Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

De mars van de beren

“Doorlopen! Het heeft geen zin als we te laat komen.” Hij zei het op een toon die geen tegenspraak duldde. In een lange rij en met een verrassende snelheid trokken ze door het bos langs de noordelijke hellingen van de Paktar. Van een afstand leek het een sliert goedmoedig rollende bruine bollen, maar dichterbij voelde je de grond dreunen onder de zware lichamen en hoorde je het gesnuif van hun lange neuzen. Ze waren dit tempo niet gewend. Sommigen konden wel 60 km per uur halen, maar meestal kuierden ze op hun gemak rond, niet sneller dan een menselijke wandelaar, en trakteerden zich in het voorbijgaan op noten die ze aan een tak zagen hangen, een verleidelijk stuk boombast, een honingraat die ze ergens wisten te vinden. Hun normale leefpatroon was ronduit gemoedelijk en daardoor waren ze niet voorbereid op langdurige inspanningen zoals nu van hen werd verlangd. Ze waren eigenlijk volkomen ongetraind. Bovendien torsten ze om hun buik een deel van de voedselvoorraad die ze tijdens hun winterslaap hadden willen aanspreken. Vandaar hun gesnuif.
- “Als je je winterslaap had gehouden, had je ook niks te eten gehad. Dus vooruit.”
En verder trokken ze weer.
- “We zijn hier vlak bij Gloebl en zijn familie.”
Geen idee wie Gloebl was maar dat deed er nu niet toe.
- “Basil, ga die Gloebl halen. Laat hem z”n hele familie meenemen, behalve de allerkleinsten. Snel. Haal ons later weer in. Tempo!”
Midden tussen de vijftig of meer massieve gestalten die door het bos denderden, hief een zware bas een marslied aan:

Wij zijn de zwaargewichten
We wegen de man dik een ton
Voor wie ons beentje wil lichten
kennen wij geen pardon!
kennen wij geen pardon!

Zie je die spieren rollen?
Zie deze klauw eens aan!
Wie ons denkt te dollen
krijgt een enkele reis naar de maan!
Een enkele reis naar de maan!

Bij het refrein vielen ze allemaal in:

Opzij, wij gaan naar Werra
We sturen 'm terug naar z'n terra
z'n terra incognita-ha-ha
Bij ons is die Werra persona
Persona non gra-ha-ta.

Het was geen hoogstaande liedkunst, al kon je in woorden als “terra incognita” en “persona non grata” de hand van Socrates herkennen. Het waren immers geen poëten die daar marcheerden en het lied onderweg hadden gecomponeerd. Ook de vertolking liet te wensen over. De zang werd gedomineerd door grondtonen die door de nacht galmden en uit kelen kwamen die beter waren geschoold in bronsroepen en het akoestisch afbakenen van territioria dan in het harmonieus zingen van opgewekte marsliederen, maar de ongepolijste klanken verrieden strijdbaarheid, hartverwarmend voor vrienden en vreselijk voor tegenstanders. Nachtdieren schoten verschrikt alle kanten op, maar de dreunende bassen hadden geen tijd om een appetijtelijke maaltijd achterna te zitten, ook al hadden de meesten honger van de lange mars die ze achter de rug hadden.
- “Als we zo doorgaan, zijn we straks geen zwaargewichten meer!”
- “Als we op tijd zijn, is er genoeg te eten. Vooruit. Tempo!”
Hij rende als een herdershond van voor tot achter langs het gelid en joeg iedereen op die dreigde achter te blijven. Onze indiviudele geaardheid is in veel opzichten een zegen, behalve als je iets gemeenschappelijks wilt doen zoals nu, dacht hij. Hij had ze bijelkaar geroepen. Dat was al lastig genoeg. Als nieuwsgierigheid niet ook een onderdeel van hun natuurlijke geaardheid was geweest, was het maar de vraag of zo'n samenkomst zou zijn gelukt in de korte tijd die daarvoor beschikbaar was. Ze waren gekomen, opgetrommeld door zijn broers en door de eersten die deze van het nut van zo'n vergadering hadden weten te overtuigen. Niemand kende alle soortgenoten – solistische eigenheimers als ze waren – maar iedereen kende er wel een paar. Ze hadden allemaal wel een territoriaal akkevietje met deze of gene gehad en in de gaten gehouden waarheen de ander afdroop zodat ze hem daar nu wisten te vinden, of ze hadden een buurvrouw lichtzinnig bevrucht en waren later nog eens komen aanlopen om haar te vragen haar kroost bij zich te houden dat zich te goed deed aan zijn bessen en wildvoorraad. Hij had gegrinnikt bij de gedachte aan de dialogen die zich hadden ontsponnen:
- “'t Zijn anders jouw kinderen.”
- “Hoe zo? Staat mijn naam erop?”
- “Dat zie je toch. Ze zijn bruin.”
- “Wat had je dan gedacht? Paars met groene sokjes, soms? Je bent zelf ook hartstikke bruin. Poepbruin, en niet van de zon.”
Vruchteloze dialogen, natuurlijk, maar ze hadden wel bijgedragen aan een soort burgerlijke stand in gedecentraliseerde vorm die nu goed van pas kwam.
De een na de ander arriveerde, quasi-nonchalant alsof hij of zij toevallig toch in de buurt moest zijn en maar even was komen kijken, hoewel uit zijn of haar komst beslist geen gemeenschapszin of nieuwgierigheid mocht worden afgeleid.
Toen een aantal was aangekomen, had hij het woord genomen:
- “Vrienden en vriendinnen, broeders en zusters…”
Hij moest saamhorigheid zien te smeden en was begonnen met ze in elk geval als zijn vrienden en vriendinnen, misschien zelfs broers en zusters aan te spreken. Gelukkig kenden ze elkaar geen van allen, solisten als ze waren. Hij had al een flard van een typerende dialoog opgevangen: “Hé, is Berna jouw moeder. Wat toevallig. Ze is ook mijn moeder. Wie is jouw vader?” Het klonk misschien wat verdorven in de oren van vereerders van de eeuwige huwelijkstrouw zoals wolven, maar daar werd in hun kringen toch wat genuanceerder over gedacht.
Al deze verstokte einzelgängers verhulden natuurlijk een gebrek aan sociale vaardigheid en daarvan wilde hij gebruik maken. De meest narrige iezegrim kon zich, mits op de juiste wijze aangepakt, ontpoppen als een uiterst minzame verschijning, zoals een ogenschijnlijk verlaten honingraat na enig schudden een heel bijenvolk kan opleveren, maar dan zonder de steken, natuurlijk.
- “… er dreigt elk van ons een groot gevaar...”
Hij bekeek ze aandachtig. Dat was de zin die de oren moest doen spitsen en lotsverbondenheid brengen op plaatsen waar saamhorigheid ontbrak. Elk van hen was in gevaar – het individu stond nog steeds voorop, maar had met andere individuen gemeen dat het in gevaar was. Ze keken hem gespannen aan.
- “…maar er is een oplossing.”
Gelukkig. Er ging een gevoel van opluchting door de gelederen. Sommigen hadden bijna “hoera” geroepen, maar dat zou nog wat te uitbundig familiair hebben geklonken.
Vervolgens bracht hij de dreiging weer terug door het verhaal van Werra te vertellen.
- “Werra wil dat wij doen wat hij zegt…”
- “Boe-hoe, boe-hoe.”
Uit berenkelen klinkt zoiets als een rommelende donder. Ze schoven van ongenoegen heen en weer en keken elkaar aan. 't Zou toch niet waar zijn dat iemand het in zijn hoofd haalde aan hun individuele vrijheid te komen. Hij had zijn eerste doel bereikt: een gemeenschappelijk gevoel van afkeuring. Die gold ook de nieuwkomers die de voortgang van de vertelling onderbraken.
- “… maar Werra is dan ook een weerwolf.”
Nu konden ze zich niet meer inhouden.
- “Dood aan de weerwolven!”
Zo ging hij nog een tijdje door, regelmatig onderbroken door nog meer nieuwkomers die fluisterend door de anderen werden bijgepraat en zich al snel lieten meeslepen in het gevoel van collectieve verontwaardiging dat zich had ontwikkeld. Zijn gehoor was inmiddels aangegroeid tot een flinke groep. Minstens vijftig, schatte hij. Hij wist niet dat er zoveel op zo'n klein gebied woonden. Uiteindelijk besloot hij met:
- “Wij zijn solisten, wij houden van onze individuele vrijheid en die beschermen wij. Maar soms kun je dat beter gezamenlijk doen dan in je eentje. Gezamenlijk ben je nu eenmaal sterker. En dus is er voor ons maar een weg: op naar de Tingboom, op naar Werra.”
Er volgden luide kreten van bijval en instemming. Een knokpartij werd altijd verwelkomd, zeker als de aanleiding die rechtvaardigde zoals hier het geval was. Een gezamelijke knokpartij, echt een grote zoals hij in het vooruitzicht had gesteld, moest iets heel aparts zijn dat de moeite van een flinke wandeling dubbel en dwars waard was. Eentje die nog lang in de analen zou blijven voortleven. En wie wil er nu geen geschiedenis schrijven?
- “En dus gaan wij meteen op pad,” eindigde hij, “dan zijn we misschien net op tijd als het spel op de wagen zit.”
Dit was het kritieke moment. Op dit hoogtepunt van collectieve verontwaardiging moest blijken of deze krachtig genoeg was om ze eendrachtig op weg naar de Tingboom te krijgen, in plaats van terug te keren naar hun eigen gezapige besognes. Hij had daarom deze overval bedacht – ze onmiddellijk te laten afmarcheren, zonder ze de tijd te gunnen een goede smoes te bedenken om toch maar van deelname af te zien. Als ze eenmaal op weg waren, zou het steeds aantrekkelijker worden om bij de groep te blijven en moeilijker om terug te keren. Hij zag wat gefrons op de bruine koppen, maar het aanstekelijke “kom op” van zijn broers en een paar anderen had verreweg de meesten in beweging gebracht achter zijn broers aan.

Wij zijn de zwaargewichtigen...

In het begin was het een zooitje geweest. Hij en zijn broers liepen monter voorop. Toen hij omkeek zag hij een klein groepje geestdriftig volgenden. De rest was verdwenen. Hij rende terug en vond er een paar die tussen de bomen op zoek waren naar eten.
- “Kom op, aansluiten. Eten doe je later maar.”
Ze keken hem verbaasd aan. Nog nooit waren ze zo toegesproken. Het was al een wonder dat ze hier samen stonden te eten. Maar hij had geen tijd voor de trage weg van de overreding. Hij wilde ze echter ook niet kwijt. Hoe meer er bij de Tingboom kwamen, hoe liever het hem was.
- “Je wilt meedoen, dus schiet op. Wraauw.”
Het laatste was een vervaarlijke grom die gepaard ging met een schijnuitval die veel zeggingskracht ontleende aan zijn imposante verschijning van zo'n drie meter lengte en een gewicht van tegen de vierhonderd kilo. Dat werkte. Ze schrokken en haastten zich schommelend achter de anderen aan die al bijna uit het zicht waren verdwenen. Zo vond hij er nog aantal die hij op dezelfde manier in het gelid terugjoeg. Voortaan liep hij achteraan. Maar omdat het daarmee nog geen aangesloten colonne vormde, waren er enkelen tussen de door zijn broertjes gedomineerde kop en de door hem bewaakte staart die de kans grepen nog even ter zijde van de weg te foerageren. Daarom had hij zich onbewust de werkwijze van de drilsergeant eigengemaakt door de hele tijd dreunend langs de flanken van de groep te rennen en elke zijstapper terug te grauwen om daarna even aan de staart uit te hijgen.
- “Zij moeten opzij, niet wij. Wraauw.”
Dat hij zo minstens driemaal de totale afstand aflegde was de prijs voor een overtuigende aanwezigheid straks bij de Tingboom, vond hij. Totdat hij de truc met het marslied bedacht. Als hij ze allemaal liet zingen, kon hij horen wanneer er een of meer uitvielen omdat ze andere dingen waren gaan doen. Je kon nu eenmaal niet zingen en snuffelen of eten tegelijk. Bovendien werkte het zingen als een lint van saamhorigheid. Het maken van zoveel mogelijk gezamenlijk geluid ging, net als het gezamenlijk op stap gaan, op een prettige manier tegen hun natuur in. Het was iets dat je alleen met z'n allen kon doen en dan liefst zo hard als maar kon. En zelfs bij deze kakelverse gelegenheids-collectivisten had zich al snel het besef gevormd dat je dan niet mocht verzaken. Het effect van de zangvereniging, dacht hij, daar kom ik aan met mijn gemengde koortje om een zanguitvoering te geven aan de voet van de Tingboom.

Opzij, wij gaan naar Werra...


Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken