een reden om geen offers te brengen?” Hij, Lanz, had deze uitspraak zeer letterlijk genomen en elke geneigdheid die hij had bespeurd om een opdracht niet uit te voeren met een knauw de kop ingedrukt. Zo was hij opgeklommen in de rangorde van de lijfwacht en uiteindelijk leider daarvan geworden. Hij had genoten van het respect dat hij daarmee had verworven, afgedwongen of niet. Maar zijn loopbaan had zijn hoogtepunt nog niet bereikt. Werra belastte hem met het aanvoerderschap van een van zijn grootste strijdroedels. Daarmee had hij voorbeeldige resultaten geboekt. Hij had veel aanvallen op mensen uitgevoerd, en met succes. Omdat er ook steeds meer wolven kwamen, was zijn strijdroedel bovendien alsmaar groter geworden. En toen had Werra hem opnieuw bij zich geroepen.
- “Je weet dat we hier uitgroeien,” zei hij, doelend op de grot onder de berg. “We zijn al een tijdje op zoek naar net zo'n plek en die hebben we nu gevonden. Ken je de grot van Umar?” Lanz had zijn kop geschud. “Die wil ik hebben, maar er is een moeilijkheidje en dat heet Umar. Hij is de leider van de roedel die in de grot woont. Umar wil er niet uit en hij wil ook niet meedoen. Ik stuur er dus een flinke strijdmacht van zo'n twintig grote roedels naartoe om de grot in te nemen en jij wordt de leider van die strijdmacht. Ik vertrouw erop dat je mij niet teleurstelt.” Dat was de meest vererende opdracht geweest die hij had gekregen en al zou hij zijn eigen staart moeten opeten, hij zou Werra niet teleurstellen.
Asa landde naast hem op de heuveltop.
- “Aan deze kant heeft Umar zo'n veertig wolven, aan de andere kant tien,” zei hij. “Bij elkaar amper een van jouw roedels. Aan de andere kant van de kloof hebben ze iets slims gedaan: een dam gebouwd in de beek, waardoor het terrein voor de versperring onder water loopt. Stavros moet voortmaken anders kan hij niet eens bij de versperring komen.”
- “Een beetje water hoeft geen probleem voor hem te zijn. Wolven hebben geen veren die nat worden waarna ze niet meer kunnen vliegen,” zei Lanz die een hekel aan Asa had. In zijn ogen was de valk een spion van Werra die de leider vooral vertelde wat niet goed ging en desnoods de waarheid een beetje verdraaide om er zelf beter van te worden.
- “Nee, jullie zijn geen valken. Dat blijkt. Wij hebben geen last van versperringen,” zei Asa. “Ik wilde je waarschuwen dat het voor een wolf wel eens lastig kan zijn om vanuit het water op een versperring te klimmen.”
- “Ik krijg trek in valk,” zei Lanz.
- “Pas maar op dat ik geen trek krijg in Lanz,” zei Asa.
- “Niet jij krijgt trek in Lanz. Lanz is veel te groot voor je. Maar jij zorgt ervoor dat een ander trek krijgt in Lanz, nietwaar?”

Umar had Zeth gewaarschuwd dat het water in de beek lager zou komen te staan doordat aan de andere kant een dam werd gebouwd en Zeth had daarop zijn versperring aangepast. De stam die horizontaal over de beek lag werd nu gebruikt als dwarsbalk voor een regelwerk van stammetjes en takken dat ook al op een dam begon te lijken. Als een bever metselde Zeth de stroomopwaartse zijde van de dam dicht met slik: hij zette een paar wolven achterstevoren in de droogvallende beekbedding en liet ze met hun voorpoten het natte bodemslik tegen het raamwerk van takken spatten dat daardoor onder een dikke laag specie kwam te zitten. Door de andere dam was de watertoevoer zodanig verminderd dat aan deze kant van de versperring geen grote overstromingen zouden optreden. Bovendien was de kloof hier diep genoeg om water op te nemen zonder dat de grot zou onderlopen. Het voordeel van de tweede dam was bovendien dat de tegenstanders vrijwel geen water meer in de beek zouden vinden en dat dus ergens anders vandaan moesten gaan halen. Waarvandaan wist Zeth niet. In de wijde omtrek was volgens hem geen beek te vinden, zodat ze aangewezen zouden zijn op de bovenstroom van hun eigen beek. Maar dat was een flink stuk lopen.
Umar had Zeth ook gezegd ervoor te zorgen dat de verdedigers vlak onder de bovenkant van de barricade een soort weergang zouden hebben waarop ze konden staan zonder zelf tussen de takken weg te zakken zodat ze zich ten opzichte van hun aanvallers zo vrij mogelijk zouden kunnen bewegen. Daarna was Umar weer naar de andere versperring gelopen waar hij hetzelfde tegen Stijn had gezegd, maar die het daaraan al gedacht. De dam onder de versperring was net klaar. Wilhelm was inderdaad met een paar van zijn familieleden komen helpen en dat was maar goed ook. Waar Zeth aan zijn kant er zelf een in een klein stroompje kon bouwen, moest hier een dam in de volle stroom van de beek worden aangelegd en dat vergde meer dan een stel achteruittrappende wolven. “Waterwerken vereisen veel toegespitste kunde en ervaring. De grondvesting van een solide dam, het fondament, schuilt onder het wateroppervlak,” sliste Wilhelm van de andere kant van de dam waar hij met zijn familie de laatste plekken in het vlechtwerk aan het dichtmetselen was. Daarvoor gebruikten ze hun grote platte staarten. Maar Umar had vooral oog voor het resultaat. Tot zijn tevredenheid zag hij het peil van het water stijgen. Het kwam op sommige plaatsen al over de bedding van de beek heen. Maar terwijl hij zo naar het verloop van de beek keek meende hij in de verte, nauwelijks zichtbaar in de ingevallen schemering, een paar zwarte schaduwen te zien.
- “Zie jij ze ook?,” vroeg hij aan Stijn die naast hem stond en Stijn knikte.
- “Ben je bang?,” vroeg Umar. Stijn dacht na, terwijl ondertussen het aantal zwarte schaduwen talrijker werd en dichterbij kwam.
- “Ja,” zei hij toen.
- “Ik ook,” zei Umar. “Iedereen. Wij, zij. Zonder angst vecht je niet goed.”
Stijn keek hem aan.
- “Bedank die bevers en zeg dat ze maken dat ze wegkomen, anders krijgen de zwarten ze te pakken,” zei Umar.
Aan de andere kant van de kloof staarde Zeth vanaf zijn weergang gebiologeerd naar de helling tegenover hem. Op een paar bomen na was deze onbebost en begroeid met gras en wat struikgewas. Maar daar keek hij niet naar. Hogerop de helling zag Zeth een reusachtig aantal wolven dat als een zwarte golf op hem afkwam. Hij had nog nooit zoveel wolven bij elkaar gezien. Hij kon zich niet voorstellen dat zijn versperring deze boosaardige stroom zou kunnen tegenhouden. Ook hij voelde angst in zich opkomen en zijn eerste reactie was wegvluchten van de versperring. Hij keek naar links en naar rechts waar zijn wolven naast hem op de weergang stonden. Ook zij keken met grote, angstige ogen naar de helling en daarna naar hem. Zeth vermande zich. “We pakken ze,” zei hij tegen de wolf naast hem en vooral tegen zichzelf, en toen, veel harder, zodat iedereen het kon horen: “We pakken ze. Ze komen er niet door.” En toen nogmaals, als het refrein van een lied: “We pakken ze. Ze komen er niet door.” Totdat al zijn wolven uit volle borst, hun angst overstemmend en de vijand uitdagend, het als een strijdlied zongen: “We pakken ze. Ze komen er niet door.” Zeth voelde de angst bij zichzelf en zijn wolven plaatsmaken voor vastberadenheid, ook al wist hij dat het een tijdelijk effect zou zijn.
Zeths strijdlied werd ook aan de andere versperring gehoord en daar overgenomen door de verdedigers die de zwarte horde van Stavros door het water plassend op zich af zag komen. “We pakken ze. Ze komen er niet door,” brulde Stijn, en ook zijn wolven zongen hun angst weg: “We pakken ze. Ze komen er niet door.” Ze bleven het zingen toen de eerste zwarte wolven de barricade begonnen te beklimmen. Stijn zag opeens recht tegenover zich een zwarte wolvenkop boven de versperring uitsteken en hij beet er met een woedende grauw naar. Zijn wolven juichten. De kop verdween en aan de ander kant hoorde hij gejank maar ook het geluid van vele andere wolven die de versperring beklommen, aangemoedigd door een stem die de wolven er tegenop joeg. Er verschenen meer zwarte koppen en nu kregen zijn andere wolven de kans om hun spanning te ontladen in woedende uitvallen en rake beten. Een zwarte wolf slaagde erin om wegzakkend tussen de takken op de barricade te komen waar hij onmiddellijk door de verdedigers op de weergang werd aangepakt. Maar hij was slechts de eerste van veel meer zwarte wolven die, gewaarschuwd door wat hun voorganger was overkomen, om zich heen bijtend en zoveel mogelijk steun zoekend probeerden zich op de top te handhaven. Er vielen gewonden, niet alleen aan de kant van de zwarten maar ook onder de grijzen. Een wolvin naast Stijn had een knauw in haar schouder gekregen van een grote zwarte wolf die zijn voorpoten bijna op de weergang had gekregen, maar ze was doorgegaan, had hulp van haar buurman gehad en de zwarte wolf had geprobeerd zich terug te trekken wat bijna onmogelijk was omdat zijn achterpoten nog in de versperring vastzaten en hij van achteren werd opgestuwd door wolven die naar boven werden geschreeuwd en hem geen mogelijkheid gaven om te keren.
Misschien kreeg Stijn de eerste aanval te verduren, maar Zeth was niet veel later aan de beurt. Ook aan zijn kant verschenen de zwarte koppen op de bovenrand van de versperring waar ze werden ontvangen met snelle beten, waarin de onderdrukte angst en de woede van de verdedigers tot uiting kwam. Ook daar probeerden gewonde zwarte wolven een goed heenkomen te zoeken en werden opgedreven door degenen die achter hen kwamen. Omdat ze toch niet wegkonden, vochten sommige gewonde zwarte wolven door, anderen keerden zich tegen hun strijdmakkers die ze de terugtocht beletten, waardoor ook onder dezen gewonden vielen. Bovenop de weergang heerste de reusachtige Zeth die met flikkerende kaken zijn wolven bijstond. Hij dook overal op waar een zwarte wolf op de weergang dreigde te komen om die met alle woede waarover hij beschikte uit de takken los te rukken en over de versperring terug te slingeren. Hier stonden ook zijn zoons die, nauwelijks kleiner dan hun vader, zijn voorbeeld volgden en ook aanvallers losrukten en jankend terugslingerden bovenop de zwarte wolven die onderaan de barricade met hun beklimming waren begonnen.
Umar rende heen en weer tussen beide versperringen. Hij zag dat Zeth, die meer wolven ter beschikking had om de nauwe doorgang te verdedigen, het wel redde. Maar Stijn had slechts tien wolven waarmee hij een doorgang moest verdedigen die ongeveer even breed was als die van Zeth. Bovendien werden de zwarte wolven die hem aanvielen, behalve door hun aanvoerders, ook opgedreven door het water. Het hele voortterrein was inmiddels ondergelopen en de enige plaats die nog droog was, was een smalle strook voor de versperring waar de zwarte wolven zich verdrongen. Umar zag dat er meer zwarte wolven op de weergang opdoken en dat Stijn en zijn verdedigers daarmee vol in gevecht waren. Hij klom zo snel mogelijk naar boven en greep een zwarte wolf die op dat moment probeerde op de weergang te komen. Als Zeth het kan, moet ik ze toch ook over barricade kunnen slingeren, dacht Umar. Net zoals hij Zeth had zien doen, zette hij zijn tanden in de nek van zijn tegenstander, schudde diens bovenlijf uit alle woedende macht heen en weer en liet hem op het laatste moment los. De zwarte wolf had zijn achterpoten net uit de takken bevrijd en stond wankel op de versperring toen de volle impuls van Umars slingerbeweging hem trof. Hij tuimelde achterover en gleed achterwaarts van de versperring, waarbij hij een paar aanvallers die trekkepotend achter hem naar boven probeerden te klimmen, meenam, tevreden nagestaard door Umar. Stijn en een paar andere wolven, die het met bewondering zagen gebeuren, juichten. “Je hebt Zeth nog niet gezien,” zei Umar tegen hem, “die smijt ze als dennenappels door de lucht.” Ook Stijn probeerde met succes de nieuwe gevechtstechniek uit op een zwarte wolf die half op de weergang stond, maar niemand kon het zo goed als Zeth en zijn zoons.
Het gevecht was al geruimte tijd aan beide versperringen in volle gang, maar er was nog geen zwarte wolf doorheen gekomen. Stijns verdedigers begonnen moe te worden en Umar had aan Zeth een paar wolven gevraagd om hem te komen helpen. Onder aanvoering van een van Zeths zoons waren zij naast de wolven van Stijn op de weergang verschenen en beten en slingerden dat het een aard had. De zwarte wolven begonnen de moed te verliezen. De versperringen, waarover ze alleen maar hoefden klauteren om de grot van Umar te bereiken, was een groter obstakel gebleken dan ze hadden verwacht. Bovendien werkte het aantal gewonde en dode wolven, dat zich onder de versperring ophoopte, niet erg bemoedigend op de wolven die nog naar boven moesten. Hun aanvoerders begrepen dat ze een andere taktiek moesten bedenken. Stavros was de eerste die zijn aanval afbrak en zijn wolven naar het droge gebied aan de andere kant van het meertje stuurde dat inmiddels voor de barricade was ontstaan. Kort daarna volgde Dino die zijn zwarte wolven opdroeg terug te gaan naar hun helling. Hij liet een kleine groep wolven als waakhonden voor Zeths versperring liggen.

Ze waren niet verrast dat Lanz boos was, Dino en Stavros, zijn beide onderaanvoerders. Lanz had de avond te voren gezien hoe zijn zwarte wolven als een onstuitbare massa tegen de versperring waren opgetrokken om er vervolgens van af te worden gejaagd of – nog erger - door de lucht te vliegen.
- “Ik vloog boven de berg en toen kwam mij iets zwarts tegemoet, dat ik nog niet eerder op deze hoogte was tegengekomen,” zei Asa. “Toen ik goed keek bleek het een van jouw wolven te zijn.” Hij lachte om zijn eigen grap. “Ik vroeg nog aan hem in het voorbijgaan: weet je wel zeker dat je hier goed zit?” Asa hikte van het lachen. “Ik ben per slot altijd bereid om een andere gebruiker van het luchtruim te helpen.”
De anderen deelden Asa”s vrolijkheid niet. Ze hadden net het aantal slachtoffers geteld en waren op een totaal van eenendertig gedode en meer dan hondertwintig gewonde wolven uitgekomen.
- “Dit is een situatie waarop we niet alleen niet waren voorbereid en die we ook niet eerder hebben meegemaakt,” zei Dino verontschuldigend.
- “Wat zijn jullie nu van plan?,” vroeg Lanz.
- “Ik stuur er eerst een groep wolven opaf die zich alleen maar bezighoudt met het uitelkaar trekken van de barricade. Daarachter komt een hoofdmacht die naar binnengaat als de versperring is opgeruimd,” zei Dino.
- “En jij,” vroeg Lanz aan Stavros.
- “Wij moeten eerst de bovenloop van de beek afdammen om het water weg te krijgen dat voor de versperring staat. Daarna kunnen we hem opruimen.”
- “Dan is Dino allang binnen. Die kan meteen beginnen met opruimen,” zei Lanz.
- “Ik zie geen andere mogelijkheid. De wanden van de kloof zijn te steil om af te dalen dus we moeten wel langs die barricade,” zei Stavros.
- “Je dacht gisteren dat je er bijna door was,” zei Lanz.
- “Ja, dat dacht ik ook. Als ik de gelegenheid had gehad voluit aan te vallen was dat ook wel gelukt. Maar het water steeg zo snel dat ik een hele groep aan de andere kant moest houden en de rest terugtrekken. Vanmorgen hebben we de zaak opnieuw verkend, maar toen bleek dat we eerst een eind moeten zwemmen en dat we aan de voet van de versperring amper kunnen staan. Daarom moet dat water eerst weg,” zei Stavros.

Om ze rust te gunnen had Umar zijn wolven van de versperringen gehaald, op een paar na die de wacht moesten houden en later zouden worden afgelost. Er stond een heldere maan die de wachters goed van pas kwam bij het waken over de voorterreinen van de versperringen en de kloof en de grot in een bleek licht zette. Onder de verdedigers die bij elkaar in de grot zaten heerste uitgelatenheid. Er waren aan hun kant geen doden gevallen en slechts een paar gewonden, waarvan er slechts een een gemene beet in zijn nek had gekregen. Zeth en Stijn waren blij, maar Umar keek wat bezorgder. “Dit is natuurlijk heel leuk gegaan, maar nu gaan ze nadenken. Ze kunnen onze versperring net zo makkelijk uit elkaar trekken als wij hem in elkaar hebben gezet. Gelukkig kan jij, Stijn, morgen Zeth helpen omdat ik denk dat ze het niet meer aan jouw kant zullen proberen, maar ik weet niet of dat voldoende is.” De anderen begrepen de reden van Umars bezorgdheid.
- “Aan mijn kant is het water inmiddels ook behoorlijk gestegen,” zei Zeth, “en dat betekent dat we steeds minder doorgang hoeven te verdedigen.”
- “Ja, maar als ze die dam wegtrekken zijn we weer even ver,” zei Umar. “We gaan het volgende doen. We moeten er rekening mee houden dat de oostelijke versperring morgen valt. We verzamelen al het hout dat we nog hebben om de barricade voor de ingang van de grot te versterken. Als ze daar zijn, hebben we nog een wapen. We kunnen de dam onder de westelijke versperring doorsteken. Als we geluk hebben staat het water hoog genoeg om een vloed te ontketenen die een paar zwarte wolven meeneemt, al zal ons dat niet veel helpen. Als de versperring voor de grot valt, trekken we ons terug in de hoofdgang achterin de grot. Ook die versperren we vast, op een kleine doorgang na.”
Umar pauzeerde even Daarna zei hij:
- “Het heeft geen zin op genade van Werra te rekenen. Het enige dat we kunnen doen is doorvechten.”
Zeth en Stijn keken hun aanvoerder aan. De vreugde over de eerste dag was verdwenen. Ze wisten dat Umar gelijk had.

De volgende morgen stonden Umar, Zeth en Stijn naast elkaar op de oostelijke weergang en keken naar de activiteiten van de zwarte wolven aan de andere kant. Op de westelijke versperring waren twee wachters achtergelaten. Umar zag vanaf de tegenovergelegen helling de eerste groep zwarte wolven naderen. In tegenstelling tot de vorige dag, toen ze de versperring meteen probeerden te beklimmen, deden ze nu wat hij al had aangekondigd en gevreesd: ze begonnen de buitenste takken weg te trekken.
Vanaf de weergang moesten ze machteloos toezien hoe zwarte wolven de ene na de andere tak of stam tussen hun kaken namen en uit de stapel wegtrokken. Umar wenste dat hij muren had zoals mensen die kunnen bouwen en waartegen wolven niets kunnen uitrichten. Hij daalde van de weergang af omdat deze steeds onvaster was geworden doordat de basis, het “fondament” dacht hij cynisch, met elke tak die verdween kleiner was geworden. Hij haalde ook de anderen van de weergang. Als die het zou begeven zouden de wolven die erop stonden tussen de takken terechtkomen en alleen maar in het nadeel zijn. Zeth stelde de wolven in een dubbele rechte lijn achter de barricade op. Umar rende naar de westelijke versperring. Op weg er naartoe merkte hij dat de grond natter was geworden en toen hij bij de versperring aankwam zag hij het water er onderdoor stromen. Hij klom naar de weergang waar de wachters stonden. Behalve een verkenner hadden ze niets gezien. Van boven zag het voorterrein er als een bergmeer uit. Toch betwijfelde hij of het doorsteken van de dam veel zou uitmaken. Het grootste deel van de vloed zou de bedding volgen en hooguit de tegenstanders verzwelgen die daarin waren. Maar je kon het altijd proberen.
Hij rende weer terug naar de andere versperring waar inmiddels tussen allerlei kwaadaardig gegrom hun strijdlied opklonk: “We pakken ze. Ze komen er niet door.” Umar kwam net op tijd om Zeth de eerste zwarte wolf te zien teruggooien. In het midden van de barricade gaapte een gat; de binnendringende zwarte wolven kwamen struikelend over de laatste takken naar de andere kant van de versperring waar ze door Umars grijze wolven werden opgewacht. Zeth en zijn zonen dreven de eerste aanvallers terug maar achter hen verdrong zich een grote groep zwarte wolven die ook de bres door wilden. De verdedigers hadden niet het voordeel dat ze de vorige dag hadden toen de aanvallers zich amper konden bewegen omdat ze met hun poten vastzaten in een barricade die ze moesten zien te beklimmen. Het waren nu bittere gevechten van wolf tegen wolf en het zouden, naarmate meer aanvallers binnendrongen, spoedig gevechten van een kansloze enkeling tegen veel meer wolven worden. Het was duidelijk dat de versperring was gevallen. Umar zag het gevaar dat ze door de overmacht zouden worden overlopen en niet meer in staat zouden zijn zich ordelijk op de grot terug te trekken. Ook Zeths tweede lijn was nu in gevecht met de binnendringende wolven die juichend de bres passeerden. “Terugtrekken,” brulde hij tegen Zeth voordat hij zelf zijn tanden in een doorgedrongen zwarte wolf zette. Zeth keek om zich heen en begon zich achterwaarts in de richting van de grot terug te trekken.
Gelukkig slaagde Zeth en zijn wolven erin om, uitvallend naar de opdringende zwarte wolven, hun front in stand te houden waardoor er geen zwarte wolven tussen hen en de grot konden opduiken. Umar gaf aan de wachters bij de westelijke dam het teken dat ze deze moesten openen. Daarna posteerde hij zich naast de doorgang in de versperring van de grot om te voorkomen dat met het passeren van de laatste verdediger de eerste zwarte wolven naar binnen zouden dringen voordat de verdedigers de gelegenheid hadden de doorgang met de klaarliggende stammen en takken af te sluiten. Zeth moest snel zijn. De zwarte wolven probeerden nu om door de droge bedding van de beek heen achter zijn linie te komen en deze te omsingelen. Waar bleef dat water, vroeg Umar zich af. Hij had het teken eerder moeten geven. Hij zag ook dat er steeds meer gaten in het front van Zeth vielen. Waar was Stijn? Hij greep een zwarte wolf die uit de beekbedding omhoog probeerde te klauteren en slingerde hem weg. Angst en woede gaven hem extra kracht. Er kwamen meer zwarte wolven door de bedding naar boven. Hij greep ze. Hij kreeg een beet. Hij kon de wolf niet zien omdat hij zelf met een andere bezig was. “We pakken ze. Ze komen er niet door,” brulde hij. Hij kreeg meer beten, maar hij voelde ze niet. Hij scheurde en rukte aan zijn tegenstanders, gooide ze om, trapte ze weg, smeet ze door de lucht. “We pakken ze. Ze komen er niet door.” Totdat Stijn naast hem opdook die “mee” tegen hem riep en hem met zijn kop beduidde dat hij naar de grot moest gaan. Er waren ook opeens geen tegenstanders meer. In plaats daarvan golfde een zilveren stroom door de bedding en over de oever waarop hij stond. Het verlossende water was gekomen.
Ze stonden naast elkaar achter de barricade, Zeth, Stijn en Umar. De vloedgolf – of wat daarvoor moest doorgaan – had de beekbedding schoongeveegd. De zwarte wolven op de oever waren in paniek weggevlucht, maar zouden zich snel weer herstellen. Het had ze tijd gegeven om de versperring te sluiten achter de wachters die de dam hadden doorstoken en als laatsten waren binnengekomen. Het water was dus precies op tijd geweest. Ze keken elkaar hijgend aan. Stijn en zelfs Zeth, de ongenaakbare, vertoonde beetwonden. Waarom keken ze zo bezorgd naar hem?
- “Ze hebben je flink te pakken gehad,” zei Zeth. “Als Stijn er niet was geweest had je daar nog staan knokken. Je hebt in je eentje onze hele flank verdedigd. Zingend.”
Op de weergang stonden een paar wolven. Umar telde er een stuk of twintig. Op de bodem van de grot stonden er nog een paar en er lagen er wat in een hoek van de grot.
- “Waar is de rest?,” vroeg Umar moeilijk, ofschoon hij het antwoord wel wist.
- “Weg, dood,” zei Stijn.
- “Met z'n hoevelen zijn we nog?”
- “Drieëndertig,” zei Zeth, “waarvan zeven gewond, waaronder jij.”
Zijn prachtige roedel bijna gehalveerd door een agressieve gek. Umar kreunde.
- “Je zoons?,” vroeg hij aan Zeth.
- “Een gewond, de rest staat er nog,” zei Zeth bijna lakoniek. Ze leden allemaal aan de vervlakking die optreedt als de dood normaal is geworden. Het voordeel was, bedacht Umar, dat je ook je eigen dood niet meer zo serieus nam, of was dat geen voordeel?
- “Ze hebben het formidabel gedaan, jullie allemaal trouwens,” zei Umar. Hij keek om zich heen. “We moeten de gewonden die niet meer kunnen lopen in de achterste grot neerleggen. Als deze barricade straks valt hebben we geen tijd meer om ze weg te halen.”
Het leek niet logisch om nog met ze te gaan slepen als ze er straks toch allemaal zouden aangaan, maar er leefde in Umar, zoals in elk levend wezen dat de dood in de ogen staart, een sprankje hoop dat er toch nog redding zou komen, hoe onwaarschijnlijk ook. Het was hun taak om dat gevoel onder de verdedigers overeind te houden. Bovendien had de woede die in hen leefde de gedachte aangenomen dat als zij hun eigen leven niet konden redden, dan toch zoveel mogelijk tegenstanders moesten meenemen en de vijand verzwakken, en ook daarvoor moest de strijdlust zo groot mogelijk zijn. Zeth en Stijn dachten ongetwijfeld hetzelfde. Ze zouden hun huid zo duur mogelijk verkopen. Een paar wolven begonnen de gewonden te verplaatsen.
Buiten was de beek tot bedaren gekomen. De dam die Zeth had aangelegd, was met de versperring zelf verdwenen. De eerste zwarte wolven meldden zich voor de barricade en begonnen weer takken weg te trekken. Umar liep de achterste grot in die door een nauwe passage met de hoofdgrot was verbonden. De passage was een gebogen gang met een lengte van een meter of drie met rechte wanden, waarin niet meer dan twee wolven naast elkaar pasten. Het zou de aanvallers niet meevallen daar doorheen te komen omdat ze hun getalsvoordeel niet tot gelding zouden kunnen brengen. De achterste grot was wat kleiner dan de hoofdgrot. Er heerste een diepe duisternis waarin zelfs een wolf met moeite iets kon onderscheiden. Er lagen voedselvoorraden en achterin waren de gewonden neergelegd. Umar liep naar ze toe. Een wolvin met een bloedende wond aan haar kop lag hijgend op de grond en reageerde niet toen Umar bij haar stond. Hij zag dat ze ook beetwonden in haar flank en haar buik had.
- “Het komt wel goed,” zei Umar tegen haar. “Ga maar slapen.” Ook tegen de volgende zei hij dat en zo besteedde hij even aandacht aan alle gewonde wolven die daar lagen.
- “Jullie zijn geweldig geweest.”
Geweest – had hij dat nu wel of niet moeten zeggen. Het klonk alsof het voorbij was – voor hen en voor de overigen – en dat was het natuurlijk ook, maar dat had hij nu juist niet willen benadrukken.
Toen hij terugkwam in de hoofdgrot, zag hij dat de barricade al bijna was verdwenen. Zeth had zijn wolven van de weergang afgehaald en ze achter de versperring opgesteld om de eerste indringers terug te jagen. Umar rende naar hem toe.
- “Het is zinloos om ze hier op te vangen,” zei hij. “We moeten ons meteen terugtrekken op de achterste grot. De gang daar is veel beter te verdedigen dan de ruimte hier.”
Zeth riep wat naar zijn wolven die zich omdraaiden en door de ingang naar de achterste grot renden. Zelf arriveerde hij als laatste en trok samen met een van zijn zoons de versperring in de ingang die ze daarnaast hadden klaargezet.

De zwarte wolven hadden inmiddels de versperring ontmanteld en trokken juichend de grot binnen om er achter te komen dat de ruimte leeg was en er hun in de achterwand een nieuwe barricade wachtte. “We pakken ze. Ze komen er niet door,” zongen de verdedigers. “Wacht maar tot we bij jullie zijn,” riepen de aanvallers die begonnen waren ook deze versperring weg te halen. Zeth en zijn grote zoons vormden de voorste rijen, daarachter stonden de andere wolven. Te wachten op hun beurt, dacht Umar bitter. Hoe lang nog, vroeg hij zich. Op dat moment kwam een wolf naar Umar toe.
- “Er zit achterin iets op je te wachten,” zei hij. Umar keek hem aan.
- “Iets?,” vroeg hij.
- “Ja, een wezen, het lijkt wel een mens,” zei de wolf. “Ik was hem bijna naar zijn keel gevlogen.”
Umar liep met de wolf mee naar de achterwand. “Iets” zat op een rotsblok en was in de duisternis van de grot amper te zien, maar wat Umar kon onderscheiden was een klein soort mens met een grote baard en krullerig grijs haar die een lange pijp rookte. Als hij stond was hij net zo groot als een flinke wolf. Toen Umars ogen beter aan het duister waren gewend, zag hij dat hij de rook uitblies in kringen die in kunstige vervlochtenheid naar het plafond van de ruimte opstegen. Wat ook opviel was dat de rook geen geur had.
- “Mijn naam is Tell,” zei hij tegen Umar, “en ik kom om te helpen.”
- “Ik ben Umar. Hoe zou je ons kunnen helpen,” vroeg Umar. Het klonk bijna geringschattend. Tell had niet het postuur waarvan je een kentering van de krijgskans zou verwachten. “Hoe kom je hier trouwens?”
- “Ik ben hier naartoe gelopen.”
- “Dat kan niet,” zei Umar. “Er zijn overal wolven.”
- “Niet langs de weg die ik heb genomen.”
- “Welke weg heb je dan genomen?,” vroeg Umar. Er flikkerde iets van hoop in hem op.
- “Laat ik eerst even uitleggen wie ik ben,” zei Tell, “dan wordt mijn weg vanzelf duidelijk. Men noemt ons Dwergen. Wij zijn een klein, vreedzaam volk en we leven onder de grond. We kennen de binnenkant van de aarde op ons duimpje. We houden ons het liefst afzijdig van dingen die bovengronds gebeuren, maar willen andersom niet dat wij worden gestoord in ons ondergronds bestaan.”
Tell pauzeerde even en keek hem aan.
- “Maar de dingen die bovengronds gebeuren ontgaan ons niet helemaal en zo weten wij van de plannen van Werra,” vervolgde Tell. “Deze staan ons niet aan, net zo min als de figuur Werra ons aanstaat. Jullie hebben ons nooit enige last bezorgd en daarom willen we jullie helpen. Wij kunnen jullie een weg naar buiten wijzen die de zwarte wolven niet kunnen volgen.”
Umar wist van het bestaan van Dwergen, maar de gedachte dat ze al de tijd die hij in zijn grot had doorgebracht in zijn nabijheid waren geweest en op een moment als dit een rol zouden kunnen spelen was geen ogenblik in hem opgekomen.
- “Hoe?,” vroeg Umar.
- “Kom maar mee,” zei Tell, “dan zal ik het laten zien.”
Hij stond op en ging Umar voor naar een hoek in de grot. Daar klopte hij driemaal met zijn pijp op de rotswand, waarna hij een stap terugdeed. Tot Umars verrassing bleek een deel van de rotswand een deur te zijn die door een andere Dwerg vanaf de andere kant werd geopend. Achter de Dwerg was een verlichte gang te zien waarin nog meer Dwergen stonden, allen bebaard en bewapend met puntige knotsen. Sommigen droegen toortsen.
- “We hebben er een lichtje bij aangestoken,” zei Tell. “Langs deze gang kom je aan de andere kant van de berg. Begin met de gewonden, kom daarna met de rest. Wij dekken jullie aftocht en wijzen jullie de weg. Snel.”
Umar wist niet wat hij zag. De poort naar de redding had altijd bestaan en opende zich op het moment dat hij die hardst nodig was. Terwijl hij nog van zijn verbazing stond te bekomen, liepen een stuk of tien Dwergen met hun knotsen en toortsen de grot in en vormden een rij aan weerszijden van de deur. De toortsen verlichtten opeens de hele zaal. Als Umar tijd had gehad, had hij het imposante gewelf en de fraaie druipsteenformaties kunnen zien die veelkleurig opleefden in het licht van de toortsen. En als het licht van de Dwergen ver genoeg in een van de hoeken was doorgedrongen, had hij daar misschien de rotsschilderingen kunnen zien die twintigduizend jaar eerder door een menselijke bewoner waren aangebracht. Maar Umar had geen tijd. Hij riep tegen een paar wolven dat ze naar de Dwergen moesten luisteren en de gewonden moesten halen, en rende naar Zeth. Daar, voorin de gang, was niets van het licht te merken en was het gevecht met de zwarte wolven in volle gang. Hij kon Zeth alleen bereiken door eerst de wolven naar de achterkant van de grot te sturen, die achter Zeth klaar stonden om het gevecht van hem over te nemen. Toen hij eindelijk bij hem was, zag hij dat Zeth er slecht aan toe was. Geen wonder, de wolf had de hele dag in de voorste rij gestaan. Zijn kop en schouder bloeden hevig.
- “Opzij en onmiddellijk naar de grot,” zei Umar terwijl hij Zeth opzijdrukte en op zijn plaats naast diens zoon ging staan met wie het niet veel beter was gesteld. Zeth was zo moe dat hij zich liet verdringen.
- “Naar de grot,” zei Umar nogmaals tegen hem. Een grote zwarte wolf viel knauwend naar hem uit. Umar deinsde terug, ontweek de moordende tanden en schreeuwde naar Zeths zoon dat hij ook naar de grot moest gaan.
- “Terug, daar is hulp, schiet op.” De wolf keek hem een fractie van een seconde ongelovig aan, maar deed toen wat hij hem had gezegd. Umar had nu twee zwarte wolven voor zich.
- “Waarom gaan jullie niet een tijdje met elkaar knokken,” riep hij ze toe. Hij moest zien weg te komen zonder dat een van hen bovenop hem zou springen en dat kon alleen door achterwaarts de gang uit te lopen. Naar links en rechts uitvallend begon hij aan zijn terugtocht. “We pakken ze. Ze komen er niet door.” Terwijl hij naar de een uitviel, ontving hij een beet van de ander. Nog een geluk dat die niet vasthield, dacht hij, terwijl hij weer een paar passen naar achteren ging. Hij was de bocht voorbij, hij moest bijna bij het eind van de gang zijn. Knauwen, beten. We pakken niets. We zijn alleen maar op de loop omdat ze overal doorheen komen. Toen week de gang. Was dat Stijn die naast hem opdook? Waarom was hij zo zwart? Wat was dat voor licht? Hij voelde dat hij zweefde. De knauwen en beten gingen door, maar hij voelde ze niet meer.
De toortsen en knuppels van de Dwergen hadden de zwarte wolven teruggedreven en andere Dwergen hadden Umar, nadat hij inelkaar was gezakt, opgepakt en door de deur in de rotswand naar de ruimte daarachter gebracht. Stijn was na Umar als laatste door de deur gegaan en daarna hadden de Dwergen de deur met een zware grendel afgesloten. De Dwergen droegen Umar dieper het grottenstelsel in en brachten hem naar een met toortsen verlichte ruimte waar ook de andere wolven zich hadden verzameld. Daar legden ze hem naast Zeth en de andere gewonden. Tell stond bij hen en keek bezorgd naar Umar, wiens ogen gesloten waren.
- “Leeft hij nog?,” vroeg Stijn.
Tell antwoordde niet. Een Dwerg was met Umar bezig, veegde zijn mond schoon, legde zijn oor op zijn borst en luisterde. Ook hij keek bezorgd. Een andere Dwerg kwam met water en druppelde dat in zijn mond.
- “Aardwater,” zei Tell. “Dat is water uit de oerbron. Geneeskrachtiger en verfrissender dan enig ander water. Al het water komt uit de oerbron, maar de aarde filtert het en houdt het beste deel voor zichzelf zodat wat jullie boven de aarde hebben een slap aftreksel is van dit water.”
- “Ik denk dat jullie beter hier kunnen blijven totdat jullie weer zijn opgeknapt,” zei Tell tegen Stijn. “Jullie zijn hier welkom en wij zorgen ervoor dat het jullie aan niets ontbreekt.”
- “Houdt die deur het,” vroeg Stijn.
- ”Je bedoelt die deur naar jullie grot?,” vroeg Tell. “Dat is een massief stuk rots, vakkundig uitgehouwen en draaibaar gemaakt met behulp van echt Dwergen-smeedwerk. Vanaf de andere kant vrijwel onzichtbaar. Daar komt geen wolf doorheen als wij hem niet binnenlaten en dat zal niet gebeuren. Jullie zijn hier volkomen veilig.”

“Ze waren verdwenen,” zei Dino. “Opeens doken er van alle kanten Dwergen met puntige knotsen op. Ze dreven ons terug terwijl wij de overwinning binnen handbereik hadden. Hun leider, Umar, was al gevallen. Ze sleepten hem meer dood dan levend naar achteren, de duisternis in.”
- “En toen?,” vroeg Lanz omdat Dino even pauseerde.
- “We trokken ons buiten de grot terug. Dwergenknotsen met hun ijzeren punten zijn als stootwapen erg effectief in een smalle gang, maar minder in de open ruimte. De Dwergen begrepen dat ook en achtervolgden ons niet, maar trokken zich in de achterste zaal van de grot terug. Toen wij de zaal daarna weer binnengingen, was de ruimte verlaten. Wolven en Dwergen waren opgelost. Sporen leidden naar een plek in de achterwand, maar die was volkomen dicht. Alsof de rots zich had geopend en daarna weer voor eeuwig gesloten.”
- “Maar we hebben de grot?,” vroeg Lanz.
- “We hebben de grot, ja.” Meer hoefde Lanz niet te weten. Hij gaf een valk opdracht het nieuws van de val van de grot aan Werra te vertellen. Hoe latere bewoners zouden omspringen met Dwergen die de grot blijkbaar naar believen in en uit konden gaan, was niet zijn zaak. De valk wiekte weg.

'Het lijkt iets beter te gaan. Ook met Zeth en jullie andere gewonde kameraden,” zei Tell. Er was een Dwerg gekomen die hem wat in zijn oor had gefluisterd. Hij richtte zich tot Stijn. Ze zaten in een van de zalen bijelkaar, gescheiden van de gewonde wolven. Tell had gezegd dat het het beste was ze zo min mogelijk te storen. De Dwergen hadden ook voor hen aardwater neergezet en eten gebracht.
- “Ik ben u ontzettend dankbaar voor uw hulp en uw gastvrijheid,” zei Stijn, “maar wolven en Dwergen hebben doorgaans weinig met elkaar uitstaande. Waarom bent u ons eigenlijk te hulp geschoten?”
- “Kennen jullie Alberon?,” vroeg Tell.
- “Nee,” zei Stijn, “maar ik heb wel van hem gehoord. Hij is toch de elfenkoning?” Tell knikte.
- “Alberon kwam een paar dagen geleden naar ons toe, vertelde wat Werra van plan was en vroeg ons te helpen.
- “Hoe kunnen we helpen?,” vroegen wij hem.
- “Bewapen je mannen en help Umar,” antwoordde hij.
We zeiden dat we Alberon hoogachtten en aan hem en de elfen verplicht waren, maar dat we bovenal een vredelievend volk waren en pas naar de wapens zouden grijpen als we zelf gevaar liepen, wat al in geen eeuwen meer is gebeurd. Alberon vertelde daarop het verhaal van Werra en besloot met
- “Iedereen loopt gevaar, dus ook jullie. Als je het gevaar voor wilt zijn, neem dan je knotsen op.”
Maar we waren nog niet overtuigd, hoe beeldend Alberon de situatie ook had geschilderd. Moesten wij partij kiezen in een conflict dat zich bovengronds afspeelde? Moesten wij Dwergenlevens offeren in een strijd die misschien geheel aan ons voorbij zou gaan? Maar toen kwam Alberon met zijn laatste argument.
- “De Kobolden staan op het punt met Werra mee te doen.”
Dat betekende dat strijd zich niet tot de bovenaarde zou beperken en daarom besloten we Alberons verzoek in te willigen en deel te nemen aan de strijd tegen Werra. Alberon vroeg ons ons te haasten. We bewapenden een aantal Dwergen en trokken langs onze onderaardse wegen naar deze grotten. We kwamen helaas te laat om met jullie op jullie barricades te staan, maar zijn blij dat we jullie op het laatste moment hebben kunnen bijstaan, ook al was ons aandeel in de slag maar klein. De rest weten jullie.”
- “Waarom zijn de Kobolden zo belangrijk voor jullie?,” wilde Stijn weten.
- “Naast ons, Dwergen, zijn de Kobolden de enige bewoners van de onderaarde. We hebben lang samengeleefd, maar ook conflicten uitgevochten, helaas. Uiteindelijk heeft dat tot verwijdering geleid. De geschiedenis heeft ons geleerd voorzichtig te zijn en ons te hoeden voor de Kobolden.”
- “Ik wist niet dat Kobolden nog bestonden,” zei Stijn. “ik dacht dat dat aardige aardbewoners waren.”
Tell schudde zijn hoofd.
- “Ik zal je een verhaal vertellen – een historisch verhaal dat veel verklaart omtrent Dwergen en Kobolden. Maar bereid je er op voor dat het een triest en lang verhaal is.”
- “Vertel,” zeiden de wolven en de Dwergen die erbij waren komen zitten.

“We leiden nu een teruggetrokken bestaan,” vertelde Tell. “Ons volk neemt al lang in aantal af. Maar net als de meeste volkeren van de bovenaarde hebben ook wij onze glorietijden gekend. Dat waren de dagen van onze grote koningen, de dagen dat Cyrillum, onze hoofdstad, baadde in een gloed van lampen, dat de lichtjes van de Dwergen die de gangen en grotten bevolkten niet te tellen waren en de bergen daverden van het geluid van talloze houwelen en smidshamers. Dat de karren waarmee de wapens, sieraden en gereedschappen voor de mensen van bovenaarde af en aan reden en zo talrijk waren dat zij in optocht voor onze deuren stonden om geladen te worden en in optocht vertrokken op weg naar hun bovenaardse bestemming. Het waren ook de dagen – helaas – waarop het oog van Gnomer – de Kobolden-leider – in afgunst op ons viel. Tot dan toe hadden Dwergen en Kobolden vreedzaam naast elkaar voortbestaan en de ruimten van de onderaarde gedeeld. Er zijn - of misschien moet ik zeggen: waren - niet zoveel verschillen tussen hen en ons. We zijn van oudsher nauw verwant. Er kwamen zelfs gemengde huwelijken tussen Dwergen en Kobolden voor. We zijn ongeveer even groot. Een Dwerg is misschien wat zwaarder en wat meer gedrongen van bouw, nog wat meer voorbestemd om in nauwe schachten te werken. De Kobolden kon je het best herkennen aan hun rode jas, de Dwergen aan hun baard. Kobolden leven net als wij onder de aarde, maar werken daarboven en juist daardoor konden wij in vrede samenleven, maar ook juist daardoor ontstonden er problemen. Vroeger hielpen zij de mensen en de Dwergen bij het verrichten van grote werken. Zij kwamen 's nachts, werkten met voorbeeldige ijver en waren de volgende ochtend weer verdwenen als de mensen kwamen om te constateren dat het werk was gedaan. Zo leverden zij ongezien hun diensten en verlangden zelden meer dan eten en drinken dat de volgende nacht klaar moest staan. Maar naarmate het mensen en Dwergen beter verging, wilden de Kobolden ook meer. Dat was een terecht verlangen en als zij met mensen en Dwergen waren gaan praten, hadden zij ook beslist meer voor hun diensten gekregen. Maar Kobolden hadden een eigenzinnige opvatting over arbeid en loon. Zij vonden dat het initiatief voor de beloning moest uitgaan van degenen voor wie zij werkten. Alleen zo, zo oordeelden zij, kon hun werk naar waarde worden geschat. En dus maakten zij geen afspraken met degenen die van hun diensten profiteerden. Natuurlijk valt ook de mensen en Dwergen veel te verwijten. Zij hadden de Kobolden eigenerbeweging ruimer kunnen belonen, maar lieten dat na. Soms maakt voorspoed de mens – en helaas ook de Dwerg - hebzuchtiger in plaats van ruimhartiger.
De Kobolden werden ontevreden en uitten dat door te stelen wat zij dachten dat hun toekwam. Dat leidde er toe dat zij niet beter werden beloond, maar door hun vroegere opdrachtgevers juist werden gemeden. Het gevolg was dat de Kobolden nog meer steelden. Zij werden daarin geholpen door hun aangeboren slimheid. Bovendien bracht hun slimheid een andere karaktertrek naarvoren: boosaardigheid. Hun eerste slachtoffers waren de mensen. Waar zij eerst in de nachtelijke stilte hun goede werken verrichten, vonden de mensen nu de volgende ochtend het werk van dagen vertrapt. Vee werd 's nachts losgelaten, omheiningen losgetrokken, gereedschappen ontvreemd. Dat was nog slechts het begin. De mensen namen waakhonden die, naar men zei, Kobolden konden opsporen. Maar Kobolden komen en gaan waar en wanneer zij willen en daartegen konden waakhonden weinig uitrichten.
Hoe geraffineerd en boosaardig de Kobolden konden zijn, blijkt uit het verhaal van Herne. Hij was een grote Kobold die veel werk had gedaan voor Orne, een boer in het verre noorden. Maar terwijl zijn oogst dit jaar nog rijker was dan daarvoor, vergat de boer zelfs het luttele voedsel dat hij meestal voor Herne en zijn makkers klaarzette. Herne zon op wraak. Toen Orne in het late najaar op pelsjacht ging en een paar dagen weg zou blijven, verscheen Herne onder het slaapkamerraam waarachter Jutta, de jonge vrouw van de boer, lag te slapen. Je moet weten dat Kobolden muzikaal zijn. Herne had een prachtige bariton en misschien had hij zijn vriend Kaml meegenomen, die goed viool kon spelen. Onder het slaapkamerraam hief Herne een minnelied aan dat hij voor deze gelegenheid van een eigen tekst had voorzien, ongeveer aldus:

Lieve Jutta, hoor mijn lied
En ontsluit de poort.
'k Doe wat mijn hart mij gebiedt
Dat jou toebehoort.
Laat ons deze donk're nacht
Gezamelijk vermeien.
Gun mij thans de wond're pracht
Van jouw bloemige dijen.

Het omvatte meerdere coupletten die vol stonden met schandalige dubbelzinnigheden en toespelingen, maar Jutta was er niet ongevoelig voor. Het gebeurde vaak dat boerinnen die overdag dapper hun mannen uitzwaaiden, 's nachts, overweldigd door eenzaamheid en angst op hun afgelegen hoeve, de hond of een ander schepsel in hun sponde namen als bescherming of – wie weet – voor hun genoegen of voor beide. Zo gaven zij voedsel aan de talloze verhalen over wezens die half-mens waren en half-wolf of -bosgeest en die hun ontstaan dankten aan eenzame momenten zoals dit. In elk geval slaagde de slimme Herne erin de slaapkamer van Jutta te bereiken.
In de middag van de volgende dag ging Orne, die zijn vallen had geleegd, huiswaarts. De pelsen lagen achterop de een-assige boerenkar waarvoor hij zijn paard had gespannen. Orne had reden om tevreden te zijn.
Het waren fraaie pelsen en het waren er veel. Net als zijn andere oogsten dit jaar was ook deze ruim geweest. Zijn zweep knalde door de vrieslucht. Hij moest flink doorrijden om voor donker thuis te zijn, maar thuisreizen verlopen altijd sneller dan de heenweg omdat niet alleen de voerman maar ook zijn paard naar de eigen stee verlangt. Het begon al te schemeren. De besneeuwde bomen trokken in een eindeloze opvolging langs. Opeens meende Orne een fluistertoon te horen die uitsteeg boven de hoefslag van het paard. “Jutta” leek de wind in de boomtoppen te lispelen. “Zinsbegoocheling,” dacht Orne, “krijg je ervan als je naar huis en naar je vrouw verlangt.” Een gevoeliger geest dan die van Orne zou misschien iets onheilspellends in deze woudzang hebben aangetroffen. Het leek alsof de stem steeds luider ging klinken. “Jutta.” Orne meende nu ook in de nevelige schaduwen tussen de bomen een rode waas te zien die met de voortrijdende kar meetrok. Hij haalde zijn schouders op en reed door, ineengedoken op de bok van de kar. Maar na een bocht zag Orne opeens een kleine gedaante langs de kant van de weg die met zijn rug naar hem toe op een boomstronk zat. Hij droeg de opvallende rode jas waaraan hij Herne herkende. Hoewel de Kobold de luide hoefslag van het paard gehoord moest hebben, draaide hij zich niet om. Orne hield in.
- “Herne,” zei hij, “wat doe jij hier?”
Toen pas keerde Herne zich naar Orne en keek hem aan.
- “Ik kijk langs de weg der bedriegers en zie de bedrogenen terugkomen,” zei hij.
- “Wat bedoel je?,” vroeg Orne. “Wil je soms meerijden?,” vroeg hij toen Herne niet reageerde.
In deze verlaten streken liet je iemand nu eenmaal niet langs de weg staan, zelfs geen Kobold. Herne schudde zijn hoofd terwijl er een glimlach op zijn gezicht verscheen.
- “Je bent me niets meer schuldig, Orne, zelfs geen menselijkheid. Menselijkheid, als ik al wist wat dat was en als jij die al bezat, zou je ontslaan van de verplichting een Kobold mee te nemen die de bloem van Jutta heeft gekust.”
Orne keek hem verbijsterd aan. Hoog aan de binnenkant van de dij van Jutta, op een plaats die alleen aan Jutta zelf en aan hem bekend kon zijn, bevond zich een moedervlek in de vorm van een bloem. Maar hoe kon deze Kobold dat weten? Hoe kon hij dat weten als hij niet ... Hij keek naar Herne wiens glimlach smalender was geworden en op het zien van Ornes ontdane gezicht overging in een schaterende lach. Toen kreeg blinde woede de overhand bij Orne. Ook hij wist dat als een hond op momenten van eenzaamheid een boerin bescherming en troost kon brengen, een Kobold dat ook kon. Hij sprong van de bok, maar de Kobold was verdwenen terwijl zijn hatelijke lach tussen de stammen klonk. Machteloos klom Orne opnieuw op zijn kar en liet zijn zweep knallen. Het paard zette geschrokken aan en de kar ging voort, sneller dan daarvoor. Op de bok stond Orne met de teugels in de hand. Van woede en frustratie liet hij zijn zweep op het arme trekdier neerdalen. De bomen flitsten voorbij. “Jutta,” leek het bos nu te zingen, “Jutta.” De kar bolderde voort over de bevroren grond. Tussen de “Jutta's” door klonk het hatelijke gelach van de Kobold dat, nu eens dichtbij en dan weer verderweg, galmend tussen de bomen met hem meereisde. Het leek alsof het hele woud, de miljoenen dennen en sparren die het bevolkte, de ontelbare dieren en alle bosgeesten die er een onderdak hadden gevonden hem uitlachten. Het hatelijke koor van het bos klonk Orne nog in de oren toen hij zijn hoeve bereikte. Op het erf nam hij niet de tijd zijn paard uit te spannen, maar stoof naar binnen en sloeg Jutta, die hem zijn eer had ontnomen en hem bedrieglijk kwam verwelkomen, met een slag dood.

Tell nam een slok aardwater voor hij verderging.
- “Het was slechts een van de vele voorbeelden van het raffinement waarmee Kobolden te werk gingen om het onrecht hun aangedaan te wreken. Ze keerden zich ook tegen ons, Dwergen. Het waren vaak kleine pesterijen, maar soms ook grotere, zoals het laten ontploffen van mijngas waarbij veel Dwergen de dood vonden. Wij waren niet voorbereid op zulke vijandigheid en stonden aanvankelijk machteloos. Dwergen en Kobolden hadden tot dan toe eensgezind naast elkaar geleefd, vaak in dezelfde zalen. Onze woonsteden stonden op veel plaatsen kris-kras door elkaar. Hoe kun je je dan verdedigen? Krimm, onze koning, had geen andere mogelijkheid dan van de Kobolden te eisen dat zij zouden stoppen, op straffe van verbanning.
De Kobolden hadden geen koning, zoals wij. Zij waren een vrij volk, zoals ze zich zelf noemden. Er was bij de Kobolden dus niemand die zijn volksgenoten kon opleggen het gebod van de Dwergenkoning op te volgen of met Krimm te onderhandelen over betere voorwaarden. Daardoor haalde Krimms eis weinig uit. De Kobolden gingen gewoon door.
De gevolgen waren afschuwelijk. Dwergen vervolgden Kobolden door de zalen en gangen van de onderaarde, en Kobolden overvielen Dwergen waar ze maar konden. Wij hadden het voordeel dat we met meer waren, althans onder de grond, en dat we de wapensmeden van de mensen waren. We slaagden erin de Kobolden uit onze zalen en gangen te verdrijven. Maar toen organiseerden de Kobolden zich. Hun leider werd Gnomer. Hij zag in dat lukrake acties van opzichzelf staande groepjes niet zouden kunnen verhinderen dat de Kobolden uiteindelijk uit de onderaarde zouden worden verdreven. Gnomer zorgde voor samenhang en een strategie. Hij stichtte een hoofdstad, Koboldia, in een groot zalencomplex onder het Dondermassief en vandaar uit organiseerde hij de verdediging van de Kobolden. Had hij het daarbij gelaten, dan zou er nog weinig aan de hand zijn geweest. Hun vestigingsplaats lag twee dagreizen bij de onze vandaan, ver genoeg om geen last van elkaar te hebben en Krimm had daarom de vervolging gestaakt. Maar Gnomer wilde wraak voor het feit dat zijn volk was verdreven en misschien kon hij ook niet goed anders. Hij was mensen en Dwergen als afnemers kwijt en moest dus een nieuwe bestaansbron vinden. De onderaarde in de omgeving van Koboldia bevatte weinig mineralen die hij zou kunnen winnen en waarmee hij zou kunnen handeldrijven en bovengronds waren in de wijde omtrek alleen kale bergtoppen en bos te vinden. Liever dan nog een keer te verhuizen naar een locatie die betere ontwikkelingsmogelijkheden bood, verkoos hij te proberen zijn oude vestigingplaats en klantenkring te heroveren. Hij verzamelde zoveel mogelijk Kobolden om zich heen en trok op een kwade dag op naar Cyrillum. Er waren in de onderaarde drie gangen die Koboldia en Cyrillum verbonden, waarvan er eigenlijk maar een in gebruik was. Gnomer had gezien dat Krimm alleen die liet bewaken. In de maanden die Gnomer nodig had gehad om Koboldia en een strijdmacht op te bouwen, waren er geen vijandelijkheden meer geweest en was onze waakzaamheid verslapt. Maar Gnomer had in het geheim de andere oude routes laten verkennen en de obstakels opgeruimd die in de loop der tijd waren ontstaan. Met hun voorbeeldige ijver hadden Kobolden de gangen en spelonken geruimd, plafonds gestut en de oude, vergeten wegen vrijgehakt tot vlakbij onze hoofdstad. Nu zond Gnomer een kleine groep Kobolden die de Dwergse wachters aan de hoofdgang bezighield, terwijl zijn hoofdaanval langs de twee andere gangen verliep.
De zuidelijke groep stond onder leiding van Gnomer zelf. Rex leidde de noordelijke groep van bijna honderd Kobolden die bewapend waren met houwelen om de laatste obstakels op te ruimen die hun de doorgang naar Cyrillum versperde. Een paar droegen ook een zwaard, dat – ironisch genoeg – net als de houwelen uit de smederijen van de Dwergen afkomstig was. Hun houweelgeklop moet in de stad te horen zijn geweest, maar er was bijna niemand die daarop lette. Geklop was nu eenmaal een vertrouwd geluid in de oren van Dwergen die dagelijks bezig waren met mijnbouw en smeedwerk. De enige Dwerg die het geluid niet vertrouwde was Constantinus. Hij waarschuwde de stadswachters, maar die had geen aandacht voor hem omdat zij hun handen vol hadden aan de Kobolden die de hoofdgang probeerden te nemen. Constantinus verzamelde daarop een paar Dwergen die hij her en der in de stad aantrof. De meeste Dwergen sliepen nog of waren in de mijnen en smederijen buiten de stad aan het werk. Met een stuk of tien volgelingen arriveerde Constantinus op de plaats waar hij het geluid had gehoord, juist op het moment waarop Rex de laatste steen had losgewrikt en een van zijn Kobolden door het ontstane gat naar buiten wilde klimmen.
Nogmaals: we zijn geen bloeddorstig volk. Als Constantinus meteen had toegeslagen, was de aanval misschien mislukt omdat de kleine opening door een paar Dwergen kon worden verdedigd. Maar Constantinus vroeg de Kobold eerst wat hij kwam doen en bood hem zo de gelegenheid uit het gat te klimmen en de Kobolden achter hem de opening te verruimen. Pas toen de Kobold met zijn houweel om zich heen wilde gaan slaan, begrepen Constantinus en de zijnen dat het menens was en vielen aan. De eerste indringer was snel uitgeschakeld, maar zijn volgers hadden tijd gekregen om naar buiten te komen. De meesten van ons hadden ook houwelen bij zich en zo ontstond de Slag van de Houwelen. Een houweel is een waardevol werktuig in een mijnschacht maar een vreemd strijdwapen. De bladen van elkaar bestrijdende houwelen blijven makkelijk achter elkaar steken met als gevolg dat de tegenstanders verwoed aan hun steel staan te trekken in een poging de ander de zijne uit handen te rukken. Dat was vooral een nadeel voor de verdedigers want wie aan zijn houweel staat te trekken kan niet op hetzelfde moment met brede zwaaien een overmacht van indringers terugdrijven.”
Tell nam een slok aardwater en pauseerde even.
- “Op het geroep van Constantinus en de zijnen kwamen andere Dwergen aangerend. Dat was hoogste tijd want er drongen steeds meer Kobolden door de bres naarbinnen. Rex ging ze voor de stad in, naar het paleis van Krimm, en al spoedig doken overal in de straten de rode jassen van binnengedrongen Kobolden op. Krimm begreep snel wat er gebeurde, riep zijn wacht aan de hoofdingang terug en zond boodschappers om de Dwergen te halen die in de mijnen aan het werk waren. Maar met de wachters kwamen ook de Kobolden die een schijnaanval op de hoofdingang hadden uitgevoerd, de stad binnen. Toen eindelijk de mijnwerkers arriveerden, stond Krimms paleis al in brand. Ze zagen dat overal in de stad branden waren uitgebroken, huisraad op straat werd gesmeten tussen de lichamen die daar lagen en ze hoorden de bewoners gillen. Dwergvrouwen renden radeloos rond op zoek naar hun kinderen. Hier en daar dreven wachters met hun puntige knotsen de Kobolden terug. De boogschutters die aan de hoofdgang hadden gestaan, lieten een regen van pijlen op ze neerkomen. Maar net als de wachters waren zij te gering in getal om de aanval te keren.
De razende mijnwerkers stortten zich op de Kobolden, waar ze die in de stad konden vinden. Door hun komst waren de Dwergen nu in de meerderheid en werden de Kobolden geleidelijk teruggedrongen. De Kobolden hadden zich ontpopt als taaie vechters en het was een geluk dat de Gnomer, die de zuidelijke route had genomen, zich nog niet in de strijd had gemengd. Hoe was het met hem? Ook Rex, die zich de overwinning zag ontglippen, vroeg zich dat af en zond een verkenner om te kijken waar de groep bleef. Na een tijdje kwam deze terug, gewond na een ontmoeting met de groep van Constantinus, om te vertellen dat er op de plaats waar Gnomer de stad hadden moeten binnenkomen alleen wat ver geklop was te vernemen, maar geen enkel teken dat wees op een spoedige komst. Rex, die aan de rand van de stad met de bres in zijn rug een positie probeerde te verdedigen van waaruit hij opnieuw zou kunnen aanvallen zodra Gnomer met zijn Kobolden verscheen, begreep dat hij geen keus had dan zich in de noordelijke gang terug te trekken. Gnomer zou niet meer op tijd komen.
Al hoewel het moeite kost een woord van lof uit te spreken over een Kobold die het bloed van zoveel Dwergen aan zijn handen had, dwingt de manier waarop Rex, die bijna als eerste onze stad was binnengekomen, nu de aftocht van de rest van zijn groep dekte, bewondering af. Gewond door pijlschoten, steken en slagen van knotsen en houweelslagen, naar links en naar rechts uitvallend naar Dwergen die van alle kanten opdrongen, gaf hij zijn overgebleven volgelingen de tijd de gewonden in veiligheid te brengen voordat hijzelf als laatste door de bres in de gang verdween.

Gnomer kwam inderdaad niet meer. Zijn verkenners en wegbereiders hadden ten onrechte gedacht dat ze de laatste puinhoop voor de stad hadden bereikt, maar er bleken nog veel meer hindernissen te zijn die ze niet op tijd konden opruimen. Ongeveer op het moment waarop Rex in de gang terugsprong, brak Gnomer zijn actie af. Hij vermoedde hoe het Rex in zijn eentje was vergaan, kon hem niet helpen en wilde op tijd in Koboldia terug zijn om de stad tegen achtervolgende Dwergen te verdedigen.
Maar wij achtervolgden Rex niet. Onze bezorgdheid won het van de wens de overvallers in de gangen na te zitten. Na de aftocht van Rex namen wij de schade op. In de stad werden de lichamen van 53 Dwergen en 37 Kobolden gevonden en geborgen. Er waren talloze gewonden. Het paleis van Krimm was verwoest en daarnaast waren meer dan vijftig huizen en gebouwen afgebrand. Krimm liet de gangen waarlangs Rex en Gnomer waren gekomen, dichtmetselen en beveiligde de hoofdgang met een stevig ijzeren hek van degelijk smeedwerk.”
- “En sindsdien kunnen Dwergen en Kobolden elkaar niet meer uitstaan?,” vroeg Stijn.
- “Ik dacht dat de tijd, die grote heelmeester, op den duur ook deze wond enigszins had gesloten,” vervolgde Tell. “Maar we zijn nooit meer de vrienden geworden die we ooit waren. Misschien is dat goed en hoort een volk ook zijn eigen weg te kiezen. Uiteindelijk is het noch ons, noch hen goed gegaan, maar de Kobolden toch nog minder dan ons. Koboldia bereikte nimmer de allure van Cyrillum. Uiteindelijk zijn de Kobolden ook daar weer weggetrokken en wonen nu verspreid en in kleine aantallen. Ook wij hebben ons na de gloriedagen van Cyrillum verspreid over een aantal vestigingplaatsen van waaruit wij ons werk kunnen voortzetten. Maar kennelijk zijn de Kobolden hun hang naar het kwaad, die ze in de dagen van Gnomer etaleerden, of hun verlangen naar wat meer glorie nog niet verloren. Anders kan ik de woorden van Alberon niet verklaren.”

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken