Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

De reis begint

Het miezerde de volgende morgen. Onder de bomen hadden ze er niet zoveel last van gehad, maar in het open veld kwam er zoveel regen naar beneden dat hun vachten er zwaar van werden. Dan schudden ze zich uit terwijl ze doorliepen om bij de groep te blijven. Dat was een gek gezicht: zo'n wolf die zowel zijwaarts schudde als voorwaarts liep en bijgevolg met kruislingse poten een wankelend zigzagpatroon aflegde waarbij hij bijna in de wolk van regendruppels verdween die uit zijn vacht kwam. De lucht boven hen was leeg op de regen en op Balo na, bij wie de vreugde over zijn deelname aan hun reis het had gewonnen van zijn tegenzin tegen vliegen in de regen en die tuimelend voor ze uit vloog en ergens op de grond ging zitten om op het laatste moment op te vliegen als de roedel eraan kwam.
- “Kun je niet in de lucht blijven hangen,” vroeg Gurd op zo'n moment, “ik schrik me elke keer een ongeluk.” Maar daarvoor voelde Balo niet veel, omdat hij tijdens zijn verblijf op de grond meteen een maaltje torren bij elkaar scharrelde.
- “In de lucht blijven hangen heet bidden. Als je wilt dat iemand voor je gaat bidden, moet je een havik nemen, geen specht. Ik aanbid niet. Ik ben zelf een heilig dier.” Grommend zei Gurd dat hij met zijn grote mond niet moest vergeten dat hij niet altijd in de lucht kon blijven.
-“Daar gaat het toch juist om,” riep Balo terwijl hij rondvloog op een veilige hoogte, “maar als ik op de grond zit, schrik jij je een ongeluk.”

Rufa had ze gewekt. Daarna had ze aan Sara, die aan de rand van hun kamp sliep, gevraagd hoe het met haar poot was. Sara had haar ogen geopend, haar poot voorzichtig bewogen, was met een uitdrukking van ongeloof gaan staan om te kijken of het echt ging en toen weggelopen, eerst behoedzaam, daarna rennend en springend.
- “Ik kan mee,” had ze geroepen. “Ik kan mee. Ik kan lopen. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen?”
Rufa had alleen maar geglimlacht.
Alberon was de vorige avond weggegaan zoals hij was gekomen, door er opeens niet meer te zijn, nadat hij Rufa nog een keer op het hart had gedrukt voorzichtig te zijn.
- “Jullie zijn nu met z'n achten. Laat Balo de weg verkennen, zet Gurd voorop, daarna jijzelf omringd door Malin, Laerke en Sara en laat Loeban en Lasja de achterhoede vormen. Blijf in het bos bij elkaar en waaier in het veld iets uit, maar niet teveel,” had hij haar zachtjes in het oor gefluisterd, “en pas op voor zwarte wolven.” Toen was hij verdwenen.
Rufa had zijn aanwijzingen opgevolgd, of eigenlijk doorgegeven aan Gurd die de wolven vervolgens in formatie had gezet. Balo was ingenomen met de belangrijke rol die Gurd hem had toebedeeld.
- “Vlieg voor ons uit en verken de route. Onderzoek alles wat je verdacht lijkt, maar blijf niet te lang hangen. Als iets geen gevaar oplevert, ga dan verder met verkennen. Vermijd gedoe met andere vogels. Zo kunnen we snel opschieten. En kijk uit naar zwarte wolven.”
Tegen Loeban en Lasja zei Gurd:
- “Omdat jullie snel en sterk zijn, vormen jullie de achterhoede. Hou elkaar en de groep in de gaten, maar let ook op het gebied achter je. Waarschuw mij als je onraad bespeurt en ga niet achter prooi aan ook al heb je misschien honger. Jullie mogen pas jagen als ik dat zeg.”
- “Waar gaan we eigenlijk naartoe?,” had Loeban gevraagd.
-“Naar de Tingboom,” zei Gurd.
- “Ja, dat weet ik,” zei Loeban, “maar welke kant gaan we uit.”
- “Loop maar gewoon achter mij aan,” zei Gurd. “Vandaag wil ik proberen oom Jonas te halen.”
Jonas was een broer van Rufa en haar dichtstbij wonende familielid. Loeban had Rufa veel over hem gehoord. Hij was - voor zover hij wist - de enige wolf die in een boom woonde.
En toen waren ze vertrokken. Een tikje meewarig omdat ze het terrein achterlieten waar ze maandenlang hadden gewoond en waar ze elke boom, struik of graspol kenden, maar ze waren vooral nieuwsgierig naar het onbekende. Ze hadden niet helemaal de betekenis van Alberons woorden van de vorige avond begrepen, die zelfs voor Rufa nog een paar raadsels bevatten, maar vooral de jongeren waren in de ban van de waarschuwing die erin besloten lag en die maar een ding kon inhouden: avontuur.
Ze gingen oostwaarts en verlieten het bos – hun bos – en kwamen in het veld waar ze twee dagen geleden nog een ree hadden gevangen. Ze waaierden uit, zoals Alberon had gezegd en verzamelden zich weer toen ze aan de overzijde van het veld het sparrenbos introkken. Balo schoot omhoog en scheerde over de boomtoppen.
- “Niets te zien,” riep hij naar Gurd die voorop ging en een stevig tempo aanhield.
Ze wisselden hun draf af met galopsprongen waarbij ze om zich heen konden kijken, zoals trekkende wolven meestal doen. Gurd moest proberen met zijn groep weken achtereen elke dag meer af te leggen dan een sterke wolf normaal doet. En ze zouden ook nog op jacht moeten om eten voor hun hongerige magen te vinden, al hoefden ze dat gelukkig niet elke dag te doen. Wolven kunnen dagenlang zonder eten, ook als ze onderweg zijn.
Loeban liep op de plaats die Gurd hem had gewezen, links achter Malin. Op gelijke hoogte met hem maar een paar meter naar rechts liep Lasja. Ze waren trots op het vertrouwen dat hun vader in hen stelde. Hun zintuigen waren gespannen. Ze keken onder het lopen voortdurend om zich heen. Hun oren stonden overeind om het geringste geluid op te vangen dat uitkwam boven hun eigen stappen en het ruizen van het gras dat door hun borst uiteen werd gedreven en door hun poten tegen de grond gelopen. Regelmatig keken ze om, om – zoals Gurd hun had gezegd – het terrein dat de groep juist had verlaten in de gaten te houden. Een slimme aanvaller zou immers daar zijn slag kunnen slaan omdat alle aandacht van zo'n trekkende troep wolven nu eenmaal naar de toekomst, de meters voor de voorste wolf, gaat. Loeban en Lasja waren zich bewust van de belangrijke taak waarmee Gurd ze had belast en zouden zo'n aanvaller onmiddellijk onderscheppen. Zodra ze iets merkten zou een van hen langs de flank van de groep naar voren rennen en Gurd waarschuwen terwijl de ander de achterhoede zou dekken.
Zo passeerden ze de grens van hun territorium en kwamen op minder bekend terrein. Het was heuvelachtig. In de verte, voor zover de lage bewolking hun toeliet dat te zien, tekenden zich nog hogere heuvels af. Sommige kwamen tot aan het wolkendek, lieten vlak daaronder hun mantel van bebossing vallen om in witte krijtige rotsen, die bijna blikkerden in het vroege licht, hun klim naar nog hoger voort te zetten. Net een vale gier, dacht Loeban, die eindigen ook in zo'n witte kale kop. Zover het oog reikte bestond de begroeiing uit naaldbossen afgewisseld met wat loofhout en hier en daar een open veld, eigenlijk precies zo als het gebied dat ze hadden achtergelaten. Alleen leek de bodem wat ruiger te worden. Ze stoven de eerste beboste helling af die naar een dal voerde. Loeban verwachtte een beek maar die bleek er niet te zijn. Tussen een zoom van hoog opgeschoten groene planten was alleen een droge bedding waarlangs in het voorjaar water naar beneden was gekomen. Aan de overzijde ging het weer omhoog, steiler dan de helling die ze waren afgekomen. Langzamer en met grote sprongen bereikten ze de top. Boven de kruinen vloog de specht die bij elke gelegenheid die de bomen hem boden naar beneden kwam om “niets te zien” te roepen.

Tarras was boos. Na het incident met de mens en zijn hond, die ze snel hadden uitgeschakeld, was zijn groep verder getrokken, in een hoog tempo om de verloren tijd in te halen. Ze vlogen tegen de hellingen op en aan de andere kant er weer vanaf. Hoe westelijker ze kwamen, hoe vlakker het terrein werd. Ze waren door onafzienbare naaldbossen, afgewisseld met kleine open velden, getrokken. Hij had ze opgejaagd door zelf op kop te gaan. Hij slingerde zijn slanke lichaam om de stammen heen die op zijn pad stonden, sprong over struikgewas, stoof door de open veldjes. Natuurlijk had hij het tempo ook opgezweept om de anderen te laten zien hoe sterk hij wel niet was, vooral aan Tibor, de tweede in de rangorde van zijn groep, die vlak achter hem liep en af en toe naast hem kwam om hem, de leider, te tonen dat hij eigenlijk nog niet hard genoeg ging. Tibor was ongeveer even oud als hij en even groot. Hij zou een rivaal geweest zijn als Werra rivaliteit niet had verboden. Stoerdoenerij, vond Tarras. Om de baas te zijn moest je niet alleen over kracht beschikken, maar ook weten waar je mee bezig was. En van deze groep wist alleen hij dat. “Zorg dat je op tijd bent,” had Werra hem op het hart gedrukt, “ook al heb je weinig tijd. Probeer ze tegen te houden en pak Rufa. Als dat niet lukt, schakel haar dan uit.”
Wie was Rufa? “Ze leidt een roedel en ze kan gevaarlijk voor ons zijn. Meer hoef je niet te weten,” had Werra gezegd, “alleen waar ze is en dat vertellen de valken je wel.” De slechtvalken waren Werra's verkenners en boodschappers. Ze stonden bekend om hun scherpe ogen, maar vooral om hun snelheid. Tarras had ze gezien terwijl ze met hun grote puntige vleugels kalm en hoog door de lucht zweefden om zich opeens met een duizelingwekkende vaart, sneller dan enige andere vogel, op een prooi te storten en die met gruwelijke precisie nog in de lucht te doden. Hun leider was Asa. Hij zat op een boomstronk terwijl hij tot Tarras sprak. De vogel had zijn scherpe klauwen in het hout geslagen. Zijn borst was gekleed in wit en zwart gestreepte veren die op zijn rug overgingen in donkergrijs. Boven een kraag van witte veren prijkte een zwarte kop met scherpe ogen die hem langs een vervaarlijk gekromde gele snavel aankeken.
- “Rufa zit met haar roedel pal in het westen, een heel eind van hier. Je trekt eerst door een gebied met vlak land, steppen en akkers, ...,” zei Asa.
- “Wat zijn akkers?,” vroeg Tarras.
- “Dat zijn gele steppen die zijn aangelegd door mensen. Ze zijn vlak en er zijn geen stenen en holen en daarom kun je er goed lopen. Het barst er van de konijnen, maar die hebben hun holen ergens anders. Denk erom dat je onvermijdelijk een duidelijk spoor maakt als je door hun akkers trekt. Het gewas dat je tegen de grond slaat als je er doorheen loopt, richt zich niet helemaal meer op en daardoor blijft je spoor duidelijk zichtbaar. En denk erom dat mensen het niet leuk vinden als groepen wolven door hun akkers trekken.”
Tarras had begrijpend geknikt.
- “Je moet vanuit de grot onder de berg een paar rivieren oversteken. Neem dus goede zwemmers mee. In de buurt van de rivieren vind je ook mensen. Na de eerste grote rivier ga je verder in zuidwestelijke richting en ontmoet je een bergketen. De toppen daarvan zijn kaal en in de winter besneeuwd. Daar wonen nauwelijks mensen. Trek die over. Er is een pas – de Magarpas. Vanuit de richting waarin je komt is de Magar de hoogste top. Op zijn zuidoostelijke helling is een doorgang, een pas. Maar kijk uit: de toegang tot de pas is een kloof die in handen is van Umar, een grijze wolf. Vermijd contact met hem. Dat doe je door om zijn koof heen te trekken.
Als je over de pas bent, houd dan de Magar en de andere hoge toppen die verder in westelijke richting liggen rechts, maar ga niet te ver naar links want dan kom je in de dalen van de Zwarn en de Zwin terecht en daar wonen de meeste mensen. Als het gebied vlakker begint te worden, ben je in de buurt van het leefgebied van Rufa. Daar moet je op je eigen verkenning vertrouwen.”
- “Waaraan herken ik Rufa en haar groep?”
- “Het is een groep van zes grijze wolven, bestaande uit drie wolven en drie wolvinnen. Ze zijn écht grijs met een donkere rug en een donker masker. Alleen Rufa heeft op haar kop een beetje roodbruin. De andere leider heet Gurd. Ze zijn tamelijk jong en groot. De andere wolven zijn nauwelijks volwassen.”
En daarmee had Tarras het moeten doen. Hij was westwaarts getrokken en de rivieren en bergketens overgetrokken die Asa hem had voorspeld. Af en toe had hij in de lucht het profiel van een slechtvalk gezien, ver weg. Hij twijfelde er niet aan dat zij met hun scherpe ogen hem en zijn groep ook hadden waargenomen. Ze konden tevreden over zijn vorderingen zijn. Maar de laatste tijd had hij geen slechtvalk meer gezien. Dan niet, had Tarras gedacht, en was verder gegaan. Hij was met enige moeite om de kloof van Umar heen geklommen – inderdaad: geklommen; bijkbaar was de kloof de enige begaanbare route naar de Magarpas – en was erin geslaagd contact met de grijze wolven aldaar te vermijden. Hij was met moeite over de Magarpas zelf gegaan waar zijn troep was blootgesteld geweest aan onweer, storm en zelfs hagel ondanks de zomer die in de lagere gebieden heerste. Daarna was hij dagenlang door de heuvels aan de voet van de hoge besneeuwde toppen getrokken die hij rechts had gehouden en was uiteindelijk in het wat vlakkere gebied gekomen dat Asa hem had beschreven. Hij was onderweg weinig andere wolven tegengekomen, maar hier had een van zijn verkenners een spoor opgepikt dat wel eens de grens van een wolventerritorium zou kunnen zijn. 's Nachts was hijzelf met die verkenner erop uitgetrokken, de grens gepasseerd en diep in het gebied binnengedrongen. Daar was hij op steeds meer sporen gestuit totdat hij vlakbij een leger was gekomen dat zich onder de wortels van een omgevallen spar bevond. Zes wolven, dat zou volgens de sporen best eens kunnen kloppen. Verder was hij niet gegaan omdat hij niet het risico van ontdekking wilde lopen voordat hij de situatie helemaal had bekeken. Bovendien stond de wind verkeerd. Daarom waren ze teruggegaan naar de groep en hij was om het gebied heengetrokken, niet alleen om de wind tegen te hebben voor de beste aanvalspositie, maar ook om het gebied verder te onderzoeken. Hij had er weer de zweep overgelegd en toen waren ze zelf hun eerste lid, een wolvin met de naam Sara, kwijtgeraakt. Toen hij dat merkte, was het eigenlijk al te laat. Omdat hij zo snel verder wilde, waren de anderen steeds verder achterop geraakt en hadden geen kans gezien hem te waarschuwen. Roepen mocht niet – dat zou hen hebben verraden, zeker met andere wolven zo dicht in de nabijheid. Daarom had hij er een paar verkenners op uitgestuurd en die hadden wel sporen, maar niet de wolvin zelf gevonden. Volgens hen had Sara gehinkt – een teken dat de wolvin niet kon jagen en het niet lang in haar eentje zou uithouden. Bovendien zou ze de groep alleen maar ophouden. Daarom hadden ze niet verder gezocht en waren teruggekeerd. En Tarras was verder gegaan totdat hij ten westen bovenwinds van het leefgebied van Rufa was aangekomen. 's Avonds was hij opnieuw naar het kamp geslopen en daar was hij niet alleen bijna door een vogel ontdekt, maar hij had daar ook de zwarte wolvin uit zijn eigen groep gezien en een soort lichtgevende mens, een elf waarschijnlijk. Hij had verhalen over elfen gehoord maar wist niet wat daarvan waar was. In elk geval waar het geen angstaanjagende verhalen geweest. Hij had niet dichterbij durven komen en daardoor niet alles kunnen horen. Maar hij had Sara nog wel horen zeggen dat ze bij Rufa wilde blijven. Dat was verraad geweest aan hem, zijn groep en aan Werra zelf. Tarras was teruggekeerd. De volgende dag zou hij het hol overvallen en wraak nemen op de trouweloze wolvin en haar nieuwe vrienden. En hij zou Rufa gevangennemen. En daarna zou hij afrekenen met zijn eigen verkenners die het niet nodig hadden gevonden om het spoor van Sara tot aan het hol van Rufa te volgen.
Daarom was Tarras boos. Maar hij zou nog bozer worden. Die morgen had hij zijn wolven uitgelegd wat ze moesten doen. Ze zouden op een lijn en met regelmatige tussenafstanden naar het kamp optrekken en uit alle richtingen aanvallen. Ze waren met meer en ze hadden het voordeel van de verrassing. Hun reuk zou ze niet verraden omdat de wind gunstig was. De regen zou de geluiden in het bos dempen zodat ze tot vlakbij het kamp onhoorbaar zouden zijn. Ook de vogel, die blijkbaar bij ze hoorde, zou niet voor zijn plezier de lucht ingaan en hun nadering ontdekken. Nadat Tarras dat had uitgelegd waren ze op weg gegaan. Ze hadden behoedzaam door het bos gelopen. In de buurt van kamp was het stil geweest en dat had ze tot nog grotere voorzichtigheid aangezet. De vogel was gelukkig nergens te zien. Uiteindelijk waren ze, praktisch op hun buik en vanuit alle richtingen, op het kamp toe geslopen en toen had Tarras met een grote sprong de laatste meters overbrugd en was in de kuil onder de spar gedoken, klaar om zijn tegenstanders met snelle beten naar links en rechts direct uit te schakelen. Maar het kamp was leeg geweest. Tarras brieste van woede.

“Een rivier. Er komt een rivier aan,” schreeuwde Balo die op een tak was gaan zitten om te wachten tot ze bij hem waren. De dag was al behoorlijk gevorderd en ze waren flink opgeschoten. Het regende nog steeds. De boom met daarin Balo was een kastanje met wijd uitlopende takken die bovenop een helling aan de rand van een veldje stond. Achter de boom begon het naaldbos weer en zonk de bodem steil naar beneden. Gurd hield even stil in het lange gras aan de voet van de boom. Hij was niet ontevreden over hun vorderingen. De wolven hadden hun formatie goed bewaard. Malin, Laerke en Sara leken blij met een korte pause. “Gaat het goed?,” vroeg Rufa aan Sara. Ze knikte. “Ik voel niks en gisteren kon ik geen stap verzetten en dacht ik dat ik dood zou gaan. Het is ongelooflijk.” Loeban en Lasja namen hun taak zo serieus dat ze zelfs nu, nu ze even waren gestopt, zo bleven staan dat ze goed zicht hadden op de flanken en het open veld achter hen.
In het dal beneden hen konden ze de rivier horen ruisen.
- “Hoe breed is 'ie?,” vroeg Gurd aan Balo.
- “Hier beneden een beuk of twee.”
- “Wat is dat nou weer voor een antwoord? Een beuk of twee?”
- “Dat is de afstand tussen twee beuken.”
- “Hoe weet ik wat de afstand tussen twee beuken is?”
- “Een hipje of vijfentwintig, een vleugelslag of vijf.”
- “En verderop?”
- “Eh, ook zoiets.”
- “Stroomt het water snel?”
- “Gaat wel.”
Gurd begreep dat hij zelf moest gaan kijken. Hij zocht zich een weg langs de steile helling naar beneden, waarbij hij af en toe van rotsblok naar rotsblok moest springen. Het was meer een ravijn dan een dal. Gelukkig was het een korte afdeling. Beneden, tussen de helling en het riviertje, lag een geasfalteerde weg. Hij snoof diep de lucht op maar niets beduidde dat de weg onlangs was gebruikt. Hij rook niet die merkwaardige lucht van uitlaatgassen die je vaak om mensenwegen heenhing en evenmin de geur van mensen of van paarden en ezels die boerenwagens voorttrokken.
- “Dat had je wel even mogen zeggen,” zei Gurd tegen Balo die met hem meegevlogen was. “Dit grijze pad is een mensenweg. Heb je geen mensen gezien?”
Balo schudde zijn kop. Gurd stak de weg over. Aan de overzijde stonden opnieuw struiken en daarachter, iets dieper dan de weg, lag het bed van de rivier dat was bezaaid met kiezelstenen en losgeraakte takken. Hij schatte dat de stroom een meter of vijf breed was. Ze zouden voorzichtig moeten zijn; als ze het al niet wisten, zouden ze uit de ervaringen van Sara en de losliggende steen kunnen weten dat kiezels gevaarlijk kunnen zijn voor wolvenpoten. De rivier zelf was gevuld met regenwater dat van de hellingen naar beneden was gekomen en bruisend stroomde. Het water was aan de rand glashelder maar naar het midden toe verliep de kleur naar donkerblauw en daar kon Gurd de bodem niet meer zien. Hij waadde de stroom in. Vlak voor het midden zakte de bodem plotseling een stuk naar beneden en kwam het water tot borsthoogte. De stroom trok hard aan hem en hij moest zijn poten op de bodem schrap zetten. Hij keerde zijn borst in de richting van de stroom zodat deze zo min mogelijk vat op hem had en bewoog toen zijwaarts verder naar het midden toe. Af en toe werd hij door de stroom opgetild en een stukje stroomafwaarts neergezet. Gelukkig was het water niet veel dieper en vonden zijn poten weer snel de grond. Zo bereikte hij de overkant. Daarachter liep de bedding weer op en begon het bos weer.
Hij legde de terugtocht op dezelfde manier af en bereikte de kastanjeboom waarin Balo alweer op zijn tak zat.
- “Kunnen we erover?,” vroeg Rufa.
- “Ja,” zei Gurd, “al zou ik het liever in het donker doen maar zo lang kunnen we niet wachten. We moeten zoveel mogelijk tegelijk en snel oversteken omdat we tijdens de oversteek erg kwetsbaar zijn. Iedereen kan ons zien, we kunnen niet weg en er loopt een mensenweg langs de rivier. Bovendien moeten we erg uitkijken met de stenen die er liggen. Dus we gaan eerst naar de bosjes beneden aan de helling, wachten dan totdat Balo zegt dat er niets te zien is, steken de weg over en beginnen aan de oversteek van de rivier. Loeban, Lasja en ik gaan stroomafwaarts, jullie wat meer stroomopwaarts. Als de stroom jullie een stukje meeneemt, kunnen wij jullie opvangen.”
Ze daalden de helling af en bleven gehoorzaam in de bosjes tussen de helling en de weg zitten. Balo wiekte hoog boven hen rond en keek de weg in beide richtingen af. “Niets te zien,” berichtte hij. Gurd wenkte hen en ze kwamen snel de bosjes uit en volgden hem over de weg naar de bedding van de rivier. Daar wees hij Rufa en de wolvinnen waar en hoe zij moesten oversteken en ging zelf met Loeban en Lasja een stukje stroomafwaarts het water in.
- “Zet je schrap in de stroom met je borst vooruit en wacht tot de anderen over zijn. Ze zijn wat kleiner dan wij dus ze worden met de stroom mee in onze richting gevoerd. Vis ze eruit,” zei Gurd.
Hij deed de twee wolven voor hoe ze naar het midden moesten waden. Gelukkig was het er niet dieper dan op de plaats waar Gurd eerder was overgestoken. Toen beduidde hij Rufa en de drie wolvinnen over te steken. Ze waadden het water in, kwamen in het diepe terecht en werden zoals verwacht met de stroom meegevoerd. Rufa zorgde ervoor dat ze niet naar de verkeerde oever werd meegesleept en voelde al snel weer grond onder haar poten aan de overzijde van de rivier. Ze schudde zich uit en verdween meteen tussen de struiken. De stroom was niet diep genoeg om echt gevaarlijk te zijn en dus was het verstandiger om te zorgen zo snel mogelijk uit het zicht te zijn. Ook Laerke werd maar kort meegevoerd en volgde het voorbeeld van haar moeder. Maar Malin en Sara moesten door Gurd en de zijnen worden tegengehouden. Malin spoelde tegen Lasja aan die haar meteen op de andere oever afzette, maar Gurd greep Sara in het voorbijgaan in haar nekvel en ze moest door hem en Loeban dwars door de stroom naar de overkant worden gebracht.

Toen ze allemaal aan de overkant van de rivier onder de bomen stonden, zette Gurd de reis meteen voort. Hij wilde zo snel mogelijk weg van de plek waar ze zo duidelijk zichtbaar waren geweest en ongetwijfeld een heleboel sporen hadden nagelaten. Ze renden tegen de helling van het ravijn op, van rots naar rots springend. Balo vloog weer boven hun hoofden. Toen ze bovenaan waren, konden ze zien dat het terrein alsmaar ruiger werd. De hellingen en dalen waren steiler en volgden elkaar sneller op. “Probeer in formatie te blijven,” riep Gurd ze toe terwijl ze alweer aan een afdaling bezig waren waarbij ze van rots naar rots moesten springen en blij waren als ze een boomstam vonden om hun evenwicht te bewaren.
Af en toe stopte Gurd even om zich te oriënteren. Rufa kwam dan naast hem staan en samen overlegden zij welke kant ze uitmoesten. Ongeveer een uur na de passage van de rivier kwamen ze in een gebied waar ze sporen van andere wolven vonden. Gurd snoof de lucht op. Hij had een geur opgevangen en ging door het bos recht op de oorsprong daarvan af. Rufa liep vrolijk naast hem. De geur werd sterker. Loeban keek onder het lopen scherp om zich heen. Toen hoorde hij wat kraken. Eerst linksachter, toen opzij. Hij hield in en zette zich schrap. Zijn kop geheven, de oren omhoog, zijn voorpoten iets uitelkaar, de lijn van zijn rug aflopend door de sprongklaar doorgezakte achterpoten. Naast hem nam Lasja dezelfde waakzame houding aan. Plotseling waren ze omgeven door wolven die van alle kanten uit de ondergroei te voorschijn kwamen en grommend op ze af sprongen, klaar om aan te vallen. Loeban en Lasja keken Gurd vragend aan, maar die begroette ze vriendelijk.
- “Is Jonas er soms?,” vroeg Rufa aan de vreemde wolven. Bij het horen van zijn naam veranderde hun houding op slag van agressief in wantrouwende geïnteresseerdheid.
- “Wil je hem vertellen dat Rufa er is?,” vroeg ze.
- “Rufa? Ben jij Rufa?,” vroeg een wolf die duidelijk de leider van het stel was, “dan ben je mijn tante! Ik ben Ion.” En tegen de hele groep zei hij: “Kom maar mee, ik zal jullie naar Jonas brengen.” Hij ging hen voor. Onderweg vertelde hij dat ze hen al een tijdje hadden zien aankomen en ze bij de grens van hun leefgebied hadden opgevangen. “Het zijn rare tijden,” zei Ion, “we moeten goed in de gaten houden wie er in de buurt rondhangen.”
Gek eigenlijk dat je na een dag door de wildernis te hebben getrokken opeens oog in oog staat met een grommende wolf die een volle neef van je blijkt te zijn, dacht Loeban. En misschien waren die andere wolven ook wel neven en nichten. Al zei bloedverwantschap hem niet zo veel, hier betekende het dat zij van belagers in gasten waren veranderd. Hoewel, het viel hem op dat zij, terwijl zij achter Ion aan liepen, aan weerszijden op een paar meter afstand werden geflankeerd door Ions wolven die hen oplettend in de gaten hielden. Neven en nichten die klaar waren om je op je nek te springen als je een verkeerde stap maakte.
Ze moesten nog een heel stuk door het schemerende bos lopen voordat zij bij het leger van Jonas aankwamen. Het was hier tamelijk vlak: een groot bebost plateau omzoomd door hoge heuveltoppen. Onderweg passeerden ze een paar open plekken met paarse heide en stille vennetjes die eindeloos bedaard de naaldbomen weerspiegelden die langs de oevers stonden. Prachtige plaatsen om te jagen, dacht Loeban. Het leefgebied van Jonas leek een stuk groter dan dat wat zij zelf hadden achtergelaten. Waarschijnlijk was zijn groep ook groter. Loeban had tot dusver zeven wolven geteld, evenveel als zij zelf, maar daar was Jonas nog niet eens bij. Uiteindelijk kwamen ze bij een merkwaardige bult aan die uit het vlakke terrein oprees. Voor de bult, aan de zijde waar deze overging in een loodrecht naar beneden vallende rotswand, groeide een reusachtige parasolden die zich niet in de hoogte, maar in de breedte had ontwikkeld alsof iets achter de bult niet mocht weten dat hij aan deze kant bestond. Hij moest stokoud zijn: de boom had nauwelijks een stam, maar des te meer takken en die waren immens in lengte en omvang. Wat vooral imposant was, was de wijze waarop zij zich tijdens het groeiproces met elkaar hadden verstrengeld in een voortdurend wedijveren naar de plek met de meeste zon, die voor een deel door de bult werd afgeschermd, en deze verstrengeling had een natuurlijk terras gevormd vlak onder de top van de bult. Dit was de boom van Jonas, die dit terras gebruikte en daarmee waarschijnlijk de enige wolf was die met zijn gezin in een boom woonde en over een dakterras beschikte. Vanaf de bult konden de wolven met een stap op het terras komen. De kronkelende hoofd- en zijtakken hadden allerlei natuurlijke rustplaatsen gevormd. Jonas kon met evenveel recht de enige bewoner worden genoemd van een leger dat uit twee verdiepingen bestond. Want onder de vergroeide kroon had zich een ideale ruimte gevormd die aan de bovenzijde werd beschut door het terras en aan weerszijden door wanden van vergroeide takken en wortels. Het was deze ruimte die door Jonas als verblijfplaats voor zijn groep werd gebruikt omdat zijn wolven hier bescherming konden vinden tegen de gure winden, slagregens en sneeuwstormen die in de winter ongehinderd op dit hooggelegen plateau konden losbarsten en verblijf op het terras onmogelijk maakten. Maar om bezoekers te begroeten en ze niet in hun nieuwsgierigheid naar de wolf in de boom teleur te stellen ging hij, net zoals nu, op zijn terras staan vanwaar hij hun komst al van veraf kon gadeslaan.
Zo zagen Gurd en Rufa en de andere roedelleden hem ook: staand bovenop zijn boom, onbereikbaar verheven voor iedereen die niet wist dat je op zijn terras kon komen door even om te lopen, met zijn zilvergrijze vacht afgetekend tegen de donkere avondlucht.
- “Jonas,” riep Rufa al van ver.
- “Rufa,” riep Jonas haar toe. Hij draaide zich om, rende van zijn terras af, verdween even uit het zicht, kwam toen achter de bult tevoorschijn, rende met grote sprongen op Rufa af en begroette haar hartelijk. Jonas was een flinke wolf met een opvallend grijze vacht en had, net als Rufa, een gekleurde toef op zijn kop.
- “En dit,” zei Jonas terwijl hij zich naar de rest van haar roedel keerde, “zijn je metgezellen? Welkom. Jullie zijn vast haar roedel. Ik zie wat gelijkenissen, zeg maar pootafdrukken.” Hij lachtte. “En jij moet Gurd zijn,” zei hij terwijl hij hem ook hartelijk begroette. Maar bij Sara gleed er even een nadenkende frons over zijn gezicht. “Beetje uit de buurt geraakt?,” vroeg hij haar.
- “Sara hebben we opgenomen toen ze gewond was,” zei Rufa voordat Sara iets kon zeggen. “En dan is Balo er ook nog. Balo, waar ben je?,” riep Rufa terwijl ze om zich heen keek om te zien waar de specht uithing.
- “Ik ben ... hier,” klonk het uit de hemel rechtboven haar waar Balo wonderlijke op- en neergaande bewegingen door de lucht maakte. “Ik probeer te bidden, maar het gaat niet helemaaaaaaaaaal goed.” Middenin het woord “helemaal” geraakte hij in een vrije val en bij “goed” zat hij op de grond tussen de lachende wolven in. “Ja, lach maar. Maar ik heb jullie nog nooit je poten zien uitsteken en wegvliegen,” zei Balo.
- “Ah, een specht,” zei Jonas, eveneens lachend, “welkom. Zoek hier een rustplaats en eet naar hartelust en wees ervan verzekerd dat niemand je een haar zal krenken, maar beloof me één ding: ga alsjeblieft geen gaten hakken in die boom daar.” Hij wees op de parasolden die het onderkomen van zijn groep was. Bonte spechten staan er om bekend dat ze van alle spechten de grootste gaten in bomen hakken. Hoewel deze gaten ideale toevluchtsoorden zijn voor allerlei bosdieren en vogels, zijn ze niet goed voor hun gastheer de boom en Jonas vreesde voor de gezondheid van zijn eeuwenoude parasolden.
Ze liepen naar de boom toe. Jonas jachtterrein voorzag hem van een ruime voedselvoorraad.
- “Lang niet meer gezien, zusje,” zei Jonas tegen Rufa. Ze wisselden allerlei ervaringen uit die ze hadden meegemaakt sinds ze hun ouderlijke leefgebied hadden verlaten. “Zitten papa en mama nog steeds op dezelfde plek?” “Waar is Elias naartoe gegaan?” Nadat ze zo een tijdje herinneringen hadden opgehaald, kwam Jonas ter zake.
- “Is het niet goed meer in het westen?,” vroeg hij, “ik dacht dat de moeilijkheden juist uit het zuiden en oosten kwamen.”
- “We zijn niet op zoek naar een nieuw leefgebied. Alberon heeft mij gevraagd naar de Tingboom te komen,” zei Rufa.
- “Ik weet het. Hij is hier ook geweest en heeft mij hetzelfde gevraagd.”
- “Ga je ook naar de Tingboom?”
- “Ik denk dat we allemaal wel moeten. We kunnen niet hier blijven wachten terwijl zich ergens anders een geweldig kwaad ontwikkelt dat straks onomkeerbaar blijkt te zijn en dan voor ons allemaal een bedreiging is, ook voor degenen die zich afzijdig proberen te houden.”
- “Een geweldig kwaad – is het zo erg?”
- “Ja, volgens Alberon wel en volgens andere dieren die ik heb gesproken. Jullie wonen wat afgelegen. Wij zitten hier tussen andere wolven en daardoor spreek ik er nog wel eens een paar. Maar hoe oostelijker je komt, hoe ongeruster de meesten zijn.”
Op dat moment klonk er een schorre schreeuw door de lucht. Allen keken verschrikt naar de hemel die bijna helemaal donker was.
- “Daar heb je er weer een,” zei Jonas. “Een van Werra's vliegende spionnen. Misschien kunnen jullie beter naar binnen gaan totdat hij weer weg is. Het is beter dat hij jullie niet ziet.”
Ze stonden op en gingen in de ruimte onder de boom zitten, waar ze vanuit de lucht onzichtbaar waren. Loeban vroeg zich af of de vogel hen niet allang had opgemerkt. Rufa keek om zich heen waar Balo was, maar ze kon hem niet zien.
- “Vliegende spionnen? Wie zijn dat dan?,” vroeg Gurd.
- “Werra heeft een verbond gesloten met de slechtvalken. Dat zijn de beste spionnen die er zijn. Ze hebben scherpere ogen en zijn sneller dan enig andere vogel, “ zei Jonas.
- “Balo mag wel oppassen,” zei Rufa
- “Zou er veel veranderen als Werra zijn zin krijgt?,” vroeg Gurd.
- “Wel als we hem zijn gang laten gaan, denk ik. Er is nu ook iemand de baas en daar merken we niet veel van. Maar bij Werra gaat het om meer, en vraag me niet wat dat precies is. Iets boosaardigs. Het recht om de baas te mogen spelen, is voor hem geen doel op zich. Hij wil er iets mee doen, maar niemand weet wat. Volgens sommigen weet hij dat zelf ook niet en wordt hij gedreven door iets dat zich in hem heeft genesteld of dat daar altijd al is geweest en dat nu de kop opsteekt. Daar komt bij dat anderen beweren dat hij geen echte wolf is, maar een weerwolf.”
- “Wat is het verschil tussen macht en boosaardigheid?,” vroeg Rufa.
- “Macht op zich is een status quo. Iemand heeft een zeker overwicht op anderen en zolang hij daarvan geen of bijna geen gebruik maakt is er weinig aan de hand. Maar boosaardigheid is iets anders. Dat is macht die zichzelf wil bewijzen. Wolven van Jaans, die een stuk zuidoostelijk van hier wonen, hadden een paar zwarte wolven verjaagd die hun leefgebied waren binnengedrongen toen ze een paar konijnen achterna zaten. Wij respecteren elkaars leefgebied en als iemand dat niet doet, per ongeluk of met opzet, dan heeft de eigenaar het recht hem eruit te gooien. Maar Werra pikte dat niet. Hij was toen nog niet zo sterk als nu, dus hij kon of wilde niet wraak nemen door Jaans met een overmacht aan wolven een lesje te leren. In plaats daarvan verspreidde hij een of ander gif of een ziekte onder de konijnen in het leefgebied van Jaans waardoor die stierven en de wolven die ze aten ook ziek werden. Niemand legde direct verband tussen de ziekte van de wolven en die van de konijnen. Dus Jaans probeerde nog een tijd met zijn doodzieke wolven te jagen maar het enige dat zij te pakken konden krijgen waren langzame konijnen die nog zieker waren dan zijzelf en die hen zelf ook nog eens zieker maakten. Toen al een paar van zijn wolven dood waren, begreep Jaans eindelijk dat hij moest proberen een ander leefgebied met gezond voedsel te vinden. Dat is hem ook gelukt, niet zover hier vandaan en dankzij de hulp van een paar andere roedels, want Jaans was niet meer in staat een gezond konijn te pakken, laat staan een ree of moeflon.”
Jonas pauzeerde even. Het bos om hen heen was donker geworden. Alleen aan de westelijke hemel was nog een donkerrode gloed te zien die wolkenflarden bescheen tot aan de scheidslijn met de nachtelijke duisternis. Een van zijn wolven liep op Jonas toe en fluisterde hem wat in het oor.
- “Weten jullie dat je wordt achtervolgd?,” vroeg Jonas aan hen.
- “Nee,” zei Gurd, “maar we vermoedden zoiets.” Hij vertelde het verhaal van Sara en de zwarte wolven en van de bezorgdheid van Alberon. “En daarom zijn we meteen vertrokken en in hoog tempo naar jullie toe gegaan. Onderweg hebben we voortdurend opgelet of we niet werden ingelopen.”
- “Er zit een groep zwarte wolven achter jullie aan,” vertelde Jonas. “Dat zou best eens de groep van Sara kunnen zijn. Ze volgden jullie sporen. Ze zijn hier niet zo lang na jullie gearriveerd en bij de grens van ons leefgebied gestopt. Ze lijken niet van plan te zijn iets te ondernemen, maar we houden ze in de gaten.”
- “Het is niet onze bedoeling jou bij onze moeilijkheden te betrekken,” zei Gurd.
- “Maak je geen zorgen,” zei Jonas. “Door alle dreiging is er nogal wat toeloop geweest van buitenaf en zijn we nu een grote sterke groep. Ook al vormen deze zwarte wolven een van de gevreesde strijdgroepen van Werra, wij hoeven absoluut niet bang voor ze te zijn. Als jullie verder gaan, verlaten jullie dit gebied aan de andere kant, ver weg en uit het zicht van de zwarte wolven. Wij houden ze wel even bezig. Maar voorlopig blijven jullie eerst hier, neem ik aan?”
- “We moeten morgen weer verder,” zei Rufa. “Alberon heeft gezegd dat we ons moesten haasten en ik heb hem dat beloofd.”
- “Langs welke weg ga je naar de Tingboom?,” vroeg Jonas.
- “We wilden langs Jasov gaan. Umar is een oude vriend van mij.”
- “Ah Umar. Ik hoop dat hij nog geen moeilijkheden heeft. Ik heb gehoord dat Werra zijn grot wil hebben. Kijk alsjeblieft uit, want straks wandel je recht in zijn hongerige muil. Neem zoveel mogelijk de hoge wegen. Die zijn nu nog begaanbaar. De zwarte wolven zijn actiever in de lage gedeelten van het bergland.”

De morgen meldde zich met een frisheid die de voortekenen in zich droeg van de winter die over een paar weken Jonas' hoogvlakte in bezit zou nemen. De vroege zon bescheen de oostelijke flanken van een paar bergtoppen langs de rand van de hoogvlakte, maar tussen de bomen heerste nog een diepe duisternis. Loeban werd gewekt toen Gurd hem met zijn neus in zijn zij porde. Door de lange tocht van de dag ervoor had hij langer en dieper geslapen dan normaal. Ook Rufa was al op en zat buiten het hol te praten met Jonas. De rest van het gezelschap lag nog te slapen maar werd ook door Gurd gewekt.
Een wolf liep naar Jonas toe en zei iets tegen hem, waarop Jonas zich tot het gezelschap wendde.
- “Het is rustig bij jullie achtervolgers. Ze hebben zich verspreid en liggen in een kring om ons heen, maar ze slapen nog. Ik ga een stukje met jullie mee om jullie de weg te wijzen.” Hij maakte zich gereed om te vertrekken en de anderen volgden zijn voorbeeld. Balo die op een tak van een den had gezeten en af en toe een kraaloog had geopend, kwam aangehupst.
- “Kijk hem eens blij zijn, die Balo,” zei Gurd, “hij huppelt gewoon.”
Achter Jonas staken ze zijn door toppen omkranste hoogvlakte diagonaalsgewijs over. Onderweg passerden ze nog een paar vennetjes. Fantastisch jachtterrein, dacht Loeban, die voor zijn geestesoog reëen, herten en ander groot wild behoedzaam uit de bossages tevoorschijn zag komen om zich te goed te doen aan het spiegelende water.
Ze hadden al geruime tijd gelopen toen de bodem plotseling steil omhoog ging. Ze waren aan het andere eind van de vlakte en de grens van Jonas' territorium aangekomen. Jonas sprong behendig tegen de rotsige bodem op, zette zijn poten zorgvuldig neer, steunzoekend op geschikte wortels en rotspunten. De anderen volgden hem in zijn voetsporen. Loeban zocht naast Lasja zijn eigen pad omhoog, maar gleed weg op een paar losliggende stenen waarbij hij op zijn buik in een privé-lawine van grind en kiezel een stuk naar beneden gleed, tot vermaak van de andere wolven die hem met alle vier de poten uitgespreid en met een verbaasde uitdrukking op zijn snuit de helling weer zagen afdalen. Het leven in de bergen was toch anders dan dat tussen glooiende heuvels, gedrapeerd met een verend dek van dennennaalden en geurige varens. Jonas kwam terug om te kijken hoe het met Loeban ging en om de wolven op het hart te drukken stil te zijn. “Er zit hier vlakbij een zwarte wolf, speciaal om erop te letten of jullie soms hierlangs gaan,” fluisterde hij. “Laten we hem zo lang mogelijk laten slapen.”
Ze gingen verder omhoog. De toppen, die vanaf Jonas' plateau niet meer dan een vriendelijke krans van niet al te hoge pieken hadden geleken, bleken bij de beklimming veel hoger en weerbarstiger. Loeban begreep nu waarom de zwarte wolven liever in de dalen bleven. De hoge weg waarlangs Jonas ze voorging, voerde onder de toppen door en kruiste de hellingen die soms zo steil waren dat ze alleen verder kwamen door sprongsgewijs een stukje omhoog of omlaag te gaan totdat ze ergens weer een richel vonden die min of meer horizontaal liep. De bomen stonden hier verder uitelkaar, waren minder hoog en werden afgewisseld met struiken. De steilste stukken helling waren onbegroeid en bedekt met losliggend kiezel en puin. Onderaan de hellingen, waar het bos weer begon, had zich vaak een opeenhoping van boomstammen en stenen gevormd die langs de steilte naar beneden waren gegleden en tegen de eerste bomen tot stilstand gekomen. Jonas volgde de rand maar bleef zoveel mogelijk onder de beschutting van het geboomte. “Onder de bomen zijn we voor de valken lastiger te zien.” zei hij tegen Gurd. “Ik denk dat die ene zwarte wolf die ze aan onze kant hadden neergezet niet zo gauw zal gaan spoorzoeken. Het eerste wat hij doet als hij wakker wordt, is naar zijn vriendjes teruggaan en vertellen dat hij niets heeft gezien. En dat klopt. Hij heeft ons ook niet gezien, denk ik. Zo kun je wat voorsprong opbouwen.”
Maar na een paar uur naderden ze een rotswand die ze dwong de dekking van het bos te verlaten. Jonas speurde langs de hemel: in de verte zag hij een paar stippen. Het leek alsof hij even aarzelde maar daarna ging hij de wolven vastbesloten voor langs een helling die naar de rotswand toe leidde. De kolossale, vrijwel loodrechte wand leek als een reusachtige spekkoek uit meerdere horizontale lagen te bestaan die enigszins nonchalant op elkaar waren gestapeld waardoor op het scheidsvlak van de lagen een onregelmatig randje was ontstaan. Langs dit randje ging de weg verder. Loeban had liever gezien dat de lagen nog wat nonchalanter waren gestapeld waardoor misschien een bredere richel zou zijn ontstaan.
- “We gaan een stukje bergbeklimmen,” zei Jonas. “Blijf achter mij en kijk niet naar beneden.” Natuurlijk keken ze allemaal onmiddellijk langs de rotswand omlaag, de diepte in. “Daarom zeg ik het nu, nu we nog niet op de richel staan,” zei Jonas, “maar doe het straks niet. Je kunt je evenwicht verliezen. Verderop ziet het er beneden net zo uit als hier, dus je hoeft niet meer te kijken. Je hebt het al gezien.” Jonas stapte op de richel. “Oh ja, en nog iets: loop door,” zei hij, “loop door en wacht niet, ook niet als je een sprongetje moet maken. Degenen die achter je komen kunnen ook niet wachten en vallen naar beneden als jij aarzelt. Dus, nogmaals: loop door. Hoe meer je voortmaakt, des te beter je op die richel je evenwicht kunt bewaren.”
Het klonk niet echt geruststellend. Wolven zijn geen bergbeklimmers en vermijden klauterpartijen liever. Jonas draaide zich om op de richel en liep verder. De wolven volgden hem. Gurd liet de anderen voorgaan en sloot zelf de rij. De richel werd al snel zo smal dat van omdraaien geen sprake kon zijn en de rotswand langs hun linkerflank schuurde. Er was nog maar een enkele richting over: naar voren. Loeban liep achter Jonas. De wand waar zijn vacht langs schuurde was vlak, akelig vlak. Voor het schuren was dat een voordeel – het akelige school in het feit dat de rotswand geen enkel uitsteeksel bood waar omheen hij in geval van nood zijn kaken kon klemmen.
- “Het wordt hier wat smaller,” riep Jonas hem toe, “dus voeten goed voor elkaar plaatsen.”
Inderdaad werd de richel nog wat smaller. Bovendien werd de rand brokkeliger. Loeban voelde zich niet erg op zijn gemak. Op zeker moment hield Jonas in.
- “Hier moeten we even een sprongetje maken,” riep hij naar achteren. “Niet nadenken, gewoon doen.”
Loeban zag hoe Jonas twee sprongen maakte, en daarna zag hij waarom. Voor hem, op de plek waar Jonas had gestaan, was de richel door regenval en steenlawines over een flink stuk weggeslagen, op een kleine uitstekende rest na die ongeveer in het midden zat en de lawines met moeite had overleefd. Jonas was eerst naar het uitsteeksel gesprongen, had daar zijn poten als een steenbok onder zich verzameld en was vervolgens naar de overkant van de kloof doorgesprongen. Daaronder gaapte een ongelooflijke afgrond die Loeban het gevoel gaf dat hij van de ene op een andere komeet moest zien te springen. Aan de overzijde was de richel enigszins breder zodat hij bij zijn landing – als hij het al zo ver bracht - wat meer ruimte had. Achter zich drong Lasja op. Doorlopen, ging door hem heen, hij moest verder.
- “Kom op, je kunt het. Ik ben bij je,” hoorde hij een schelle stem boven zich zeggen. Balo zat boven het midden tegen de wand aan en hield zich vast aan een uitsteeksel. Loeban verzamelde al zijn moed en sprong naar het middenstuk, sloot zijn poten aan, voelde dat zijn achterpoten enige grip hadden, net genoeg voor een nieuwe afzet, en sprong meteen door naar de veilige overzijde. Daar keek hij om en zag Lasja met een uitdrukking die minsten zo ongelovig als de zijne was geweest, naar de kloof staren. Hij hoorde de stem van Balo weer, die Lasja moed insprak. Toen bedacht Loeban dat hij de landingsplaats moest vrijmaken en liep verder, de bocht om waarachter hij Jonas had zien verdwijnen die hij een stuk voor zich uit langs de richel zag lopen en springen. Er moest dus nog meer worden gesprongen. Wat een weg. Hij ging achter Jonas aan. Hij had zelfs niet genoeg ruimte om achterom te zien en te kijken wie er om de hoek opdoken.
Op dat moment hoorde hij een geweldig gefladder naast zijn oor en een scherpe stekende pijn in zijn rechter schouder. Vanuit zijn ooghoek zag hij vleugels slaan – gestreepte bruine vleugels die aan de onderzijde lichter waren. Een valk - de schoft. In het open veld zou de vogel er als een haas vandoor gaan en er niet over prakkizeren om een wolf aan te vallen. Nu voelde hij de klauwen die in zijn rug werden geslagen. Hoe moest hij zich verdedigen? De richel was eenvoudig te smal. Oppassen - nu niet je evenwicht verliezen. Hij moest naar voren om te proberen aan zijn aanvaller te ontkomen. Gelukkig was er zo dicht bij de rotswand voor de vogel evenmin voldoende ruimte. Hij moest loslaten en vloog weg. Loeban kon hem nu zien terwijl hij in de lucht omhoog klom, enigszins voor zich uit, waarschijnlijk om een nieuwe aanval uit te voeren. De vogel kon hem niet echt aanvallen en verwonden, maar wel afleiden en tot een misstap verlokken. Hij moest hem negeren en zich volledig op het randje concentreren. Zo snel als hij kon liep hij verder langs de minuscule richel. Er kwam weer een stuk waar hij moest springen, gelukkig niet zo ver als de eerste keer. Hij had geen tijd om na te denken. Waar zat die vogel?
Hij hoorde weer gefladder achter zich, net op het moment waarop hij opnieuw over een gaping sprong. Mis, lekker puh, dacht hij toen hij aan de overkant was. Een paar voorzichtige stappen later stond hij naast Jonas op een breed plateau aan het eind van de richel en aan de bovenzijde van een helling. Zodra de ruimte het toeliet draaide hij zich om en zag de valk opnieuw hoogte maken om een aanval in te zetten op de wolven die achter hem aankwamen. Hij zag ze in een lange rij langs de richel komen. Loeban schreeuwde ze wanhopig toe door te lopen, maar dat deden ze toch al, zo goed en zo kwaad als het ze lukte. En toen was daar opeens Balo. De ongelooflijke specht, gewend om het luchtruim af te speuren naar gevaar, had de valk direct in de gaten gehad en scheerde met gespreide vleugels heen en terug langs de wand met Gurd, Laerke, Malin, Sara, Rufa, Lasja – ze hadden gelukkig allemaal de dubbelsprong overleefd - als een levend schild tegen de valk, die zijn aanvallen moest staken. De specht was ongeveer even groot als de valk, maar deze moest het vooral van zijn duikvluchten hebben en voelde zich vlakbij de rotswand en de krachtige snavel van de specht niet op zijn gemak. Een voor een bereikten de wolven het plateau waar Jonas en Loeban ze opwachtten.
Ze waren nog nooit zo blij geweest met het bereiken van een kale, aflopende, stenige en onbeschutte helling als deze die voor een ogenblik veiligheid betekende en het overleven van een hachelijk avontuur.
- “Als je nog eens wat weet,” zei Gurd tegen Jonas toen hij op het plateau stapte. “Volgende etappe stukje koorddansen?”
- “Jullie wilden toch bovenlangs? Als ik jullie dit vantevoren had verteld, waren jullie niet meegegaan, terwijl dit heus de enige route is,” zei Jonas. “Ze noemen dit de Duivelsrug. Als je naar beneden kijkt, zie je dat deze richel een diepe kloof afsluit die bijna helemaal tot aan het dal doorloopt. De keus was het dal, waar jullie terecht vandaan wilden blijven, of deze richel.”
De angst voor de diepte was zo groot geweest dat Loeban en de andere wolven nog steeds niet opnieuw hadden gekeken welke afgrond ze hadden overwonnen, ook al waren ze allang in veiligheid. Hij zag er, zoveel doodsangsten later, anders uit dan de eerste keer. Loodgrijze en gladde rotswanden vielen steil omlaag – een vallende wolf zou kansloos zijn. Aan de voet, honderden meters lager, waar zich in de loop van de tijd grond en puin dat van de rotsen kwam had verzameld, had zich een begroeide helling ontwikkeld die verder afdaalde naar een beekje dat vanaf hun hoogte nauwelijks te zien was. Het beekje volgde de kloof die kilometers ver in zuidoostelijke richting het bergland doorploegde om zich in de verte, aan hun blik onttrokken, met andere beken in een stroompje te voegen dat uiteindelijk zou uitmonden in de rivier de Zwin.
- “Geweldig, Jonas, heb je deze weg ooit in je eentje verkend?,” vroeg Rufa.
Jonas lachte.
- “Zo moeilijk was dat niet, hoor. Je hebt zelf gemerkt dat als je er eenmaal aan begonnen bent, je niet meer terug kunt. Ik stond de eerste keer doodsangsten uit, helemaal bij die bocht, omdat het er meer op leek dat de richel ergens langs de wand gewoon zou ophouden. Gelukkig kwam ik uiteindelijk op dit plateau terecht. Maar ik kon me goed herinneren hoe ik me voelde, die eerste keer, en me dus ook voorstellen hoe het voor jullie zou zijn.”
- “Zagen jullie dat, hè, hij durfde niet,” schetterde Balo ergens boven hun hoofd. “Bang voor de heilige specht. Vuile moordenaar.”
- “Balo, je was geweldig,” zei Rufa.
- “We moeten hier afscheid nemen,” zei Jonas.
Hij vertelde dat dit het lastigste gedeelte van de weg was geweest en dat hij zelf weer terug moest. Hij gaf Gurd nog een paar aanwijzingen en vertrok. Ze keken hem na terwijl hij de weg over de richel vlot en hier en daar springend in omgekeerde richting aflegde. Toen hij om de bocht uit hun gezicht was verdwenen, gingen ze ook weer op pad.
Ze zochten zo snel mogelijk de bescherming van het bos weer op. Voorop Gurd, daarachter de rest in een slingerende lijn en met tussenruimtes van een paar meter. Ze liepen in die kenmerkende, zo op het oog wat slome draf die ze urenlang en zonder rusten konden volhouden. Hun ruggen deinden op de soepele tred van hun poten. Hun oren waren waakzaam gespitst, hun neus was, behalve als ze hun kop opstaken om met hun scherpe ogen vooruit of om zich heen te kijken, nooit ver van de grond waar reuksporen ze konden waarschuwen voor voedsel of gevaar. Niet dat ze veel aan de informatie hadden: Gurd had ze kortweg verboden de formatie te verbreken en achter wild aan te gaan. Jagen was tijdverlies. Ze konden dagenlang doorlopen zonder voedsel. Alleen aan het einde van de dag, als ze een plek zochten om te rusten, kon er naar voedsel worden uitgekeken. Water – dat was iets anders. Ze moesten regelmatig drinken. Maar door de regenval van de vorige dag waren er overal op de bosgrond kleine beekjes ontstaan waaraan ze zich te goed konden doen. Dus slurpten ze gauw wat op voordat ze over zo'n stroompje heensprongen. Gevaar, behalve van hun vijanden, was er nauwelijks. Er waren weinig dieren die bij de nadering van een troep wolven niet de benen namen. Een flinke beer bleef misschien met gespitste oren zitten, niet van plan zijn maaltijd te staken of zijn territorium tijdelijk te ontruimen, maar zou de voorbijdravende wolven weinig kwaad doen en deze hoogstens, misschien ietwat verbaasd, nastaren. De enigen die een gevaar konden vormen, waren andere wolven die in hun doortocht een aantasting van hun leefgebied zouden kunnen zien, maar Gurd en Rufa kenden de meeste van de schaarse roedels in de buurt en deze kenden hen. Kwamen ze toch de merktekens van een onbekende groep of van een solitair levende wolf tegen, dan zouden ze gewoon om het gebied heentrekken.

Gurd ging ze voor door het eindeloze bos van naaldbomen en loofhout op de zich aaneenrijgende hellingen, steeds zijn weg zoekend op de schuinte, langs rotspunten, door bossages, geleid door zijn richtingsgevoel. Hij vermeed de plaatsen aan de hoogste bosranden, waar het stenig puin dat door sneeuw en regenval van de naakte toppen was losgeraakt, zich had verzameld. Een enkele misstap op een losliggende steen kon een gekwetste poot betekenen en hun missie in gevaar brengen. Een scherp gepunte steen kon door een voetzool heendringen en hun voortgang hinderen. Maar dat kon een doorn ook makkelijk doen en die kon je overal op de helling tegenkomen. Daarom vermeed hij zoveel als hij kon de struiken waarvan hij wist dat de afgebroken takken, die her en der op de grond lagen, doorns hadden, maar hij kon ze niet allemaal ontlopen. Telkens riep hij de achter hem lopende wolven op om zo dicht mogelijk bijelkaar te blijven en te voorkomen dat een afgedwaalde volgeling in de buurt van een struik kwam die hij, Gurd, juist probeerde te omzeilen. De nieuwsgierigheid van zijn jonge wolven was een deugd, behalve wanneer het erop aankwam de troep bijelkaar te houden. Soms aarzelde er een bij een bosje of een steen, om vervolgens met een paar lange galopsprongen zijn of haar positie in de groep weer in te nemen.
Hij vermeed de lagere gedeelten van de hellingen omdat hij verwachtte dat de groep van Sara daarlangs zou trekken. Hij hield daarbij een ruime zône aan om te voorkomen dat uitgewaaierde volgelingen of verkenners uit deze groep zijn sporen zouden vinden, maar geloofde niet dat deze maatregel afdoende zou blijken. De ervaringen met de valk hadden duidelijk gemaakt dat hun tegenstanders op de hoogte waren van hun queeste en Gurd twijfelde er niet aan dat dat ook voor de groep van Sara gold. Ze zouden een keuze moeten doen. Voor de groep van Sara uitgaan was ongunstig als je deze alleen wilde volgen, maar gunstig als je een hinderlaag wilde leggen.
Toen de schemering inviel vond Gurd het welletjes. Aan hun linkerhand stegen de heuvels nog verder en verdwenen in de laaghangende wolken. Ze liepen nog steeds door bos, maar de bomen leken wat verder uiteen te staan. De regen was gestopt en de duisternis begon zich snel aan de grijze hemel af te tekenen als een bijna zwarte schaduw die vanuit het oosten kwam aangegleden. Zijn gevoel zei Gurd dat ze ver genoeg waren opgeschoten. Daarom gingen ze op zoek naar een geschikte plek om te overnachten.
- “Balo,” riep Gurd, “kijk ook eens of je een geschikte onderdak voor ons kunt vinden.”
- “Waarom gaan jullie niet in een boom zitten, net als ik,” riep Balo terug. Gelukkig vond hij al snel een ondiepe grot in de zijwand van de heuvel die ze aan het beklimmen waren. De grot was diep genoeg om beschutting te bieden tegen de regen die ongetwijfeld terug zou komen. De ingang gaf hen een goed uitzicht op hun omgeving.
Ondanks de vermoeiende tocht slaagden Gurd en Lasja erin om een ree te vangen dat ze naar de grot hadden gesleept en dat ze nu met z'n allen opaten. Ze hadden het dier misschien niet te pakken gekregen als Balo ze niet had verteld waar het was en als het opgejaagde dier niet in het struikgewas verstrikt was geraakt. Maar het smaakte er niet minder om. Na het eten vertelde Rufa dat ze om beurten op wacht moesten gaan staan.
- “Op wacht? Wat was dat nu weer?,” wilden ze weten.
- “Na het invallen van de duisternis moet steeds een van ons wakker zijn om op te letten of er niets aankomt,” zei Rufa.
- “Maar dat horen of ruiken we dan toch,” wierpen de jongeren tegen.
- “Nee,” zei Rufa, “op zo'n helling staat de wind bijna altijd verkeerd, dus ruik je niets en hoor je minder. Bovendien gaat het nu niet om prooi, maar om spionnen. Als je slaapt, waarschuwen je zintuigen je voor gevaar, maar nu gaat het erom dingen waar te nemen, die geen directe bedreiging vormen en daarvoor waarschuwen je zintuigen je niet. Zwarte wolven kijken wel uit om zo dichtbij te komen dat ze ons kunnen ruiken, omdat wij hen dan ook kunnen ruiken. Dus proberen ze onze aanwezigheid vast te stellen met kijken en luisteren en door sporen te vinden. Daarom moet er van ons ook steeds eentje op de uitkijk staan.”
- “Wat moeten we doen als we zo'n spion vinden?,” vroegen ze.
- “Terugkomen en vertellen wat je hebt gezien,” zei Rufa. “Ga hem niet te lijf en jaag hem niet op, maar kom meteen naar ons toe. Dan moeten we zo snel mogelijk vertrekken.”
Hoewel het nog niet helemaal donker was, zochten de wolven zich een rustplaats op de harde rotsvloer van de grot. Zelfs Balo had een plek gevonden op een wat hoger gelegen richel.
- “Je hebt het goed gedaan, Balo,” zei Gurd.
De vogel glom van trots.
- “Jullie allemaal trouwens,” zei Gurd en hij keek ze een voor een aan. Rufa had zich naast Sara neergelegd. Ondanks hun vermoeidheid waren er toch nog veel vragen waarop Rufa graag antwoord wilde hebben.
- “Hoe kwam je eigenlijk bij ons in de buurt?,” vroeg Rufa. Dat was de vraag die haar het meest bezighield en die ook de directe veroorzaker leek van Alberons ongerustheid.
Ondanks haar vermoeidheid begreep Sara dat Rufa niet alleen een reisverslag wilde horen, maar eigenlijk haar achtergronden wilde leren kennen om te begrijpen hoe zij in het kamp van Werra terecht was gekomen.
- “Ik ben opgegroeid in een kleine groep ergens in het zuiden van dit gebergte,” vertelde Sara. “De groep bestond, behalve uit mijn ouders en mijzelf uit nog twee broers en een zusje. Mijn vader was de baas. Mijn broers en zusje waren, net zo min als ikzelf, oud genoeg om te jagen, dus hij moest voor het eten zorgen. Dat was niet zo erg moeilijk. Er was wild in overvloed.
Het was een leuke groep. We speelden en ravotten en mijn ouders deden ook mee. Maar op een dag kwam mijn vader gewond thuis. Mijn moeder vroeg hem bezorgd wat er was gebeurd en hij vertelde dat hij andere wolven was tegengekomen – zwarte, net als wij – die hem hadden gezegd dat hij zich in hun leefgebied bevond. Dat was niet waar. We hadden een klein gebied - als kleine groep hadden we, omdat er wild genoeg was, ook niet meer nodig, maar we kenden het door en door en wisten zeker dat we niet op het gebied van een andere groep waren beland. We wisten wel dat niet ver bij ons vandaan de grens van het gebied van een andere groep lag, een grote groep hadden we gemerkt. Deze groep had zijn grenzen blijkbaar uitgebreid zodat we binnen hun gebied waren komen te liggen. “Daar kunnen wij toch niets aan doen?,” zei mijn vader, maar de anderen lachten hem uit en zo was het toch op een knokpartij uitgedraaid en hij had zich moeten terugtrekken omdat de anderen met velen waren geweest. Hij had een paar lelijke beten opgelopen maar er ook een paar uitgedeeld, vertelde hij met trots.
Mijn ouders besloten daarop de volgende dag te vertrekken. Er waren genoeg gebieden met voldoende wild te vinden voor een groep zoals de onze. Maar tegen de avond verschenen die andere wolven opeens bij ons leger en vielen ons onverhoeds aan. Het waren er veel. Drie of vier wolven doken tegelijk op mijn gewonde vader. Mijn moeder probeerde mijn vader te helpen. Een wolf kwam grommend op mij af en ik zag dat hetzelfde met mijn broers en zusje gebeurde. Ik hoorde mijn moeder gillen en het geknauw van bijtende wolven die met mijn vader en moeder in gevecht waren. Ik zelf zette het op een lopen terwijl ik achter mij de wolf hoorde die mij met dichtklappende kaken achternazat. Ik wist de kaken te ontwijken en rende zoals ik nog nooit had gerend. Ik durde pas te stoppen toen ik zeker wist dat ik niet meer werd achtervolgd. Ik keek eerst of mijn belager nog te zien was en toen ik niets zag, keek ik om mij heen. Heel in de verte hoorde ik nog geluiden van een vechtpartij, maar die geluiden stierven weg. Ik was op een ruime open plek beland, begroeid met gras dat als ik lag hoog genoeg was om mij aan het zicht te onttrekken en hoopte dat het struikgewas langs de rand zich zou openen en dat mijn vader, moeder, broers en zusje zouden verschijnen, maar dat gebeurde niet.
Ik durfde niet weggaan omdat ik anders onvindbaar voor mijn familie zou zijn, en ik durfde niet te blijven omdat die andere wolven misschien zouden terugkomen. Uiteindelijk bedacht ik dat als ze mij hadden willen hebben, ze geen genoegen hadden genomen met me alleen te verjagen. Dus wilden ze mij niet hebben en kon ik blijven waar ik was, platgedrukt tegen de grond, turend naar de bosrand. Ik bleef dagen liggen en zag het beurtelings dag en nacht worden, maar mijn familie kwam niet meer. Uiteindelijk dwong de honger me op zoek te gaan naar eten. Ik was inmiddels te zwak om zelfs maar te proberen een prooidier te vangen, ook al had ik dat niet geleerd. Gelukkig vond ik een paar wortels – mijn moeder had ze wel eens aangewezen en verteld dat je die kon eten.. Ze waren niet lekker maar voedzaam en stilden mijn ergste honger. Ik begon te zwerven in de omgeving van ons oude leefgebied en vond meer bladeren en knollen die eetbaar waren. Ze behoedden mij voor de hongerdood. Ik had inmiddels de moed opgegeven ooit nog mijn familie terug te zien. Maar op een dag waarop ik bezig was een wortel uit te graven die ik herkende aan het groene deel van de plant dat boven de grond uitstak, hoorde ik wat geritsel en dook er opeens een zwarte wolf naast mij op. Ik weet niet wie meer schrok, de zwarte wolf of ik. We keken elkaar aan en toen herkenden we elkaar. Het was mijn broer Sebastiaan. Hij had de dagen op ongeveer dezelfde wijze doorgebracht als ik, alleen was hij erin geslaagd een oud konijn te vangen en op te eten. Sebastiaan had ook geen spoor van onze familie kunnen ontdekken, hoewel hij nog wel had geprobeerd ons oude leger terug te vinden. Tegen beter weten in had hij gehoopt dat daar alles bij het oude was gebleven en iedereen op hem zat te wachten: vader, moeder, zijn broer en zusjes. In plaats daarvan was de holte onder de boom waar wij vroeger woonden leeg geweest.
Sebastiaan en ik begrepen dat we hier niets meer te zoeken hadden. We hadden geen idee waar we naartoe moesten Omdat het al herfst was, zag het er somber voor ons uit. Hoe woesten we ons op de strenge winter voorbereiden? We waren nog niet sterk en ervaren genoeg om prooidieren te vangen. Terwijl we ons afvroeger wat we moesten doen, ontmoetten we een zwarte wolf die ons vertelde dat hij op weg was naar een grote roedel die andere zwarte wolven opnam. We begrepen dat dit onze kans was en gingen met hem mee. Zo kwamen we bij de roedel van Werra die ons zonder veel vragen een leger aanwees en ervoor zorgde dat we te eten kregen.
Werra was inderdaad onze redding. Hij had jagers die voor ons en de anderen eten meenamen. Wij mochten de eerste tijd gebruiken om op verhaal te komen. We liepen door zijn enorme ruime grot die eigenlijk een halve berg was waaruit de voorzijde was weggeslagen. De ruimte was daardoor aan een zijde open en nog veel groter dan het geval zou zijn geweest als hij helemaal was afgesloten. Iedereen was ingedeeld in een groep. Er waren jachtgroepen. Wie niet tot een jachtgroep behoorde maakte deel uit van een groep die oefeningen deed. Eenmaal per dag kwamen we samen en dan verscheen Werra op zijn balkon en hield een soort toespraak. Soms vertelde hij daarin dat alle groepen gezamenlijk in vrede moesten leven, soms dat we anderen eveneens tot die eenheid moesten brengen, dat geweld daarbij niet kon worden uitgesloten en dat we die nieuwe eenheid moesten gebruiken om ons met succes te verzetten tegen bijvoorbeeld de mens die onze leefruimte bedreigde. Het klonk allemaal tamelijk redelijk. Maar toen werden Sebastiaan en ik ook ingedeeld. We kwamen in verschillende groepen terecht omdat Werra het beter vond families op te splitsen. Vanaf dat moment veranderde alles. Het leven in zo'n oefengroep was verschrikkelijk. Je moest precies doen wat de leider zei. Deed je iets fout, dan volgde er straf en geloof me, je deed al gauw iets fout. Was je ongehoorzaam dan werd je uitgeleverd aan de lijfwacht van Werra die heel erge dingen met je deed. De oefeningen die je moest doen waren allemaal gericht op vechten, de hele dag door. Later kwamen er oefeningen bij die onze hardheid en uithoudingsvermogen verhoogden. We moesten dagenlang hardlopend grote afstanden zonder eten en drinken afleggen. In de winter werden we naar buiten gestuurd om de bitterste kou te doorstaan.
Je moest niet proberen het jezelf iets makkelijker te maken of ergens onder uit te komen. Er waren overal verklikkers die je in de gaten hielden en je aangaven bij de groepsleider of bij de lijfwacht van Werra. Je moest ook uitkijken met wat je zei. Als dat iets was dat tegen de regels inging, was er altijd wel eentje die je verried. Vooral als je iets over Werra zei, werd daarop snel door de lijfwacht gereageerd. In zijn dagelijkse toespraken, waaraan ik een steeds grotere hekel kreeg, prees Werra de verklikkers om hun oplettendheid en gaf ze belangrijke posten, waardoor er steeds meer waren die iemand begonnen aan te geven. Want een belangrijke post, roedelleider of zo, was een van de voornaamste doelen die je kon bereiken.
Ik begon plannen te maken om er vandoor te gaan. Een enkele keer kon ik Sebastiaan even spreken en die had er ook genoeg van. Maar weggaan, en zeker met z'n tweeën, was niet zo eenvoudig. Als ze je te pakken kregen, werd dat als ongehoorzaamheid uitgelegd en werd je overgedragen aan de lijfwacht van Werra. Ik heb nog nooit iemand zien terugkomen die in handen van de lijfwacht was gevallen. Bovendien werd je naam door Werra in zijn toespraken genoemd, zodat iedereen zich tegen je familie kon keren.
Op een dag stond ik weer verplicht naar Werra te luisteren, toen ik zag hoe zijn lijfwachten tussen de rijen luisteraars op zoek waren naar iemand. Eindelijk hadden ze hem gevonden en namen hem tussen zich in mee naar hun eigen grot aan een van de galerijen in de achterwand van de grote ruimte. Bij het zien van de optocht zei Werra: “Wij zijn niet voor niets een grote groep. Ons doel is groot en verheven en het is voor ieder van ons belangrijk te weten dat hij of zij er niet alleen voor staat, maar veel vrienden heeft. Maar het nadeel van een grote groep is dat er altijd wel eentje tussenzit die dat niet wil begrijpen en ons tegen elkaar opzet. Zo iemand, die nu door mijn lijfwacht wordt meegenomen, iemand die ik zelf van de dood heb gered door hem eten en vrienden te geven, is ... Sebastiaan.”
Ik had al die tijd naar de wolf gekeken die eerst om zich heen ziend alsof zijn ogen tussen de aanwezigen iemand zochten en daarna met moedeloos neerhangende kop werd afgevoerd, maar ik kon hem niet goed zien door de lijfwachten die om hem heen drongen. Het moment waarop ik hem uiteindelijk herkende viel samen met het noemen van de naam Sebastiaan. Ik stond als aan de grond genageld. Ik zag hem verderop omhooggaan naar de galerij en de gevreesde grot ingaan. Ik had willen roepen en gillen maar er kwam niets uit me. Mijn groep sleurde me mee terwijl ik nog steeds wezenloos naar de ingang van die grot staarde waarin mijn broer was verdwenen.
Die avond ging ik naar Werra om hem te spreken en voor mijn broer te pleiten, maar hij had geen tijd voor me. Daarna probeerde ik het hoofd van de lijfwacht maar die vertelde dat hij weinig voor me kon doen. Sebastiaan zou een soort heropvoeding krijgen zoals anderen die voor hem werden gebracht. Ik moest me nergens zorgen over maken en weer gewoon aan mijn werk gaan. Sebastiaan zou vanzelf een keer terugkomen als hij zijn best deed.
Ik was inmiddels aan het idee gewend geraakt dat ik mijn familie nooit meer zou terugzien, dus ook Sebastiaan niet. Mijn besluit om te vertrekken bij de eerste gelegenheid die zich voordeed stond vast. Maar uitgerekend toen maakte de groepsleider bekend dat ik was ingedeeld in de groep van Tarras die een geheime opdracht moest vervullen. Dergelijke benoemingen waren eigenlijk eervol en ik werd door mijn groepsgenoten gelukgewenst, maar mij zei het niets meer behalve dat een geheime opdracht misschien betere mogelijkheden bood om er vandoor te gaan.
We vertrokken vrijwel meteen. Tarras was het soort leider waar Werra dol op is. Groot, sterk, gehard, betrouwbaar voor hem, streng voor ons. Hij liet niet los wat we moesten doen, alleen dat we ver weg moesten en een heel stuk te lopen hadden. Door het straffe tempo had ik geen kans te ontsnappen. Ik was al snel zo moe dat de anderen me direct te pakken zouden hebben gehad als ik het had geprobeerd. Maar gelukkig hielp het toeval me, of misschien was het de vermoeidheid wel, waardoor ik mijn poot kneusde en Tarras me achterliet. De rest weten jullie.”
Ze keek de wolven aan. Ze hadden ademloos naar haar geluisterd en lieten het verhaal bezinken.
- “Goh,” zei Rufa na enige tijd, “heb je nooit meer iets van je ouders of van Sebastiaan vernomen?” Ze keek Sara medelijdend aan.
- “Nee,” zei Sara en zweeg.
- “Je weet niet wat Tarras hier eigenblijk kwam doen?,” vroeg ze toen.
- “Nee,” zei Sara, “hij zei dat hij een geheime opdracht had gekregen, maar niet wat die opdracht inhield. We wisten zelfs niet naar wie of wat we op zoek waren. De avond voordat ik gewond raakte, is Tarras weggeweest en een tijdje later teruggekomen en toen had hij blijkbaar gevonden wat hij zocht.”
- “Ging hij alleen?,” vroeg Gurd.
- “Nee, hij ging samen met Kars. Die heeft jullie het eerst gevonden.”
- “Dat waren dus die twee sporen die we hebben gevonden,” zei Gurd. Rufa knikte instemmend. Het verhaal klopte en Gurds indrukken waren juist geweest.
- “Van wie kreeg hij die opdracht?,” vroeg Rufa.
- “Van Werra denk ik,” zei Sara. “Hij kreeg trouwens tussentijds informatie en misschien nieuwe opdrachten van de valken die voor Werra werken.”
- “Werken er naast de valken nog meer voor Werra?,” vroeg Gurd.
- “Dat weet ik niet precies. Ik heb Kobolden gezien, tenminste wezens waarvan de anderen zeiden dat het Kobolden waren, en andere weerwolven.”
- “Weerwolven?,” vroeg Gurd.
- “Ja, ontzettend grote lelijke wolven. Werra is er zelf ook een,” antwoordde Sara.
- “Wat zijn weerwolven?,” vroegen de jongere wolven nieuwsgierig.
- “Weerwolven zijn monsterlijke wolven,” vertelde Rufa. “Ze zijn heel lang geleden ontstaan, toen op een maanlichte nacht de wolvin Wera in haar slaap werd verrast door een trol. Haar nakomelingen verenigden zowel de kracht, de wreedheid en de domheid van de trol als onze snelheid in zich. Ze zijn bloeddorstig en ontzettend groot, minstens zo groot als een wolf lang is. Ze hebben een wat afgestompte snuit, grote kaken met lange wrede tanden, korte oren en een brede tors die aan een trol of een mens doet denken. Hun staart lijkt meer op die van een bosvarken dan die van een wolf. Hun beharing is trolachtig. Ze hebben geen mooie vacht, zoals wij, maar wat plukkerig donker haar op een zwarte leerachtige huid, die zo dik is dat een wolventand er bijna niet doorheen kan komen. Overdag slapen ze meestal of ze liggen in hun hol, dat net als dat van trollen erg vies is. 's Nachts gaan ze op rooftocht en zijn ze bijna onkwetsbaar, vooral als het volle maan is. Gelukkig trekken ze er niet in roedels op uit, maar zijn ze meestal in hun eentje.”
- “Bestaan ze nog steeds, weerwolven?,” vroeg Lasja.
- “Bijna niet meer, geloof ik,” zei Rufa.

Toen hij het verlaten hol had gevonden en van zijn verbazing was bekomen, vreesde Tarras eerst voor een hinderlaag. Al zou de roedel van Rufa niet tegen de zijne opgewassen zijn, je wist nooit waartoe deze samen met de elf, die hij de avond ervoor had gezien, in staat zou zijn. Maar in de omgeving vonden zijn wolven al gauw sporen die uitwezen dat de bewoners in oostelijke richting hun leefgebied hadden verlaten. Waarom? Waren ze zo bang geworden van wat Sara ze had verteld, dat ze op de vlucht waren geslagen en hun leefgebied zonder slag of stoot hadden prijsgegeven? Hij kon zich dat niet voorstellen. Sara wist immers niet wat de bedoeling was. Maar waarom waren ze dan weggetrokken? Hun leefgebied wekte allerminst de indruk onvoldoende voedsel te bevatten. En oostelijk? – daar kwamen ze net zelf vandaan. Ze zouden weer terugmoeten. Hij verwenste in stilte al degenen die de oorzaak van deze misgreep waren. “Er achteraan,” zei hij kortaf tegen zijn wolven. Hij had geen keus, hoewel zijn groep vermoeid was. Ze hadden immers net de hele reis hiernaartoe afgelegd en nauwelijks rust en eten gehad. Daar moesten ze maar tegen kunnen, vond hij. Hij wist niet hoeveel voorsprong de anderen hadden. Een paar uur hooguit. Als ze een stevig tempo aanhielden, zou hij ze binnen een dag kunnen inhalen. Als de elf erbij was zou het misschien nog sneller gaan. Elfen leken op mensen en mensen waren trage lopers, veel trager dan wolven. Hij riep zijn verkenners en vroeg of zij sporen van de elf hadden gezien, maar dat hadden ze niet. Hij keek om zich heen in het hol en vond ze ook niet. Vreemd, dacht hij, terwijl hij hem de vorige avond hier toch had gezien.
Hij zette zich zelf aan het hoofd van de achtervolging en legde zijn groep een hoog tempo op. De sporen waren makkelijk te volgen. Ze trokken door de bossen en velden waardoorheen Gurd en de zijnen waren gekomen. Tarras kon aan de sporen zien dat hij op ze inliep, ondanks het feit dat ook de groep van Rufa snel vooruitkwam. Geen wonder, dacht hij, zijn groep was niet voor niets een van de snelste. Maar toch begreep hij niet wat Rufa aan het doen was. Als haar groep alleen op zoek was naar een nieuw territorium, hoefde deze niet zo snel te trekken. Bovendien was ze al een paar gebieden gepasseerd die wat meer onderzoek hadden verdiend. Maar niets wees daarop, zelfs geen sporen die lieten zien dat de wolven waren uitgezwermd om wild te zoeken. Ze gingen in een strakke formatie pal oostwaarts en lieten zich blijkbaar nergens door afleiden.
In de loop van de dag merkte Tarras dat zijn groep niet zo snel meer vooruitkwam. Tibor kwam naast hem.
- “Ze zijn moe en ze hebben geen eten gehad,” zei hij tegen Tarras, “misschien is het verstandiger om even een pauze in te lassen.”
Het viel Tarras op dat hij het over “ze” had, alsof Tibor daar zelf niet bij hoorde. Maar wat hem betrof, was Tibor evenzeer “ze”. Je was leider of “ze”. Ook Tarras was moe en hongerig, alleen zou hij zijn prooi niet laten ontglippen.
- “We hebben ze bijna,” zei hij tegen Tibor, “en daarna kunnen we eten en uitrusten. Zeg dat maar tegen ze.”
En Tarras ging door. Alleen liet hij Tibor nu op kop lopen en zakte zelf terug naar de staart van zijn groep om vandaar zijn wolven tot grotere spoed aan te zetten. Iedereen die tot achterblijven geneigd leek, kreeg een waarschuwende knauw. Toch kon ook dat niet voorkomen dat het al bijna avond was toen ze de rivier bereikten.
- “We zijn veel grotere rivieren overgegaan dan deze,” zei Tarras toen zijn groep uitgeput de oever bereikt had en weinig lust toonde om verder te aan. “Ze zitten aan de overkant en we hebben ze zo te pakken. Bovendien moeten we hier weg, want hier komen mensen.”
Hij liep resoluut de rivier in, werd net als Gurd een stukje stroomafwaarts meegenomen en bereikte toen de overkant. Na hem kwam Tibor, gevolgd door de rest. Ze worstelden met het onstuimige water maar kwamen zonder al te grote problemen aan de overzijde. Maar bij de laatste, een wolvin en het kleinste lid van zijn groep, ging het mis. De stroom kreeg haar te pakken, hield haar in zijn greep en sleurde haar mee, verder dan Tarras voor mogelijk had gehouden. Hij zag haar spartelen en kopje ondergaan en verderop weer bovenkomen zonder dat ze de kans kreeg met haar poten de bodem te bereiken, zich af te zetten en uit de stroom te raken. Kennelijk was er verder stroomafwaarts een gedeelte waar de bodem meer was uitgesleten en waar het water dieper was. Vlak voor een verheffing van de bodem ontstaan vaak maalstromen die het water ver uitdiepen en alles wat zich aan het oppervlak bevindt naar beneden trekken. Op zo'n plaats verdween de wolvin onder water zonder nog boven te komen.
De wolven hoorden haar kreten en zagen haar de diepte in getrokken worden. Ze konden weinig doen als ze er niet zelf in slaagde uit de maalstroom te komen. Ze renden naar de plek toe waar het water haar op de bodem gevangen hield. De blauwe stroom was hier nog donkerder en bruisender en veel breder. De wolvin was in haar geheel onder het oppervlak verdwenen terwijl ze een stuk terug nog had kunnen staan. Misschien dat ze, als ze niet zo moe was geweest en verzwakt door gebrek aan voedsel, uit de zuigende kolk had kunnen komen, maar nu zagen de wolven alleen de bruisende en verraderlijke stroom in plaats van de kop van hun kameraad die ze zo graag boven water hadden willen zien. Wie zou proberen haar te redden, zou zelf door de stroom worden verzwolgen.
De wolven stonden mistroostig op de oever en keken naar het graf van hun vriendin. Na een tijdje zei Tarras dat ze weer verder moesten. Ze maakten zich met moeite los van de treurige plek aan de rivier en volgden hun leider het bos in.

“Wat Rufa uit bescheidenheid niet vertelt is dat haar overgrootvader Bjørd – dus jullie over-overgrootvader - een weerwolf heeft verslagen,” zei Gurd.
De wolven keken hem verbaasd en nieuwsgierig aan en moe als ze waren, waren ze nu opeens klaarwakker.
- “Vertellen,” riepen ze allemaal.
Rufa moest even nadenken.
- “Bjørd had de pech dat in de buurt van zijn roedel de weerwolf Rill was komen te wonen. Deze had een grot gevonden die werd bewoond door een lynx, Romeo, maar die had hij eruit gegooid. 's Nachts trok Rill erop uit. Toen hij het leefgebied van Bjørd in de gaten kreeg, begon hij hem te sarren zoals weerwolven altijd doen. Hij trok zich niets aan van zijn territorium en stal 's nachts het voedsel van hem en zijn roedel. Dat was vervelend voor Bjørd. Zijn roedel was klein en zijn jongen, op zijn oudste dochter na, moesten nog door hun moeder Erna worden gezoogd. In zijn eentje kon hij niet op tegen een weerwolf, ook al was Bjørd een grote en sterke wolf. Maar toen, op een nacht dat de maan hoog aan de hemel stond, roofde de weerwolf Hilde, Bjørds oudste dochter. Dat kon Bjørd niet over zijn kant laten gaan. Het eerste wat hij deed was de lynx zoeken die door Rill was verdreven. Hij vond hem op de tak van een oude eik, niet ver van zijn vroegere woongrot.
- “Wat wil je van mij,” vroeg Romeo.
- “Ik kom je mijn hulp aanbieden. Als je de weerwolf wilt verdrijven en weer terug wilt in je grot, wil ik je graag helpen,” zei Bjørd.
Romeo bekeek de sterke wolf en vond dat ze met z'n tweeën een kans hadden. En dus maakten ze samen een plan.
Bjørd trok daarop naar de grot van de weerwolf en begon hem uit te dagen.
- “Hé, trollenhond met je mopsneus, kom eens naar buiten.”
Het was klaarlichte dag, maar Rill kwam inderdaad naar buiten, overtuigd van zijn eigen superioriteit. Bjørd ging gewoon door toen hij hem zag.
- “Vergeleken met jou ruikt een roedel stinkdieren naar jonge hyacintjes.”
De weerwolf kwam briesend op hem af. Bjørd liep al treiterend naar de eik.
- “Had Lupa geen staarten meer dat ze een trolledrol aan het eind van je romp heeft genaaid?”
Ondertussen sloop Erna de grot in en bevrijdde Hilde.
Toen Rill, die achter Bjørd aanzat, onder de oude eik doorrende die Romeo als toevluchtsoord diende, dook de lynx bovenop hem. Hij sloeg zijn klauwen zo diep mogelijk in zijn kop, probeerde zijn kwetsbare ogen te vinden en plantte zijn slagtanden in zijn nek. De weerwolf richtte zich op toen hij de lynx op zijn rug voelde. Dat was het moment voor Bjørd om zich om te draaien en naar de onbeschermde keel van Rill te springen. Hij zette zijn tanden met alle kracht waarover hij beschikte, nog versterkt door de haat die de schending van zijn dochter had opgeroepen, in de keel van de weerwolf en trapte zijn poten zo hard mogelijk in zijn borst. Het monster wankelde door de schok van de dubbele aanval en viel ruggelings op de grond. Romeo moest loslaten om niet onder de weerwolf terecht te komen, maar sprong meteen weer bovenop hem, zette opnieuw zijn klauwen in zijn ogen en beet hem waar hij maar kon. De kaken van Bjørd bleven om zijn keel geklemd terwijl hij uit alle macht met zijn kop schudde en rukte. Geen dier dat ik ken zou zo'n aanval overleven, maar Rill vocht terug. Hij brulde en probeerde met zijn gewonde kop naar Bjørd te bijten en zijn aanvallers met zijn poten van zich af te trappen, maar ze hielden vast. Toch zou het nog een tijd hebben geduurd, als Erna en Hilde niet te hulp waren geschoten en elk een achterpoot van de weerwolf tussen hun kaken hadden genomen. Maar in zijn doodsnood verdubbelden zich de krachten van het monster dat zich wilde oprichten om zo zijn aanvallers van zich af te kunnen schudden. Hij trapte met zijn achterpoten om de wolvinnen kwijt te raken. Ze vlogen door de lucht. Erna kon haar poot met de grootste moeite vasthouden, maar Hilde niet. Zij werd tegen de stam van de eik aangesmeten en bleef daar liggen. Rill gilde. Hij probeerde zich wanhopig om te draaien om aan de tanden van Bjørd te ontkomen. Hij scheurde met zijn grote bruine slagtanden een flank van hem open maar Bjørd hield vast. Ook Romeo vloog door de lucht maar liet niet los en klauwde zich elke keer vaster in de kop van de weerwolf. Uiteindelijk ging het gegil van het beest over in gerochel. Zijn bewegingen namen af en hij stierf. Ze konden eindelijk loslaten.
Maar de tol was hoog. Hilde had haar rug gebroken en was dood. De zij van Bjørd had een lange en diepe wond daar waar de slagtanden van de Rill hem hadden gevonden en de kop van Romeo vertoonde diepe sneden op de plaatsen waar de maaiende klauwen van de weerwolf hem hadden geraakt. Alleen Erna was ongedeerd. Zij wist dat wonden, toegebracht door een weerwolf, vrijwel ongeneeslijk zijn. Het enige dat ze kon doen was Alberon vragen om haar te helpen. Daarom stak Erna haar kop in de lucht en riep zijn naam:
-“Erna roept Alberon.”
Elke wolf die haar hoorde, zong haar wanhopige hulproep verder uit over de wildernis tot aan de verste grenzen van het wolvengebied. Erna bleef doorgaan met Alberon roepen, alleen onderbroken om op jacht te gaan, haar jongen te voeden of Romeo en Bjørd te verzorgen, die er desondanks steeds slechter aan toe waren. Ze had het stinkende kadaver van de weerwolf weggesleept en de gewonde lynx en wolf in hetzelfde leger gelegd, zodat ze elkaar in hun koorts warm zouden kunnen houden. Elke dag likte ze hun wonden schoon. Eindelijk, na 3 dagen en nachten verscheen de elf. Dankzij Alberons vaardigheid met kruiden en ongetwijfeld ook dankzij zijn magische krachten weken de boosaardige infecties na enige tijd en knapten Romeo en Bjørd weer op. Romeo, Bjørd en Erna bleven daarna voor de rest van hun leven goede vrienden.”

Hij was twee van zijn roedelleden kwijt en had nog steeds niets bereikt. Erger nog: hij was zwakker geworden en zijn tegenstander sterker, zodat je zelfs niet meer van een overwicht kon spreken, zeker niet als je de conditie van zijn groep in aanmerking nam. Het was een aanfluiting. Als hij met zo'n resultaat terugkeerde, wist hij wel wat er zou gebeuren. Hij had meer roedelleiders gezien die hun opdracht hadden verknoeid. Het minste was dat Werra hem zijn roedel ontnam. Dan werd Tibor misschien zijn opvolger. Vreselijk. Het was inmiddels zo donker geworden dat ze het spoor nauwelijks meer konden zien. Tarras moest met zijn neus vlak boven de grond proberen het te volgen, maar dat kostte zoveel tijd dat hij uiteindelijk besloot de achtervolging te onderbreken om te kunnen eten en rusten. Hij zond zijn fitste wolven uit om voedsel te bemachtigen – een wolf was nooit zo moe of hij wilde wel achter eten aangaan. De rest viel uitgeput op de grond.
Gelukkig kwamen de voedselzoekers na betrekkelijk korte tijd terug met een stuk of vier konijnen en een duif, genoeg om de groep van voedsel te voorzien, al zou het maar voor even zijn. En wat Tarras zo mogelijk nog belangrijker vond, was dat een van hen sporen had gezien van jagende wolven. Dat bevestigde zijn vermoeden dat Rufa in de buurt moest zijn. Met dat goede nieuws viel Tarras in een korte slaap.
Toen hij wakker werd was het volkomen donker. De wolven van zijn groep sliepen allemaal. Ze hadden niet de moeite genomen een leger te maken en waren op de plek waar ze stonden op de bosgrond gaan liggen. Ze droomden van de tocht die ze hadden gemaakt. In hun slaap bewogen sommigen hun poten nog steeds alsof ze aan het rennen waren. Hij richtte zich op. Hij voelde een stijfheid in zijn spieren die betekende dat ook de zijne het zwaar hadden gehad, maar hij wist dat die stijfheid snel zou zijn verdwenen. Zou hij? Het was geen vraag. De vrees voor een mislukking van zijn opdracht en de nabijheid van Rufa waren gedachten die hem voortdreven. Deze maanloze nacht maakte hem vrijwel onzichtbaar, zodat hij ongestoord zou kunnen proberen het spoor te volgen tot de plek waar zij verbleef.
Hij stond op, behoedzaam, om de anderen niet te wekken. Het was lastig het spoor op te pikken tussen de afdrukken die zijn eigen wolven hadden gemaakt, maar uiteindelijk vond hij toch wat hij zocht. Het was bovendien inmiddels een aantal uren oud en verzwakt. De geuren werden overstemd door die welke uit de natte bosgrond opstegen, maar tegen de ochtend, als de dauw op het land sloeg, zou het nog moeilijker worden. Met zijn neus op de grond liep Tarras verder terwijl hij probeerde zo min mogelijk gerucht te maken. Zouden ze op hun hoede zijn? Zouden ze weten dat hij achter ze aanzat?
- “Wat ga je doen? Ga je naar ze toe?,” siste een fluisterstem achter hem. Het was Tibor, die wakker was geworden en achter hem aangekomen. Tarras was zo verdiept geweest in het spoor dat hij hem niet had gehoord. Eigenlijk wel goed om er samen naartoe te gaan, dacht hij. Maar wat ging hij doen? Tarras wist het zelf nog niet.
- “Kijken,” zei hij tegen Tibor. “Kijken waar ze zijn en hoe ze erbij zitten. Ga maar mee.”
Ze slopen behoedzaam verder, scherp luisterend naar elk geluid. Achter een paar bosjes vonden ze meer sporen. Wolvensporen met nog iets erbij. Ze hadden een ree te pakken gekregen en meegesleept. Ree! Dat hadden ze al een eeuwigheid niet meer gegeten. Maar nu hadden ze een spoor dat ze makkelijker konden volgen. Oppassen. Ze moesten vlakbij zijn. De bomen weken hier wat uiteen en er stonden meer loofbomen tussen. Berken met bladeren die ritselden tussen het geplop van een enkele waterdruppel die van de bomen naar beneden kwam. Ze hielden stil. Links en boven hen was een donkere rotswand waarboven de heuvel zich als een zwarte schaduw tegen de hemel aftekende. Ze probeerden de rotswand te onderscheiden. Was daar, aan de voet, een donkere vlek die een spelonk kon zijn?

Gurd wekte Loeban om zijn wacht over te nemen door hem met zijn neus aan te stoten. Uit zijn eigen reactie begreep Loeban waarom Rufa had bepaald dat er altijd eentje wakker moest zijn en opletten. De vermoeienissen van de afgelopen dagen had tot een behoefte aan slaap geleid die zijn waakzaamheid had verminderd. Anders zou hij al wakker zijn geweest op het moment waarop Gurd opstond.
Loeban ging bij de ingang zitten en keek om zich heen, maar veel was er niet te zien. De maan ging schuil achter een dicht wolkendek en daardoor was het aardedonker. Alleen waar een gat in de wolken dat mogelijk maakte, tastten wat manestralen schuchter naar de grond. Lupa roept haar kinderen, dacht Loeban. Hij wist, meer dan hij kon zien, dat zijn plaats een wijds uitzicht bood over de omringde heuvels heen tto het laagland dat daarachter lag. Af en toe lichtte daar in de verte iets op. Lichten van mensen had Gurd hem verteld. Niet lichtende mensen, zoals elfen, maar mensen die de mogelijkheid hadden lichten te ontsteken. Hier op hun heuvel zaten ze behoorlijk ver bij de mensen vandaan en dat gaf hem een betrekkelijk veilig gevoel. Mensen waren een merkwaardige diersoort. Hij was er weliswaar nog nooit een tegengekomen, op Alberon na die weliswaar een elf was maar op een mens leek, maar hij had er veel over gehoord. Ze waren bijna net zo knap als elfen. Mensen hielden niet van wolven. Ze hielden feitelijk van geen enkel dier, op schapen, koeien, zwijnen en honden na, maar ze hadden in het bijzonder een hekel aan wolven. Ze waren soms bang voor wolven en soms niet en je wist eigenlijk nooit wie je tegenover je had: een bange of een niet-bange. En met een niet-bange moest je erg oppassen. Ze beten op een hele rare manier, op afstand. Maar hij, Loeban, achter-achterkleinzoon van Bjørd, had zich voorgenomen niet bang te zijn voor mensen. Hij stelde zich voor dat hij later een roedel had, met Sara bijvoorbeeld, en dat er dan een mens zou komen. Sara zou angstig zeggen dat ze weg moesten gaan, maar hij – Loeban – zou blijven staan, sterker nog, hij zou op de mens afgaan met grote vastberaden sprongen en als die er dan nog stond – en dat zou heel onverstandig zijn - dan zou hij hem naar zijn keel springen zoals je met een groot hert doet.
Hij zag een enkel lichtje in de verte bewegen. Daar liep dus een mens, schijnbaar doelloos. Want soms leek zo'n lichtje op hem af te komen en dan ging het opeens weer een andere kant uit. Maar het was nog steeds veraf. Net als zijn roedel met Sara. Hij zou zorgen dat die groot zou zijn en vooral uit zoons zou bestaan. Daar had je, welbeschouwd, meer aan als je, zoals nu, Rufa moest beschermen. Hij zou voorop lopen en zijn zoons aan weerszijden achter zich en Rufa in het midden. Met Gurd natuurlijk. Hij, Loeban, zou ze vertellen wat ze moesten doen, zoals Gurd dat vandaag aan hen had gedaan, en het zou vreemd moeten lopen als Rufa een haar zou worden gekrenkt. Zelfs nu al moest niemand het in zijn hoofd halen in de buurt van zijn moeder te komen. Lynxen, beren, everzwijnen, weerwolven – ze zouden tegenover een onverslaanbare wolf, achter-achterkleinzoon van Bjørd, staan die normaal misschien nog wel bereid was om hun leven te sparen, maar niet als ze aan Rufa kwamen. En hij zou al zijn zoons en broers en Gurd natuurlijk bijelkaar roepen en samen zouden ze op zoek gaan naar Sebastiaan. Hij zou ergens in gevangenschap zijn, maar zij zouden hem bevrijden en terugbrengen bij Sara.
Zo peinsde Loeban op de heuvel in de ingang van de grot. Hoe lang moest hij hier blijven zitten? Oh ja, totdat Gurd met Lasja zou komen. Hoorde hij daar wat? Nee, het was de wind die ritselde in de bladeren van de berk vlakbij. In de herfst waren ze verdroogd en ritselden ze meer. De nacht leek stiller dan hij was omdat de geluiden die klonken veel meer opvielen. In het bos druppelden de bomen na van de regen, die de hele dag op ze was neergedaald, in een onregelmatig ritme dat langzaam verstierf naarmate hun naalden en bladeren droger werden. Een opgeschrikte bosvogel uitte een felle kreet, een waarschuwing aan zijn soortgenoten of een laatste levensteken voordat hij in de muil van een roofdier verdween. Een uil zond zijn melancholische oehoe's de nacht in. Heel in de verte, boven de beboste heuvels en bergen, hoorde Loeban ook de onmiskenbare roep van een wolf. Hij probeerde de boodschap die de roep bevatte te ontcijferen, maar dat lukte hem niet. Rufa zou dat wel kunnen. Die zou meteen weten of het een eenzame wolf was die zijn nood tegen de nachtelijke hemel klaagde, of een roedel die een lid miste, of iets anders. Maar Rufa sliep.
Hij zag zichzelf al met beren vechten. Die waren het grootst, nog groter dan een weerwolf. Hij ontweek soepel de maaiende klauwen en sprong naar hun keel. Daar hield hij vast, hoe ze ook zouden proberen om hem van zich af te krijgen. Weer een geluid, anders dan daarnet, geen wind in de bladeren dit keer. Hij spitste zijn oren en probeerde iets in de richting van het geluid te onderscheiden, maar hij zag niets. Hij snoof de lucht op die van de bomenrand kwam. Hij rook wel het kruidige aroma van natte bosgrond en naaldhout, maar niet de geur van gevaar. In de roedels van de toekomst zou het verhaal van zijn gevecht met de beer, pardon de beren, worden verteld zoals hij vanavond dat van Bjørd had gehoord. Bij anderen zouden zijn heldhaftigheden de rillingen over de rug doen lopen zoals het hem overkwam toen hij luisterde naar het verslag van Bjørds gevecht met de weerwolf, zou het meelevende en verdrietige “ach” worden verzucht bij het aanhoren van zijn verwondingen, die vreselijk zouden zijn maar die hij natuurlijk zou overleven dankzij de goede zorgen van Sara, en zouden andere jonge wolven dromen van heldendaden zoals hij ze had verricht. Hij stond op, rekte zijn spieren en stapte naar buiten.

Ze zochten met hun ogen de rotswand af, maar konden niet meer zien dan dat er een deel was dat nog donkerder was en waar zich misschien een nis of een soort van spelonk kon bevinden. Maar als de wind, die af en toe om de heuvel kwam zetten, even naar hen toestond roken ze wel ree en wolf. Ze moesten dichterbij proberen te komen.
- “Als ze 't zijn, wat wil je dan doen?,” vroeg Tibor zacht.
- “We moeten de leider uitschakelen of gevangennemen,” fluisterde Tarras, “liefst gevangennemen, nu of morgenochtend voor ze vertrekken. En we moeten Sara terughalen.”
Meer zei hij niet en sloop geruisloos verder. Tibor kroop achter hem aan. Ze naderden de donkere plek waarin inderdaad vaag de omtrek van een holte zichtbaar was. Bovendien werd de reuk van ree en wolf sterker. Ze waren nu een paar meter van de ingang verwijderd. Tibor zag dat Tarras, die voor hem lag, zijn kansen afwoog en zich spande. Hij springt er toch niet zomaar tussenin, vroeg Tibor zich af, maar tegelijkertijd bedacht hij dat Tarras datzelfde de vorige ochtend ook had gedaan toen hij hun eerste kamp besloop en dat hier geen andere mogelijkheden waren. Met wat geluk zou hij ze in hun slaap verrassen en voordat ze zouden beseffen wat er gebeurde zou hij er al een paar hebben kunnen uitschakelen of op z'n minst toetakelen. Het enige dat hij, Tibor, kon doen was meespringen. En daarom spande ook hij alle spieren van zijn lichaam.
Juist op dat moment verscheen in de ingang van de spelonk de bijna oplichtende gedaante van een grote grijze wolf. Hij keek om zich heen, eerst naar de andere kant en toen in hun richting. Tarras dook nog dieper in elkaar. Hij zag de grijze wolf in het duister hun kant op turen en aarzelen. Op dat moment sprong Tarras met een grom op hem af. De grijze wolf deinsde even terug, stuitte tegen de rotswand, kwam daardoor weer een stukje naar voren en dook in een reflex in elkaar. Daardoor sprong Tarras over hem heen en kwam in de opening van de grot terecht. Tibor aarzelde. Tarras bedacht zich geen moment en dook blindelings de grot in.
De wolven in de grot waren in een oogwenk wakker, gewekt door de grom en het geluid van de sprong van Tarras. Balo begon direct te krijsen. Omdat de wolven niet direct aan de ingang, maar juist verder achterin de spelonk lagen, moest Tarras ze eerst zoeken en kon hij niet doen wat hij van plan was: tussen zijn slapende tegenstanders springen en rondbijten. De fractie van een seconde die hij nodig had om van zijn sprong te herstellen en in het nog diepere duister van de grot de groep te vinden, waren net voldoende voor Gurd om overeind te komen. Hij stond middenin de groep en dook op de wolf waarvan hij het silhouet tegen de opening van de grot op zich af zag komen. Nu was het voordeel van de verrassing overgegaan van Tarras op Gurd, al kon deze niet voorkomen dat Tarras toch nog een van de wolven beet, die met een kreet van angst naar buiten sprong. Maar juist daardoor kreeg Gurd de kans zijn tanden stevig in zijn nek te zetten en vast te houden. Onmiddellijk dook Lasja bovenop hem en bovendien kwam Loeban van buitenaf te hulp.
Buiten hoorde Tibor het kabaal en kwam aangestormd. Hij begreep dat Tarras in gevaar was. Maar op het moment dat hij de grot wilde binnenstuiven werd de ingang versperd door een zwarte schaduw waarin hij Sara herkende. Zij had aan de buitenkant van de groep gelegen en als eerste een beet van Tarras gekregen, waarop ze naar buiten was gevlucht. Het flitste door Tibor heen dat haar grijpen een deel van de opdracht was, terwijl Tarras waarschijnlijk met het andere deel bezig was, het gevangennemen of uitschakelen van de leider. En daarom mengde Tibor zich niet in het gevecht van Tarras, maar dook bovenop Sara die daardoor omviel. Hij stond boven haar met zijn tanden bij haar keel terwijl zij op haar rug op de grond lag. “Mee,” siste hij tegen haar, “en probeer niet te vluchten want dan bijt ik je keel door.” Sara kon niet anders doen dan knikken. Zij had Tibor herkend en wist dat hij niet zou aarzelen te doen wat hij zei.
In de grot probeerde Tarras woedend de wolven van zich af te schudden door naar Gurd te bijten die hem in zijn nek vasthield en naar Lasja en Loeban. Zij ervoeren de geweldige kracht die in deze grote zwarte wolf school. Tarras sleurde hen allen als een vechtende kluwen mee de grot uit naar buiten, waar hij hulp van Tibor verwachtte. Maar deze was ondertussen met Sara onderweg naar zijn eigen groep, terwijl hij haar voortdreef met zijn flikkerende tanden bij haar nek. Hij zou haar daar achterlaten en met een paar wolven Tarras gaan ontzetten. Achter zich hoorde hij het gekrijs van Balo en de geluiden van het verbeten gevecht van Tarras die Gurd ruggelings tegen de rotswand beukte terwijl hij door Lasja en Loeban werd aangevallen, en hij dwong Sara zo hard mogelijk te rennen. Toen Tibor bij de groep aankwam bleken de geluiden ook zijn eigen wolven te hebben gewekt. Hij duwde Sara naar voren, wees een paar wolven aan om haar te bewaken en nam de rest mee om Tarras te gaan helpen. Maar de geluiden van het gevecht waren inmiddels verstomd. De strijd moest zijn gestreden. Tibor bedacht dat het niet verstandig was om met een paar wolven de confrontatie te riskeren met die andere groep die ze ongetwijfeld zou opwachten, en dat ze beter de terugkeer van Tarras konden afwachten. Het duurde even. De wolven keken elkaar aan voor zover ze iets konden zien, en zwegen in spanning. Toen kraakten er vlakbij een paar takken, er rolde een steen weg en tussen de bomen verscheen Tarras, hijgend, zich voortslepend, bloedend uit zijn nek, bek en flank. Het was duidelijk dat hij zwaar gewond was.
- “Zijn jullie er nog,” zei hij, bijna fluisterend, “ga weg, ga zo gauw mogelijk weg, en neem haar mee.” Toen zakte hij in elkaar.

In de grot was de verwarring groot na de aanval van Tarras. Gurd kwam hinkend binnen, Lasja en Loeban bleven buiten staan als heersers over het slagveld.
- “Wie was dat,” vroeg Laerke.
Malin keek wat verdwaasd om zich heen.
- “Ik denk dat dat onze vriend Tarras was,” zei Rufa.
Ze liep bezorgd op Gurd af.
- “Gaat het? Ben je erg gebeten?”
Gurd schudde zijn kop.
- “Nee, ik ben ongenadig hard tegen die rotswand geslagen. Ik heb pijn in mijn rug. Verder heb ik, geloof ik, alleen wat schrammen.”
Hij moest even gaan zitten en op adem komen. De klappen hadden de lucht uit zijn longen geperst. Toen ze zag dat het verder met hem wel ging, liep Rufa naar buiten en vroeg aan Lasja en Loeban hoe zij eraantoe waren. Beiden hadden alleen schrammen door de poten en tanden van Tarras opgelopen en geen grote beetwonden. Ze hadden ontzettend veel geluk gehad. Daarop telde Rufa de koppen: “Wie is er? Gurd, Lasja, Loeban, Balo, Laerke, Malin, Sara?” Sara? Waar was Sara? Gurd herinnerde zich dat hij zag dat Tarras haar een knauw gaf voordat hij op hem sprong en Loeban dat hij haar had gezien toen hijzelf achter Tarras aan naar binnen rende. Ze moest naar buiten zijn gevlucht. Maar buiten was ze niet te zien. Buiten was nog steeds niets te zien.
Loeban en Lasja hadden achter de gewonde Tarras aan willen gaan, maar Gurd had ze tegengehouden nadat hij de zwarte wolf had moeten loslaten. Hij was een paar maal zo hard tegen de rots terechtgekomen dat zijn greep op de nek van Tarras was verslapt en de wolf zich had kunnen losscheuren. Daarna had Tarras een paar woedende uitvallen gedaan naar Lasja en Loeban en toen die terugdeinsden had hij kans gezien om weg te komen. Gurd kon hem zelf niet achterna en wilde ook dat zijn zoons bij de grot bleven. Ze wisten immers niet waar de rest van Tarras” groep was. Zijn vlucht kon een valstrik zijn om een paar verdedigers weg te lokken of om een paar achtervolgers in een hinderlaag te laten lopen. Loeban en Lasja hadden wel gezien dat Tarras behoorlijk gewond was. Toen hij wegrende, hinkte hij en op de grond lag bloed dat alleen maar van hem kon zijn. Maar Sara hadden ze niet gezien.
- “Goed,” zei Gurd die pijnlijk overeind kwam, “we moeten eerst uitzoeken waar Tarras en zijn groep zijn en erop verdacht blijven dat ze ons opnieuw aanvallen. Als Sara in de buurt zit, komt ze uit zichzelf wel terug. Anders moeten we wachten tot het ochtend wordt en we meer kunnen zien en haar dan opsporen.”
Hij liep de grot uit.
Lasja en Loeban hadden geen aanmoediging nodig om op te letten en uit te zien naar vijandige wolven. Ze stonden naast elkaar met hun rug naar de ingang van de grot en staarden en luisterden naar elk teken dat zich zou aandienen.
- “Wie denk je dat het was. Tarras?,” vroeg Loeban.
- “Ik hoop het,” zei Gurd, “als dit het zwakste jongetje uit hun groep was, dan staat ons nog wat te wachten.”
- “We hebben sporen van een tweede wolf gevonden,” zei Lasja, “vlakbij de plek waar de eerste heeft gelegen.”
- “We gaan morgenvroeg op zoek naar meer sporen. Ik wil nu ook wel eens weten met wie we te maken hebben,” zei Gurd.
Misschien zag Lasja ondertussen ook uit naar een teken van Sara, maar Loeban deed dat beslist. Ze had een vaste plaats gekregen in zijn heroïsche toekomstbeeld en daarom miste hij haar misschien nog meer dan de anderen, ook al had hij wellicht nog niet de heldenrol vertolkt die hij voor zichzelf in gedachten had. Toen Tarras over hem heen sprong was hij hem achterna gegaan en had hem in zijn flank gegrepen terwijl Gurd zijn nek vasthad. Hij had vastgehouden totdat ze buiten waren beland en had pas losgelaten toen Gurd dat ook had moeten doen waardoor de kop van Tarras vrijkwam om zijn nek te grijpen. Als hij dat niet had gedaan, had het er nu niet goed voor hem uitgezien. Jammer dat Tarras had kunnen ontkomen. Hij had achter hem aan moeten gaan, hem tot staan moeten brengen en moeten zeggen: “Nu wij tweeën. Nu is het tussen jou en mij.”
Gurd kwam bij hen staan, nog steeds met een pijnlijke trek op zijn gezicht.
- “Goed gedaan, jongens,” zei hij. “Ik weet niet of ik het zonder jullie hulp had gered. Hij was erg sterk.”
- “Alleen jammer dat we niet achter hem aan konden,” zei Lasja.
- “Wees maar blij,” zei Gurd. “In zulke situaties moet je altijd bij de anderen blijven. Je weet niet wat ze willen. Het kan een hinderlaag zijn.”
- “Wat zou hij van plan kunnen zijn geweest?,” vroeg Lasja.
- “Ik heb nog steeds geen idee. Hij zat de hele tijd achter ons aan en vannacht sprong hij in zijn eentje tussen ons in. Als het niet zijn bedoeling was om een paar van ons weg te lokken, was het een krankzinnige actie.”
- “Al iets van Sara gezien,” vroeg Rufa, die ook naar buiten was gekomen.
- “Nee,” zei Loeban.
Misschien klonk zijn stem wat verdrietig.
- “Ze komt wel terug. Als het niet nu is, dan toch gauw,” zei Rufa zachtjes tegen Loeban terwijl ze even haar schouder langs de zijne liet glijden.

Het was meer de gewoonte om de opdrachten van zijn leider uit te voeren dan de logica die Tibor ertoe bracht om onmiddellijk te vertrekken. Hij gaf de groep opdracht om hem te volgen, wees een paar wolven aan die speciaal op Sara moesten letten, en ging. Waarheen wist hij niet, maar in elk geval weg van de plek waar ze hadden overnacht. Was Tarras een onverslaanbare vijand tegengekomen die ze alleen konden ontlopen door te vluchten? Hij geloofde dat niet omdat hij daarvan sporen zou hebben gevonden en geluiden gehoord. Aan de andere kant was Tarras, die toch bekend stond als een ijzervreter, zo gewond dat Tibor het ook niet helemaal kon uitsluiten. Die andere groep was er in elk geval een die flink van zich kon afbijten. Daarom besloot hij eerst de afstand zoveel groter te maken dat hij niet zo makkelijk kon worden verrast en dan Sara te ondervragen om erachter te komen waaruit die roedel bestond en wat ze van plan waren. Misschien werd dan ook duidelijk wat de opdracht van Werra aan Tarras geweest kon zijn.
Ze hadden Tarras achtergelaten, omdat dat was wat hij zelf wilde. Er bestonden binnen hun groep geen vriendschappelijke betrekkingen die inhielden dat je iemand op zulke ogenblikken bijstond. Een wolf die weet dat hij gaat sterven, trekt zich terug. Een leider stuurt zijn groep weg. Zo simpel was het.
Wat hem verbaasde was dat de groep zijn leiderschap zo makkelijk aanvaardde. Er waren geen regels die voorzagen in situaties als deze waarin de aangewezen leider was uitgevallen. Hij was een grote wolf en oud genoeg om leider te zijn, maar er waren er meer binnen de groep en die hadden toch geen bezwaar gemaakt dat hij zich als plaatsvervanger opwierp. Misschien kwam het doordat hij de laatste tijd een schakel tussen de groep en Tarras was geweest en met hem mee was gegaan in zijn laatste actie. In elk geval hadden ze zijn opdrachten tot nu toe uitgevoerd. Maar hij moest er rekening mee houden dat er altijd een moment kon komen waarop zijn aanvoerderschap door anderen alsnog zou kunnen worden betwist, bijvoorbeeld als hij het uiterste van ze zou vergen, zoals Tarras had gedaan.
Wat had Tarras bezield om zo'n roekeloze aanval in te zetten? Toen hij die morgen het kamp, dat verlaten bleek te zijn, aanviel en er pardoes insprong, had hij de situatie tweemaal uitvoerig onderzocht en lag de hele meute klaar om zijn voorbeeld te volgen. Maar bij zijn tweede aanval had hij de grot en de plaats van de groep daar helemaal niet verkend en was er op hem – Tibor – na niemand geweest om te helpen. Hij had tegen Tibor niet meer gezegd dan dat hij zou gaan kijken waar ze zijn en hoe ze erbij zitten – dat had hij letterlijk tegen hem gezegd. Toen plotseling de grijze wolf verscheen, bestond het gevaar dat die Tarras en hem zou ontdekken. Waarschijnlijk was het verstandiger geweest om weg te sluipen, maar er was iets te zeggen voor een verrassingsaanval op deze tegenstander om dan meteen weg te gaan. Toen hij Tarras zich zag spannen, had Tibor aangenomen dat hij dat zou gaan doen. Maar hij had niet verwacht dat Tarras in plaats daarvan de grot zou ingaan met wolven voor zich en degene waarover hij was heen gesprongen achter zich. Tarras had geen flauw idee gehad waarin hij precies terecht zou komen en wie en wat hij daar zou aantreffen. Het was zelfmoord geweest.
Ze renden door bos, heuvelafwaarts. De zon was aan het opkomen. Aan de hemel boven hen was een lichtstreep te zien die uit het oosten kwam. Ze waren inmiddels ver genoeg van hun vorige kamp. Tibor zocht naar een plek vanwaar ze de omgeving in de gaten zouden kunnen houden en vond die op een verhoging tussen de bomen. Daar hield hij stil. De wolven kwamen bij hem zitten. Als laatsten arriveerden Sara en de wolven die haar bewaakten. Hij had honger; ze hadden de laatste tijd veel te weinig gegeten. Als ze zich zouden moeten verdedigen of verder moeten trekken, was het verstandig eerst te zorgen voor voldoende voedsel. Hoewel de vroege morgen en de duisternis tussen de bomen misschien niet de ideale omstandigheden voor de jacht waren, wees hij een paar voedselzoekers aan. Daarna richtte hij zich op Sara.
- “Nu wij,” zei hij, “vertel eens wat dat voor een groep is en wie de leider is.”

Hoger op de heuvel diende de ochtend zich eerder aan. Het vroege licht kleurde de hemel in een zacht roze en bescheen de toppen van de omringende heuvels. In de dalen heerste nog steeds de nacht; daar zou het nog wel een tijdje donker blijven. Het gesloten wolkendek van de vorige dag had plaatsgemaakt voor een hemel met verspreide cumuluswolken. Er was ook wat meer wind die uit het oosten leek te komen, maar waarschijnlijk in de loop van de dag naar het westen zou draaien.
Gurd, Lasja en Loeban stonden voor de ingang. Rufa was de grot ingegaan maar kwam nu naar buiten.
- “Ik denk dat we moeten gaan kijken waar de groep van Tarras is. Malin en Laerke verkennen de directe omgeving en kijken uit naar Sara. Misschien is ze zo geschrokken dat ze nog steeds ergens onder een boom zit en niet durft terugkomen. En ze zijn paraat als er iets aan de hand is. Als het licht is kan Balo ook mee zoeken. “En jij,” zei ze tegen Gurd, “houd je even rustig en blijft hier zitten totdat we allemaal weer terug zijn.”
Zonder op zijn reactie te wachten, keerde hij zich naar Lasja en Loeban.
- “Kom op.”
Ze liep resoluut in de richting waar Tarras en Tibor hadden gelegen en begon hun sporen te onderzoeken. Lasja en Loeban gingen achter haar aan.
- “Ze zijn alle twee teruggegaan en Sara is ook die kant op,” zei Rufa. “Die ene, Tarras, was behoorlijk gewond en kon ook niet goed meer lopen.”
En even later:
- “De sporen van Sara en die andere lopen vlak naast elkaar. Ik denk dat ze is meegenomen.”
Ze kwamen bij het bosje waar ze de vorige dag het ree hadden gevangen.
- “Hier hebben ze op de heenweg een tijdje met z'n tweeën stilgezeten,” zei Rufa tegen haar zoons, “dat kun je aan de afdrukken zien.”
Ze gingen verder totdat ze op meer sporen stuitten en begrepen dat ze in de buurt van hun kamp moesten zijn. Maar ze hoorden of roken niets dat op de aanwezigheid van wolven duidde. Behoedzaam slopen ze naderbij. Het kamp was verlaten, maar ze vonden sporen die in tegenovergestelde richting wegliepen. Rufa wilde die net gaan volgen toen Lasja een kreet slaakte. Met zijn neus over de grond rende hij achter een ander spoor aan, een bloedspoor dat uitkwam bij een bosje dat een stukje verderop stond. Daar keek hij om. Rufa was met een paar sprongen bij hem. Daar op de grond, half onder het bosje dat niet groot was om het dier helemaal te bedekken, lag de grote zwarte wolf.
Rufa zag dat hij zwaargewond was. De grond onder zijn lichaam was doordrenkt met bloed. Ze ging bij hem zitten en keek naar z'n grote zwarte kop. Zijn grote oren lagen in zijn nek. Er druppelde bloed uit z'n bek dat over zijn prachtige diepzwarte vacht liep.
- “Haal een blad met water,” zei ze tegen Loeban en Lasja, die achter haar stonden.
Ze gingen meteen op zoek en kwamen snel terug, Lasja met een blad, Loeban met een stuk boomschors waarin wat water zat. Rufa pakte het aan en druppelde voorzichtig wat water in de halfgeopende bek van de wolf waaruit de rode tong krachteloos naar beneden hing. Toen hij het water proefde kwam zijn tong weer enigszins tot leven en slurpte het vocht op. Toen opende hij zijn grote gele ogen en keek haar aan.
- ”Rufa,” fluisterde hij. Hij hijgde zwaar.
Rufa bracht haar kop vlak bij de zijne.
- “Ben jij Tarras?,” vroeg ze, eveneens zachtjes.
Hij sloot zijn ogen en opende ze weer. Rufa druppelde nog wat water in zijn bek. Hij slurpte het op en zijn ogen leken iets van dankbaarheid uit te drukken.
- “Waarom heb je ons aangevallen?,” vroeg ze toen.
Hij gaf geen antwoord. Zijn zware ademhaling haperde. Hij sloot zijn ogen weer. Rufa gaf hem nog wat water, maar hij had niet meer de kracht om het op te nemen. Toen bracht ze haar kop nogmaals vlakbij de zijne en zei zachtjes “Ga maar slapen, Tarras.” Het leek alsof zijn grote zwarte en gehavende lichaam zich ontspande bij het horen van die woorden, alsof de woede verdween die hem had voortgedreven, voor zover niet weggelekt in het zand dat zijn bloed had opgenomen – en toen stierf hij.

Ze zeiden niet veel tegen elkaar toen ze verder gingen, Rufa, Lasja en Loeban, langs het andere spoor dat ze hadden gevonden. Het was inmiddels licht geworden in het bos. Rufa liep voorop.
- “Ze zijn met z'n achten. Sara is er ook bij, maar er lopen steeds een of twee wolven bij haar,” zei ze na een tijdje en ze wees de sporen aan. “Het lijkt erop dat ze gevangen wordt gehouden.”
Lasja en Loeban waren onder de indruk van de manier waarop zij sporen kon duiden. Maar haar waarnemingen vrolijkten Loeban niet op. Hij bespeurde bij zichzelf een merkwaardige betrokkenheid bij het lot van Sara, ook al kende hij haar pas een paar dagen.
- “We moeten terug naar Gurd,” zei Rufa, “Ik denk niet dat ze ons gauw opnieuw zullen aanvallen. Ze zijn hun leider kwijt. Sara zal niet meedoen, maar ze moet wel bewaakt worden. Dus ze hebben voor een aanval evenveel wolven als wij. Dat zullen ze niet wagen. We weten nu dat ze weg zijn en in welke richting ze zijn gegaan. We mogen niet het risico nemen dat we ze tegen het lijf lopen.”
Boven de bomen wiekte een grote zwarte vogel die een hoog kri-kri-kri-kri uitstootte.
- “En wij hebben Balo natuurlijk,” zei Rufa.
- “En Sara dan?,” vroeg Loeban.
- “Als we terug zijn, gaan we daarvoor met Gurd een plan maken. Het idee dat ze in handen van onze vijanden is, staat mij ook niet erg aan.”
Gurd wist ook niet meteen wat ze aan Sara moesten doen.
- “Onze eerste opdracht is naar de Tingboom gaan. Daarvoor hebben we al te weinig tijd. We kunnen ons niet veroorloven een omweg te maken om Sara terug te halen.”
- “We hoeven voorlopig geen omweg te maken,” zei Rufa. “De sporen wijzen in oostelijke richting en Sara vertelde dat ze daar vandaan kwamen, dus ga ik ervan uit dat ze daar nu weer naar teruggaan. Wij moeten ook naar het oosten, dus we kunnen achter hen aangaan zonder dat we van ons eigen doel afraken.”
Balo streek bij ze neer voor de ingang van de grot.
-“Ik heb ze gezien,” zei hij opgetogen, “ze zijn een heel stuk verderop en ze liggen te slapen en Sara is er ook bij, maar ze is gewond.”
- “Dat is die beet van Tarras geweest,” zei Loeban. “Is ze ernstig gewond?”
- “Nee, ik dacht het niet. Ze likte aan haar schouder,” zei Balo.
- “Ze slapen omdat ze daarvoor op de heenweg geen tijd hadden. Ze hebben ook niet genoeg te eten gehad, vertelde Sara. Als we nu vertrekken, kunnen we vóór ze komen. Dan verliezen we geen tijd en kunnen we toch proberen om Sara te bevrijden,” zei Gurd. “Balo, hou ze in de gaten en vertel ons wat ze doen.” Ze vertrokken. Gurd voorop, de anderen daarachter in de formatie die ze de vorige dag hadden aangehouden. Het regende gelukkig niet; het was zelfs een mooie heldere ochtend, al kwamen er vanuit het westen wolken aan. In de verte, voor hen uit en een stukje heuvelafwaarts, zagen ze tussen de andere vogels die boven het bos in de weer waren er een die boven een vast punt rondcirkelde. Dat moest Balo zijn die de andere groep in de gaten hield. Slimme vogel, dacht Gurd, zo kunnen we precies zien waar ze zitten. Hij verlegde zijn koers een stukje heuvelopwaarts om de kans te verkleinen dat zij tegen een toevallige voedselzoeker zouden aanlopen. Ze kwamen steeds dichter bij de boomgrens. De begroeiing was hier dunner en bestond uit stekelige bremachtige struiken en naaldbomen waartussen gras groeide dat er vanuit de verte als een vriendelijke groene deken uitziet maar dichterbij bestaat uit lange stugge, weerbestendige halmen. Ze moesten uitkijken voor de vele stenen die met een nonchalante hand over de top van de heuvel leken uitgestrooid en tussen het gras verscholen lagen. Het woei hier ook meer. De reizigers joegen een paar konijnen die tussen het gras zaten te ontbijten en hun toevlucht zochten in het bos, maar geen van de wolven ging achter hen aan.
- “Kom op, Loeban,” riep Lasja toen hij zag dat zijn broer achterbleef om naar beneden te kijken.
Loeban haastte zich om weer bij te sluiten.
- “Ik keek even waar Balo bleef,” zei hij verontschuldigend.
- “Welnee,” zei Lasja, “Je zat weer naar Sara te gluren.”
De hele groep wist nu wel dat hij een bijzondere belangstelling voor haar had. Laerke kwam even naast hem lopen.
- “We halen haar wel weer terug, joh,” zei ze troostend tegen hem.
Hij keek haar even dankbaar aan. Ze trokken verder onder de top van de heuvel langs. Aan hun linkerhand liep de heuvels op tot besneeuwde bergen. Gurd stuurde weer op de bossen aan die wat lager op de hellingen lagen, omdat hij inmiddels genoeg afstand van de andere groep had genomen. Balo was even boven hen in de lucht verschenen, had een paar tuimelingen gemaakt en wat onverstaanbaars geroepen, en was weer boven de andere groep gaan rondcirkelen die nog steeds op dezelfde plaats verbleef.
Ze kwamen weer in het bos terecht waar ze over kreupelhout en afgevallen takken moesten springen en om boomstammen en uitstekende rotspunten heen zwenken terwijl de grond gedurig steeg en daalde. Tussen het naaldhout van sparren en dennen dook steeds meer loofhout op. Hoe lager ze kwamen des te gevarieerder werd de begroeiing. Hier lagen gelukkig minder stenen. Een nadeel was dat ze Balo niet meer konden zien en vaststellen of hun tegenstanders al in beweging waren gekomen. Balo zou ze dat nu moeten komen vertellen, maar zou ook wel enige tijd nodig hebben om ze tussen de bomen te vinden.
Ze zagen Balo pas een dal en een helling verder. Hij scheerde als een donkere schaduw boven de boomtoppen toen hij over ze heen vloog. Hij had hen natuurlijk allang gezien en zocht een geschikte boom die op hun koers lag. Toen Gurd vlakbij hem was, begon hij op de tak van de beuk die hij had uitgekozen opgewonden heen en weer te wippen:
- “Ze zijn vertrokken,” riep hij hem toe.
- “Welke kant uit,” vroeg Gurd.
- “Deze,” zei Balo, “ze komen hier straks langs.”
- “Echt hierlangs of een stukje lager?,” vroeg Gurd die zich zorgen maakte of de andere groep op hun sporen zou kunnen stuiten.
- “Wat lager,” antwoordde Balo.
- “Wil je alsjeblieft kijken of ze niet toevallig onze sporen vinden. Dan moet ik dat weten. Wij zullen zelf wat meer naar boven gaan,” zei Gurd.
Even dook het denkbeeld in hem op om ze hier op te wachten, Sara te bevrijden en hem dan te smeren. Maar hij verwierp het direct weer. Hij zou wel een hoop verwarring kunnen scheppen en Sara zou best wel eens kunnen ontsnappen, maar de kans dat er onder zijn wolven gewonden zouden vallen die hun reis zouden bemoeilijken, was veel te groot. Hij zou een geschikt moment moeten afwachten waarop hij met bijvoorbeeld alleen Lasja en Loeban kon toeslaan en Sara mee terugnemen. Balo zou dat moment moeten aangeven. Balo, bedacht hij, zou ook best berichten aan Sara kunnen doorgeven, zoals “loop niet te hard” of “zorg dat je een beetje achterop raakt”. Zo rijpte er een plannetje in Gurds hoofd. Maar het belangrijkste was dat Sara wist dat ze in de buurt waren en dat, als ze zelf kans zag te ontsnappen, ze op hun hulp of in elk geval hun nabijheid kon rekenen. Dat zou voor hen het gunstigst zijn.
- “Heeft Sara je gezien, Balo,” vroeg Gurd.
- “Ik denk het wel, maar ik weet het niet zeker. Er zijn steeds twee wolven bij haar in de buurt.”
- “Heeft ze last van die wond of kan ze gewoon lopen?”
- “Ze loopt de hele tijd achteraan.”
- “Probeer zo dicht mogelijk bij haar te komen. Maak haar duidelijk dat wij ook in de buurt zijn en, als je kunt, zeg haar dan dat ze moet doen alsof ze veel last van die wond heeft en het tempo niet kan volgen,” zei Gurd.
- “Ik snap het,” zei Balo.
- “Wees voorzichtig, Balo.”
En de vogel klapwiekte weg.

Sara vroeg zich af wat Rufa zou doen, nu ze gevangen was genomen. Ze wilde hier niet zijn. In de korte tijd dat ze deel had uitgemaakt van de groep van Rufa had ze ervaren hoeveel leuker het leven daar was. Nu was ze weer terug tussen haar oude kameraden, maar ze waren anders. Ze kon in Kars en Torn, de wolven die haar bewaakten, geen vrienden zien. Het waren vazallen, eerst van Tarras en nu van Tibor. Ze deden wat hen werd opgedragen. Als de leider zei “bijt” dan beten ze, zonder zich af te vragen wie ze beten, waarom ze beten en of het soms iemand was die al een hele tijd met ze was opgetrokken en die ze had geholpen. Ook vriendschap, zoals binnen de groep bestond, was een opdracht en geen gevoel. Als de leider zei dat er, zoals met haar, geen vriendschap bestond, dan was die er ook niet meer.
Zou de groep van Rufa haar missen? Ze kon het zich nauwelijks voorstellen. Rufa had een duidelijk doel en om dat te halen kwam ze al tijd te kort.
Ze kon er dus niet op rekenen dat de groep in de gelegenheid zou zijn om haar te helpen. Bovendien: waarom zouden ze? Ze trokken al een hele tijd met z'n zessen op en hadden haar helemaal niet nodig. En ze was niet zo lang bij hen geweest dat ze nu zo'n ondraaglijk verlies zouden voelen dat ze haar wel eens even zouden komen ophalen.
Maar ook al geloofde ze niet dat ze Rufa en haar groep ooit zou terugzien, het vooruitzicht terug te keren in de grot onder de berg stond haar helemaal niet aan. Wat zij had gedaan, zich met haar gewonde poot verstoppen en gered worden door wolven die later tegenstanders zouden blijken te zijn, werd beschouwd als verraad en daarop stonden strenge straffen. Dat had Tibor haar verteld toen hij haar ondervroeg.
- “Als je mij vertelt wat je weet, kan ik je uitstapje als een verkenning zien en krijg je bij terugkomst een beloning. Doe je dat niet dan val je in handen van de lijfwacht van Werra en dan kan ik niets meer voor je doen.”
- “Dat kan je toch al niet,” had ze hem gezegd, “want je bent niet eens officieel de opvolger van Tarras. Elk ander heeft evenveel recht als jij om te zeggen dat hij of zij de leider is.”
Daarop had Tibor het antwoord schuldig moeten blijven. Hij had haar vuil aangekeken, gezegd dat hij het haar heel moeilijk kon maken, toen nog een keer lief gevraagd of ze echt niet wilde zeggen wat ze wist, waarna hij grommend was weggelopen.
Dat en het sprankje hoop dat de groep van Rufa toch nog iets zou ondernemen waren redenen om in elk geval geen haast te maken. Had ze Balo niet zien vliegen, ergens boven de bomen? Het kon natuurlijk ook een andere vogel zijn geweest. En zelfs als het Balo was geweest, kon het nieuwsgierigheid zijn geweest en geen aanwijzing dat ze iets van plan waren. Het kon ook zijn dat de groep van Rufa wilde weten waar die van Tibor uithing om te kunnen beoordelen of ze al ver genoeg uit de buurt waren. Maar het versterkte het sprankje. De beet van Tarras kwam haar nu goed van pas. Ze had er niet veel last van maar deed alsof het een stuk erger was waardoor ze voortdurend achteraan de groep hing. Dat vergrootte ook haar kans om ongemerkt weg te komen en ze was ervan overtuigd dat die kans wel een keer zou komen, vooral als haar bewakers zouden denken dat ze toch niet snel kon zijn. Het vertraagde bovendien het tempo van de Tibor en dat was alleen maar in het voordeel van Rufa. Een afscheidscadeautje aan een wolvin die diepe indruk op haar had gemaakt.

Ze hielden stil toen het begon te schemeren. Gurd had het gevoel dat ze flink waren opgeschoten. Hij keek uit naar Balo om te horen hoe het met zijn achtervolgers zat, maar de zwarte specht was er nog niet. Ze vonden in het bos op de top van een soort duin een zanderige kuil die geschikt was om als leger te dienen. De kuil werd aan een kant afgeschermd door een grote en bladerrijke hulst waaronder zich een oud konijnenhol bevond. Het bos zelf bestond uit een mengelmoes van sparren, dennen en beuken met veel ondergroei van varens die al wat bruinig begonnen te worden.
Gelukkig liet Balo niet lang op zich wachten. Hij kon niet rechtstreeks landen dus koos hij een boomtop uit en waggelde achterwaarts langs de stam naar beneden.
- “Ze gaan nog steeds in dezelfde richting als jullie, maar ze lopen niet zo snel als gisteren. Ze zijn niet zo ver hier vandaan. Ik denk dat ze vrij dichtbij gaan overnachten,” vertelde hij. “Ik heb nog niet met Sara kunnen praten, maar ze heeft me wel gezien. Ze loopt nog steeds achteraan en ik heb de indruk dat ze uit zichzelf de groep ophoudt.”
- “Kun je nog een keertje gaan kijken of wordt het daarvoor te donker?,” vroeg Gurd die er rekening mee hield dat een zwarte specht geen nachtvogel is.
- “Ik ga nog wel even, als jullie maar niet in slaap vallen,” zei Balo.
- “Waarom mogen we niet slapen?,” vroeg Gurd.
- “Hoe zou ik jullie kunnen terugvinden als jij niet met die grote gele ogen naar me uitkijkt,” zei Balo en hij klom weer naar boven en vloog weg.

Ze aten weer ree. Deze was door Malin en Laerke gevangen. “Jullie beginnen het te leren,” zei Gurd. Het was geen grote ree en ze hadden geluk gehad dat het dier in de lage begroeiing hoger op de helling niet goed had kunnen wegkomen. Maar ze werden onmiskenbaar steeds vaardiger in het jagen.
- “Wat zit jullie dwars?,” vroeg Rufa aan Lasja en Loeban omdat ze merkte dat ze ergens mee zaten.
- “Waarom was je zo aardig voor Tarras?,” vroegen ze.
- “Je moet je altijd afvragen wat Lupa zou doen. Wat denken jullie dat ze gedaan zou hebben?”
Ze dachten even na.
- “Maar die mensenkinderen waren haar vijanden toch niet?,” zei Lasja die zich het verhaal van Lupa herinnerde.
- “Ze waren weerloos, dus konden ze haar vijanden niet zijn. Tarras was ook weerloos,” zei Rufa.
- “Maar zij waren nog te klein om kwaad te doen. Ze zouden het misschien wel doen als ze groot waren, maar ze hadden het nog niet gedaan. Tarras wel,” zei Loeban.
- “Lupa is niet zo maar een verhaaltje. Lupa betekent dat elk levend wezen een kans verdient, ook al hoort hij bij de vijand. Maar vijandschap betekende niet zoveel voor Lupa. Elk wezen is voor haar een leventje met een hartje, een recht op bestaan. Elke hap die zij deze mensenkinderen toestopte was een kans. Ik deed niet anders dan een kans aan Tarras geven die hij met beide handen aanpakte door in vrede te sterven. Waarschijnlijk heeft hij in zijn laatste ogenblikken meer liefde ervaren dan in zijn hele leven.”
- “Maar moeten we elk konijn dat wij vangen dan een kans geven voordat we hem opeten?,” vroeg Lasja.
- “Als je honger hebt niet. Dan zit zijn kans in zijn mogelijkheden om jou te ontlopen. Als hem dat niet lukt, heeft hij zijn kans gehad. En als je geen honger hebt, dan ga je ook niet achter een konijn aan,” zei Rufa.
- “En als je dat nou wel doet?,” vroeg Lasja.
- “Je moet niet te veel willen,” zei Rufa, “Ken je het verhaal van Fedja? Die wilde ook meer dan hem toekwam. Ik moest eraan denken toen ik dit konijnenhol zag.”
- “Vertel,” riepen ze.
- “Denk erom, het loopt slecht af voor de wolf,” waarschuwde Rufa. Maar dat vonden ze niet erg en dus begon ze:
- “Fedja, een wolf zoals wij, maar wel wat dommer, liep door het bos op zoek naar een woning. Hij passeerde de dassenburcht van Brutus en zijn familie. Brutus stond wijd en zijd bekend om zijn fraaie burcht die hij met zorg onderhield. Hij had alle kamers belegd met gras, varens en mossen, die hij regelmatig ververste. Fedja bedacht zich niet lang en stapte op Brutus af.
- “Hé, Brutus,” zei hij, “ik ben toevallig op zoek naar een geschikte plek om te wonen en jouw burcht lijkt me wel wat. Ik wil niet onredelijk zijn, dus ik verwacht dat je morgen met je gezin bent verhuisd.”
Brutus dacht na en liep naar Hannes, de bever, die even verderop in de rivier woonde. Hij legde hem de situatie uit. Die avond werd er hard gewerkt in de burcht van Brutus en bij de rivier.
De volgende morgen kwam Fedja terug. Brutus stond naast de ingang en verwelkomde hem.
- “Treedt binnen, oh koning van het bos.”
- “Ben je nog niet weg?,” vroeg Fedja.
- “Ja, wij zijn verderop een nieuwe burcht aan het uitgraven, maar ik wilde je nog even in je nieuwe woning rondleiden.”
- “Dat is aardig van je,” zei Fedja.
Brutus ging hem voor.
- “Kijk,” zei Brutus, “we hebben de gangen wat ruimer gemaakt zodat je er makkelijker doorheen kunt.”
Inderdaad kon de wolf zich makkelijker bewegen dan hij had verwacht. Ze gingen door de gangen, die alsmaar naar beneden liepen.
- “Wat een eind,” zei Fedja halverwege.
- “Ja,” zei Brutus, “het is een grote burcht. Kijk, dit is de voedselkamer,” zei hij en wees een zijkamer aan die vol lag met kippen die Brutus 's nachts bij een boer in de buurt had geroofd.
Eindelijk kwamen ze bij de ketel, de woonkamer. Daar had Brutus ook een verse en al geplukte kip neergelegd.
- “Bedankt,” zei Fedja, “en hoepel nu maar op, dan kan ik gaan eten.”
Brutus verliet de burcht nadat hij zich ervan had vergewist dat Fedja aan zijn kip was begonnen en liep naar Hannes die 's nachts een dam in de rivier had aangelegd die alleen nog behoefde te worden afgesloten. Vanaf de oever gaf Brutus hem het afgesproken teken waarop Hannes het stammetje dat de rivier zou afsluiten in de dam liet zakken. Na korte tijd begon het water van de rivier voor de dam te stijgen en overstroomde het omliggende land, waaronder de burcht van Brutus. Fedja had inmiddels zijn kip op en had zich in Brutus” ketel behaaglijk te rusten gelegd op het bedje van gras, varens en mossen dat de vorige eigenaar had klaargemaakt en was in diepe slaap. Hij werd volkomen verrast door het binnendringende water en verdronk jammerlijk, ook al probeerde hij nog weg te komen, maar hij werd telkens teruggespoeld door het water dat door de ruime gangen makkelijk naar binnen kon gutsen. Later, toen het water in de zanderige bodem was weggezakt, Fedja's kadaver was afgevoerd en de rare hoge gangen waren dichtgegooid, konden Brutus en zijn gezin hun oude burcht weer betrekken en genoeglijk in hun oude ketel zitten, die een stuk hoger lag en een stuk dichterbij de ingang en door gangen van normale hoogte bereikbaar was. Ze moesten alleen nog dagenlang kip eten.”
Op dat moment hoorden ze lawaai in de top van een naburige den en Balo kwam langs de stam naar beneden gewaggeld.
- “Ze zijn gestopt,” riep hij, “hier vlakbij.”

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken