Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Asgaards Grote Rede

Asgaard was niet zomaar een vos. Ondanks zijn kleine verschijning, spichtige voorkomen en ietwat schaverottige vacht stond hij door zijn schrandere geest onder zijn soortgenoten in hoog aanzien. Hij begreep de kunst om alles wat hem na te wijzen viel, zoals zijn schaverottigheid, als een teken van grote doorleefdheid te presenteren. Dat was niet helemaal juist. De meeste tekenen waren hem aangeboren en allerminst doorleefd maar wie maalde daarom? Ze verleenden hem groot gezag en omdat hetgeen hij zei geen onzin was en bovendien goed geformuleerd, bekommerde niemand zich om de vraag waar de wijsheid vandaan kwam. Als vossen net als wolven in roedels zouden leven, zou hij zeker een leider zijn geweest.

Op zekere dag, lang geleden, ontmoette hij Paktar. Niemand was in die dagen blij de berggeest tegen te komen. Weliswaar tooide hij zich meestal in mensengedaante met bijbehorende afmetingen en niet in zoiets afschrikwekkends als een vuurspuwende draak, maar ook zijn menselijke gelijkenis wekte weinig vertrouwen. Je wist nooit wat je aan hem had. Maar hem ontlopen was ook niet zo eenvoudig. Meestal had hij de anderen eerder in de gaten dan zij hem en hij kon in een overhaaste aftocht moeilijk een blijk van genegenheid of respect zien. Niemand zat te wachten op Paktars misnoegen en daarom liet iedereen het maar op de onvermijdelijke ontmoeting aankomen en hoopte er het beste van. Soms negeerde hij je gewoon.
Asgaard zag al van verre dat er van negeren geen sprake zou zijn. De meestal norse en in zichzelf gekeerde Paktar huppelde neuriënd over het bospad. Toen ze vlakbij elkaar waren riep Paktar hem toe:
- “Ha, Asgaard.”
- “Ha, Paktar,” zei Asgaard.
- “Jou moet ik hebben,” zei Paktar, “Zou je wat voor mij willen doen, Asgaard?”
- “Met alle soorten van genoegen, Paktar,” zei Asgaard. Het verzoek van een berggeest weigeren was om moeilijkheden vragen.
- “Ik wil graag een jas van vossenbont hebben voor mijn verloofde,” zei Paktar toen.
Asgaards mond viel open van verbazing.
- “Ga je ook naar de koe als je trek hebt in biefstuk?,” vroeg hij Paktar.
De berggeest keek hem aan. Misschien realiseerde hij zich dat de vraag toch wat gevoeliger lag dan hij had verwacht. Maar hij zou de berggeest niet zijn geweest als hij niet voet bij stuk had gehouden. - “Koeien zijn veel dommer dan vossen. Aan jou kan ik zo’n vraag toch gewoon stellen?”
- “Natuurlijk, maar wat verwacht je van mij. Dat ik mijn gezin uitmoordt om jou je bontjas te leveren?”
Paktar dacht na.
- “Niet je gezin, natuurlijk, maar eh …”
- “Misschien niet mijn gezin, maar wel de rest van mijn familie, soms?,” vroeg Asgaard.
- “Ik dacht: misschien zou je naar een bontwerker kunnen gaan. Je bent immers specialist. In elk geval zou ik het heel fijn vinden als je me er aan een zou kunnen helpen,” zei Paktar toen en liep door. Asgaard had het nodige om over na te denken. Een jas van vossenbont. Hij begon met er in gedachten een kort jasje van te maken in plaats van een lange mantel. Dat scheelde al een hele boel vellen en dus vossen. Maar zelfs een enkel vel was al een probleem. Hij kon alle vossen die hij kende bij elkaar roepen en hun het probleem voorleggen. Dat zou op zijn best uitmonden in de afspraak dat als er ergens een vos zou overlijden, deze voorzichtig van zijn pels zou moeten worden ontdaan. Een afschuwelijk vooruitzicht. Bijna alle vossen zijn op de een of andere manier familie van elkaar en je oudoom of achternichtje van hun vacht ontdoen, ook al waren ziij ontslapen, was een morbide denkbeeld. Asgaard besloot dat het een onmogelijk verzoek was.
Er ging geruime tijd overheen maar op zekere dag, zo’n dag waarop iedereen in het weer een voorbode van de winter voelt, verscheen Paktar voor het hol van Asgaard. Niet direct, natuurlijk. Voordat hij hem had gevonden, moest hij eerst even zoeken en informeren. Daardoor waren zijn komst en het doel van zijn belangstelling niet onopgemerkt gebleven en waren alle vossen en veel andere bosbewoners uit de buurt uitgelopen om het gesprek tussen Paktar en Asgaard te volgen. Een berggeest ging niet zomaar bij iemand op bezoek en Asgaard was evenmin zomaar iemand.
- “Asgaard,” riep Paktar toen hij in het bos een heuveltje had gevonden waarvan men had gezegd dat dit aan Asgaard en zijn gezin onderdak bood. Asgaard die had gedaan alsof hij de opschudding niet in de gaten had gehad, kwam nu naar buiten en keek met een verbaasd gezicht naar zijn bezoeker en de omstanders.
- “Ha, Paktar,” zei Asgaard.
- “Waar is mijn jas?,” vroeg Paktar onomwonden.
- “Hier,” zei Asgaard en hij hield hem een roodbruine kippenveer voor.
- “Dat is een veer en geen jas,” zei Paktar. Zijn stem daalde enigszins en drukte ontevredenheid uit.
- “Paktar, ik ben een vos zoals je weet en hoewel vossen als schrander bekend staan en ik niet de domste onder mijn soortgenoten ben, is de lijst van dingen die ik niet kan lang. Ik kan je geen jas van vossenbont geven. Ik kan je zelfs niet een vel vossenbont geven of het zou het mijne moeten zijn, maar zelfs dat zou een ander dan ik aan je moeten overhandigen. Ik weet dat je een edelmoedige en allerminst hardvochtige berggeest bent en dat je niet zou willen dat er in het gebied waarin jij heer en meester bent iets onrechtvaardigs gebeurt en dat jouw onderdanen voor elkaar zouden moeten vrezen en tot kannibalisme vervallen ...”
Asgaard liep op een klein vosje toe dat het dichtst bij hem in de buurt stond.
- “Dit is Frunnik, die voor zijn oude moeder zorgt en voor de kindertjes van zijn zuster die hun moeder moeten missen omdat zij bij de jacht is omgekomen. Vorige week, toen het zo koud was, kwam ik hem ’s nachts tegen terwijl hij met zijn kleine lichaampje voor al die hongerige keeltjes een heel klein kippetje naar zijn hol probeerde te slepen. Zijn haveloze vachtje was kletsnat van de regen en bood geen beschutting meer tegen de vrieskou en de wind woei hem bijna weg. Hij hoestte vreselijk akelig maar ondanks zijn uitputting en de ontberingen die hij leed, zette hij door omdat er zovelen van hem afhankelijk zijn. Zou jij, die alles al heeft, willen dat ik hem vlak voor de winter van zijn vacht ontdoe om daarvan een klein stukje van de kraag van jouw jas te maken? Ik weet zeker dat je dat niet wilt omdat de belangen van de zwakkeren je ter harte gaan en je in woede zou ontsteken als hun iets zou overkomen …”
Asgaard stapte naar een volgende vos.
- “… en dit is Roderik. Hij is net hersteld van een heldhaftige vechtpartij met een paar dashonden die het hol wilden binnendringen waar zijn vrouwtje net was bevallen van een paar jongen. Het waren de honden van stropers die zonder jouw goedkeuring in jouw bossen op jacht waren. Ze hadden al veel vossen gedood en nu drongen de honden van twee kanten Roderiks hol binnen. Hij vocht als een leeuw tegen de dashond die door de hoofdingang kwam en dreef hem terug ondanks de vele beten die hij ontving. Toen hoorde hij zijn vrouwtje gillen. De tweede dashond was het hol van de andere kant binnengedrongen. Ondanks zijn verwondingen spoedde Roderik zich naar zijn vrouwtje en stortte zich op de dashond die het op zijn kinderen had gemunt. Ook deze dreef hij terug, al ging dat ten koste van nog meer beten. Uiteindelijk hadden de dashonden zo hun bekomst van de razende vos dat ze niet opnieuw zijn hol in wilden ondanks de aansporingen van de jagers. Maar in het hol lag de stervende Roderik. Zijn vachtje was rood, niet door het rood van zijn roodbruine vacht, maar door het bloed uit vele wonden aan zijn poten, zijn snuit, zijn flank. Bloedrood waren ook de gangen waar hij had gevochten met de indringers. Terwijl hij lag te sterven zijn wij gekomen. We konden niet meer doen dan voedsel en drinken voor hem brengen en zijn wonden schoonmaken. Allen hebben wij ons om hem bekommerd, bessen en ander fruit gezocht, vlees gebracht, gezorgd voor water. Zijn vossenkindertjes likten de snuit van hun papa omdat liefde geven het enige was dat zij voor hem konden doen. Dagenlang waren wij zo met hem bezig. Eindelijk week de koorts die hem had bevangen en begon hij een beetje op te knappen. Zijn wonden heelden, eerst langzaam, toen sneller. Wil jij, Paktar, dat ik hem die het leven van zovelen heeft gered en die vandaag misschien voor het eerst weer een vleugje zon ziet, van zijn vacht ontdoe om daarvan de zoom van jouw mantel te maken? Ik weet zeker dat je dat niet wilt omdat je zelf grote eerbied hebt voor heldenmoed."
Asgaard pauzeerde even voordat hij vervolgde:
- “Of heb je liever Kazimier die nog maar drie poten heeft omdat hij in een klem heeft vastgezeten die een pachter in het bos had neergelegd. Hij is dagen gevangen gehouden door zijn eigen poot, gek van pijn, honger en dorst. Radeloos is hij tenslotte in zijn eigen kwelgeest gaan bijten en uiteindelijk is hij vrijgekomen maar zonder zijn poot. Hij heeft zich hinkend naar zijn hol gesleept om daar te sterven maar zijn vrouwtje en kindertjes hadden zich over hem ontfermd en nu is hij net weer voldoende hersteld om hier ter ere van jou, Paktar, aanwezig te zijn. Moet ik van zijn vachtje soms een manchet maken? Of een revers van Alica die door een schot hagel uit een stropersgeweer - alweer stropers, m'n waarde Paktar - is geraakt? Of soms een kraagstuk van Balthasar hier - Asgaard duwde een klein hinkend vosje naar voren - die al jong door een havik is gegrepen maar zich in de lucht heeft weten los te rukken uit de klauwen van de vogel en op de grond is gevallen. Hij heeft echter een hoge prijs voor zijn vrijheid moeten betalen. Door de val zal hij nooit meer groeien of kunnen lopen zoals jij en ik. Klein en kwetsbaar verstopt hij zich in zijn holletje. Om te wachten op mij soms, de verrader die zijn schamele vachtje komt halen voor jouw jas?”
Zo ging Asgaard voort in wat als zijn Grote Rede de geschiedenis van de vossen is ingegaan. Van bijna alle vossen die daar stonden vertelde hij Paktar een verhaal dat eindigde met de vraag of de berggeest vond dat zijn of haar vacht moest worden gebruikt om een onderdeel van zijn mantel te maken. En telkens schudde Paktar zijn hoofd, steeds nadrukkelijker naarmate Asgaard verderging. Omstanders, vossen, marters, eekhoorns, zelfs hazen en konijnen en veel bosvogels in de bomen snikten bij het horen van Asgaards woorden. Uiteindelijk huilde de grote berggeest zelf. Toen besloot Asgaard:
- “Alleen van kippenveren kan ik een jas maken, niet omdat ik geen eerbied heb voor kippen, niet omdat zij niet evenveel recht hebben om te leven als al die anderen die ik heb genoemd, maar omdat kippen hun veren afstaan zonder dat zij daarvoor het leven hoeven te laten en zonder dat hun daarvoor een recht moet worden ontzegd dat jij jouw onderdanen hebt vergund.”
Paktar, het moet gezegd, toonde zich van zijn gevoeligste en rechvaardigste zijde - al mag je je afvragen wie na Asgaards toespraak niet gevoelig zou zijn geweest - toen hij zei:
- “Al weet ik zeker dat je me in de maling hebt genomen, Asgaard, je hebt ongetwijfeld ook veel dingen gezegd die waar waren en je hebt me laten zien dat mijn vraag onredelijk was. Ik ontsla je daarom van mijn verzoek en ben je zelfs dankbaar voor de levensles die je mij hebt geleerd. Vrede zij met jullie.” En met die woorden vertrok Paktar, de berggeest.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.





Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken