Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

De heks op de motorfiets

Gorre was een kind van de bergen en vertrouwd met de bewoners. Bovendien was ze een heks en dat word je niet zomaar. Gorre had het meeste van haar moeder geleerd met wie ze in een huisje in een dorp woonde, een beetje aan de rand. Het was geen groot huisje – het was ook geen groot dorp. Voor het huisje was een erf, daarvoor liep de straat. Achter het huis was een moestuin. Er scharrelden wat kippen rond. Er was ook een schuur waarin de geit stond als die niet met de andere geiten van het dorp mee was de bergen in.
Zo op het oog was het een normaal huisje met een puntdak, zoals er wel meer waren in het dorp. Maar wie beter keek zag dat in de moestuin tussen de bedden met sla en de kool andere, minder gewone gewassen opgroeiden, zoals glidkruid, bijvoet, duizendblad en sint-janskruid. En ook binnen was het anders dan in andere huizen. Het bestond uit een enkel vertrek. Aan een kant stond een fornuis, er was een tafel met een paar stoelen en er stond een merkwaardige buffetkast met daarop een paar opgezette dieren. De bedden stonden op de zolder die bereikbaar was via een ladder die middenin de kamer stond.
De moeder van Gorre was heks. Iedereen wist dat en niemand trok zich daar iets van aan. De een was boer – dat waren de meesten –, een ander bakker of smid en zij was heks. Als je je voet had verstuikt, niet zwanger kon worden of leed aan slapeloosheid of zo, dan ging je naar de moeder van Gorre en het moest raar lopen als die geen oplossing had. Het kon zijn dat ze een hand op je buik legde en wat prevelde, of je opdroeg bij volle maan een spreuk viermaal op te zeggen of een drankje voor je brouwde, maar meestal was je dan wel van je kwaal verlost. Daar verdiende zij de kost mee. Het was ook niet vreemd dat de moeder van Gorre zwanger werd en een kind kreeg. Heksen worden ten onrechte als geslachtsloze wezens beschouwd aan wie het spel van liefde en voortplanting voorbijgaat. Het tegendeel is waar. Niet alleen zijn ze bekend om hun vaardigheid in het brouwen van liefdeselixers – wat ze niet zouden kunnen als ze zelf niet wisten waar ze mee bezig waren - maar lieten zichzelf evenmin onbetuigd. In dit dorp, waar generaties heksen hadden gewoond, bestond die gedachte dan ook niet. Hier, waar het bestaan afhankelijk was van de opbrengsten van akkers en velden waarvoor in het nauwe dal plaats was gevonden, gold vruchtbaarheid als een grotere deugd dan schoonheid, dus zelfs als de moeder van Gorre niet aantrekkelijk zou zijn geweest – wat ze, net als Gorre trouwens, wel was - dan zouden de dorpelingen zich toch niet over een vruchtdragende inzaaiing hebben verwonderd. Natuurlijk vroeg men zich af wie de vader was en werd er wat gemeesmuild, maar dat gebeurde bij iedere vrouw die zwanger werd, gehuwd of niet. Het was een genoegen dat men zich niet liet ontnemen en de waarheid, als die al bekend werd, zou er verder niet toe doen.
Gorre groeide op tussen de andere kinderen van het dorp en dat had voor hen voor- en nadelen. Als er eentje een gat in zijn broek had, kon zij die weer dichttoveren (het moest natuurlijk geen al te groot gat zijn – ze was immers pas bij haar moeder in de leer). Als je haar wilde natspatten kwamen de spetters steevast in je eigen gezicht terecht. Ze liet een geit haar staart optillen en met een spetterende boog uitwateren net als je achter haar stond of ze liet een appel uit een boom vallen als je daar onderdoor liep. Niemand vond dat vreemd omdat ze immers de dochter van de heks was.
Toen Gorre ouder werd ging ze lange tochten maken. Haar vrienden en vriendinnen gingen naar school in een ander dorp, maar haar moeder vond dat niet nodig. Het is ook de vraag of de school blij zou zijn geweest met een leerlinge die haar kinderlijke wispelturigheid kon omzetten in toverij en ongetwijfeld door haar klasgenoten zou zijn aangemoedigd om inktpotten en bordkrijtjes door de klas te laten zweven, om van erger te zwijgen. Gorre ging de bergen in. Ze keek naar de dieren, planten, bomen, beken en leerde ze kennen. Van een van deze tochten kwam ze terug op een motorfiets die ze ergens had gevonden. Het ding maakte een geweldige herrie, rookte en kwam nauwelijks vooruit. De zoon van de smid lapte het ding op en zorgde dat hij weer goed liep en vanaf dat moment trok Gorre er met haar motorfiets op uit, soms met haar moeder op het bagagerek dat op het achterspatbord was gemonteerd. Ook daarover verbaasde niemand zich.
Natuurlijk vroeg Gorre op zekere dag aan haar moeder wie haar vader was geweest. Waarschijnlijk was ze helemaal niet zo geïnteresseerd in de vraag van wie ze afstamde, maar des te meer in de intrigerende romantiek die met haar ontstaan moest hebben samengehangen. Vrouwen willen dat graag weten. Bovendien bestond de kans dat haar moeder over toverkunsten beschikte om een man aan haar wil te onderwerpen en die zou Gorre dan graag van haar leren. Je wist nooit waar dat goed voor was.
- “De man is niet je vader,” zei haar moeder.
- “Welke man is niet mijn vader?,” vroeg Gorre, maar haar moeder zei niets. Gorre bleef aandringen, werd boos, stampvoette. Het vaatwerk rammelde, de opgezette vos die op de buffetkast stond vloog door de kamer en belandde voor haar moeder op tafel. De buitendeur zwaaide vervaarlijk alle kanten uit. Maar haar moeder zweeg. Veel later vroeg ze het nog eens:
- “Wie is mijn vader?”
Haar moeder zei: “Een kind van de maan.”
Gorre was inmiddels gewend aan rare antwoorden en werd niet eens boos. Elke man die 's avonds was langsgekomen zou in zekere zin als een kind van de maan kunnen worden opgevat. Ze was nog geen steek verder. Er gingen weer maanden overheen. Toen zei ze tegen haar moeder:
- “Je hebt me verteld dat de man mijn vader niet was en dat hij een kind van de maan was. Ik kom er niet uit. Vertel nu eens wie hij was.”
- “Weet je dat echt niet?,” vroeg haar moeder, “hij huilde.”
Gorre keek haar ongelovig aan en greep toen haar hoofd tussen haar beide handen.
Het zag er niet naar uit dat haar moeder meer over haar vader zou loslaten. Omdat ze ook geen zin had in nog meer raadseltjes berustte Gorre voorlopig in haar onwetendheid omtrent haar afkomst en legde zich toe op hekserij. Ze had veel van haar moeder geleerd, maar ook van de natuur zelf die ze op haar zwerftochten had leren kennen. Net als haar moeder begon ze de mensen uit het dorp te genezen en ze deed dat prima. Daarom zei haar moeder op zekere dag tegen haar dat ze nu volleerd heks was.
- “Maar ik kan nog steeds geen mensen in padden veranderen,” zei Gorre.
- “Ik ook niet,” zei haar moeder, “maar moet dat dan? Je kunt van alles laten bewegen. Je kunt vliegen en je onzichtbaar maken. Je kunt mensen en dieren en zelfs planten beter maken. Je kunt misschien niet alles genezen, maar je komt een heel eind. Wees blij.”
Gorre was blij, maar toch nog niet helemaal voldaan. En toen dus, een dag tevoren, en Gorre op een omgevallen boomstam voor zich uit zat te kijken, haar hoofd leunend op haar rechterhand, er opeens een elf naast haar stond, was haar eerste vraag, zonder zich uit haar gepeins los te maken:
- “Weet jij soms wie mijn vader is?”
De elf keek haar verbaasd – en dat overkomt elfen niet zo vaak – aan.
- “Nee,” zei de elf, “maar ik kan het vragen?”
Gorre keerde zich om en bekeek hem. Het was een jonge, knappe elf, maar bij elfen wist je nooit precies hoe oud ze waren.
- “Goeie genade! Waren er allemaal elfen bij? Stonden jullie een beetje toe te kijken toen ik werd samengesteld?,” vroeg Gorre.
- “Ik niet, maar misschien anderen. Ik ken een elf die weet en die kan ik het vragen.”
- “Graag,” zei Gorre, “graag. Vraag het de Weetelf. Wat kom je doen?”
- “Ik ben Egidius. Ik heb een verzoek van Alberon.”

“En-May-er-ging.” Op de maat van zijn voetstappen liet Petrus Mayer de woorden als een marslied in vierkwartsmaat door zijn geest echoën. “En-May-er-ging.” Duizendvoudig. Hij had gedaan wat Alberon hem had gevraagd en zijn Bijbel, zijn kruis, zijn kazuifel met nog wat kleren en benodigdheden en wat leeftocht in een rugzak gedaan. De catena had hij goed onderin gestopt. Zelf droeg hij zijn zwarte pak en de witte priesterboord. Toen was hij op weg gegaan, naar de tingboom. Maar waar was in vredesnaam de Tingboom? “Je gaat oostwaarts en niet alleen,” had Alberon hem gezegd, “je zult merken dat er meer naar de Tingboom gaan. Bovendien zal ik voor reisgezelschap zorgen. Dat zal je leiden.”
Hij was de weg door het dal een stuk afgelopen en had vriendelijk geknikt en gezwaaid naar de boeren die 's morgens op hun land aan het werk waren en bevreemd zullen hebben opgekeken toen ze op dit vroege uur zijn zwarte gestalte door de velden zagen gaan. Hij had “morgen” geroepen tegen boer Stupowksy die hem met paard en wagen tegemoet was gekomen, net als tegen mevrouw Smeichel die hem op de fiets passeerde en die niet minder verbaasd zullen zijn geweest. Bij het kruispunt was hij een zijpad ingeslagen dat ongeveer naar het oosten ging en aan de lange slingerende klim bergopwaarts begonnen. Door de bomen had hij beneden het dal met zijn dorp, zijn kerk en zijn pastorie zien liggen. Zijn gemeente waaraan hij was gehecht en die na elke bocht in het pad kleiner werd. “En-May-er-ging.” Het leek een afscheid, maar dat zou het, wat hem betreft, niet worden. Hij had zijn gemeente achtergelaten in de handen van zijn kapelaan. Het zou nog moeten blijken of zijn missie zijn gemeente meer zou helpen dan als hij was gebleven. Het beroep dat Alberon op hem had gedaan, had indruk gemaakt. De oprechtheid en gedrevenheid die de elf uitstraalde had hem sowieso geïmponeerd. En er was nog iets dat hem fascineerde: de waas van mystiek die bijna tastbaar om hem heen hing.
“En-May-er-ging.” Het refrein herhaalde zich om de vier stappen. Het leek alsof hij gestuurd was. Alberon sprak en Mayer ging. Toch voelde het niet zo. Hij voelde zich een soldaat op weg naar de strijd tegen Het Kwaad. Was dat eigenlijk niet het hoogste doel dat een priester kon bereiken? Oh ja, Alberon had feilloos aangevoeld waarmee hij hem kon overtuigen. Maar dat deed niet af aan de overtuiging die hij had opgedronken zoals een dronkaard zijn bier. Hij was bijna bij het einde van de klim, waar het echte bos begon dat zich als een donker gordijn tussen hem en het dal zou sluiten. “Ook Paulus heeft lange reizen gemaakt om het geloof onder de heidenen te prediken. Ging te voet door de rotsige woestijn van Jeruzalem naar Syrië en Armenië. Dan moet ik toch de Tingboom kunnen halen?,” dacht hij en probeerde zich voor te stellen hoe de apostel eeuwen eerder, lopend langs de Romeinse heirwegen was getrokken om de heidenen te bekeren. “Hij moet heel wat hebben afgelopen, die Paulus, veel meer dan er nu van mij wordt verlangd.” Hij klom moeizaam verder. “Ik bevind me in elk geval in goed gezelschap. Alleen zijn mijn heidenen een stelletje wolven.” Hij lachte bij de gedachte. “Dit is een missie voor het geloof. Om de een of andere reden wil het geloof dat je ontzettend veel loopt. Onze Lieve Heer liet niet alleen Paulus en de andere apostelen duizenden kilometers te voet afleggen, maar ook talloze pelgrims naar Rome, Campostella en andere heilige plaatsen. Er zit vast iets louterends in dat geloop. En hoe zou het met klimmen voor Onze Lieve Heer zijn?” Hij had de top bereikt, blikte nog een keer naar beneden en zette zijn tocht vastberaden onder de bomen van het bos voort. Het pad steeg hier niet meer en was bedekt met een verende laag dennennaalden die na de rotsige klim een stuk aangenamer was. Het slingerde zich langs de bovenrand van een zijdal en zou een stuk verderop door een pas tussen een paar bergpieken gaan. Daarachter zou het weer gaan dalen, dan zou er een vijfsprong komen, en daar zouden de problemen beginnen. Want welke van de vier vertakkingen zou het meest oostwaarts gaan? Hij kende de wegen tot aan de verste hofsteden die nog tot zijn parochie behoorden, maar wist niet in welke richting zij zich daarna voortzetten.
- “Help.”
De roep scheurde Mayer los uit zijn overpeinzingen. De kreet kwam van dichtbij. Mayer versnelde zijn pas en ging op een holletje de bocht om die het pad maakte. Daarachter, midden op de weg, lag een merkwaardige en kleurrijke stapel die hij niet direct kon thuisbrengen.
- “Hallo,” riep Mayer terwijl hij naderbij snelde.
- “Help,” klonk het nogmaals vanuit de stapel en nu kon Mayer zien dat de kleurrijke wirwar aan een vrouw toebehoorde die in een baaierd van rokken en haar onder een motorfiets lag. Hij pakte de motor, brandde zich eerst aan de hete uitlaat voordat hij het zadel en het stuur vond en tilde de motor zo veel mogelijk op.
- “Kunt u er onder vandaan komen,” vroeg hij hijgend aan het slachtoffer, maar dat was al bezig een van haar rokken van de carburateur los te maken en naar de kant van het pad te kruipen. Mayer kreeg de motor met de nodige moeite overeind en zette hem tegen een boom.
- “Gaat het,” vroeg hij daarna aan de vrouw die inmiddels tegen een andere boom langs het pad zat, “bent u gewond?”
Ze schudde haar hoofd en begon onbedaarlijk te lachen.
- “Ik kwam aanrijden...,” gierde ze, “... en toen stak er zo'n stom eekhoorntje over. Alsof ik niet genoeg herrie maakte.” Ze hikte van het lachen. “Vlak voor m”n voorwiel langs. 't Was alleen maar staart. Rooie staart met oogjes. Op steeltjes toen 'ie mij zag. Há, há, há, há.”
Ze verborg haar gezicht tussen haar handen. Mayer zag dat ze mooi blond haar had dat in lokken naar beneden viel.
- “Dacht zeker dat het een oversteekplaats was. Hì, hì, hì, hì. Heb “m van schrik nog een tijdje nagezeten tussen de bomen. Per ongeluk. Tot ik vanzelf weer op het pad terechtkwam. Hòe, hòe, hòe, hòe.”
De tranen liepen over haar wangen. Mayer wachtte, grinnikend door de aanstekelijkheid van haar lach die door het bos galmde, tot ze weer enigszins tot bedaren was gekomen.
- “Hebt u echt niets?,” vroeg hij toen ernstig.
Ze schudde haar hoofd.
- “Nee, nou ja, ik heb m”n knie een beetje bezeerd, maar verder heb ik niets. En u?,” vroeg ze toen, opeens, bezorgd omdat ze zag dat Mayer zijn hand vasthield.
- “Ik heb mijn hand gebrand aan de uitlaat van uw motor,” zei Mayer.
- “Oh. Laat eens zien.” Ze pakte Mayers hand en bekeek aandachtig de rode plek op zijn huid. Toen legde ze haar andere hand over de wond heen, sloot haar ogen en prevelde een paar onverstaanbare zinnen. Mayer, die zijn gewonde hand had willen terugtrekken toen zij de hare erop legde, voelde de pijn uit de wond wegtrekken. Toen ze zijn hand eindelijk losliet en haar ogen weer opendeed, was de pijn vrijwel verdwenen en zag de brandplek er veel minder rood uit.
- “Hoe deed je dat?,” vroeg hij verbaasd.
- “Oh,” zei ze, “dagelijks werk. Ik help mensen. Overigens: ik ben Gorre.”
Ze stak hem een hand toe.
- “Ik ben Mayer, Petrus Mayer. Ik ben de pastoor van het dorp hier beneden.” Hij schudde haar hand.
- “Dat weet ik,” zei Gorre.
Ze stond op, liep naar haar motor toe en probeerde hem te starten. Na een paar trappen op de starter sloeg de motor aan. Ze ging op het zadel zitten en keerde de motor.
- “Spring maar achterop,” zei ze tegen Mayer.
- “Waar ga je dan naartoe?”
- “Ik ga oostwaarts, naar de Kapel van Oersk. Ga je mee?”

Ooit lag in het midden van dit woeste bergland een klooster. Een aantal monniken had, geheel naar de opvattingen van hun orde, in de middeleeuwen een klooster gesticht op de meest verlaten plek langs de meest onbegaanbare weg die het bergland doorkruiste. Het doel was de behoeftige reiziger onderdak te bieden op de plaats waar hij of zij dat het meest nodig had. In dat opzicht was de keuze perfect. Wie het klooster haalde, uit welke richting hij of zij kwam, was niet meer in staat nog een stap te zetten. Een ander doel was in het eigen levensonderhoud te voorzien door het omringende land te bebouwen. Dat lukte minder goed. De stenige en ongelijke bodem was ongeschikt voor bewerking en leverde zelfs niet genoeg op voor de paar monniken die er woonden. Nadat zij van arremoede hun geiten hadden opgegeten, verlieten ze het klooster en gaven de gebouwen - een stenen hoofdgebouw met hospitium, stallen en een kapel – prijs aan de elementen. In de loop van de tijd bleef alleen de ruïne van de kapel over.
De plek was nog steeds verlaten en de weg onbegaanbaar, zoals Mayer aan den lijve had ervaren. Voor de resten van dit klooster stopte Gorre eindelijk en zette haar motor af. Mayer viel meer dan hij afstapte van zijn zitplaats op het achterwiel. Hij was verdoofd door de stilte nadat hij urenlang schuivend en stuiterend op en achter de lawaaiige motor had gezeten. Hij had allerlei verschrikkingen doorstaan. Ze waren rakelings langs bomen gescheerd, hadden boven ravijnen gehangen, waren slippend en slingerend door haarspeldbochten gegaan die door ezels waren uitgetreden en niet voor motorrijwielen geschikt waren. Al die tijd had Mayer tegen de rug van Gorre aangekeken en gehangen terwijl hij krampachtig in een langgerekte doodsangst met zijn armen haar middel omvat hield, zoals zij hem had gezegd te doen. De bewegingen van de motor en de wijze waarop Gorre hem bereed hadden hem en zijn armen keer op keer in posities gebracht die de betamelijkheid streng zou afkeuren. Door de rijwind waren haar blonde haren hem in het gezicht gevlogen en hadden haar bonte rokken zich om zijn knieën gevouwen. Hij durfde zich niet indenken welke aanblik zij met haar opwaaiende rokken aan tegemoetkomenden had geboden, als die er waren geweest. Met zijn voeten had hij steun gezocht op de uitstekende moeren van de achteras, maar bij elke flinke hobbel waren ze er vanaf gegleden. De neuzen van zijn schoenen hadden keer op keer de grond geschuurd, totdat zij hun positie op de as weer tastend hadden hervonden, vaak op het gevaar af dat ze tussen de ronddraaiende spaken van het razende achterwiel terecht zouden komen.
Nu was de dodenrit voorbij. Na het lawaai van de motor was de verbluffende stilte bijna onwerkelijk. Alleen de motor tikte nog na en verspreidde de geur van kokend hete smeerolie. Gorre viste een flesje met water uit een zadeltas, nam een slok en bood Mayer er een aan, die hij dankbaar aanvaardde. Hij deed een paar kniebuiging en strekte zijn benen om de bloedsomloop weer op gang te brengen. Het was laat in de middag en de laagstaande zon scheen op de overblijfselen van het klooster. Hij liep er naartoe. Ondanks de eeuwen, de plantengroei die de brokstukken had overwoekerd, de bomen die waren opgegroeid op de plaats waar het woonhuis en de stallen hadden gestaan, voelde hij de heiligheid die ooit met deze plaats verbonden was geweest. Alsof de vurige verlangens van de monniken, die hier hun klooster hadden willen oprichten en tot bloei brengen, nog steeds aan de stenen kleefden die zij vlijtig hadden gebikt en gemetseld. Hij voelde zich – al die jaren later nog – een indringer, niet in de hoop van de stichters, die open en gastvrij was geweest, maar in hun teleurstelling. De wanden van de kapel, die nog overeind stonden, waren opgetrokken uit gemetselde natuurstenen die in de directe omgeving ruim voor handen waren geweest. Ook deze waren grotendeels overwoekerd, maar toch niet zo erg dat de vorm niet meer herkenbaar was. Het dak was al lang geleden ingestort maar delen van de zijwanden en het achterschip stonden nog overeind. Het achterschip was, op de overwoekering na, zelfs betrekkelijk ongeschonden alsof er na het vertrek van de stichters nog lieden waren geweest die deze gewijde plaats voor erger hadden willen behoeden. Mayer stapte tussen de begroeide brokstukken heen het geschonden schip binnen. Het was niet hoog – de kapel was niet meer dan een primitief kloosterkerkje geweest. Onder de boog van het achterschip prijkten de resten van wat eens een eenvoudige altaartafel was geweest. Het kruisbeeld, dat er ooit moet zijn geweest, was verdwenen. Mayer zag onder de begroeiing dat het altaar bestond uit een donker lijsteenachtig tafelblad dat op twee gemetselde dragers rustte. De omtrekken van het blad waren ruw; de onderkant was allerminst vlak. Hij stelde zich voor hoe de monniken de grote zware steen, die ze ergens in de buurt hadden gevonden, met zijn enkele platte kant moeizaam op zijn plaats hadden gebracht en vastgemetseld en vervolgens tevreden hadden vastgesteld dat ze midden in de wildernis een plaats van heilige rust hadden geschapen. Hij streek met zijn hand over het oppervlak van de tafel dat grotendeels was bedekt met aarde en plantengroei. Zijn oog viel op een inkeping die dieper was dan een toevallige kras. Met zijn hand probeerde hij de grond weg te vegen. Er werden meer inkepingen zichtbaar. Mayer zag dat het blad een inscriptie droeg. Hij begon de overige grond weg te graven, eerst met zijn handen, daarna met een handzame platte steen. Zand, wortels en planten vlogen in het rond. Gorre kwam bij hem staan, zag wat hij aan het doen was en hielp mee. Langzaam, letter voor letter, werd de gebogen inscriptie leesbaar. Er stond:

Tu ne cede malis, sed contra audentior ito

- “Wat betekent dat?,” vroeg Gorre.
Mayer keek er aandachtig naar en zei toen:
- “Dat is latijn. Er staat: wijk niet voor het kwaad, maar treed het dapper tegemoet.”
- “Oh. Mooi,” zei Gorre.
Mayer bleef nadenkend kijken. Gorre stond naast hem.
- “Precies wat we aan het doen zijn,” zei ze. Zou Alberon het haar hebben verteld of zou ze het gewoon voelen?
- “Ja,” zei Mayer, “precies wat we aan het doen zijn. En dat is het vreemde. Het is geen kerkelijk tekst en al helemaal geen tekst die je op een altaar zou verwachten, hoe mooi en treffend ook.”

Het was warm in het komvormige dal. Rechts gaf een rijtje bomen het einde van de weg aan waarlangs ze waren gekomen. Links verdween het pad weer heuvelafwaarts in een nieuw bos. De plek waar ze waren beland was een door boomloze en met gras begroeide heuveltoppen beschutte hobbel in de weg. Een ideale plaats voor een klooster, beschut zoals een toevluchtsoord voor gestrande reizigers hoort te zijn, alleen verklaarde het feit dat het blijkbaar precies op de boomgrens was gebouwd waarom de gewassen niet hadden willen groeien die de monnikken zo ijverig hadden willen verbouwen. Het eenvoudige en toch overweldigende decor van het blauw van de hemel en het groen van het gras, hier en daar doorschoten met witte rotspieken, ademde de vreedzame en serene schoonheid uit die je alleen vindt als je het hooggebergte ingaat. Een ongereptheid die nog eens extra werd benadrukt door de kreet van een vogel. Alsof het zweet dat het kost om de dalen en de lagere hellingen te ontstijgen bijdraagt aan de indruk die je ondergaat als je de plek betreedt. Mayer moest denken aan de bakker die zijn brood mooier vond dan dat van een ander, omdat hij – de bakker zelf – voor dit brood 's morgens om vier uur was opgestaan, zijn oven had aangestoken, zijn meel uit de zak van de molenaar in de trog geschud en uren had staan kneden. Was het daardoor mooier geworden? Zijn collega was immers ook vroeg opgestaan om hetzelfde te doen als hij. Ja, had de bakker gezegd, de schoonheid van dit brood is niet zijn vorm of zijn kleur. Die vorm is op zijn best niet lelijk. De schoonheid schuilt in het feit dat ik extra mijn best heb gedaan om dit brood te krijgen zoals het is. En er is nog een bijzonderheid die het mooi maakt. Ik heb het gemaakt voor mevrouw Lieske. Als mevrouw Lieske de bakkerij binnenkomt, ligt dat brood dampend op haar te wachten, links op de bovenste plank. Dat is haar brood, vers, dat de vroege honger stilt van haar gezin. Door dit brood kan mevrouw Lieske de moeder zijn die ze is. Als ze het aansnijdt, knispert de korst. Uit het witte binnenste van het brood dampt de geur van versgebakken meel. Als haar kinderen oud zijn, herinneren ze zich nog die geur. Om al die redenen vinden mevrouw Lieske en ik dit het prachtigste brood van de wereld. Schoonheid, besloot de bakker, is inspanning, liefde, en vooral het maken van een herinnering, het bakken van een teken in de tijd.”
“En de angst die je hebt doorstaan,” voegde Mayer er in gedachten aan toe. Angst draagt bij aan schoonheid. Ja, als je de dood overwonnen hebt – en dat was het gevoel dat Mayer zeker had – was alles wonderschoon en klonk de schorre kreet van een kraai als een engelenkoor. Voor Mayers geestesoog doemde de monnik op die het klooster had gesticht. Hij had de barre tocht over de Magarpas doorstaan en was in dit kleine paradijs aangekomen en had op dezelfde plaats gezeten als hij. Beschut tegen de wind, gekoesterd door de zon, in het voorjaar gedompeld in een bad van geurige lentebloemen. Of hij was van de andere kant gekomen en moest de Magar nog over. Het zou weinig verschil maken en niet afdoen aan de gedachte een duimafdruk van God in de omringende woestenij te betreden. Eenmaal behouden terug in zijn klooster in het dal van de Torn zou hij naar zijn abt zijn gegaan en hem hebben verteld van deze pleisterplaats in de directe aanblik van de nabije hemel. Daarna zouden hij en nog een paar broeders een stel ezels hebben opgeladen, een paar geiten uit de stal hebben gehaald en de tocht tegen de Magar op hebben aanvaard om uiteindelijk hier weer te keren. Maar wat zou ze ertoe hebben gebracht om die tekst in de altaarsteen vast te leggen: “wijk niet voor het kwaad, maar treed het dapper tegemoet”? Het kon niet zijn bedoeld als een algemene leefregel. Als een altaar een ander opschrift droeg dan een die opwekte tot het geloof, moest daarvoor een bijzondere reden zijn. Het was alleen moeilijk voorstelbaar dat in deze idylle een kwaad huisde dat dapper tegemoet moest worden getreden.
- “Hij is bijna leeg.”
Mayer schrok op uit zijn overpeinzingen. Hij was naast Gorre in de late zon gaan zitten. De kramp in zijn spieren was langzaam en bevrijdend uit zijn ledematen weggetrokken. Hij had zich gerealiseerd dat hij urenlang in een wolk van lawaai had verkeerd. Hij verafschuwde de motor en zijn geluid, maar was zich tegelijkertijd bewust dat het overspannen blèrende ding hun enige verbinding met de bewoonde wereld was en had daarom tussen alle ontberingen door ook gespannen geluisterd naar onregelmatigheden in ritme en toonhoogte die konden betekenen dat ze ergens in deze idyllische verlatenheid zouden stranden. Dat dàt niet was gebeurd, had zijn beoordeling van het ding milder gemaakt. Verbazend hoe makkelijk een beetje doodsangst zijn diepgewortelde voorkeur voor geluidloosheid had doen kenteren. Gorre was opgestaan, naar haar motor gelopen en had de dop van de bezinetank losgeschroefd. Daarna had ze de motor heen en weer geschud en naar het geklots van de benzine in de tank geluisterd.
- “Ik hoop dat ze benzine hebben,” zei ze.
- “Wie?,” vroeg Mayer
- “Moeten we afwachten,” zei Gorre
- “Heeft Alberon je gezegd hier naartoe te gaan?,” vroeg Mayer.
Gorre knikte.
- “Heeft hij ook verteld wat we hier kunnen verwachten?”
Ze schudde haar hoofd. Mayer keek haar vragend aan.
- “Hij zei niet veel. We moeten er vanuit gaan dat hij iets heeft geregeld.”
- “Enig idee waaruit dat zou kunnen bestaan? Ik zie hier niets.”
Ze schudde haar hoofd. Ze zei zelf ook niet veel. Hij had graag willen weten hoe ze Alberon kende en wanneer ze hem had gesproken, maar ze wekte niet de indruk daarover te willen praten. Ze zat met haar gezicht naar de zon toe.
- “Ik moet je mijn welgemeende excuses maken voor het feit dat ik me bij het vasthouden niet altijd aan de aangewezen plaats heb kunnen houden,” begon Petrus Mayer.
- “Ha, ha. Je bedoelt dat je af en toe zowat over me heenhing? Nou, liever zo dan dat ik me moest afvragen of je nog wel achterop zat.”
Ze lachte ontspannen en dat nam de indruk weg dat ze wat terughoudend geweest door de ongevraagde intimiteit waarmee Alberon hen opeens had verrast. Niet alleen was hij een vreemde geestelijke die urenlang tegen haar rug aangeklemd had gezeten en zich tijdens de rit aan zowat elk van haar lichaamsdelen had moeten vasthouden, maar het zag er ook naar uit dat ze samen de nacht zouden moeten doorbrengen.
- “Waarom rij je op zo”n ding? Was een paard niet beter geweest?”
- “Welnee. Je kunt met een motor veel meer dan met een paard. Dacht je dat je met een paard de hellingen kon opgalopperen waar wij tegenop gereden zijn? Ik kan met deze motor rotspartijen beklimmen waar een paard de hik van krijgt.”
- “Waar een paard de hik van krijgt?”
- “Nou ja, bij wijze van spreken. Waar een paard niet eens aan begint.”
Ze nam weer naast hem plaats op de berm van het pad. Toen maakte zich uit de schaduw van de bomen die de voortzetting van het pad markeerden, pakweg honderd meter verderop een kleine gestalte los. Gorre zag hem het eerst.
- “Dat zal onze gids zijn,” zei ze.
Mayer zag de gestalte ook die langs het pad op hen toeliep. Klein en gedrongen. Toen hij dichterbij was gekomen zag Mayer dat het een Dwerg was. Hij had een stevige baard en droeg een houthakkersbijl over zijn schouder.
- “Gunt uw zwart het licht aan alle anderen of eist het alle licht op?,” vroeg de Dwerg toen hij voor hen stond.
Het was een vreemde begroeting.
- “Mijn zwart looft het licht maar waarschuwt voor lichtzinnigheid,” antwoordde Mayer. De Dwerg keek hen aan.
- “Dan zijn jullie degenen die ik hier hoopte aan te treffen. Aan het daglicht kennen wij als bewoners van de onderaarde een andere betekenis toe dan jullie bovengronders. Maar het licht dat mijn zegsman bedoelde is van een meer algemene betekenis.”
Mayer besefte dat de Dwerg geen klein uitgevallen mens was, maar deel uitmaakte van het onderaardse volkje waarover hij veel had gehoord. Het verbaasde hem al niet meer een nieuwe afgezant uit de mythische wereld voor zich te zien.
- “Uw zegsman was zelf licht?”
- “Hij was een Elf. Hij beschreef mij een blonde engel en een man in het zwart. Hij verzocht mij jullie naar jullie onderkomen voor de nacht te brengen. Als u mij wilt volgen? Overigens, mijn naam is Gerlof.”
Hij maakte buigend en met een armzwaai een uitnodigend gebaar alsof het stenige pad dat het bos inleidde de entrée van een kasteel was. Gorre en Mayer, die zijn kostbare rugzak nog steeds om had, liepen achter hem aan. Het pad daalde licht. Een stukje verderop stond enigszins terzijde van het pad een houthakkershut. Geluiden in het bos verrieden dat er houthakkers bezig waren. Mayer vroeg zich af of dat ook Dwergen waren. Langs het pad lagen een paar stapels met op ontschorste en op maat gezaagde stammetjes.
De hut stond op een enigszins vlak stukje bosgrond en was gebouwd op korte palen die de bodem vrijhielden van het water dat bij regen en dooi ongetwijfeld overvloedig de helling kwam afzetten. Het gebouwtje was opgetrokken uit halve boomstammetjes die tegen elkaar aan op een houten raamwerk waren gespijkerd. De naden waren dichtgesmeerd met leem. Bovenop de hut rustte een naar twee zijden aflopend dak. Aan de voorzijde die naar het pad was gekeerd, bevond zich een raam dat op het pad uitkeek en met een luik kon worden afgesloten. De deur bevond zich aan de zijkant en was bereikbaar langs een opstapje.
Gerlof opende de deur en ging hen voor de hut binnen. In het midden stond een houten tafel met daaromheen een paar stoelen. Boven de tafel hing een olielamp. Aan een van de wanden hing een kraan die in verbinding stond met een opvangbak voor regenwater die buiten aan de muur hing. Onder de kraan stond een emmer die als wasbak dienst deed. Er naast was een klein kastje. In een hoek, vrij van de brandbare wanden, stond een houtkachel. De rookafvoer ging door het dak naar buiten. Tegen de wand stond een stapelbed. Mayer zag dat het een normaal formaat had, net als de deur, de tafels en de stoelen, en dus niet alleen op Dwergen was berekend. Kennelijk was de hut ooit door mensen gebouwd.
- “Dit is jullie onderkomen,” zei Gerlof. “Er zijn dekens en er is eten en drinken.”
Hij opende het kastje en wees op een brood en ander eten dat daar lag. Daarna sloot hij het kastje en wees op de ruwe wollen dekens die opgevouwen op het stapelbed lagen. Gorre en Mayer knikten elke keer als Gerlof ze iets aanwees.
- “Het is lang geleden gebouwd door menselijke houthakkers, maar ze hebben het niet lang uitgehouden. Er is hout genoeg en de grond is van niemand zodat ze een voordelig bestaan dachten te hebben gevonden, maar het gekapte hout is bijna niet af te voeren. Voor ons is dat anders. Een van de uitgangen van ons gangenstelsel ligt hier vlakbij. Maar wij verraden liever niet de ligging van onze deuren en daarom kappen we nu eens hier en dan weer daar en altijd zo dat de kapplaatsen niet opvallen. We hebben ook niet zoveel hout nodig en wat we nodig hebben hoeft meestal alleen maar naar beneden. Ons huis staat er al.” Hij stampte met zijn voet op de planken vloer van de hut om aan te geven dat zijn huis zich daaronder bevond en glimlachte.
- “Heb je ook benzine voor mijn motor meegenomen?,” vroeg Gorre.
Gerlof keek haar aan.
- “Je bedoelt die vloeistof die zo vreselijk stinkt? We hebben een biervaatje schoongemaakt en het daarin laten gieten. Het staat buiten tegen de hut.”
Gorre keek opgelucht en liep naar buiten.
- “Jullie moeten ”s nachts uitkijken,” zei Gerlof toen ze weg was. “Het lijkt hier een paradijs, maar laat je niet misleiden.”
Hij draaide zich om en liep de deur uit.
- “Morgenochtend kom ik weer langs met nieuwe instructies van Alberon,” zei hij in de deuropening, waarna hij groette en verdween.

Er was iets dat Mayer belette in slaap te vallen. Hij lag in het bovenste bed. Rondom de hut was de nacht gevallen. Ze hadden nog een tijdje zitten praten, Gorre en hij. De geluiden van het houthakken en daarna van bosdieren die na de kap tevoorschijn waren gekomen, waren verstomd. Toen het begon te schemeren had Gorre de olielamp aangestoken. Ze hadden een stuk van het brood gegeten dat smaakte als alle broden, al kwam dit waarschijnlijk uit een Dwergse bakkerij. Ze hadden kaas, worst en zelfs boter gevonden.
- “Maken ze dit zelf?,” vroeg Mayer.
- “Ik weet het niet,” zei Gorre.
Ze wist het niet of wilde niet laten zien wat ze wist.
- “Wat deed je nu met mijn hand? Ik bedoel – hoe kon je die zo snel genezen?”
Ze glimlachte afwezig zonder antwoord te geven. Het was een vraag die anderen die ze had genezen ook aan haar hadden gesteld. Meestal leidde dat tot lange gesprekken vol ongeloof en scepsis die de vraagstellers geen bevredigend antwoord opleverden en haar geen plezier deden. De vage contouren van haar moeder en voorouders in vrouwelijke lijn die allen dezelfde gaven hadden bezeten, keken haar waarschuwend van achter Mayer aan die tegenover haar aan de tafel had gezeten. Dit mocht een vriendelijke geestelijke lijken, maar hij vertegenwoordigde een kerk die in het verleden voortreffelijke genezeressen als heksen naar de brandstapel hadden gevoerd.
Mayer had het erbij gelaten. Er leek een scherm tussen hem en de mythische wereld te staan dat hem vergunde er een blik op te werpen en er zelfs een niet onbelangrijke rol in te spelen, zonder er deel van te mogen uitmaken. De bemiddeling van Alberon had hen minder schuw voor hem gemaakt, maar ook niet meer dan dat.
Hij lag te luisteren naar de geluiden die uit het bos kwamen. Hij herkende de kreet van een nachtvogel. Iets, misschien een muis niet ver van hun hut, had angstig gepiept voordat het zweeg. De eindeloze cyclus van eten en gegeten worden ging gewoon door. Hij had gesnuffel en gekrab aan de palen van hun hut gehoord. Maar dat was niet wat hem wakker hield.
“Wijk niet voor het kwaad, maar treed het dapper tegemoet.” De zin bleef door zijn hoofd spelen. Niets wees op de aanwezigheid van enig kwaad. Toch hadden de monniken die de regel in de altaarsteen hadden uitgehakt daarvoor een reden gehad. Het was ze niet goed gegaan, maar daarvoor waren andere oorzaken geweest. Ontberingen, geen eten, geen opbrengsten van het land waren rampzalige omstandigheden, maar waren niet het kwaad. En wat betekende de waarschuwing van Gerlof dat ze ”s nachts moesten uitkijken en zich niet moesten laten misleiden? Hij had hem meer moeten vragen, maar de Dwerg was te snel verdwenen. Hij zou dat morgen doen als Gerlof terug zou komen om te vertellen hoe ze verder zouden gaan. Met die gedachte was Mayer eindelijk in slaap gesukkeld. Hij werd met een schok wakker. Iets had hem gewekt – een geluid, dacht hij. Hij luisterde scherp. Uit het bed onder hem kwam de rustige ademhaling van Gorre. Verder hoorde hij niets. Dat zou geruststellend moeten zijn, maar toch was het dat niet. De stilte droeg een nauwelijks merkbare geladenheid. Angst? – vroeg hij zich af. Hij zag zichzelf in dit bed in deze nietige boshut liggen midden in de uitgestrekte verlatenheid, beschermd door niet meer dan een paar planken en een wrakkige deur. Of was het onbekendheid? Hij was bijna weer in slaap gevallen toen hij bedacht wat er vreemd was: het feit dat hij helemaal niets hoorde. Geen vogel, geen dier, niets. Er heerste een onnatuurlijke stilte alsof de natuur haar adem inhield. Er liep even een rilling over zijn rug. Dieren zijn stil als ze zich bedreigd voelen. Hij bleef luisteren, maar behalve dat de dieren zwegen hoorde hij niets dat zijn argwaan kon wekken.
- “Boeoerrroemm.”
Hij schoot opnieuw wakker. Een geluid als een verre rollende donder dat uit de richting van de kom leek te komen. Een steenlawine? Dat kon niet. Hij had geen losliggende stenen op de hellingen gezien die een lawine konden veroorzaken. Het had eerder dierlijk geklonken. De bronsroep van een hert? Als dorpsbewoner kende hij wel niet elke stem die het bos voortbracht, maar de paringsroep van mannetjesherten had hij vaak vanuit de heuvels gehoord en had anders geklonken dan wat hij hier hoorde. Verder was het stil om hem heen, beangstigend maar tegelijk een teken dat er geen direct gevaar was.
- “Boeoerrroemm, boeoerrroemm.”
Hij was weer ingesluimerd, maar nu onmiddellijk wakker. Het geluid kwam uit de richting van het klooster en had geklonken als een koor van zware stemmen. Het klonk dreigend als een stam in het oerwoud. Wat kon dat zijn? Ondanks de angst die de onheilspellende zang in hem opriep, voelde hij een merkwaardige aantrekking. Een macht die hem riep. Een macht die hem door zijn angstwekkendheid afstootte en door zijn aanwezigheid uitdaagde. Was dit de macht die de muis in de klauwen van de kat dreef? Of was dit het kwaad dat tastend langs de bergen gleed? Een tijdloos kwaad dat eeuwen geleden de monniken uit hun klooster had verjaagd?

“Wijk niet voor het kwaad, maar treed het dapper tegemoet.”

De zin bonsde door zijn hoofd. Was het mogelijk dat in de sereniteit van deze plaats in de aanschijn van de hemel een kwaad huisde? Hij was geen held en hij zocht in zijn brein naar de heilige die hij nu voor bijstand kon aanroepen.

Tegelijk bedacht hij dat de motor van Gorre nog steeds bij de kloosterruine stond. Als ze hier ooit wilden wegkomen waren ze van het ding afhankelijk.Toen ze met Gerlof meeliepen, hadden ze gedacht dat de motor geen enkel gevaar liep, maar met iets dat als een koor klonk was dat niet zeker. Hij moest hem halen; het ding was te belangrijk voor hen.
- “Boeoerrroemm, boeoerrroemm, gonda boeoerrroemm.”
De zang had het ritme van een dans aangenomen. Om Gorre niet te wekken verrees hij behoedzaam uit zijn bed, stootte zijn hoofd tegen de zoldering en klauterde omlaag. Hij schoot zijn kleren aan en opende zo stil mogelijk de piepende en klemmende deur. Buiten de hut klonk de zang luider. Het was koud, donker en mistig. Er was bewolking gekomen die om de berg hing. Dat verklaarde natuurlijk die stilte, dacht hij. Hij kon vrijwel niets zien, behalve de toppen van de bomen die zwart afstaken tegen een lichter deel van de hemel dat de richting aangaf waar de maan moest staan. Hij liep tastend naar waar hij wist dat hij het pad kon vinden. Takken kraakten onder zijn schoenen. Hij viel bijna over de stapels met stammetjes langs het pad en ging de kant uit van de kom met de ruines van het klooster.
- “Gonda boeoerrroemm, gonda boeoerrroemm.”
De zang en de onmiskenbare beklemming leken dichterbij te komen. Mayer tastte naar het kruis dat aan een ketting om zijn hals hing. De aanraking gaf hem kracht. Iets in hem zei hem om te keren. Maar tegelijk bedacht hij dat met de nadering van de stemmen het gevaar voor de motor ook steeds groter werd. Hij moest er naartoe en dus liep hij door. Was het die motor, was het nieuwsgierigheid of was het iets anders dat hem zijn angst deed overwinnen en hem die kant uitdreef. Het pad was steiler dan hem had geleken toen ze omlaag gingen. Vaag schemerde het einde van bos door de nevel heen. Het verlichte hemeldeel lag boven de kom in het verlengde van het pad. De weg naar het licht, dacht hij hijgend. Hij vroeg zich af hoe hij straks de hut kon terugvinden.
- “Gonda boeoerrroemm, gonda boeoerrroemm, gonda boeoerrroemm.”
Het pad steeg niet meer dus hij moest boven zijn. Het gezang was hier luider. Hij probeerde door de donkere nevel heen te turen. Zag hij een schaduw? Zijn angst nam steeds grotere vormen aan. Hij deed nog een paar onzeker stappen in de richting waar hij dacht dat de kloosterruine en de motor moesten zijn. Het gonda boeroem klonk nu vlakbij. Het was een ijselijk geluid met donkere bassen. Opeens zag hij niet een, maar meer schaduwen uit de mist voor zich opdoemen. Het waren opgerichte gedaanten, maar groter dan een mens. Mijn God, dacht Mayer. Hij verstijfde van schrik. De schaduwen kwamen op hem toe. Toen ze dichterbij hem kwamen zag hij dat in hun inktzwarte omtrekken gele ogen opgloeiden. De angst walmde mee met een nevel van donkerte, dieper dan de nacht, die hun gestalten met elkaar verbond en hen vooraf ging. Mayer wankelde achteruit van het pad af. Hij dacht dat ze op hem afkwamen omdat hij in hun weg stond, maar toen hij achterwaarts het pad afstapte, struikelend over een steen, merkte hij dat de schaduwen hem volgden. Ze waren nu vlakbij hem. Het gonda boeroem werd hem bijna in het gezicht geworpen. De gele ogen priemden uit inktzwarte gezichten waarin geen tekening meer te zien was. Het waren er vele.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken