Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Cyrillum

Hij had ze zien komen. Alberon de Edele, zoals hij werd genoemd, en andere Elfen. Grijze wolven, sommigen gewond van ontmoetingen met Kobolden. Een hijgende koerier van Saul die hem de weg naar het paleis had gevraagd. Grote groepen Dwergen van over de Endor met hun helmen, maliënkolders en strijdknotsen, die door de bewoners met gejuich waren onthaald. De heksen van de Heksenheuvel die een gewonde wolvin droegen. Patrouilles van Dwergen waren de stad in- en uitgegaan. Hij had ze allemaal gezien omdat hij de wachtcommandant van Cyrillum was en met zijn groep aan de poort van de stad iedereen bekeek en woog die de stad in wilde.
Aan de bovenaardse zijde was de toegang tot de stad een grote halfopen spelonk die aan een kant uitzag over het wijde dal van de Narwa en de Drent en die zich naar achteren toe tot een ruime gang versmalde, breed en hoog genoeg om twee wagens met paarden elkaar zonder hinderen te laten passeren. Na een paar honderd meter, waarop verschillende smalle zijgangen uitkwamen, volgde de poort. Vlak voor de poort was de gang verbreed om het opstellen van karren mogelijk te maken die wachtten om toegang tot de stad te verkrijgen.
Het was een machtige poort die Kardolus en zijn groep bewaakten en die stamde uit de tijd van koning Krimm. Na de overval door de Kobolden van Gnomer en de slag van de Houwelen, eeuwen geleden, had Krimm de oude poort laten vervangen door deze monumentale toegang die uit het kalksteen van de rots was gehakt. De nieuwe poort, die niet door een deur maar door een reusachtig hekwerk was afgesloten om ventilatie van de erachter gelegen stadsgrot mogelijk te maken, werd geflankeerd door twee rondelen die aan de bovenzijde door een kantelengalerij waren verbonden. In de rondelen bevonden zich de wachtlokalen. Achter de hoofdpoort lag een tweede poort die net als de eerste was afgesloten door een zwaar hekwerk dat uit het plafond kon worden neergelaten. Het kozijn werd gevormd door diepe groeven in de muren en in de bodem. Door het beroemde smeedwerk van de Dwergen moest dit een onpasseerbare afsluiting zijn. In deze tijd van spanningen waren beide hekwerken neergelaten en kregen voetgangers toegang langs de kleine hekken die in de grote waren aangebracht.
De poort was de enige toegang tot het grottencomplex van Cyrillum. Krimm had alle andere onderaardse toegangswegen gebarricadeerd en omgeleid naar de toegangsweg die naar de hoofdpoort leidde. Wie door de stad liep zag wel allerlei zijgrotten, zoals die welke naar de winplaatsen voor ertsen en mineralen gingen, maar die waren doodlopend. Alleen de onderaardse rivier de Cyre, die het grottenstelsel geduldig stromend in duizenden jaren had uitgesleten, beschikte over een ingang en een uitgang, maar beide lagen meestal onder het wateroppervlak en waren net als de hoofdpoort aan de stadszijde met zware hekwerken beveiligd.

Kardolus hield van Cyrillum. De huizen van de bewoners waren in galerijen in de rotsen uitgehakt of op de tamelijk vlakke bodem van de grot uit kalksteen opgetrokken. Daardoor waren straten ontstaan. Welvarende Dwergen hadden veel aandacht aan de gevels van hun woningen besteed waardoor de galerijen en straten een levendige aanblik boden. In de tijden van voorspoed die de stad had gekend was zij versierd met beeldhouwwerken en met fonteinen die door de Cyre werden gevoed. Er waren grote bouwwerken verrezen zoals het koninklijk paleis, de muziektempel en het Gebouw van de Mijnwerkers. Maar het mooiste en meest imposante bouwwerk was de Grote Toren die op de Markt in het midden van de grote stadsgrot stond. De vierkante toren was zo hoog dat hij boven de hoogste galerij uitsteeg zodat het leek alsof hij alle niveau's van de stad verbond. Bovendien accentueerde de toren de reusachtige omvang van de stadsgrot waarvan het koepelvormige dak nog eens ruimschoots boven de torenspits uitsteeg. De toren, die in vijf geledingen was opgetrokken, was gekroond met een ronde bol. Onder de bol bevonden zich de vier wijzerplaten met de gouden wijzers van het uurwerk, een in elke windrichting. De meest verrassende finesse die de bouwmeester echter had aangebracht was de plaats van de beiaard van de toren. Deze bevond zich precies in het hart van de stadsgrot. Als de klokken werden geluid of het carillon bespeeld, werden de klanken talloze malen weerkaatst door de wanden voordat zij de bewoners op de galerijen en de grond bereikten. Het bespelen van de zevenenveertig klokken vereiste een bijzondere behendigheid van de beiaardier maar had een weergaloos spel van klanken en echo's tot gevolg dat tot ver buiten de grot was te horen.
Maar een ding was bijna zo mooi, vond Kardolus. Dat waren de gewone avonden als de stad en de galerijen verlicht waren door duizenden lichtjes van toortsen en olielampen die uit de woningen en de caféetjes schenen en als langs de wanden van hoog tot laag de feestdruis klonk van Dwergen die altijd wel iets te vieren hadden. Niemand vermoedde achter de baardige en bij daglicht door de zon altijd gefronste gezichten zoveel goedlachsheid en levenslust. Hun bulderend gelach werd even vaak weerkaatst als het gebeier van de klokken. Net als de Kobolden hadden ze hun eigen bier dat ze inspireerde tot hun karakteristieke hurkdans. Daar waren ze erg goed in al was het tevens een blijk van zelfspot want geen dans accentueerde hun korte benen zo zeer als uitgerekend een hurkdans (hoewel je natuurlijk mens moest zijn om hun benen kort te vinden).
- “Je gaat niet gauw dood,” zei een snerpende stem tegen Kardolus die 's avonds laat door de stad liep op weg naar zijn huis. Het was Helfride, de waarzegster. Ze hoorde bij Cyrillum, net zoals de Grote Toren en de lichtjes. Ze sliep nooit. Vroeger was ze een mooie Dwergin geweest, begeerd door menig Dwerg, maar ze wuifde hun attenties weg. Haar hart lag bij de muziek. Ze was een virtuoze luitspeelster. Het leek alsof het symfonieorkest nog helderder en geestdriftiger speelde als Helfride van de partij was. Binnen Cyrillum kon zij haar talenten echter niet verder ontwikkelen en daarom was ze op zekere dag vertrokken. Boze tongen beweerden dat ze was meegetroond door zigeuners die soms de stad binnenkwamen om hun waren te verkopen en hun kunsten te laten zien. Misschien konden de elfen of de mensen haar meer leren. Niemand hoorde van haar totdat zij tientallen jaren later aan de poort verscheen, berooid en haveloos en zonder haar luit. Haar mooie gezicht was ontsierd door de trekken van innig leed en het leek alsof ook haar verstand daaronder had geleden. Ze wilde niet zeggen wat haar in al die tijd was overkomen en vroeg alleen een plek om te wonen. Die kreeg zij omdat iedereen hoopte dat weldra haar luit weer in de stad zou klinken, maar ze raakte het instrument niet meer aan. In plaats daarvan ging ze aan de rand van de grote markt zitten en voorspelde iedereen de toekomst. Maar omdat haar voorspellingen over het algemeen nogal onduidelijk en deprimerend waren, ging de aardigheid voor de Dwergen er gauw vanaf.
Zo was ook deze voorspelling, bedacht Kardolus. Wat moest je daar nu weer mee: je gaat niet gauw dood. Zou hij eerder dan gauw doodgaan of juist veel later? Helfriede deed vaak dit soort dubbelzinnige uitspraken om de Dwergen te verlokken haar om een blik in hun toekomst te vragen.

Van deze stad was Kardolus nu de baas. Tell had hem voor het vertrek van het Dwergenleger verteld dat hij niet verwachtte dat de Kobolden de stad zouden aanvallen omdat Werra zijn bondgenoten nodig had, maar had hem opgedragen om als ze toch zouden opdagen de stad ten koste van alles te verdedigen. Daarvoor had hij hem een paar extra-soldaten boven zijn kleine poortwachtcommando ter beschikking gesteld. Daarna was Tell vertrokken, achter de wolven en zijn eigen leger aan. Na hun vertrek was er een beduusde stilte over de stad gevallen. Vrouwen en kinderen waren bedrukt door het vertrek van vrijwel alle mannen en door het besef dat het menens was. Het straatbeeld dat voor het vertrek was verlevendigd door de aanwezigheid van veel vreemdelingen, was opeens verlaten. Het symfonieorkest zou niet in de Muziektempel spelen omdat de muzikanten waren opgeroepen voor de krijgsdienst. De beiaardier was evenmin achtergebleven. Het carillon van de Grote Toren zweeg toen de soldaten afmarcheerden.
Kardolus had zijn legertje bekeken. Tell had zijn beste soldaten meegenomen en achtergelaten wat hij kon missen. Gelukkig had Tell zijn poortcompagnie ongemoeid gelaten en zodat Kardolus ook nog een paar bekwame soldaten had. Hij verdeelde de nieuwe in twee groepen waarvan hij de ene aan de buitenkant en de andere aan de binnenkant van de stad liet patrouilleren.
- “Luister goed of je achter de wanden geklop hoort. Jullie kennen het verhaal van Constantinus?”
De soldaten hadden geknikt.
- “Dan weten jullie dat ze toen de stad zijn binnengedrongen door een gang uit te hakken. Dat kunnen ze weer doen.”
Het was een geluk dat het werk in de mijnen stillag door het vertrek van de mijnwerkers zodat kloppende Kobolden goed te horen zouden zijn. De buitenpatrouille gaf hij opdracht de omgeving van de spelonk te verkennen die vanuit het dal van de Drent toegang tot de stad gaf en op de zijwegen te letten die op de gang uitkwamen die naar de poort leidde. Ook hen drukte hij op het hart te luisteren naar het geklop van houwelen die konden verraden dat de Kobolden ergens bezig waren gangen uit te hakken om de stad binnen te komen.

Midden in de nacht werd Kardolus wakker. Een van zijn soldaten stond aan zijn arm te trekken.
- “Alarm. Er zijn Kobolden in de stad.”
Kardolus was meteen wakker en schoot overeind. Terwijl hij zijn maliënkolder aantrok en zijn helm en wapens pakte, vertelde de soldaat hem dat de stadspatrouille aan de andere zijde van de stad, in de grot van de mijnen, op Kobolden was gestuit en dat op hetzelfde moment een paar man van de buitenpatrouille waren teruggekomen met het bericht dat er ook buiten de stad grote aantallen Kobolden in aantocht waren om de poort te bestormen.
De grot van de mijnen – hoe konden ze daar zijn gekomen? De Kobolden waren dus al in de stad en ze vielen tegelijkertijd van buiten aan.
- “Ga naar de toren en luid de alarmklok!,” zei Kardolus.
De alarmklok zou de totale bevolking alarmeren. Wie wapens kon dragen zou ze opnemen en vrouwen en kinderen zouden naar de vluchtgrot gaan, een zijgrot die door zijn nauwe toegang de beste kans op verdediging bood. In de grot waren levensmiddelen opgeslagen.
Kardolus rende door de straten naar de poort. In de verte, uit de richting van de mijnen aan de nadere kant van de stad, klonk het onmiskenbare geluid van wapengekletter en het onverstaanbare geroep van mannen. Een hondje kwam uit een klein steegje tevoorschijn en holde speels blaffend door de lege straten achter hem aan. Bij de poort trof hij Rudolf, de ondercommandant.
- “De Kobolden komen van twee kanten,” riep Rudolf hem toe.
Boven de stad galmde de eerste bronzen slag van de alarmklok.
- “Zijn de hekken gesloten?,” vroeg Kardolus.
- “Een deel van de buitenpatrouille is nog buiten,” zei Rudolf.
- “Hoe is het daarmee?”
- “Ze zijn overvallen. Een paar wisten te ontkomen. Ze zijn in het wachtlokaal.”
- “Goed. Hier al Kobolden gezien?”
- “Nee, maar ze kunnen elk ogenblik hier zijn.”
- “Dan moet je nu de deuren in de hekken sluiten en de sluitbalken aanbrengen. Als je te lang wacht kunnen ze door het hek iedereen neerschieten die dat later probeert te doen.”
Rudolf knikte. Hij begreep dat als er nog mannen van de buitenpatrouille terugkeerden, die de stad niet meer in zouden kunnen. Ze zouden moeten worden opgeofferd.
- “Je kunt niet het risico nemen dat de Kobolden achter de laatsten aan de stad inkomen,” zei Kardolus die aan hetzelfde dacht als Rudolf.
- “Enig idee hoe de situatie bij de mijnen is?,” vroeg Kardolus.
- “Nee. Ik heb alleen geluiden en geroep gehoord en toen iemand naar jou toegestuurd.”
- “Goed. Ik neem tien man mee en ga er naartoe. Waarschuw me als de Kobolden voor de poort staan. Sluit het hek, nu.”

Ze renden naar de achterkant van de stadsgrot waar Kardolus het geluid van een gevecht had gehoord. De alarmklok galmde nog steeds. Er waren overal lichten ontstoken. Enkele bewoners waren de straat opgegaan. Het hondje dat Kardolus op de heenweg was achternagerend en ergens was kwijtgeraakt, had hem en zijn groep weer opgepikt en rende blaffend met ze mee. Ze kwamen in de grot met de mijnen. Ook dit was een grote grot, al was deze kleiner dan de stadsgrot. De mijningangen bevonden zich gedeeltelijk in de wanden en in de bodem. Er brandden enkele lampen die diepe schaduwen opwierpen van de paar bouwwerken die er stonden voor de opslag van delfstoffen en gereedschappen. Wat ze ook beschenen waren touwen die uit het plafond hingen en in het schijnsel van de lampen bleek oplichtten. Aan de touwen hingen donkere, bewegende schaduwen die monsterachtig vergroot op de wanden werden geprojecteerd. Kardolus zag dat de schaduwen naar beneden gleden. De schoorstenen! De schoorstenen waren kanalen die ooit door regenwater waren ontstaan. Ze liepen door het plafond en de rots daarboven, mondden uit in de buitenlucht en zorgden voor frisse lucht. Ze waren een toevallige natuurlijke omstandigheid die de bewoonbaarheid van het grottenstelsel mogelijk had gemaakt. De Dwergen hadden de kanalen aan de buitenkant, de beboste heuvelzijde, niet afgesloten omdat een afsluiting alleen maar de aandacht op het bestaan van de kanalen zou vestigen en elke afsluiting makkelijk en onopgemerkt ongedaan kon worden gemaakt. Bovendien werd het als onmogelijk beschouwd om langs deze kanalen de grot binnen te dringen. Ze waren grillig gevormd, vaak zo nauw dat er niemand doorheen kon en als dat al zou lukken, dan zou de stakker hulpeloos aan het plafond bungelen, minstens tachtig meter boven de bodem van de grot, met als enige uitweg een nog moeizamer terugtocht langs dezelfde route tenzij hij een dodelijk val verkoos. Zelfs voor Dwergen was dit een onmogelijke opgave en daarom waren de kanalen ook aan de binnenzijde van de grot niet afgesloten.
De Kobolden moesten van het bestaan van de kanalen op de hoogte zijn geweest en een manier hebben gevonden om de hindernissen te passeren. Waarschijnlijk hadden ze toch onopgemerkt kunnen hakken en zo de doorgang kunnen verruimen. Kardolus vloekte binnensmonds. Hoeveel touwen hingen er? Hij telde er drie maar kon niet zien of er in de duistere delen van de grot meer waren. Aan de meeste touwen hingen drie of vier Kobolden tussen het plafond en de bodem. Er konden er dus al heel wat zijn afgedaald in de tijd die was verlopen sinds het moment waarop ze waren ontdekt. Vijftig, honderd misschien? Zijn stadspatrouille omvatte twintig soldaten maar hoeveel er nog over waren, wist hij niet. Hij hoorde aan de geluiden dat er nog werd gevochten.
- “Kors!,” riep Kardolus, maar hij kreeg geen antwoord. De patrouilleleider was misschien al gevallen.
Hij gaf zijn mannen opdracht de doorgang naar de stad te bewaken en zond een boodschapper naar Rudolf om versterking.
- “Zeg erbij dat een vijand in de stad gevaarlijker is dan een buiten. Dan snapt 'ie 't wel. Laat hem alle weerbare burgers hierheen sturen.”
Zelf rende hij de grot van de mijnen in. Hij zag bewegende schaduwen. Hij kon aan de bewegingen zien dat het dwergen waren die hun knotsen rondzwaaiden en aan de geluiden kon hij horen dat ze soms iets raakten. Stemmen riepen “Koboldia” – triomferend of aanmoedigend. Er lagen ook schaduwen op de grond.
- “Dwergen – hierheen,” riep hij.
Een pijl vloog langs hem. Tien, twintig man kwamen op hem af. Maar het waren niet alleen Dwergen die zich vechtend terugtrokken. Hun tegenstanders kwamen met hen mee. Hij telde een stuk of zeven van zijn eigen soldaten. Zeven – waar was de rest? Vanuit andere schaduwen kwamen ook gestalten tevoorschijn. Meer pijlen vlogen zijn kant uit. Hij moest oppassen dat hij niet met de patrouille werd ingesloten en zijn mannen aan de doorgang naar de stadsgrot niet meer zou kunnen bereiken.
- “Terugtrekken. Bij de doorgang is versterking.”
Een Kobold met een zwaard sprong “Koboldia” roepend op hem toe. Kardolus hief zijn strijdknots op en sloeg hem neer. Voor het eerst bracht hij deze handeling, die ze honderden malen hadden geoefend, in praktijk. Hij voelde de weerstand van de knots toen die zijn tegenstander tegen de helm raakte, zag hem min of meer tot zijn verbazing ineenzakken en volgde hem met zijn ogen op weg naar de vloer. Daardoor miste hij bijna de tweede Kobold die op hem afkwam. Hij ving hem op op de punt van zijn knots die de Kobold in de maagstreek trof. Het opgeheven zwaard schampte langs zijn met maliën beschermde schouder. De Kobold wankelde achteruit. Daardoor kreeg Kardolus tijd om om zich heen te zien. Zijn soldaten stonden inmiddels op een lijn naast hem en verweerden zich tegen een overmacht aan Kobolden. Sommigen gebruikten hun strijdknots, anderen hadden hun zwaard getrokken waarmee ze zich wild zwaaiend de tegenstanders van het lijf probeerden te houden die van alle kanten op ze toe toekwamen. Gelukkig voorkwam dat dat andere Kobolden hun pijlen op de Dwergen konden afschieten omdat ze anders hun eigen mensen zouden raken.
-“Bij elkaar blijven en terug naar de doorgang,” riep Kardolus.
Ze weken langzaam ruggelings terug totdat de mannen bij de doorgang zich bij hen konden aansluiten. Ondertussen zag Kardolus dat er nog steeds een gestadige regen van Kobolden langs de touwen uit het plafond neerdaalde. Terwijl hij de steken van een Kobold pareerde, bedacht hij dat hij boogschutters nodig had die de touwen zouden kunnen stukschieten of de Kobolden als ganzen uit de lucht halen. Als het er niet teveel werden zouden ze hier op de grond met de mannen die ze hadden de klus wel klaren.
- “Rudolf achter je.”
Hij hoorde de vertrouwde stem en keek om. Rudolf had minstens dertig man meegenomen, zodat het grootste deel van de poortcompagnie nu hier was. Achter Rudolf doemde de door de alarmklok opgetrommelde groep weerbare burgers op die zich met allerlei wapentuig hadden omhangen. Kardolus maakte zich los uit het gevecht dat door Rudolf werd overgenomen en liep naar de burgers. Een snelle blik vertelde hem hem dat het begrip weerbaar nogal betrekkelijk was.
- “Zijn er boogschutters onder jullie?,” vroeg hij.
Een stuk of zeven mannen en een oudere vrouw staken hun hand op. Ze hadden inderdaad pijlen en bogen bij zich.
- “Wij gaan nu de tegenaanval inzetten. Jullie trekken achter ons langs en proberen zoveel mogelijk touwen door te schieten. De anderen…,” hij wees op de rest van de groep burgers, “… gaan mee om jullie te beschermen tegen Kobolden die al geland zijn en die wij nog niet te pakken hebben gehad. Duidelijk?”
Ze knikten. Kardolus bedacht dat ze waarschijnlijk geen flauw idee hadden waar de Kobolden vandaan kwamen.
- “De Kobolden komen namelijk uit de schoorstenen.”
Hij keerde terug naar de soldaten die in gevecht waren gewikkeld. Door de versterkingen van Rudolf konden ze stand houden en de Kobolden zelfs terugdrijven. Kardolus sprong naast Rudolf naar voren.
- “Aanvallen,” riep hij. “Weg met Koboldia.”
De andere Dwergen namen de kreet over.
- ”Weg met Koboldia.”
Ze dreven de Kobolden terug. De zware strijdknotsen waren in de handen van de krachtige en geoefende Dwergen formidabele wapens waartegen de korte zwaarden van de Kobolden niet waren opgewassen. De groep Kobolden die de afdaling moest maken, had geen langere wapens kunnen meenemen. Alleen door met meer Kobolden tegelijk een Dwerg aan te vallen konden ze hem beletten zijn strijdknots breed uit te zwaaien en hem dwingen deze alleen voor zijn eigen verdediging te gebruiken. Kardolus zag dat achter de rug van zijn mannen de burgercompagnie de grot introk op zoek naar de touwen waarlangs nog steeds Kobolden naar beneden kwamen.
- “Koboldia!”
- “Weg met Koboldia!”
Op het moment waarop de Dwergen de situatie onder controle dachten te krijgen, werd Kardolus op de schouder getikt. Achter hem stond een soldaat van de poortcompagnie, nog hijgend van het rennen.
- “Kom snel. De Kobolden zijn er.”
Hij begreep dat het om de poort ging. Kardolus trok zich opnieuw uit het gevecht terug en rende achter de soldaat de stad door naar de poort. Op de straten en de galerijen waren nu veel meer mensen. De alarmklok was gestopt. Hij hoopte dat de soldaat die hem had gewekt en de klok had geluid naar de poort was gegaan waar ze hem hard nodig zouden hebben.
Toen hij de poort naderde dacht hij eerst dat de toegangweg was verdwenen. Dat kon niet. Dichter bij gekomen zag hij in het licht van de toortsen die aan de voorzijde van de poort hingen en de toegansgweg verlichtten dat de tunnel was versperd door een houten schot dat vrijwel dezelfde vorm en afmetingen had als de doorgang. Het schot onttrok de Kobolden die erachter liepen aan het zicht en bood bescherming tegen de pijlen van de verdedigers. De Kobolden droegen fakkels. Zo ver hij in de tunnel kon kijken zien, zag hij hun licht op de wanden weerkaatsten. Het waren er veel, erg veel. Dit moest voor de Kobolden de grote dag van de wraak worden. In het schot, waaruit talloze pijlen staken en dat zo”n twintig meter bij het hekwerk vandaan stond, waren schietgaten aangebracht. Door een uitsparing in het midden van het schot liep een strak gespannen ijzeren ketting met zware schakels naar een haak die om een spijl van het poorthek was geslagen. Tussen het schot en het hek lag een aantal door pijlen gevelde Kobolden die de haak om het hek hadden geslagen en dat duur hadden moeten bekopen. Zijn eigen soldaten stonden in de kantelengalerij boven de poort en beschoten iedereen die de poort probeerde te naderen, maar hadden niet kunnen voorkomen dat de ketting aan het hek was vastgemaakt. Het lichaam van een van Kardolus eigen soldaten, dat aan de stadszijde van het hek lag, gaf aan dat pogingen om vanbinnen uit de haak weer los te maken hadden gefaald. Kardolus wendde zijn gezicht in afschuw af. De aanblik van al die dode Kobolden was minder erg dan het zien van het lichaam van een van zijn eigen strijdmakkers.
Op het moment waarop Kardolus arriveerde heerste er een gespannen rust. Alleen vanachter het schot kwamen geluiden die erop duiden dat vijand iets aan het voorbereiden was. Kardolus rende langs de trap achter wachtlokaal naar boven, naar de kantelengalerij. Zijn soldaten keken gespannen van achter de uitgehakte tanden van de borstwering naar het houten gevaarte en konden niet anders doen dan afwachten wat de vijand zou gaan doen. Hij liep op Marke toe, een oude veteraan die de leiding had.
- “Ze waren er opeens,” zei Marke, “met dat grote ding. Ze schoven het voetje voor voetje naar ons toe. We konden ze nergens raken en dat ding kwam steeds dichter bij. Totdat ze stopten en die Kobolden er achter vandaan kwamen om een haak vast te maken. Toen konden we er een heel stel neerschieten. Ik heb Paridon naar beneden gestuurd om de haak weer los te maken, maar die kregen zij te pakken. Ze schieten vanuit die sleuven. Ze hebben ook trommels. Die maken een kolereherrie.”
- “We moeten dat schot in brand schieten,” zei Kardolus. “Heb je brandpijlen?”
- “Moeten we maken,” zei Marke. “D'r is vast wel iemand met olie.”
- “De mijnwerkers gebruiken olie voor hun lampen.”
Marke draaide zich om en gaf een soldaat opdracht olie te halen.
- “We hebben zelf ook zoiets als een schot nodig om bij die haak te kunnen komen. Hij moet los. Laat de tafel uit het wachtlokaal halen,” zei Kardolus.
Op dat moment begonnen de trommels weer. Er ging een dreigend geluid vanuit, vond Kardolus, het geluid van een aanstaande catastrofe. Het effect werd nog versterkt door de tunnel die het geluid hun kant opstuwde. Ze waren, akoestisch gezien, al volledig door de vijand overlopen. Boven het geluid van de trommels uit hoorden ze een luid gehinnk en het stampen van hoeven op de kalkgrond.
- “Wat is dat?”, vroeg Marke.
- “Paarden,” zei Kardolus. Hij dacht even na. “Ze zetten paarden aan die ketting en trekken het hek eruit. Ik weet niet of het daar tegen kan. We moeten snel zijn met die brandpijlen. Paarden zijn bang voor vuur.”
De Kobolden hadden het goed voorbereid, dacht Kardolus. Aanvallen van twee kanten, een beweegbaar houten schot dat precies in de gang paste, soldaten die aan touwen uit de schoorstenen kwamen zakken die ze hadden kunnen verruimen zonder dat de Dwergen dat merkten, trommels die hun eigen soldaten opzweepten en de tegenstander demoraliseerden, paarden en wie weet wat ze nog meer hadden bedacht.
- “Blijf hier,” zei hij tegen Marke, “ik ga kijken wat we kunnen doen.”
Hij rende de trap weer af. Op de ruimte achter de poort stond een aantal Dwergen. De meesten waren ouderen. Sommigen droegen wapens. Een nagekomen pluk weerbaren, dacht Kardolus.
- “Boogschutters?,” vroeg hij aan de wachtenden.
Een stuk of vijf burgers kwamen naar voren. Ze droegen bogen en hadden pijlenkokers op hun rug. Een dwerg kwam naar voren en zei dat hij boogschutter was geweest maar geen boog had.
- “Daar weet ik wel iets op,” zei Kardolus. Hij rende naar het arsenaal van de poortcompagnie dat zich achter het wachtlokaal bevond, opende de deur en kwam naar buiten met bogen en pijlenkokers.
- “Zijn er soms meer?,” vroeg hij.
Er kwamen er nog paar naar voren.
- “Pak pijlen en bogen. Er liggen ook maliënkolders, helmen, zwaarden, bijlen, knotsen. Bewapen je zo goed mogelijk en stel je in een een halve cirkel achter het hek op. Iedereen die niet kan vechten – zorg voor olie, doeken en een toorts. Snel!”
Er renden er een paar weg. Kardolus wendde zich tot een jongen.
- “Ga naar Rudolf in de grot van de mijnen en zeg hem dat ik wil weten hoe het gaat. Iedereen die hij kan missen moet hier naartoe komen.”
Hij wenkte een paar man die er stevig en vitaal uitzagen.
- “Help me met de tafel maar doe eerst zo'n ijzeren jasje aan.” Hij wees op de maliënkolders. Toen ze dat hadden aangetrokken ging hij ze voor het wachtlokaal in. Ze sleepten de tafel naar de deur in het eerste hek. Kardolus lichtte een zware houten sluitbalk op waarna een van de mannen de deur in het hek kon openen. De anderen staken de tafel op zijn zijkant door de opening. Het ging vlug en verbazend eensgezind, vond Kardolus, maar op dat moment kwam de reactie van de Kobolden die begrepen wat ze van plan waren of alleen maar schoten omdat ze op alles schoten dat ze zagen. Pijlen vlogen vanuit de schietgaten in het schot hun kant uit. Ze gebruikten kruisbogen, zag Kardolus. Hun maliënkolders waren niet bestand tegen de venijnige kleine schichten die met grote kracht en van dichtbij werden afgeschoten. Gelukkig was het nadeel van kruisbogen dat ze niet snel opnieuw gespannen konden worden waardoor de schutters geen pijlenregen konden onderhouden. Een van de Dwergen werd in zijn arm getroffen maar zette toch door. Ze hadden de gekantelde tafel door het hek gemanoeuvreerd en twee dwergen schoven deze, liggend op hun buik en onder dekking van het tafelblad, in de richting van het eerste hek. Kardolus zag dat de pijlen van de kruisbogen wit oplichtende splinters uit de achterkant van het tafelblad schoten, maar het niet doorboorden.

Het geluid van de trommels zwol weer aan. Het moment waarop de Dwergen met de tafel de ruimte tussen de hekken hadden overbrugd en een zijn hand uitstrekte naar de haak, klonk van achter het schot de scherpe knal van een zweepslag, gevolgd door een gehinnik en het gestamp van hoeven. Het houten schot werd enigszins opgetild en de zware ketting werd met een ruk strakgetrokken. De hele poort trilde. Het hek werd met een schok tegen zijn sponningen aangetrokken. De zware spijlen verzetten zich kreunend en weerstonden de kracht waarmee van de andere kant werd getrokken. Achter het schot knalde de zweep opnieuw, er klonk weer luid gehinnik en ze konden horen dat de paarden nog meer aanzetten. Het hek knarste, er sprong een geklonken verbinding open, maar het bleef standhouden tegen de ontzettende kracht die de opgezweepte paarden ontwikkelden.
Ondanks de tegenstand die het hek bood, begreep Kardolus dat het niet veel langer stand zou kunnen houden. Er zouden meer klinken springen en uiteindelijk zou een spijl het begeven. Waar bleef die olie?
Een boodschapper van Rudolf berichtte hem dat de Dwergen daar nog steeds zwaar in gevecht waren met de binnengedrongen Kobolden. De burgerwacht was er in geslaagd een touw kapot te schieten en een ander zodanig te beschadigen dat de Kobolden het nauwelijks nog konden gebruiken, maar ze hadden het aantal soldaten dat langs het overgebleven touw naar beneden kwam weten op te voeren. Rudolf kon het gevecht winnen als hij geen Dwergen aan de poort hoefde af te staan.
- “Zeg hem dat hij moet opschieten,” zei Kardolus tegen de boodschapper.
Kunnen die trommels niet ophouden? – vroeg hij zich af. Een nieuwe gehinnik en een nieuw dreun die het hele poortgebouw deed daveren maakte duidelijk dat de paarden na een ogenblik rust opnieuw hun krachten op het weerspannige hek loslieten. Er sprongen meer klinken open. De smeden die het hek hadden gemaakt hadden vooral gerekend op een aanval met stormrammen en rammeien in de richting van de stad, niet op een vijand die het hek van de stad af zou proberen weg te trekken. Het was eigenlijk nog een wonder dat het hek het zo lang had uitgehouden.
Op dat moment maakte een geraas, gevolgd door een luid gejuich duidelijk dat de paarden het hek hadden stukgetrokken. Kardolus zag dat een deel van het hekwerk was losgescheurd en een ruime opening was ontstaan. Een paar Kobolden kwamen “Koboldia!' schreeuwend achter het schot vandaan. Ze werden met pijlen ontvangen die de Dwergen vanaf de kantelengalerij op ze afschoten. Sommigen werden geraakt, anderen bereikten rennend het hek, gingen door de opening om er achter te komen dat er een paar meter verder nog een hek was en werden daar opgevangen door de burgers die achter het tweede hek stonden opgesteld en hun pijlen er doorheen schoten. De Dwergen die achter de tafel hadden gelegen, waren voor hun leven terug naar het laatste hek gerend, waar Kardolus ze had binnengelaten. Hij liet de sluitbalk terug op zijn plaats vallen net voordat de eerste Kobold het hek had bereikt. Kardolus moest achteruit springen om het door de spijlen toegestoken zwaard te ontwijken. Toen werd de overmoedige Kobold geraakt door de pijlen van de burgerwacht.
Opnieuw zwol het geluid van de trommels vanuit het duister van de gang aan. “Hieuw,” klonk er en Kardolus zag hoe het schot in beweging kwam en een stukje vooruit werd geschoven. Een stem brulde weer “hieuw” en het schot werd opnieuw opgeheven en een stapje verder in hun richting neergezet. Elke “hieuw” was een centimeter of dertig. De haak en de stukken van het hek die voor het schot lagen, werden opzij geschoven. Het schot kwam nu in het gedeelte vlak voor de poort waar de gang breder en hoger was en waar in vredestijd de karren stonden opgesteld die de stad in wilden. Vanaf de weergang achter de kantelen volgde Kardolus de opmars. Het moest een zwaar schot zijn dat door grote aantallen Kobolden werd opgetild en voortbewogen. Het was een onwaarachtige gewaarwording, die tientallen onzichtbaar zwoegende Kobolden die ogenschijnlijk vreedzaam dat schot zeulden op nauwelijks vijftien meter van ze vandaan en de wetenschap dat zij op zeker moment gillend en met moordlust in hun ogen er van achter tevoorschijn zouden komen. Kardolus' Dwergen keken er van achter hun kantelen naar. Een soldaat schoot een kansloze pijl op een Kobold die even achter het schot vandaan kwam. De trommels roffelden onophoudelijk als was het het hoogtepunt van een circusnummer.
Eindelijk kwam de soldaat terug met een vaatje lampolie. Hij had het uit de grot van de mijnen gehaald en moeten wachten en meevechten totdat de Kobolden uit het deel met de gereedschappen waren verdreven. Toen pas had hij een vaatje kunnen pakken en naar de poort rollen.
- “Naar boven,” riep Kardolus.
Er waren al doeken gebracht. Een ander kwam met een brandende toorts. Met koortsige haast scheurden de soldaten de doeken aan repen, drenkten ze in de olie en wikkelden ze om de pijlen waarna ze die aanstaken en op het schot afschoten. De pijlen sloegen met een harde klap in het hout, maar dat vatte niet direct vlam. Er staken er minstens tien uit die een beroet brandspoor op het houten oppervlak maakten. Er ontwikkelde zich wel rook die de tunnel langzaam vulde. Het hout moest vers en vochtig zijn geweest. De Kobolden die vlak achter het houten schot liepen zagen de vlammen en de rook en raakten in paniek. De opmars van het schot stokte.
- “Vuur,” riepen een paar Kobolden achter het schot.
- “Water,” riepen anderen.
- “Ga door,” riep Kardolus.
De soldaten bleven brandpijlen op het schot afschieten. Vanachter het schot klonk opnieuw “hieuw”, de trommels hervatten hun geroffel en het schot kwam weer in beweging. Vanaf de kantelengalerij zag Kardolus dat het houten gevaarte een afdak had tegen pijlen en ander tuig dat de belegerden op de aanvallers zou kunnen gooien. Tegelijkertijd moest hij wegduiken. Het verbrede en verhoogde deel van de tunnel bood kruisboogschutters van de Kobolden de mogelijkheid kantelengalerij te bestoken vanwaar de brandpijlen afomstig waren. De pijlen met hun gesmede punten tikten gevaarlijk tegen de rotswand aan weerszijden van hem. Een van de soldaten naast hem die een brandpijl wilde afschieten, werd in de borst getroffen. Weer een, dacht Kardolus terwijl hij naast hem neerknielde. De pijl was dwars door zijn maliënkolder heengegaan en had hem in het hart geraakt. De arme Dwerg had niet eens meer gevoeld dat de brandende punt van zijn eigen onafgeschoten pijl op zijn been terecht was gekomen. Toen Kardolus overeind kwam werd hij zelf aan zijn schouder geraakt. Naast hem, weggedoken achter een kanteel, zat Marke.
- “Gaat het,” vroeg deze toen hij zag dat de pijl Kardolus alleen had geschampt.
Kardolus knikte. Hij keek langs Marke en zag dat alle Dwergen weggedoken zaten of gewond waren. De rook werd steeds dikker. Kardolus greep een lap stof en bond die voor zijn neus en mond.
- “De perfecte dekking,” zei hij tegen Marke, doelend op de rook die zo dicht was geworden dat de kruisboogschutters ze niet meer konden zien. Hij pakte een brandpijl, stak hem aan, richtte zich op en schoot op goed geluk in de richting van het schot. De anderen volgden zijn voorbeeld. Kardolus zag nu door de rook ook vlammen. Hij hoorde kreten van Kobolden die getroffen waren door de pijlen en van anderen die wegvluchtten. Toen verstomde het “hieuw” en het tromgeroffel. De Kobolden hadden waarschijnlijk het inmiddels fel brandende schot in de steek gelaten en waren de tunnel uitgevlucht, op zoek naar frisse lucht. Dat was hoogste tijd. Ook op de kantelengalerij waren de rook en de hitte van het vuur inmiddels niet meer uit te houden. Kardolus en zijn Dwergen renden de trap af naar het voorplein waar de burgerwacht stond opgesteld en waar zich veel meer inwoners hadden verzameld. Uit de monding van de poort kwamen rookslierten die in de grote ruimte opstegen en zich verspreidden.
De brand en de tijdelijke aftocht van de Kobolden gaf Kardolus de tijd de situatie te overzien en na te denken. Waar bleef Rudolf? Hij stuurde opnieuw een jongen naar hem toe. Vervolgens richtte hij zich tot de menigte.
- “Verzamel tafels, banken, alles wat we hier kunnen opstellen en dat dekking kan geven. De rest – vrouwen, kinderen, ouderen - naar de vluchtgrot.”
Op dat moment kwam de jongen die hij naar Rudolf had gestuurd, terug, buiten adem en met grote angstogen. Achter hem kwamen andere Dwergen aangerend. Kardolus herkende een soldaat en een van de Dwergen van de burgerwacht.
- “De Kobolden..,” de jongen moest even ademhalen, “de Kobolden komen eraan. Rudolf is dood.”
Kardolus keek hem verbijsterd en ongelovig aan. Inmiddels was de soldaat ook bij hem gekomen.
- “Ze zitten vlak achter ons aan.”
Er was geen tijd voor vragen. Als Rudolf ze niet had kunnen tegenhouden, kon hij dat met zijn kleine groepje zeker niet, bedacht Kardolus die in de verte in de doorgang naar de grot van de mijnen inderdaad Kobolden meende te zien.
- “Allemaal naar de vluchtgrot. Snel!”
En tot zijn soldaten en de burgerwacht:
- “Dek ze zoveel mogelijk. Naar de Grote Markt.”
Hij moest de poort opgeven. Hij zag Marke zijn overgebleven soldaten verzamelen. Vanuit het hartje van de stad kon hij de Kobolden, die daar waarschijnlijk het eerst naar toe zouden gaan, misschien zoveel vertragen dat de meeste bewoners de vluchtgrot zouden kunnen bereiken.

De vluchtgrot was een kleine zijgrot van de stadsgrot die toegankelijk was door een lange, kronkelige gang. Koning Krimm had de toegang laten afsluiten met een stel zware, met ijzer beslagen deuren. Bovendien had hij de enige schoorsteen die de kleine grot had laten uitruimen en aan de binnenzijde voorzien van klimijzers. Een ijzeren wenteltrap leidde van de bodem van de grot naar de uitmonding van de schoorsteen in het plafond. Aan de buitenzijde kwam de schoorsteen uit op een punt in de heuvel dat een goed uitzicht bood over het dal van de Narwa en de Drent en de wijde omtrek. Krimm had in de schoorsteen op verschillende plaatsen zware ijzeren roosters laten aanbrengen. Ze waren eeuwenlang niet gebruikt en daarom had Kardolus ook deze uit voorzorg laten nazien. Hij had ook de goederen die in de grot lagen laten weghalen en er water, proviand en dekens laten opslaan.
In deze grot hadden zich de inwoners van Cyrillum verzameld. Er waren blijkbaar nog soldaten van Rudolf geweest die verzet hadden geboden en daardoor waren de Kobolden minder snel verschenen dan Kardolus had gevreesd en hadden de meeste inwoners de vluchtgrot kunnen bereiken. Toen Kardolus op de Grote Markt stond had een oude Dwerg hem op de schouders getikt. Kardolus had zich omgedraaid.
- “Ken je me nog,” vroeg de oude man.
Kardolus vond het niet het juiste moment voor het hernieuwen van de kennismaking met iemand die hij zich vaag herinnerde. De oude ging echter verder.
- “Ik ben Ormen en ik ben jarenlang de stadsbeiaardier geweest. Laat mij in de toren en sluit de deur af. Als de toren ten onder gaat, dan met mij en … zingend.”
Kardolus bekeek de man en zijn rimpelige gelaat. Ormen was een beroemdheid in Cyrillum geweest die de stad en zijn toren zijn fabelachtige klank had gegeven en tot ver in de omtrek hoorbaar had gemaakt, zowel onder als boven de grond. Vaak, als Kardolus vroeger met vrienden buiten de stad in de bergen was, had hij uit de richting van het dal de klokken van Ormen gehoord. Eerst de zilveren klokken met hun hoge tonen en naarmate ze dichterbij kwamen leken de bronzen bassen zich in de melodie te voegen. Meestal speelde Ormen “Zeg het tegen de horizon” dat hij zelf had geschreven en gecomponeerd. Het was het lied van Cyrillum geworden en was voor Kardolus zoals voor iedere Dwerg die van buiten kwam de klank van de thuiskomst geweest. Een klank die er altijd was en nooit zou sterven, zo leek het. Tot vandaag, tot deze dag van zinloze, opgeklopte wraakzucht.
Tranen welden achter de ogen van Kardolus toen hij zich omdraaide en naar de toren liep alsof hij op dat moment Cyrillum ten grave droeg. Ormen liep achter hem aan. Kardolus opende zwijgend de zware deur in de voet van de toren en liet Ormen langs hem naar binnen gaan.
- “Zing, Ormen, zing,” zei Kardolus toen de oude man moeizaam de trap naar de klavierkamer beklom. Kardolus keek hem na, sloot toen zorgvuldig de deur en ging terug naar zijn mannen. Toen ze het plein afliepen om naar de vluchtgrot te gaan klonken de eerste klokken van het carillon.

De Kobolden raasden door Cyrillum. Alle woede die in eeuwen was opstapeld door hun leiders, alle frustratie die volgens de woorden van hun koningen maar een oorzaak had gehad, ontlaadden zich in een vloed van geweld tegen de stad. Nu niets ze leek te kunnen beteugelen kende hun wraakzucht geen grenzen. Niemand weerhield ze toen ze de paarden aanspanden om het laatste hek weg te trekken en de Kobolden van de hoofdmacht ongehinderd de stad konden binnenstromen. Dat was het onschuldigste. Ze stormden naar het paleis van koning Krimm, dat al sinds jaar en dag de ambstwoning van Tell was en het symbool van de macht van de Dwergen. Ze vernielden wat ze vernielen konden en staken toen het eeuwenoude gebouw in brand. Ze doorzochten de woningen in de stad en op de galerijen en sloegen alles kapot wat ze de moeite van het stelen niet waard vonden. Het Gebouw van de Mijnwerkers zou met de grond gelijk zijn gemaakt als ze zich daarvoor de tijd hadden gegund. De stoelen uit de grote concertzaal van de Muziektempel werden stukgesneden en door de ramen naar buiten gegooid. Toen keerde hun woede zich tegen de Grote Toren waarvan het carillon speelde en speelde. De stad die onder hun razernij zou moeten sidderen en om vergeving smeken, leek zich in haar muziek hooghartig te verheffen boven de grofheden die de Kobolden aan haar voltrokken. Ze probeerden de deur te forceren, maar die hield stand. De zwaarden waarmee ze hem wilden openwrikken, braken af. De kleine vensters in de toren zaten zo hoog dat zelfs als de Kobolden op elkaars schouders gingen staan, ze er niet bij konden. Ze probeerden de toren in brand te steken, maar ook dat lukte niet. De massieve stenen onderbouw weigerde vlam te vatten. In de klavierkamer in het hart van de toren, ver boven de het plein met de uitzinnige Kobolden, zat Ormen op zijn bank achter zijn geliefde klavier. De zijkanten van zijn handen hamerden op de manuaaltoetsen en zijn voeten bedienden de pedalen en hij lachte terwijl zijn beiaard zong.
Toen pas bedacht een Kobold dat het vreemd was dat ze geen Dwergen hadden gevonden, op die ene na die in de toren zat. Wat zouden ze zich druk maken om een als er ergens anders veel meer waren. De razernij sloeg om in een verwoede zoektocht naar de Dwergen. Terwijl het carillon doorspeelde, speurden ze de galerijen en de zijgrotten af tot ze er een vonden die door een stevige, met ijzer beslagen deur was afgesloten. Zou dit de deur zijn waarachter de Dwergen te vinden waren? Ze beukten de zware houten deur met het ouroede en oerdegelijke ijzerbeslag. Maar net zo min als bij de toren beschikten de Kobolden over zwaar belegeringsmateriaal. Zwaarden waarmee ze de deur probeerden open te breken, braken af.
- “Haal de paarden,” riep een Kobold die de aanval op de poort had meegemaakt.
- “Ja,” riepen anderen, “waar zijn de paarden?”
- ”Stil,” zei er een, “ik hoor ze zingen.”

De klokken van Ormen klonken helder door in de vluchtgrot waar de angstige Dwergen bijeen zaten. Ze hoorden het gerommel aan de voorste deur. Omdat angst een betere raadgever is dan wraakzucht hadden zij eerder dan de Kobolden door dat als je het poorthek omver kon trekken, dat ook met deze deuren mogelijk moest zijn.
Kardolus had een van zijn weinige overgebleven soldaten de ladder opgestuurd om te zien of de Kobolden de uitgang bewaakten. Daarna had hij de Dwergen toegesproken.
- “We mogen dankbaar zijn dat we hier zitten. Niet alleen worden we beschermd door zware deuren, maar we hebben ook eten en drinken in overvloed. Misschien hebben we zelfs een vluchtweg, maar die zijn we nu aan het verkennen. Het belangrijkste is dat we de moed niet verliezen.”
Hij hoorde buiten dat Ormen met zijn klokken zijn “Zeg het tegen de horizon” inzette.
- “Laten we een voorbeeld nemen aan Ormen die de Kobolden uitlacht en speelt als in zijn beste jaren. Hij laat zich niet verstommen. Wij mogen ons evenmin laten verstommen, al was het alleen al om Ormen die daar in zijn eentje in onze Grote Toren zit. ”
Op dat moment begon een van de Dwergen zachtjes en met trillende stem mee te zingen op de melodie van het carillon:

Welke verte jou verleidde
welke mijngang je bekoorde
welke lokroep je ooit hoorde
welk lot je ook verbeidde

Anderen vielen hem bij:

Welke horizon je ook lokte
met zijn zilverblauwe stem
en zijn langgerekte einder
zeg hem, onverbloemd, zeg hem

Nog meer stemmen klonken op:

Dat geen verte warmer is
dan waar de klokken klinken
waar de zilv'ren stromen blinken
waar de nevelen verzinken

Het refrein zong elke Dwerg in de vluchtgrot mee:

Zeg hem dat geen vrijheid vrijer
en geen blijdschap blijer is
en geen verte dichterbij is
dan Cyrillum, zeg het hem.

Het zingen hielp de Dwergen hun angst een ogenblik te overwinnen en zich te koesteren in eensgezindheid. Ze keken elkaar aan, ze keken naar de deur alsof ze de Kobolden daarachter wilden uitdagen. Sommigen huilden van ontroering toen het lied van Cyrillum uit was. Moeders legden hun kinderen de tekst uit. Het leek alsof Ormen de Dwergen in de vluchtgrot had horen zingen want met alle vitaliteit waarover de oude beiaardier beschikte speelde hij eerst een paar virtuose variaties voordat hij met alle kracht die hij in zijn handen vond “Zeg het tegen de horizon” nogmaals inzette. Nu zongen alle Dwergen vanaf het begin uit volle borst mee en klonk een donderend koor van honderden stemmen uit de vluchtgrot op.

De woede van de Kobolden was door het muzikale bondgenootschap tussen grot en toren alleen maar toegenomen. Zolang ze hen beide het zwijgen niet hadden opgelegd, hadden ze de gehate stad niet veroverd. Ze probeerden de deur van de vluchtgrot in te beuken met een zware balk die ze uit het de puinhopen van het verwoeste paleis hadden gehaald, maar door de bochten in de tunnel konden ze die niet voldoende vaart geven. Toen hadden ze houwelen uit opslag van de mijnen gehaald en waren begonnen de deur systematische te bewerken. Aan de andere kant volgden de Dwergen angstig de geluiden. Hoorden ze de paarden al? Ze konden niet weten dat de Kobolden de paarden de stad hadden binnengevoerd, maar dat de vlakke deur van de vluchtgrot – net als die van de Grote Toren - geen aanknopingsmogelijkheden bood voor de ketting waarmee hij uit zijn sponning zou kunnen worden getrokken.
Kardolus verkenner was teruggekomen met het bericht dat er wel Kobolden in de buurt van de mond van de schoorsteen waren, maar dat het mogelijk moest zijn een aantal Dwergen stilletjes te laten ontsnappen. Kardolus had daarop een boodschapper naar Tell gestuurd, al maakte hij zich geen illusies over de komst van het Dwergenleger. De afstand naar Tell bedroeg minstens twee dagreizen. De deuren van de vluchtgrot zouden het lang voor de avond al hebben begeven. Hoeveel Dwergen zou hij in die korte tijd kunnen laten ontsnappen? Hij keek in de lange, tamelijk rechte schacht van de schoorsteen met zijn honderden boven elkaar geplaatste klimijzers. Een minuscuul lichtpuntje aan het eind liet zien waar de vrijheid begon. “Vertel de verte” – dacht hij wrang. “Vertel de verte dat we hier roemloos zijn uitgemoord door een stelletje barbaren. Dat er geen warmte en geen thuiskomst in Cyrillum meer is. Vertel het hem.” Veel ouderen zouden de klauterpartij niet kunnen volbrengen. Moeders met kinderen waren het belangrijkst, zowel uit het oogpunt van de onvoltooidheid van het leven van hun kinderen en henzelf als uit dat van het voortbestaan van zijn volk, maar hoe zouden die de honderden klimijzers kunnen overwinnen met een kind op hun rug?
Maar er was geen tijd om lang na te denken. Hij hoorde de houweelslagen steeds veelvuldiger en luider klinken. Er waren blijkbaar steeds meer Kobolden die als bezetenen stonden te hakken alsof de vluchtgrot een rijke ader was en de bange Dwergen kostbare edelstenen waren. Het carillon was verstomd en de angst onder de Dwergen was weer terug en groter dan tevoren. Misschien hadden ze de arme Ormen te pakken gekregen. Kardolus zocht de jongeren bij elkaar, drukte ze op het hart stil te zijn en – eenmaal boven – te maken dat ze wegkwamen en stuurde ze de schacht in. Daarna wees hij op goed geluk moeders met zuigelingen en kleuters aan. Een soldaat hielp ze de kinderen op de rug van de moeders te binden.
In de gang buiten de grot hoorde hij de Kobolden juichen die de eerste deur hadden ingeslagen en nu de tweede bestormden. De houweelslagen klonken dichterbij. Kardolus hoefde de vluchtelingen die zich onder de schacht hadden opgesteld en gedisciplineerd hun beurt afwachtten niet tot meer spoed aan te zetten. De oudste Dwergen, die begrepen dat ze nooit de tijd zouden krijgen om de razernij te ontlopen, zaten gelaten langs de wanden van de grot of hielpen de vluchtenden zo goed mogelijk. Grootouders namen afscheid van hun kinderen en kleinkinderen.
- “Gaat opa niet mee?”
- “Nee. Nu nog niet. Opa komt straks. Geef hem maar een dikke kus.”
En een jongetje op de rug van zijn moeder kuste de baardige wang van een oude Dwerg die tranen in zijn ogen had.
- “Waarom huil je, opa?”
- “Omdat ik zielsveel van je hou, jongen.”
Het vervulde Kardolus met een gevoel van machteloosheid. Als soldaat had hij zijn volk hiervoor moeten behoeden, maar hij had gefaald. Hij had echter geen tijd om na te denken.
- “Naar boven. Schiet op!”
Buiten de grot klonk opnieuw gejuich. De Kobolden hadden techniek onder de knie gekregen en waren veel sneller door de tweede deur gekomen dan de eerste hen had kunnen weerhouden. Ze wisten hoe ze een houweel moesten gebruiken. De slagen klonken nu op de laatste deur die toegang tot de vluchtgrot gaf. Sommige Dwerginnen gilden. Anderen staarden met ontzetting naar de deur die trilde onder de slagenregen. Ze konden het splinteren van het hout horen. Ze verwachtten elk ogenblik het blad van een houweel door het hout van de deur te zien komen. Machteloos keek Kardolus naar de paar soldaten die hij nog over had. Ze zouden als een zandvormpje door een ziedende zee worden overspoeld.
Toen begon het carillon weer te spelen. Boven het geluid van de houweelslagen uit hoorden ze de klokken opnieuw het lied van Cyrillum ten gehore brengen. Ze hadden die oude Ormen nog niet. Met de zijkant van zijn haast tot vuisten gebalde handen sloeg hij met alle kracht op de manuaaltoetsen en zijn voeten stampten op de pedalen om de klepels de klokken luider dan ooit te laten weerklinken. Weer viel het Dwergenkoor in de grot in, met nog meer passie en nog meer verlangen, ook al beukte de dood de laatste centimeters hout weg die hen van elkaar scheidden. Ook Kardolus en zijn soldaten zongen mee:

Zeg hem dat geen vrijheid vrijer
en geen blijheid blijer is
en geen verte dichterbij is
dan Cyrillum, zeg het hem.

Het klonk als een afscheid en in menig Cyrillum klonk een snik. Toen verstomde het gehak. Kardolus keek naar de deur maar die stond nog steeds overeind. Er klonk wat onverstaanbaar en onbegrijpelijk tumult op de gang alsof er een gevecht gaande was. Daarna volgde er een stilte terwijl Ormen doorspeelde.
Het duurde enige tijd totdat ze opnieuw geluiden aan de andere kant van de deur vernamen. Iemand tikte zacht en beschaafd op de deur. De Dwergen hielden hun adem in. Kardolus liep naar de deur en vroeg wie er was.
- “Doe open. Ik ben Falarion, officier in het elfenleger van Alberon.”

De Elfen waren gekomen! Kardolus kon nauwelijks geloven wat hij hoorde en toch aarzelde hij niet. De stem was niet van een Kobold geweest en had de onmiskenbaar zangerige intonatie gehad die hij van de elven kende. Hij tilde de sluitbalk op en trok de zwaar beschadigde deur open. In de opening stond, schitterender door de duisternis van de gang, een grote Elf, gehuld in een witte, bijna lichtgevende mantel en keek hem glimlachend van en onder een bos golvend blond haar aan. Onder zijn arm droeg hij zijn fraai gesmede witte helm. In de gang achter hem zag Kardolus nog meer witte mantels van Elfen die over de lichamen van verslagen Kobolden heenstapten. Kardolus week opzij en Falarion stapte de vluchtgrot binnen. Hij keek om zich heen in de ongelovige blikken van de Dwergen op wier gezichten de doodsberusting nog nauwelijks was geweken.
- “Niet echt te vroeg, hè, geloof ik?,” zei de Elf.

De Elfen van Falarion hadden moeten wachten op de komst van versterkingen uit andere Elfensteden en waren later dan hun bedoeling was uit Elfirim vertrokken. “Beter even gewacht, maar dan met een flink leger op pad, dan met een te klein leger,” had Falarion gedacht. Ze waren op vlotten de Endor overgestoken en langs de Drakentand en de noordzijde van het Paktargebergte getrokken, hadden Stratz gemeden en waren rechtstreeks naar Cyrillum gegaan in de verwachting zich daar bij Alberon te kunnen aansluiten.
Voor de spelonk van Cyrillum troffen zij echter geen Alberon en evenmin Dwergen, maar Kobolden. Alberon had weinig meegedeeld over Kobolden en al bestaan er van oudsher geen hartelijke relaties tussen Elfen en hen, Falarion had wel wat anders te doen dan zich daar om te bekommeren. Als de Kobolden hadden gezegd dat Alberon al weg was, zou Falarion uit tijdnood vermoedelijk de stad niet zijn binnengetrokken en direct achter Alberon zijn aangegaan, ook al zou hij de aanwezigheid van Kobolden bij de Dwergenhoofdstad vreemd hebben gevonden. Maar de Kobolden die bij de spelonk stonden, ontvingen hem met pijlen en schoten een Elf neer die niet anders kwam doen dan toegang tot de stad vragen om inlichtingen over Alberon te krijgen. Misschien waren zij bang geweest voor de aanblik van de witte ruiter op zijn paard en hadden zij alleen uit angst geschoten. Maar waarom waren zij bang zijn voor een vriend van de Dwergen? Deze vijandigheid maakte Falarion duidelijk dat er meer aan de hand was en daarom vielen zijn Elfen de Kobolden aan. Het waren er maar een paar die buiten de spelonk de wacht hielden en zij waren snel verslagen. Daarop trok Falarion de toegangstunnel door, zag de geblakerde poort met zijn omgetrokken hekwerken en begreep wat er aan de hand was. De Kobolden in de stad gingen zo op in de vervulling van hun wraakzucht dat zij geen acht sloegen op de Elfen die de stad instroomden. Een geordend Koboldenleger zou een behoorlijke tegenstander voor de Elfen zijn geweest, maar de Kobolden die zij hier troffen waren elk voor zich bezig met roof en plundering, hadden alle voorzichtigheid uit het oog verloren en waren niet tot verzet in staat. De meesten waren snel uitgeschakeld, velen gaven zich over, een aantal wist langs de hoofdpoort te ontsnappen. Alleen voor de vluchtgrot stuitten de Elfen op Kobolden die als groep verzet boden, maar zij waren met te weinig om de Elfen veel problemen te bezorgen.
- “En zo,” besloot Falarion zijn verslag van de gebeurtenissen aan Kardolus en de zijnen, “kon een Elfenleger dat te laat was vertrokken dank zij dat feit de redding van Cyrillum zijn, al moet het zich nu haasten om niet te laat bij de Tingboom te komen.”

Nog eenmaal speelde Ormen die dag. De oude beiaardier was de enige Dwerg geweest die vanaf zijn toren de Elfen de stad had zien binnentrekken en zien afrekenen met de Kobolden. Hij had zich toen opnieuw op zijn bank achter zijn speeltafel gezet en was gaan spelen om de Dwergen in de vluchtgrot moed in te spreken. Hij had hen in hun doodsnood opnieuw aan het zingen gekregen en dat had de Elfen naar de vluchtgrot had geleid. De Elfen waren verbaasd geweest dat ze in de deels verwoeste stad zo veel muziek aantroffen.
- “Wij, Elfen, proberen onze muziek ten hemel te doen opstijgen,” zei Falarion tegen Ormen terwijl hij zijn hand greep, “maar u kunt muziek als een hemels geschenk over ons doen neerdalen. Kom naar Elfirim als Cyrillum u kan missen, maestro, en leer ons zilveren en bronzen tonen te doen klinken. Leer ons het geluid van de aarde voort te brengen.”
De oude beiaardier glimlachte dankbaar. Later, toen het Elfenleger zich had verzameld om op mars te gaan naar de Tingboom, klom hij opnieuw langs de trap naar zijn speeltafel en nam plaats op de bank achter zijn twee rijen manuaaltoetsen en zijn pedalen. Toen de Elfen in beweging kwamen, speelden boven de hoofden van het vertrekkende leger Ormens klokken nog eenmaal “Zeg het tegen de horizon”. De Dwergen die door hen van de dood hadden gered, stonden langs de weg die hen de stad uit leidde. Ze zagen de prachtige Elfen voorbijtrekken als een lichtgevend leger in hun witte tunieken, hun witte maliënkolders en wapenrusting. Voorop ging Falarion op zijn witte paard, gevolgd door een lange rij ruiters, de meesten eveneens op witte paarden, hun bogen om hun schouders en hun spiezen gestoken in een houder achter hun zadel.
Marke stond naast Kardolus en sloeg de uittocht gade.
- “Wat een schitterend leger,” zei hij.
Hij kende paarden als trekdieren van de karren die door de poort gingen, maar had nog nooit een ruiter gezien. De aanblik van Falarions eskadrons maakte een diepe indruk op hem en de andere Dwergen.
Achter de ruiters kwamen de Elfen die te voet waren, wit en licht als hun bereden wapenbroeders en net als zij gehuld in maliënkolders bewapend met bogen en zwaarden. Aan het eind kwam de legertros. De Dwergen langs de weg klapten totdat, net als in de vluchtgrot, een onzekere stem op Ormens klanken begon te zingen, waarna het Dwergenkoor vol dankbaarheid inviel:

Zeg hem dat geen verte warmer is
dan waar de klokken klinken
waar de zilv'ren stromen blinken
waar de nevelen verzinken.

Zeg hem dat geen vrijheid vrijer
en geen blijheid blijer is
en geen verte dichterbij is
dan Cyrillum, zeg het hem.


Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken