Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Anna en Erszebeth

“E r blijken twee catenae te bestaan ,” zei Alberon, “een goede en een kwade. Ik was bang dat er meer zouden zijn. Vanwege de machtsbelustheid van het kwaad had je er dan vanuit mogen gaan dat die andere catenae ook boosaardig geweest zouden zijn. Maar er zijn er vermoedelijk toch een paar verloren gegaan. Gelukkig maar, al zijn onze zorgen door die ene boosaardige groot genoeg.” Hij keek zijn toehoorders een voor een aan.
- “Misschien is het een geluk dat een catena een vrouwelijk attribuut is en dat vrouwen wat minder dan mannen geneigd zijn om zich voor het machtsstreven van de ketting te lenen. Misschien was het anders geweest als de ketting naast macht ook schoonheid had beloofd.” Alberon glimlachte. “Maar dat doet hij niet, voor zover ik weet. De vrouwen die hem hebben gedragen waren al mooi. Het waren de koninginnen van de nacht met hun wrede schoonheid. Maar juist doordat je van hen geen wreedheid verwachtte, was het effect nog veel groter. We kunnen hun bloedig spoor door de geschiedenis heen volgen. De ketting verbleef aan illustere hoven waar hij zijn eigenaresses aanspoorde tot overspel, intrige, moord. Steeds ging hij over op een nieuwe draagster die haar voorgangsters in het kwaad wist te overtreffen. En de catena kwam steeds dichterbij. De laatste die de ketting bezat en van zich deed spreken, zelfs nog meer dan haar voorgangsters, was gravin Erszebeth. Zij bezat kastelen niet ver hier vandaan. Het was een intelligente en ontwikkelde dame van hoge adellijke afkomst, rijk, machtig en waarschijnlijk verveeld. Haar echtgenoot was een roemruchte krijgsman die meer op het slagveld dan bij zijn vrouw thuis was te vinden. In die afgelegen en eenzame kastelen is bij afwezigheid van een echtgenoot, minnaar of minnares het huishoudelijk protocol het enige dat nog voor vermaak kan zorgen. Erszebeth begon behagen te scheppen in het martelen van haar dienaren en dienaressen. Dat was, afgemeten aan de heersende zeden, niet ongebruikelijk, maar bij Erszebeth zat er meer achter. Dat bleek toen Anna, de “heks van het woud”, zich op een kwade dag bij haar voegde. Ik heb al gezegd, meen ik, dat de catena over het vermogen beschikt zich te laten vinden. Hij had de hals van Lucrezia Borgia gesierd, was door een kamenierster meegenomen en na omzwervingen bij een boerin in de buurt van Anna terecht gekomen. Anna had, geleid door de maan die zij als een godin aanbad maar misschien meer nog door haar eigen gevoeligheid voor de aantrekkingskracht van het kwaad of door de onmerkbare invloed van Berchaël, de catena gevonden. Ik ken de wijze maan niet als een bron van wreedheid. Eerder nog vermoed ik dat Berchaël hierin de hand had, die de catena, wetend waar die zich bevond, rustig zijn laatste moordadige ontwikkelingsstap liet maken. Erszebeth en Anna verlustigden zich niet alleen in elkaar, maar ook in het martelen. Nu de catena zich in het huishouden van Erszebeth bevond en kon beschikken over haar macht, ontwikkelde hij zijn grootste kracht. Het martelen van dienaren en dienaressen begon te vervelen en daarom stelde Anna aan Erszebeth voor hun werkterrein uit te breiden tot de boerendochters uit de omgeving. Gelokt door het aanzien van het kasteel en zijn voorname bewoonster en gedwongen door de hardheid van hun bestaan kwamen die daar graag werken, zodat er een toeloop van jonge meisjes was. Dat was ook nodig, want zoals genot steeds om een hogere voldoening vraagt, vroeg martelen om meer dan alleen geseling. Om aan de veeleisendheid van de lust te voldoen, werden de slachtoffers vaak verminkt en gedood. De catena woedde in de razernij van de twee vrouwen die in een enkele nacht soms meerdere jonge meisjes wilden zien sterven. Misschien moet als vergoelijking voor Erszebeth worden aangevoerd dat de tijd waarin zij leefde werd gekenmerkt door oorlogen die met niets-ontziende wreedheid werden gevoerd. Martelen en dood waren aan de orde van de dag. Het lot dat de meisjes ondergingen verschilde daarom niet veel van wat hen te wachten had gestaan als zij in handen waren gevallen van de soldatenbendes die door het land trokken. Dat pleit Erszebeth en Anna echter geenszins vrij. Voor de catena was het in elk geval een vruchtbare omgeving om de hoogste graad van kwaadaardigheid te verwerven.”

Ze trok de lage deur achter zich dicht aan de ijzeren ring. De wind die om de hoeve woei kreeg vat op haar, wierp haar donkere haar op en leek haar rokken en mantel te willen afrukken. Ze stak het erf over en liep, bijna huppelend omdat de wind hier in haar rug stond, het paadje af dat naar het bos leidde. Ze had geen lantaarn maar gelukkig had ze die ook niet nodig. De harde wind veegde de hemel schoon zodat de wassende maan zijn stralen ongehinderd op aarde kon werpen en haar stappen op het pad kon bijlichten.
- “Oh maan, gezegend is je schijnsel,” prevelde ze. “Jij, die de nacht verlicht, het duister tot duister maakt, meer snoodaards hebt gekend dan de galg, meer dood hebt gezien dan leven, meer lust genoten dan fatsoen, schijn mij bij. Deze weg zal je bekoren. Je trouwe priesteres zal je niet teleurstellen.” Ze zwikte op haar lage boerenschoenen in de modder, maar ze merkte het nauwelijks. Ergens achter haar huilde een hond. De bomen van het bos wierpen wuivende schaduwen op op het pad voor haar. Ze liep langs het stukje hei met de eenzame den die volgens Ilona halverwege hun huisjes stond. Ze voelde in de zak van haar mantel, maar het kleinood zat daar nog steeds.
- “Maan, heb genade met haar. Ontvang haar in je bleke koninkrijk.” Ze lachte terwijl ze aan de vrouw dacht die ze in haar huisje had achtergelaten. De maan had haar aangewezen, alweer een paar maanden terug toen het nog volop zomer was geweest. Ze was langs haar, Anna's eigen huisje gekomen dat langs een zanderig pad in het bos stond, omgeven door wat bedden voor haar kruiden, en had zachtjes op de deur geklopt die net zo'n ijzeren ring had.
- “Wie klopt die gaat - wie gaat die klopt - voelt dus uzelve niet gestopt,” had Anna, die aan haar fornuis bezig was geweest met het mengen van kruiden, zangerig geroepen. Daarop was de deur opengegaan en was een vrouw binnengetreden. Het was een blonde, forse, jonge vrouw gehuld in een grove katoenen boerenjurk. Ze had een blozend open gezicht en ze droeg een mand die duidelijk maakte dat ze van de markt op weg was naar huis.
- “Ik ben Ilona. Ben jij Anna?,” had ze met zachte stem gevraagd.
- “Wel zeker,” had Anna, geantwoord, “Wat kan ik voor je doen?”
- “Men heeft mij verteld dat je mensen en dieren geneest,” zei Ilona.
- “Ik genees niet. Kennis geneest,” zei Anna terwijl ze haar bezoekster opnam, “maar ik heb mij inderdaad een deel van die kennis kunnen eigenmaken. Ga zitten.” Ze moest voorzichtig zijn. Een vrouw als zij die van genezen haar beroep had gemaakt werd makkelijk van hekserij beschuldigd. Maar Ilona kende ze wel, zoals alle mensen elkaar tot in de wijde omtrek kenden. De meesten waren arme boeren die naast de akkers die ze hadden gepacht van het kasteel dat een heel stuk verderop stond nog wat eigen grond bezaten waarop ze groenten verbouwden, een geit of koe hielden en een stuk of wat kippen lieten rondscharrelen. Ilona en haar man waren zulke boeren. Kinderloos, en dat zou het probleem wel zijn. Ilona nam plaats op een stoel aan de houten keukentafel en vertelde haar verhaal. Ze was de dochter van die-en-die die van daar-en-daar kwam en kamerjuffrouw van zus-en-zo was geweest. De gebruikelijke vertelsels waarmee de boerenbevolking zich eindeloos kon bezighouden. Alleen bij het woord “kamerjuffrouw” spitste Anna onmerkbaar haar oren.
- “Wil je nog wat drinken?,” vroeg ze. Ilona knikte en praatte ondertussen verder. Anna schonk twee bekers van een van haar brouwsels in, ging weer aan de tafel zitten en bekeek haar bezoekster aandachtig. Tussen de wat grove trekken die de boerenbevolking kenmerkte, twinkelden heldere ogen. Haar wangen waren rozig van de borstel of de grove linnen wasdoek en de bijenzeep waarmee ze zich waarschijnlijk regelmatig in haar houten tobbe waste en ademden frisheid uit. De huid op haar lichaam zou niet anders zijn. Om haar heen hing de eenvoud van een pas gemaaide, niet al te grote akker die volgend jaar waarachtig wel weer een nieuwe oogst zou opleveren, een kip die elke morgen een ei legde, een koe die zou kalven. De eenvoud van de voortplanting die alleen in haar geval niet goed had gewerkt. De jonge boerin beviel haar wel.
- “Geef dit aan je man en kom over een week bij mij terug,” zei Anna toen ze Ilona uren later uitgeleide deed en haar een zakje met kruiden aanreikte. Ilona was een week later bij haar teruggekomen. Een week was een zinloos tijdsvak omdat de werkzaamheid van de kruiden die ze had meegegeven daarin niet zou zijn vast te stellen, maar Anna had haar eigen redenen om Ilona weer gauw terug te willen zien en Ilona was niet verbaasd geweest.
- “Vertel nog eens over die kamerjuffrouw,” vroeg Anna terwijl ze de bekers volschonk. Ilona vertelde met graagte over haar oudtante die zich boven haar boerenafkomst had weten uit te werken om zo'n verheven beroep, waarvan de glorie generaties lang over haar familie zou uitstralen, bij een adellijke dame te gaan uitoefenen, over de handelingen die zij had moeten verrichten en over de voorwerpen die zij van haar meesteres had gekregen en die zij aan haar, Ilona, had nagelaten omdat haar beroep haar tot kinderloosheid had gedwongen, een groot offer voor een gezonde vrouw van het boerenland. Anna had begrijpend geknikt.
- “Kom over een week terug,” had ze na een paar uur gezegd. Ze keek haar na terwijl Ilona, niet helemaal vast ter been, het maan-beschenen zandpad afliep en in het donker van het bos verdween. Het leek alsof de maan glimlachte.

Zo was het een tijdje doorgegaan. Ilona was gekomen en Anna had de bekers ingeschonken. Ze hadden gepraat. Een keer was Ilona niet naar huis gegaan maar van haar stoel gevallen en waren ze gierend van het lachen in het enige bed beland dat er stond, tegen elkaar aan. De volgende morgen was ze nog voor zonsopkomst struikelend het zandpad afgerend, Anna achterlatend met de herinnering aan haar fris-geboende lichaam. Die week kwam ze niet aan de deur van het huisje langs het zandpad. Anna begreep dat ze haar met rust moest laten. Maar halverwege de week die volgde won Anna's ongeduld het van haar verstand. Aan het begin van de avond trok ze de huisdeur achter zich dicht en ging linksaf het zandpad op in de richting waarin ze Ilona zo vaak had zien verdwijnen. Ze liep door het bos, passeerde het stukje hei met de eenzame den die volgens Ilona precies halverwege haar huis en dat van Anna stond, ging aan de overzijde weer het bos in en kwam na geruime tijd bij de grens van het bos en een gebied met hoofdzakelijk akkers en weilanden waar een paar kleine hoeven stonden. Ze vroeg zich af waar Ilona woonde toen de deur van een van de hoeves werd geopend en een vrouw naarbuiten kwam. Ze liep haastig het pad naar het bos op. Haar blonde haren wapperden in de wind en ze had een wollen omslagdoek om zich heen geslagen.
- “Ilona,” zei Anna.
- “Anna,” riep Ilona uit. Ze liep op Anna toe en stortte zich in haar armen.
- “Kom maar, kindje,” zei Anna troostend. Ze voerde haar mee terug naar haar eigen huis hoewel dat meer dan een uur gaans was. Onderweg vertelde Ilona dat haar man ziek was geworden. Anna vroeg wat de verschijnselen waren en knikte begrijpend. Laat die avond vertrok Ilona weer met wat kruiden voor haar zieke man.
- “Dag Anna, tot volgende week.”
- “Dag schat, tot gauw.”
Halverwege de volgende week werd er 's nachts hard op de deur van Anna gebonsd. Het was een buurjongen van Ilona die Anna kwam halen omdat het heel erg slecht met de man van Ilona ging. Ze schoot haastig een jurk en een mantel aan, griste wat kruiden bijelkaar en volgde de jongen. Ze vond Ilona bij het bed van haar man. Anna zag dat hij stervende was. De koorts had de jonge boer stevig te pakken en danig uitgeput. Bovendien kreunde hij van de pijnen die in zijn ingewanden heersten. De patiënt was te verzwakt om weerstand te bieden aan de krampen die door zijn lichaam schoten. Ilona bette zijn voorhoofd dat hoog in de kussens lag. Hij had zelfs Anna niet in de gaten die tegenover Ilona aan zijn bed kwam staan.
- “Kun je iets voor hem doen?,” vroeg Ilona smekend en hopend. Anna voelde zijn pols, keek in zijn keel, onder zijn oogleden en schudde haar hoofd. Toen pakte ze haar kruiden, kookte ze op het fornuis en goot het afgietsel na afkoeling in zijn keel. De zieke leek daarna tot rust te komen. Maar de koorts week niet en toen de zon zich met een rode gloed aan de oostelijke hemel meldde, strekte de boer zich in een vernietigende pijnkramp en blies de laatste adem uit. Ilona was ontroostbaar.
- “Ik heb hem verraden en dit is de straf voor mijn zonde,” klaagde Ilona huilend aan de borst van Anna.
- “Onzin,” zei Anna, “liefde is zonde noch verraad. Het enige verraad was zijn onvermogen een kind bij je te verwekken.”
Anna ging terug naar haar huisje. Ze vermeed de begrafenis. Op zo'n moment onder buren en nabestaanden verkeren zou alleen maar praatjes opleveren. Ze wachtte een week en daarna nog een en onderdrukte de aanvechting de liefde van Ilona te smaken door deze te gaan ophalen. Pas na drie weken ging zo opnieuw het zandpad af, passeerde de eenzame den en bereikte het huisje van Ilona. Ze liet de ring op de deur vallen en wachtte. Toen Ilona opendeed en Anna zag staan, trok ze haar zwijgend en bijna bruusk naarbinnen, sloot de deur en liet zich tegen haar aanvallen. Tranen liepen over haar wangen.
- “Ik heb je zo gemist,” zei Ilona.
- “Ik jou ook,” zei Anna, “maar het was beter dat zo.” Anna bleef de volgende dag en de dagen daarna. 's Avonds lagen lagen ze tegen elkaar aan in het bed waarin kort tevoren de boer was gestorven. 's Morgens stonden ze op, haalden de eieren onder de kippen vandaan, molken de geit, wiedden wat onkruid uit de zanderige groentenbedden. Ilona lachte weer. Anna liep over de akker en keek naar de keurige rechte voren.
- “Hij heeft de akker nog ingezaaid,” zei Ilona, “we zullen het volgend jaar zelf moeten doen.”
We – ze denkt dat ik blijf, dacht Anna. Ze denkt dat ik me hier ga vestigen en voor de rest van mijn leven genoegen neem met een bestaan in dit armzalige boerenkot. Ze denkt dat ik nooit genoeg krijg van haar en haar geboende lichaam.
- “Laat eens zien wat je van je tante hebt gekregen,” vroeg Anna die avond toen ze bijelkaar aan de tafel zaten. Ilona lichtte een vloertegel naast het fornuis dat tevens de kachel van de ruimte was. Daaronder was een kleine uitsparing in de aangestampte grond waarin een houten kistje stond. Ze tilde het er voorzichtig uit en zette het op de tafel onder de walmende olielamp. Behoedzaam opende ze het met boerse motieven bewerkte deksel. In het kistje lagen een paar eenvoudige sieraden en een opgerold vel papier met een rood lint er omheen dat ze er voorzichtig uitnam.
- “Hierop staat een getuigschrift,” zei ze. Het schoot door Anna heen dat Ilona analfabeet moest zijn. Hoe zou ze in deze omgeving hebben kunnen leren lezen en schrijven? Waarvoor zou het trouwens hebben gediend, dacht ze er onmiddellijk achteraan. Waarschijnlijk bevatte dit document de enige geschreven tekst uit de wijde omtrek. Ilona legde de rol met een mengeling van liefde en eerbied weer terug in de kist. Daarop pakte ze het pronkstuk, een metalen armband die geheel was verguld. Anna bekeek hem aandachtig, liet haar wijsvinger over de decoraties glijden en gaf hem weer aan haar terug. Er volgden nog een armband, een broche en een eenvoudig halssnoer. Anna liet de kleurige en glasachtige stenen als de kralen van een rozenkrans door haar handen gaan alvorens het snoer weer aan Ilona te geven die het teruglegde en het kistje sloot.
- “Mooi,” zei Anna. Ilona knikte dankbaar voor deze erkenning van haar kostbaarste schat, zette het kistje voorzichtig terug op zijn plaats in de grond en schoof de vloertegel er weer overheen.
Die nacht hadden zij elkaar bemind, als zovele nachten daarvoor. Ilona was daarna snel in slaap gevallen, in de veilige beschutting van het warme lichaam van Anna. Het was kouder geworden en de wind plukte aan het huis en het rieten dak. In haar slaap had ze nog een paar onverstaanbare woorden gepreveld. Toen had Anna zich opgericht, voorzichtig om haar niet te wekken. Ze had de zak met kippenveren gepakt die als haar hoofdkussen diende, deze opgeschud en daarna bijna liefdevol maar desondanks dodelijk beslist op het gezicht van de slapende vrouw gedrukt. De krans van blond haar dekte haar gezicht toe als een lijkwade. Daarna was ze naar het fornuis gegaan, had de vloertegel opzijgeschoven, het kistje eruit genomen, een van de voorwerpen gepakt en alles weer op zijn plaats teruggezet. Vervolgens was ze de deur uitgegaan en had deze achter zich dichtgetrokken.
- “Maan, wees haar genadig.” Ze passeerde de eenzame den halverwege haar en Ilona's huisje. Ze kwam bij haar eigen huisje maar liep het voorbij. Tussen de voortjagende wolken door scheen de maan bijna helwit op het dak. Ze was vergeten het luik voor het enige venster te sluiten, maar liet het zo. Ze had nu geen tijd. Bij de kruising, een uur verder, nam ze de weg naar het kasteel. Het was laat toen ze de berg beklom die naar de poort leidde. Uit een van de ramen van het hoofdgebouw schemerde nog wat licht. Ze liet de zware bronzen klepper op de grimmig gesloten houten poort neerkomen. Het duurde lang voordat ze gestommel aan de andere kant hoorde en een getralied luikje werd geopend.
- “Wie is daar?,” vroeg een mannenstem.
- “Anna Darvulia voor gravin Erszebeth,” zei ze.

Gravin Erszebeth Bathory stond bij de haard in een grote zaal. De hoge gothische ramen waren met gordijnen gesloten. Aan de uit natuursteen opgetrokken wanden bevonden zich kunstig bewerkte houten lambrizeringen, fraai ingeweven taferelen en schilderijen in gouden lijsten. Aan het als een kerkgewelf gemetselde plafond hingen luchters met talrijke kaarsen die de langwerpige ruimte verlichtten. Op de vloer met zijn diagonaalsgewijs gelegde tegels lagen dikke kleden. In het midden van de zaal stond een grote gebeeldhouwde eikenhouten tafel met daaromheen talrijke stoelen. Het eikenhouten bovenblad van de tafel was ingelegd met motieven die van lichtere houtsoorten waren gemaakt. De schouw waaraan de gravin stond was vervaardigd van gebeeldhouwd zwart-dooraderd marmer. Het kozijn van de deur waardoor Anna was geleid was een toonbeeld van monumentaal houtsnijwerk, al kon ze dat niet zien omdat ze er met haar rug naartoe stond. De wind, die in de loop van de avond en de nacht was aangewakkerd, deed het vuur in de haard af en toe vonkend oplaaien. Het geluid van de storm, die om de torens en kantelen kierde en gierde, drong zelfs tot in deze ruimte door.
- “Wat?” zei de gravin vragend terwijl ze haar hoofd ophief. Ze was mooi. Ze droeg haar zwarte haren achterovergekamd onder een op een tulband gelijkende muts die haar fijn-getekende gezicht met de donkere, heerszuchtig vlammende ogen goed deed uitkomen. Haar hals ging over in een grote kanten kraag die naar de heersende mode tot ver achter haar hoofd reikte. Daaronder droeg zij een jak dat aan de voorzijde in ruime steken werd bijeengehouden door een rijgsnoer. Aan de onderzijde ging het jak over in een rijk-opbollende wade van fijne donkerrode stoffen die haar jurk vormden. De eveneens ruim opbollende mouwen liepen toe in manchetten boven een paar slanke handen die met fraaie ringen waren getooid. Mooi en voornaam, dacht Anna.
- “Wat?,” vroeg ze nog een keer.
- “Dit is de vrouw Anna Darvulia die belet vroeg, hoogheid,” zei de bediende.
- “Dat het een vrouw is, zie ik,” zei de gravin korzelig, “maar wat komt ze zo laat doen?” De bediende keek vragend naar Anna en vervolgens weer naar de gravin.
- “Ze komt omdat ze is gezonden door de maan,” zei Anna. Ze liet haar stem zacht en beschaafd klinken, anders dan het boerse dialect. Ze wist dat de gravin een hekel had aan de ruwe plattelanders met hun gebrek aan manieren en hun onverzorgdheid die alleen maar een smet op haar schitterende staat konden werpen of, erger nog, haar besmetten met de ziektes die onder hen heersten. Het was nog niet zo lang geleden dat onder hun door talloze oorlogen gedunde en door hongersnood verzwakte aantallen de Zwarte Dood had rondgewaard.
- “Welk recht denkt de maan te hebben dat de zon niet heeft? Komt hij hier schijnen in de gedaante van een haveloze boerin? Wee de maan, als hij niet beter heeft dan zulke povere afgezanten. Zeg waarvoor je komt, vrouw, en ga dan weer.”
- “Het is nog erger dan dat, hoogheid,” zei Anna. “De maan heeft zich niet tot mij gewend vanwege mijn mooie kleren, maar vanwege mijn kennis. Ik ben geen boerin, maar de heks van het woud.”
- “Ah, nog mooier.” De donkere ogen van gravin Erszebeth leken op te vlammen.
- “De maan heeft mij bovendien opgedragen u niet in het kort het doel van mijn komst toe te lichten omdat die niet toe te lichten is, maar om u te bekoren,” zei Anna.
Gravin Erszebeth keek haar verbaasd aan.
- “Ik kom om u macht te bezorgen. Uw vrouwelijkheid belet u niet hard te zijn en uw vijanden te verslaan, wel om van uw macht te genieten,” vervolgde Anna.
- “Ik ben een telg uit een geslacht van koningen en prinsen. Ik hoef geen macht van een bleke, voyeuristische hemelschijf. Ik ben almachtig in grote delen van mijn rijk. Ik onderhandel met sultans en Habsburgers zonder een teken van zwakte en zonder hun bekoring te behoeven. Wat kan de maan mij geven dat ik niet al heb?” Gravin Erszebeth keek de vrouw aan die bij de deur stond. Het woord “heks” had haar aandacht getrokken. De heksen die ze kende hadden zich allemaal beter kunnen uitdrukken dan het gewone volk van boeren en landarbeiders. Ze hadden occulte boeken gelezen, waren onderwezen door wijze voorgangsters en hadden hun bekwaamheden gescherpt in duistere samenkomsten. Maar deze vrouw leek de anderen die ze kende te overtreffen.
- “Macht is niet alleen overheersing. Macht is ook het vermogen te genieten. De maan verlicht uw nachten op de wijze waarop een goede minnaar dat doet. Waar de zon u warmte geeft, biedt de maan u de gloed van het genot. Als u uw onwillige onderdanen tuchtigt, geeft zij u de verlichting van de genoegdoening. Als uw dienaar ongehoorzaam is, geeft de maan de bevrediging van de straf,” besloot Anna. De maan had haar goed geïnstrueerd. De woorden van Anna misten hun uitwerking niet bij gravin Erszebeth. Alleen een welhaast goddelijk wezen kon het heimelijk genoegen kennen dat de gravin beleefde bij het straffen van haar personeel. Ze had de sensatie ervaren die het toedienen van lijfstraffen had opgeroepen. De kreunende bediende wiens ontblote bovenlichaam werd gegeseld of – nog liever, wat haar betrof – de om genade smekende naakte kamenierster.
- “Ah, mij is de harde hand verweten waarmee ik mijn huishouden bestier,” zei gravin Erszebeth.
- “De maan schenkt u vergiffenis. Als u uw dienarenen en onderdanen behoedt voor de Habsburgse horden die elders het volk tot in de wouden, de heuvels en de bergen najagen waar het grote ontberingen lijdt en opgejaagd, gemarteld en verbrand wordt en zij zijn dan nóg ongehoorzaam, dan gunt de maan u het recht van de wraak en neemt het u zelfs niet kwalijk als de genoegdoening u het adellijk voorrecht van het genot schenkt. Ik ben slechts het instrument van de maan om u daarbij van dienst te zijn.” Gravin Erszebeth glimlachte.
- “Geef Anna een kamer en schone kleren. Zorg dat ze in bad kan. Maak haar mooi. Ze blijft voorlopig hier,” zei ze tegen de bediende die nog steeds achter Anna bij de deur stond, en tot Anna:
- “Je bent hier immers om mij te bekoren. We zullen zien.”

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken