Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

De Berenkloof

Gurd ging als gebruikelijk voorop. Ze liepen onder een hoge rotswand door die zich als een reusachtige stoeprand kilometers lang door het landschap kronkelde. De stoeprand was de zijkant van een groot krijtplateau dat, alsof ze nog niet hoog genoeg waren, loodrecht uit de heuvels oprees. De door verweerde randen lichtten wit op in het zonlicht dat fel onder een dreigend indigoblauw wolkendek op het plateau gluurde. Links van hen rees de krijtwand steil omhoog, rechts dook de helling naar beneden. Verderop, waar de stoeprand hun als een ontzagwekkende muur van honderden meters hoogte de weg versperde, was het plateau als door een reusachtige bijlslag gespleten en was een smalle kloof ontstaan die bijna vanaf de de wolken tot aan de voet van de rotswand liep. De wanden vielen bijna loodrecht naar beneden. Het zonlicht zette alles voor de ingang, bomen, struiken en blikkerende rotspartijen, in een schijnsel dat tegen de naar zwart neigende donkerblauwe achtergrond van de lucht een bijna surrealistische intensiteit kreeg. Een dode struik ter halverhoogte van de zwarte monding van de kloof stak zijn bladerloze, wit-oplichtende takken als een graaiende vleesloze hand naar de overzijde.
Gurd hield in en snoof. Hij snoof de lucht op die hen door de kloof tegemoet woei. Hij voelde de elektrische spanning die zich in de wolkenlagen boven hun hoofd had opgebouwd.
- “We krijgen onweer,” zei hij tegen de anderen die om hem heen waren komen staan.
Het was een overbodige opmerking, niet alleen omdat de anderen de naderende weersomslag eveneens hadden gevoeld, maar ook omdat op datzelfde moment de bliksem zich in een fantastische, sidderende spanningsboog tussen hemel en aarde ontlaadde, bijna onmiddellijk gevolg door een harde donderslag die aangaf dat het onweer vrijwel recht boven hun hoofd hing. Het begon meteen te regenen in grote striemende stralen die met luid geraas op de bladeren van de bomen en op de aarde sloegen.
De wolven zochten dekking in een holte aan de onderzijde van de steile rotswand waarlangs het regenwater naar beneden stortte en een gordijn van water en opspattende druppels vormde. Ze schudden hun vacht uit en keken gelaten naar het natuurgeweld. Maar even snel als het begonnen was, hield de regen weer op.
- “Ok,” zei Gurd, “verder maar weer.”
Hij ging het nadruppelende gordijn door, achtervolgd door de anderen, en liep onder de wand door in de richting van de kloof die door de laagstaande zon als een donkere schaduw voor hem lag. Hij voelde dat er nog meer onweer aankwam. In de kloof zou waarschijnlijk minder regen en meer beschutting zijn. Zijn richtingsgevoel vertelde hem bovendien dat hij door de kloof moest om aan de andere kant van het plateau te komen dat hem de weg versperde. Er was zover hij kon zien geen enkele andere doorgang of iets dat daar op leek en om het plateau heen lopen moest een grote omweg betekenen. Hij kon vanaf de hoge plaats waarop hij stond het einde van het plateau niet zien. Maar er was iets dat hem weerhield de kloof binnen te gaan en argwanend maakte. Wat dat was, wist hij niet. Het was niet de donkerte van de kloof die helemaal in de schaduw lag. Geen reukflard van een zwarte wolf was hem door de opening tegemoet gewaaid. De elektrische spanning die nog steeds in de lucht hing en het hoger in de bergen aanhoudend deed rommelen, verstoorde de zintuigen die hem voor gevaar waarschuwden en maakte het hem onmogelijk de dreiging thuis te brengen. Of misschien was het wel het onweer zelf dat hem behoedzaam maakte, dacht Gurd. Alle levende wezens, zelfs mensen, nemen zich in acht voor de bliksem en zoeken beschutting, en dat was dan ook precies wat hij in de kloof wilde doen. Het laatste stuk tot aan de engte was boomloos. Puin dat van het plateau was gevallen had de begroeiingen aan de voet weggeslagen en een stenige laag gevormd die elke nieuwe ontkieming van plant of boom onmogelijk had gemaakt. Gurd voelde zich onbeschermd en keek bezorgd naar de lucht, maar de vogels die hij zag en die in hun vlucht zilverachtig tegen de donkere hemel waren afgetekend, leken hem geen verspieders toe.
Er ontlaadde zich opnieuw een bui met een heftigheid die de vorige nog overtrof. De druppels waren ijskoud en werden afgewisseld door grote hagelstenen. De bui voerde ook een stormachtige wind met zich die de neerslag nog striemender maakte. Als Gurd nog twijfelde, maakte deze regenval daaraan een eind. Ze renden de nauwe opening binnen op het moment waarop ook het onweer opnieuw losbarstte. Toen Loeban als laatste de engte binnenliep, sloeg de bliksem met een donderende slag in op de rand van het plateau hoog boven de ingang. Terwijl de slag oorverdovend weerkaatste tussen de wanden van de kloof, hoorden de wolven ook het luide geraas van vallend gesteente dat tuimelend en stuitend tegen de rotswand van het plateau naar beneden kwam en met doffe dreunen op de bodem voor de ingang van de kloof terechtkwam.
- “Weg,” riep Gurd, die met een paar sprongen onder de rotswand stond. Ook de anderen vlogen naar de beschutting die ze daar verwachtten. Maar net als Gurd kwamen ze er achter dat de wand hier aan de onderzijde niet gewelfd was en ze dus niet beschermd waren tegen naar beneden vallend puin en de ongenadige regen. De bliksem sloeg weer ergens boven hen in en veroorzaakte een nieuwe stortbui van steenslag en keien die vlak bij hen op de grond neerkwamen in een orgie van echoënd gedonder en geraas. Het leek wel alsof zij de bliksem aantrokken. Zoveel mogelijk tegen de rand gedrukt liepen ze in een rij achter Gurd aan die voortrende op zoek naar een plaats waar ze konden schuilen. “Overkant,” schreeuwde Lasja en hij stak met een paar sprongen de kloof over waar hij in de rotswand een donkere nis had gezien die hen bescherming kon bieden. “Hier,” brulde hij boven het lawaai uit. Gurd hoorde hem, draaide zich om en sprong, achtervolgd door de rest, ook naar de overkant.
De nis die Lasja had gevonden was niet erg groot en ondiep, maar kon hen allemaal onderdak bieden. Ze stonden dicht bij elkaar en zeiden niets terwijl buiten de nis het natuurgeweld zich tot ongekende heftigheid ontwikkelde. Bliksems geselden met een oorverdovend lawaai de rand van het plateau boven hen en veroorzaakten een aanhoudende regen van brokstukken die op de bodem van de kloof neerkwamen. Regen en hagel wisselden elkaar af en probeerden elkaar in heftigheid te overtreffen. Door de kloof raasde een merkwaardige storm die de neerslag nu de ene en dan weer een andere kant uitblies. Af en toe vlaagden regen en hagel hun nis binnen en moesten ze zich tegen de achterkant drukken om niet nog natter te worden.
- “We hebben een troost. Als het zo heftig is, kan het nooit lang duren.” Gurd moest schreeuwen om zich hoorbaar te maken boven het geluid van storm, regen en de inslagen van brokstukken.
- “Het is anders al een tijdje bezig,” schreeuwde Malin.
- “Ik hoop niet dat de doorgang verderop versperd raakt,” zei Gurd.
- “Misschien is het daar niet zo erg als hier,” zei Loeban.
Ze staarden weer door de neergutsende regen naar de kloof. Het inslaan van de bliksem hield aan, evenals het neerstorten van puin. Ze hoorden dieper in de kloof de doffe geluiden die erop wezen dat ook daar de bliksem flink huishield en puin uit de rand van het plateau wegsloeg om het naar beneden te doen storten. Regen en hagel bleven de kloof ongenadig geselen.
Opeens hoorden ze een bulderend geraas maar konden niet zien wat de herkomst was.
- “Het lijkt wel het geluid van een aardverschuiving,” zei Gurd.
Hij was bang dat blikseminslagen stukken grond en rots uit de kalkwand hadden losgeslagen net zo lang tot een grote rotsmassa geen ondersteuning meer had, naar beneden was gegleden en in een keer de doorgang had versperd.
De bliksem lichtte regelmatig hun ogen op. Ze keken mistroostig voor zich uit. De wervelende storm blies regenflarden de nis in.
- “Ik heb dit nog nooit meegemaakt,” zei Loeban
- “Ik ook niet,” zei Gurd, “en iets zegt mij dat dit niet gewoon is.”
- “Wat bedoel je daarmee?,” vroeg Malin.
Gurd keek even nadenkend voor zich uit.
- “Ik bedoel dat het lijkt alsof hier iets achter zit. Iets dat ons hier wil kwaad doen, vasthouden, ombrengen.”
- “Dat gevoel had ik toen we deze kloof naderden,” zei Malin, “zo'n gevoel dat we hier niet doorheen moesten gaan.”
- “Ja, ik ook,” zei Lasja.
- “Ik had ook zo'n gevoel,” zei Gurd, “en ik houd daar ook altijd rekening mee. Alleen nu dacht ik dat mijn argwaan door het naderende onweer kwam. Bovendien zou ik zo een-twee-drie niet hebben geweten welke omweg we hadden moeten maken als we de kloof niet hadden genomen. ”
- “Maar wat zou dat kunnen zijn? Werra kan toch geen onweer op ons afsturen?,” vroeg Loeban.
- “Ik weet niet wat hij kan en wat niet. Je weet ook niet of hij erin is geslaagd er anderen bij te halen die dat wel kunnen,” zei Gurd. “Maar laten we blij zijn dat alles wat hij op ons afstuurt, niet op Rufa terechtkomt.”
Het onweer, de inslagen, ijsregens en keerstormen bleven doorgaan. Het gedonder van aardverschuivingen die op de bodem van de kloof neerkwamen herhaalde zich nog een aantal malen. Starend naar de grond buiten de nis waarin ze schuilden, konden ze aan de afgeronde gepolijste stenen zien dat ze door een oude beekbedding liepen. Er had vroeger blijkbaar een riviertje gelopen die de kloof in het plateau had uitgesleten. Het was al laat in de middag toen het weer enigszins opklaarde en het weerlichten en bliksemen wat verminderde. Langs de wanden stortte nog steeds water naar beneden dat zich hogerop en op de plateaus had verzameld.
- “We moeten hier zo snel mogelijk weg,” zei Gurd.
Hij was bang dat ze in de smalle kloof opgesloten zouden raken door het puin dat van de bergen afkwam en de aardverschuivingen. Hij liep behoedzaam naar het midden van de kloof en wenkte de anderen toen hij merkte dat de steenslag zo ver was afgenomen dat hij niet het gevaar liep door een rotsblok te worden getroffen. Ze gingen achter Gurd aan die dieper de kloof inliep op zoek naar het andere uiteinde. De met ronde kiezelstenen bedekte rivierbedding was bezaaid met scherpgepunte grote en kleine rotsblokken die hen het lopen bemoeilijkten. Ze moesten goed uitkijken waar ze hun poten neerzetten en tegelijk de hemel in de gaten houden waaruit nog steeds van alles naar beneden viel.
Een stuk voorbij hun nis maakte de kloof een bocht naar rechts en daar wachtte hen een verrassing. Alsof een reuzenspade een deel van het krijtplateau in zijn geheel had opgenomen en in de kloof gesmeten zo verrees temidden van een enorme berg brokstukken en puin de krijtwand die het ravijn van zijkant tot zijkant afsloot.
Ze keken er met stomme verbazing naar. Iedereen begreep dat ze daar nooit overheen zouden kunnen komen
- “Dat was dat geluid,” zei Gurd, doelend op het lawaai dat hij aan een aardverschuiving had toegeschreven. Zijn gevoel had er niet ver naast gezeten. Met een ruk draaide hij zich om.
- “Terug naar de ingang. Snel!”
Ze begrepen meteen wat hij bedoelde, draaiden zich allemaal om en renden zo goed en zo kwaad als de bodem dat toestond de kloof in tegenovergestelde richting door. Laerke, die het dichtst bij de bocht had gestaan, was de eerste die om de hoek kon kijken. De wolven die achter haar kwamen zagen haar geschokt inhouden. Een ogenblik later zagen ze waarom: ook die uitgang was door een enorme aardverschuiving afgesloten. Ze zaten gevangen.

“Dit kan geen toeval zijn,” zei Gurd terwijl hij zijn ogen over deze nieuwe barricade liet glijden. Net als aan het andere uiteinde van de kloof verrees er uit de brokstukken een vrijwel loodrechte wand die de doorgang volledig afsloot. Aan het plateau hoog boven hen was te zien dat een deel naar beneden was gekomen en zich in het ravijn had gestort. De kalklagen waren bij het neerkomen gekanteld en afgebroken en vulden de kloof als een torenhoge rij scheefgezakte boeken met venijnig scherpe witte punten. De kalklagen waren uit het binnenste van het plateau afkomstig en nog niet aangetast door erosie waardoor de punten verblindend wit waren. De afsluiting was volkomen, de onbeklimbaarheid evenzeer.
Ze draaiden zich om en liepen verslagen terug naar de versperring aan de andere kant die er niet minder ontmoedigend uitzag maar het meest in de richting van het doel lag, hoe onbereikbaar dat ook opeens was geworden. Ze vroegen zich af wat ze nu moesten gaan doen. Het noodweer was voorbij. In plaats daarvan was er een beduusde stilte ingetreden zoals altijd in de natuur als die zich van zijn slechtste kant heeft laten zien. De wind was gaan liggen, geschrokken misschien van wat het aangevoerde weer had aangericht. Vogels leken met zingen en fluiten te zijn gestopt om met hun kraalogen de nieuwe samensing van de aarde te bekijken. Het neervallen van rotsblokken van de gehavende wanden was ook opgehouden op een enkel stuk steen na dat uit de verse happen in het plateau naar beneden kwam stuiteren, opvallend lawaaiig in de nieuwe stilte. Uit de verse diepe wonden die in de zijwand van het plateau waren ontstaan kwam hen de onmiskenbare grondlucht van het binnenste van de aarde tegemoet, een geur van bedorven lucht die te lang opgesloten heeft gezeten, van humus uit de bovenste aardlaag vermengd met die van opgeschud stof en zand, losgescheurde kalk en de licht-zurige damp van ozon en blikseminslag.
Ze zeiden niets. Een verlaat rotsblok kwam stuiterend en rollend van het plateau naar beneden.
- “Daar!,” riep Lasja opeens.
De anderen keken hem aan en volgden zijn ogen die strak op een punt waren gericht. Boven op de versperring, nietig in vergelijking met de kolossale rotspartij maar groot genoeg om zichtbaar te zijn in de ondergaande zon, was een zwarte gedaante verschenen. Het leek alsof hij op een rotsblok zat en naar hen keek. Ze voelden zijn blik.
- “Wat is dat?,” vroeg Laerke huiverend.
- “Ik weet het niet,” antwoordde Gurd terwijl hij snuivend naar de gedaante bleef kijken. “Het lijkt wel een mens.”
- “Het leeft,” zei Loeban, “hij beweegt.”
De anderen zagen ook dat de gestalte bewoog. Hij stond op. Het was inderdaad een mens, zagen ze, gekleed in een zwarte mantel. Ze voelden allen een huivering door zich heen gaan.
- “Een engerd,” zei Malin.
De gestalte ging aan de rand van de versperring staan en keek naar hen. Tenminste, ze konden zijn ogen niet zien maar zich niet voorstellen dat hij naar iets anders keek dan naar hen. De rest van de kloof was een troosteloze aanblik van neergevallen puin waar hier en daar een struik of een tak uitstak en waartussen plassen met regenwater stonden. Toen zei hij iets. Uit zijn mond kwam een geluid dat zich via de wanden van de kloof naar hen toebewoog en van alle kanten op hen toekwam. Misschien ontleende het daaraan zijn ijselijk donkere klank die de wolven door merg en been voelden gaan.
- “Wat zegt hij?,” vroeg Loeban.
- “Ik heb geen idee,” antwoordde Malin huiverend terwijl ze strak naar de zwarte gedaante keek. De afstand en de weerkaatsing door de wanden maakten de boodschap onverstaanbaar. Ook de anderen konden de woorden niet ontcijferen. Maar het leek alsof alles dat bij hem vandaan kwam, zowel zijn aanblik als zijn stem, vergezeld ging van een onverklaanbare angstwekkendheid. Elk voelde de behoefte om voor het geluid van zijn stem weg te kruipen, maar bedwong die en ging dichter bij de anderen staan.
Opnieuw sprak de zwarte gedaante. De klanken waren ongeveer gelijk aan de eerste keer, minstens zo onheilspellend en onbegrijpelijk donker en even onverstaanbaar. Alleen was de stem, die ontdaan geleken had van enige emotie, nu ongeduldiger of bozer.
- “Hij wordt kwaad,” zei Gurd.
- “Ik geloof dat hij zoiets als “ketting” zegt,” zei Laerke.
- “Hij maakt er een gebaar bij,” zei Lasja.
Ze keken nog eens goed naar de zwarte en zagen dat hij met zijn rechterhand voor zijn borst langs een gebaar maakte.
- “Misschien heb je gelijk en bedoelt hij inderdaad “ketting”,” zei Gurd.
Opeens veranderde de beweging van de zwarte gedaante. Het leek alsof hij zijn handen ophief en daarna zegenend naar hen uitstrekte. Maar voordat ze goed en wel doorhadden wat hij werkelijk deed, schoot uit de toppen van zijn hand een lichtflits die vlakbij hen in de grond sloeg en stukken rots en kiezel deed uiteenspatten. Ze schoten allen een andere kant uit en doken ergens achter weg. Van achter een grote steen keek Loeban naar de zwarte. Deze hief opnieuw zijn handen op waarna een tweede lichtflits uit zijn vingertoppen schoot en insloeg in een steen verderop in de richting van de versperring waarachter Laerke lag. Loeban zag dat de steen nauwelijks dekking bood en dat Laerke vanaf de plaats waar de zwarte stond open en bloot te zien moest zijn. De flits kwam met een luide knal vlak achter haar terecht en strooide een wolk van steensplinters over haar heen. Ze piepte van angst en kroop dichter tegen de steen aan, weg van de vorige inslag.
- “Laerke,” schreeuwde Loeban die zelf achter een groot rotsblok was gekropen, “kom hierheen. Hij kan je zien.”
Maar Laerke was als versteend en reageerde niet. Ze had haar kop plat op de grond gelegd met haar oren in haar nek en hield haar ogen gesloten.
Een derde knetterende inslag trof de steen waarachter ze lag en spleet die in twee delen die opvallend langzaam uit elkaar rolden. Laerke dook nog dieper inelkaar. Ze was nu volledig onbeschermd voor de flitsen van de zwarte duivel die over de versperring liep naar een plaats waar vandaan hij haar nog beter kon raken. Dat gaf Loeban tijd om op te springen, op volle snelheid naar haar toe te rennen en haar in haar nekvel te pakken.
- “Weg hier,” siste hij haar toe, terwijl hij aan haar begon te trekken. De wolvin trilde terwijl haar ogen groot waren van angst.
De zwarte had Loeban in de gaten gekregen en vuurde verwoed lichtflitsen op hem af die aan weerszijden uiteen spatten. In het toenemende duister zagen de anderen dat hij zijn handen telkens ophief en weer naar voren bracht waarna zijn vingertoppen opnieuw oplichtten en een lichtstreep in de richting van Loeban en Laerke trok. Tussen de fonteinen van flitsen en steenspinters trok Loeban Laerke overeind en sleurde haar mee in de richting van zijn eigen rotsblok. Gelukkig reageerde ze enigszins toen hij haar op haar poten had gezet, maar door een dichtbij inslaande flits dook ze weer ineen. Opnieuw greep Loeban haar vast en sleurde haar mee tot achter de steen waar ze voorlopig in veiligheid waren. De zwarte liet woedend nog een paar flitsen tegen het rotsblok exploderen maar dat was te massief om daarvan veel schade op te lopen. Hij mocht dan wel over duivelse vaardigheden beschikken, het weer kunnen beïnvloeden, aardverschuivingen veroorzaken en dodelijke lichtflitsen uit zijn vingertoppen verzenden – Loeban twijfelde er inmiddels niet meer aan dat deze verschijning ook de veroorzaker van het noodweer en de afsluitingen was geweest - maar zijn trefzekerheid was gelukkig niet erg magisch gebleken. Toverkracht kende gelukkig ook zijn beperkingen.
- “Ben je gewond?,” vroeg Loeban aan Laerke.
- “Mijn poot,” hijgde ze.
Loeban zag dat er wat bloed aan haar flank zat, maar het leek hem geen grote wond. Hij keek om zich heen. Gurd en Malin lagen links van hem achter een steen en rechts had Lasja dekking achter een rotsblok gevonden. Vervolgens gluurde hij om een rand van de steen naar de zwarte gedaante op de versperring. Deze stond nog op dezelfde plaats als daarvoor en begon net toen Loeban keek opnieuw tegen hen te spreken met de aartsdiepe intonatie van een stem die uit het binnenste van de aarde leek te komen. Evenals de voorgaande keren was zijn boodschap zo goed als onverstaanbaar. Nu dacht Loeban ook het woord “ketting” te horen.
Ook Gurd bekeek de zwarte. Hij had de actie van Loeban gezien. Hij was zelf opgesprongen toen hij het gevaar zag waarin Laerke verkeerde, maar Loeban was veel dichterbij haar en Gurd was weer teruggekeerd naar zijn dekking naast Malin achter de steen. Hij overdacht wat hem stond te doen maar was daarmee snel klaar. Zo lang de zwarte op de versperring stond, konden zij geen vin verroeren zonder aan zijn flitsen te worden blootgesteld. Dat met die flitsen niet viel te spotten hadden de rotssplinters en de gebarsten steen van Laerke bewezen en hij zou niet blijven missen. Hun enige kans school in de duisternis die inmiddels bezit van de bodem van de kloof had genomen en in de hoop dat de zwarte in het donker niet zoveel zou kunnen zien. Maar Gurd, die net als Loeban ervan was overtuigd dat de zwarte de veroorzaker van al hun ellende van die namiddag was geweest en dat hij dus een soort magiër moest zijn die het weer en de aardlagen bestuurde, twijfelde er nauwelijks aan dat hij voor zoiets simpels als het duister ook wel een oplossing had. Wat Gurd bovendien zorgen baarde was het feit dat de zwarte maar van zijn versperring op het plateau hoefde stappen om hen vanaf de zijkanten met zijn flitsen te kunnen bestoken. Ze zaten muurvast.

Op dat moment hoorden ze achter zich opnieuw gerommel van rotsblokken, afgewisseld door een gegrom. Een flink rotsblok stuiterde naar beneden alsof het werd weggooid en kwam voor Laerke tot stilstand. Een stapel puin vlak bij hen, maar een paar meter boven de bodem, begon te bewegen, meer stenen rolden naar beneden, er klonk enig gegrom en toen verrees uit het puin, bedekt door een laag kalksplinters de bruine kop van een beer die bezig was zich een weg uit de berg te banen. Met brede armzwaaien duwde hij de rotsblokken weg die hem de gang naar buiten beletten. Lasja, die het dichtst bij hem was en dacht dat hij in zijn rug werd aangevallen, verliet de dekking van zijn rotsblok en stoof luid grommend en met blikkerende tanden op hem af maar op het moment dat de jonge wolf hem bereikte, had de beer zich net geheel bevrijd en was overeind gerezen, zodat hij alleen nog een nonchalante beweging met zijn voorpoot hoefde te maken om Lasja een paar meter in tegenovergestelde richting door de lucht te laten vliegen en met een smak op de ongelijke grond te laten belanden. Hij keek hem nauwelijks na, besteedde evenmin aandacht aan de andere wolven die zich strijdvaardige hadden opgesteld, schudde zijn kop zodat de kalk in het rond vloog en sloeg wat steengruis van zijn vacht. Pas toen hij voor zijn eigen gevoel enigszins ordentelijk was keek hij naar de wolven en vervolgens naar de pas opgeworpen barricade waarop de zwarte gestalte stond.
- “Hé, Pak, ben je weer aan het donderjagen?”
Een stem als een rommelende donder was uit de keel van de beer gekomen en was niet gericht tegen de wolven, maar tegen de zwarte gedaante op de versperring. De wolven keken vanachter hun stenen naar boven. De zwarte stond er nog steeds.
- “Nu ophouden met die bevinkjes en flitsjes. Je hebt ons hol potdorie zowat dichtgegooid. Haal liever de Smikkel terug ...”
De bas die uit de immense buik van de beer leek te komen, deed bijna pijn aan hun oren.
- “... met visjes.”
De wolven verwachtten elk moment een lichtflits in de richting van de beer te zien gaan, maar dat gebeurde niet. Alsof de zwarte al weg was en een lichtflits hem niet kon deren, richtte de beer zich vervolgens tot hen. Ze konden zien dat de aarde een gigant had gebaard. Zijn lichaamslengte was zowat drie meter. Zijn kleur was bruin. Op zijn kop prijkten twee kleine ronde harige oren. De snuit van zijn neus was grijzig en liep uit in een snuivende zwarte dop. Zijn nek ging over in een massieve schouderpartij, gevolgd door een niet minder massief achterlichaam. Aan weerszijden gingen zijn schouders over in zware voorpoten die uitmondden in klauwen.
- “Met wie heb ik het genoegen?”
Ze keken hem aan, misschien nog meer geschokt door zijn onverschilligheid tegenover de zwarte dan door het feit dat hij een vervaarlijke beer was. Zijn kalme houding wekte niet de indruk dat hij hen zou attaqueren, al wist je dat met beren nooit. Maar zelfs Lasja”s ietwat onbesuisde aanval had hem niet van zijn stuk kunnen brengen. Evenmin leek de beer bang voor hen te zijn, al zouden de vijf volwassen wolven zelfs voor een beer van zijn formaat een flinke kluif zijn. Gurd die ondertussen ook op de zwarte lette, wist niet wat hij moest antwoorden. Zijn kop bewoog heen en weer tussen de versperring en de beer.
- “Maak je geen zorgen over die ouwe zuurpruim daarboven,” zei hij. “Die is zo zoetjes aan uitgepierd. De heeft geen greintje fut meer. Allemaal opgestookt met z'n flitsjes.”
Het klonk gerustsend zoals het hele optreden van de beer dat was. Maar nog geruststelleender vond Gurd het feit dat de zwarte opeens was verdwenen. Hij kwam achter zijn rotsblok vandaan. De anderen volgden zijn voorbeeld.
- “Wij zijn wolven ...,” begon hij.
- “Dat zie ik, há, há. Wolfjes. Wat énig,” brulde de beer. Vervolgens kwam er een dreigende uitdrukking op zijn grijzige snuit en kwam de donder terug in zijn stem toen hij vervolgde:
- “En wat komen jullie hier doen, als ik vragen mag?”
Sommige vragen lijken een verzoek om informatie maar zijn dat niet, dacht Gurd. Toch besloot hij een poging te wagen.
- “Ik ben Gurd en dit zijn mijn kinderen. Wij zijn op reis maar werden door het onweer overvallen. Toen we hier schuilden vonden er een paar aardverschuivingen plaats waardoor we zijn opgesloten. We kunnen niet meer verder en we kunnen niet terug.”
De beer keek hem aan.
- “Dus als Pak niet was gaan donderjagen waren jullie gewoon doorgelopen?,” vroeg hij toen.
Gurd en de andere wolven knikten. De beer bevestigde wat ze al dachten, namelijk dat de zwarte, die blijkbaar Pak heette, niet alleen de flitsen maar ook het noodweer met zijn aardverschuivingen op zijn geweten had.
- “Waar zijn jullie dan naartoe onderweg?,” vroeg de beer.
- “We zijn op weg naar de tingboom,” vertelde Gurd.
- “De wàt?,” vroeg de beer.
- “De tingboom. Daar vindt een grote vergadering van wolven plaats.”
Er krulde zich een lach om de mond van de beer.
- “Há, há, há. Jullie zijn dus geen vraatzuchtige monsters maar vijf vreedzame congresgangertjes? Há, há, há.” De beer brulde van het lachen. “Die is goed.” Zijn gebulder echode tegen de rotswanden en tegen de versperring.
- “Wie is Pak?,” vroeg Gurd toen de beer enigszins was bedaard.
De beer keek hem aan.
- “Weet je niet wie Pak is?,” vroeg hij.
- “Nee.”
- “Pak is Paktar, de berggeest. Heel af en toe laat hij nog iets van zich horen. Zoals vandaag. Vroeger liep hier een rivier, de Smikkel, met visjes. Mijn broertjes en ik gingen er graag eten. Stonden we met z'n drieën in het water en dan mepten we elkaar de visjes toe.” De beer deed voor hoe hij met zijn klauw een vis uit het water schepte en nakeek terwijl die met een boog verderop terechtkwam. “Maar Pak kon niet tegen ons gelach en heeft hem in een sjagrijnige bui ergens hoog in de bergen omgeleid. Het is een zuur ettertje, die Pak, maar je kunt 'm niet te pakken krijgen, hè. 't Is een geest. En nu heeft hij de kloof dichtgegooid en bovendien de ingang van ons hol laten instorten.”
Een geest, dacht Gurd, geen wonder.
- “Weet u hoe we hier weer uit kunnen komen?,” vroeg Malin.
- “Klimmen. Of kunnen jullie dat niet?”
- “We kunnen prima klimmen,” zei Gurd, “maar hier komen we niet overheen. Te steil, te los. Die Paktar heeft het flink voor ons verziekt. Dat was waarschijnlijk ook precies zijn bedoeling.”
- “Waarom zou dat zijn bedoeling zijn?,” vroeg de beer.
- “Ik denk dat Paktar er belang bij heeft dat wij de tingboom niet bereiken,” zei Gurd.
- “En waaruit zou zijn belang kunnen bestaan?,” vroeg de beer.
Gurd overlegde in zichzelf of hij de beer in vertrouwen zou nemen of niet. Er was een kans dat de beer een Werra-aanhanger was. De beren waren misschien wel de grootste slachtoffers van de mensen geweest. Aan de andere kant wisten ze daardoor beter dan wie ook dat ze niet met hem in zee moesten gaan. Deze beer leek niet iemand die zich de wet zou laten voorschrijven.
- “Kent u Alberon?,” vroeg Gurd.
- “Alberon?,” vroeg de beer verrast, “nou en of. Ik heb hem al een tijdje niet gezien, maar vroeger kwam hij regelmatig op visite. Zijn jullie vrienden van Alberon?”
De wolven knikten.
- “Kom dan binnen in ons huis. Wees welkom. Mijn naam is Socrates. Ik zal jullie aan mijn broers voorstellen. Misschien is er zelfs wat te eten, als je tenminste van rode bessen houdt, hà, hà, hà. Kom binnen en vertel van Alberon. En ja ...,” hij knikte in de richting van Malin, “ ...er is nog een andere route. Geen gemakkelijke misschien, maar hij bestaat. Kom. Ik zal jullie voorgaan, anders worden mijn broertjes misschien nerveus.”
Socrates ging ze voor naar het gat waar hij zoëven uitgeklommen was. De wolven sloten zich achter hem aan.
- “Sorry, knul,” zei Socrates tegen Lasja, “'t was niet persoonlijk.”
- “Hoe zo, 't was niet persoonlijk,” gromde Lasja, “er vloog er maar eentje door de lucht en dat was ik.”
Ze liepen een gang door en kwamen al snel in een grote ruimte waar nog twee beren verbleven. Ze waren minstens zo groot als Socrates en lagen gerieflijk op de zandige grond. Tussen hen in lagen stapels takken, er lag het kadaver van een ree en in hoek lagen honingraten waarboven een wolkje bijen in de weer was. Maar het meest opmerkelijke was dat dit alles zichtbaar was door een comfortabel houtvuur dat in het midden brandde en dat met zijn schijnsel alles zichtbaar maakte.
- “Vrienden, dit zijn mijn broers Sof en Car. Stel je zelf even voor want ik ben vergeten jullie naar je namen te vragen. Broertjes, dit zijn vrienden van Alberon,” zei Socrates. “Ze hebben hun uiterlijk tegen zodat je geneigd bent te denken dat je elk moment kunt worden opgegeten, maar dat is een misverstand. Hà, hà, hà. Daar weten wij alles van want wij worden ook altijd op ons uiterlijk en dus verkeerd beoordeeld, nietwaar. Dit zijn vriendelijke en zachtaardige wolfjes op weg naar de jaarlijkse vergadering van vegetariërs bij de tingboom, waar dat ook moge wezen. Maar Pak heeft ze lopen plagen en de kloof dichtgegooid, waardoor ze niet meer verder kunnen.”
De wolven vertelden wie ze waren.
- “Welkom,” zei Sof die een zo mogelijk nog donderender stemgeluid produceerde dan Socrates. “Ga ergens zitten of liggen en neem een hapje ree als je trek hebt. Je mag ook bessen of honing nemen, als je daarvan houdt. Maar pas op bij de honing. Car hier ...,” hij wees op zijn broer, “... heeft namelijk niet alleen de honing, maar ook meteen het hele bijenvolk meegenomen. Dus het is een drukte van belang daar boven die raten.”
- “Ik dacht: als we straks allemaal liggen te slapen en we krijgen trek in honing, dan hoef we alleen maar een poot uit te steken,” zei Car, “en als de honing op is, zorgen zij weer voor nieuwe.”
- “Hoe moeten ze honing maken zonder bloempjes?,” vroeg Sof.
- “Tja,” zei Car, “ik moet misschien nog wat bloempjes gaan halen. Kunnen we ze niet aan onze zwammen en paddestoelen laten wennen? Die hebben we verderop genoeg.”
- “We zijn ons aan het voorbereiden op onze winterslaap,” lichtte Socrates toe. “Hoewel we dik genoeg zijn om tot het volgende voorjaar zonder eten en drinken toe te kunnen, vindt Car het prettig iets bij de hand te hebben voor als hij toch honger krijgt. Een tussendoortje, zeg maar. Daarom sleept hij van alles mee naar binnen. Maar soms neemt hij iets te veel mee.”
- “Je had 'm moeten zien rennen met die zwerm nijdige bijen achter zich aan,” brulde Sof.
- “Goed,” zei Socrates toen ze allen een plek hadden gevonden, “Alberon is een goede vriend van ons. Vroeger kwam hij ons hier vaak bezoeken, al wonen we nog niet zo lang bijelkaar. Zoals jullie natuurlijk weten, zijn beren nogal opzichzelf en met ons was dat vroeger niet anders. We trokken er op uit, plukten een paar noten en af en toe een eekhoorn uit een boom, gingen achter de vrouwtjes aan, knokten wat met andere mannetjes en zochten ons een plek om slapend de winter door te komen. Een enerverend programma. Totdat Alberon naar me toe kwam en me vertelde dat Car problemen had met een stel weerwolven. Hij had Sofocles ook al gewaarschuwd.”
- “Sofocles?,” vroeg Gurd.
- “Ja, Sof hier is een verkorting van Sofocles en Car van Caramba. Caramba heette trouwens vroeger Sion, maar dat is een ander verhaal. Onze moeder wilde al onze namen met een “s” laten beginnen – ik durf er niet aan te denken wat daarvoor de reden is en of ze soms bij de “a” is begonnen. Het idee dat wij nog driekwart alfabet aan broertjes en zusjes hebben en dat de hele berenpopulatie uit de buurt, al die beren die ik heb gemept en berinnen die ik heb versierd incluis, naaste familie is, benauwt me enigszins. Ik wil niet onbewust de koning van de incest zijn en de veroorzaker van allerlei half-malle nakomelingen. Maar Alberon, dus, kwam me vertellen van Cars problemen en vroeg of ik hem wilde helpen. Ik kende Alberon toen nog niet. Ik lag net even in een najaarszonnetje wat te sluimeren toen er opeens een mensachtige gedaante opdook die vroeg of ik Socrates was. Ik keek hem even aan omdat je met mensen altijd goed moet uitkijken maar vond hem erg reukloos en ongevaarlijk voor een tweebener.
- “Die is dood,” zei ik toen en deed alsof ik verder ging met sluimeren. Ik kon niet weten dat zijn vraag helemaal geen vraag was omdat hij het antwoord al wist, maar een inleiding.
- “Dood? – Wat verdrietig,” zei hij.
- “Ach,” zei ik, “de dood is de genezing van het leven.”
- “Heb je hem gekend?,” vroeg hij.
- “Hoe kan iemand een ander kennen als hij zichzelf niet kent,” antwoordde ik. Ik had mijn regelmatige sluimeringen benut om over dergelijke levensvragen na te denken. “Overigens is onwetendheid geen reden om je naam niet te noemen.”
- “Ik ben Alberon, de elf,” zei hij toen lachend.
We zouden later nog heel wat af-filosoferen over de zin van het leven, alsof een definitief antwoord ook maar iets aan het leven zelf zou veranderen, hoewel zijn ellenlang bestaan tot een ander besef van leven leidt dan mijn onontkoombare eindigheid, maar voor dat moment waren Cars perikelen belangrijker. Alberon vertelde dat hij Sof al had gesproken en dat die onderweg was naar Car, zodat ik moeilijk kon weigeren. Een vraag om hulp is in de berenwereld ongebruikelijk. Je wordt als volwassen beer geacht je eigen boontjes te doppen. We hebben geen natuurlijke vijanden, dus de enigen die je problemen kunnen bezorgen zijn òf een andere beer òf – lach niet – een stel wolven. Met een andere beer moet je het zelf kunnen uitzoeken. Daar heb je geen familie voor nodig. Is die ander sterker, dan verkas je gewoon naar een plek waar je geen last meer van hem hebt. Er is ruimte en voedsel genoeg en overal zijn vrouwtjes te vinden. En als je de pech hebt tegen een wolvenpak aan te lopen, doe je hetzelfde. Maar weerwolven is iets anders. Het zijn schepsels die zich niet aan de regels houden en er plezier in scheppen om het anderen moeilijk te maken. In het geval van Car dachten ze met een solitaire beer te maken te hebben die ze wel konden wegtreiteren. Zuiver voor de lol, want in zijn domein waren ze niet geïnteresseerd. Car bewoonde toen al deze grot die eigenlijk ideaal is. De Smikkel stroomde hier nog en langs haar bedding vond je alles wat een beer zich maar kan wensen. Noten, bessen, beestjes, bijen, af en toe een berin en natuurlijk visjes. Dus Car wilde helemaal niet weg. Hij ging in de deur zitten terwijl buiten een stuk of vier weerwolven hem liepen te sarren en uit te schelden. Ze wisten zeker dat Car een keer in slaap zou vallen of zoveel honger krijgen dat hij zijn plaats aan de ingang zou moeten verlaten. Dat zou ook zijn gebeurd als Sof en ik niet waren gekomen. De arme Car zat te knikkebollen van de slaap. Maar toen wij er eenmaal waren was het snel gebeurd met de weerwolven.
We keken hier eens rond en het beviel ons wel. Omdat het gevaar dat de weerwolven zouden terugkomen niet denkbeeldig was, besloten we met Cars instemming te blijven. Het zou weldra winter zijn en de periode van grote rust stond voor de deur. Omdat weerwolven 's winters gewoon doorgaan en een slaperige Car geen partij voor ze zou zijn, was onze aanwezigheid welkom. Dat was natuurlijk tegen de regels, maar dat is het bestaan van weerwolven ook. Sindsdien is de situatie onveranderd gebleven. Elke keer als Car ons wil wegjagen vragen we hem hoe hij het in z'n eentje denkt klaar te spelen met die weerwolven, hoewel we die al in geen jaren meer hebben gezien, en dan mogen we weer blijven. Alberon, blij dat zijn bemoeienis tot een goede afloop voor Car had geleid, kwam ons hier nadien regelmatig opzoeken. Wij zijn hem als een vriend gaan beschouwen.”
- “Ik denk dat ik wel weet waarom jullie die weerwolven hier niet meer zien,” zei Gurd. “Kennen jullie het verhaal van Werra?”
Ze hadden van Alberon iets over Werra gehoord en begrepen dat de weerwolf een factor was die hem zorgen baarde. Maar dat was al weer enige tijd geleden en ze waren benieuwd naar de latere gebeurtenissen. Gurd vertelde wat hij wist.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken