Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Achilles

M

isschien was het de vermoeidheid die ze onoplettend maakte en hun zintuigen voor de nabijheid van anderen verdoofde. Anders kan niet verklaard worden waarom ze met z'n allen niet voorvoelden wat er ging gebeuren. Opeens kreeg Loeban, die voorop liep, zo'n ongelooflijke dreun tegen zijn flank dat hij een zijwaartse koprol maakte en meters verder op de harde rotsgrond terecht kwam. Voordat hij van zijn schrik kon bekomen, kreeg hij opnieuw een geweldige oplawaai die hem nog een stuk verder over de bodem deed schuiven. Toen hij in de richting keek waaruit hij werd aangevallen, zag hij alleen een stel reusachtige gekromde hoorns die zijn kant uitwezen en de gestalte van zijn aanvaller vrijwel geheel afdekten.
- “Ho,” riep Gurd, “stop. Wij zijn vrienden.”
Of het kwam doordat de aanvaller nu pas in de gaten had dat er meer wolven waren, of doordat Gurd het woord “vrienden” gebruikte, maar hij aarzelde even om Loeban de fatale stoot toe te brengen waarvoor hij zijn horens nog dieper had laten zakken zodat de dodelijke punten zijn richting uitwezen.
- “Alberon,” gilde Malin die achter Gurd aankwam. “Bent u Achilles?” Het leek alsof de steenbok zijn kop enigszins ophief waardoor in elk geval de punten niet meer op Loeban wezen die nog steeds enigszins wezenloos op de grond lag maar snel overeind kwam, al zorgde hij ervoor een flinke afstand tot de horens te bewaren. De flank waar de horens hem hadden geraakt deed flink pijn.
- “Alberon, vrienden,” riep Malin weer. De steenbok draaide zijn kop met de nog steeds naar voren wijzende horens langzaam in haar richting.
- “Dit is voor het eerst,” zei hij met een diepe snuivende stem, “dit is voor het eerst dat ik wolven zichzelf vrienden hoor noemen. Alsof ik de vos hoor zeggen dat hij de vriend van de kippen is.”
- “Bent u Achilles, de steenbok?,” vroeg Gurd. De steenbok snoof.
- “Vragen jullie tegenwoordig eerst naar de naam van degenen die jullie willen gaan opeten?”
- “We willen je helemaal niet opeten. Wij zijn vrienden,” zei Gurd.
- “Nee, we vinden je niet eens eh...,” zei Lasja. Hij had er nog “lekker” aan willen toevoegen maar bedacht dat het misschien niet zo'n gelukkige opmerking was. Malin siste hem toe dat hij z'n mond moest houden.
- “Ah, de nieuwe benadering. We zijn vrienden. Laten we gezellig met z'n allen wat gaan eten. Steenbok bijvoorbeeld. Hoe heet je, steenbok?”
Hij werd zo kwaad van zijn eigen woorden dat zijn horens weer vervaarlijk zakten. Hij snoof en zijn hoef schraapte ongedurig de grond alsof hij op elk moment los kon gaan, dit keer op Gurd.
- “Alberon heeft ons gestuurd,” riep Malin wanhopig. Ze zag de enige mogelijkheid die hen over de Magarpas kon brengen door een onbezonnen uitval het leven laten tussen de tanden van Gurd die om het zijne te redden van zich af zou moeten bijten.
- “Wie?,” vroeg de steenbok toen.
- “Alberon,” riepen de wolven in koor.
De steenbok aarzelde en hief zijn kop opnieuw enigszins op, ditmaal om na te denken. Dat scheen hem moeite te kosten.
- “Oh, Alberon,” zei hij na enkele ogenblikken. “Dat zegt me wel iets, ja. Weet je, ik heb zo veel aan het hoofd in dit seizoen. De vrouwtjes, snap je. Ik krijg er hoofdpijn van.”
Hij dacht opnieuw enkele ogenblikken diep na. Toen liet hij zijn kop weer snuivend zakken. Er was hem weer iets onaangenaams te binnen geschoten.
- “Iedereen kan wel zeggen dat Alberon hem heeft gestuurd. En wat zei die d'r bij, die Alberon? Daar en daar kun je lekker steenbok eten? Zeg maar dat ik je heb gestuurd, dan werken ze wel een beetje mee? Of is mijn vlees soms malser als je van tevoren eerst een paar maal luidkeels “Alberon” hebt geroepen?”
Hij leek zich weer geweldig op te winden en zijn horens wezen opnieuw dreigend in hun richting.
- “Hou op,” zei Malin. “U weet toch wie Alberon is. Als we u hadden willen aanvallen, hadden we dat al lang gedaan. Alberon heeft ons op een belangrijke missie gestuurd en vraagt u om ons te helpen.”
De logica in haar woorden ontging de steenbok niet en hij richtte andermaal zijn kop weer op. Het was een fors en gespierd dier. Zijn vacht was op de rug donkerbruin maar werd naar de buik toe steeds lichter. Aan het eind van zijn rug zat een tamelijk korte staart. Vooral zijn achterpoten, die hij gebruikte om te klimmen en te springen, zagen er krachtig uit. Zijn schouder bereikte, ondanks het feit dat zijn voorpoten korter waren dan zijn achterpoten, minstens de hoogte van een flinke wolf en daarboven uit staken zijn korte, krachtige hals en de gigantische, naar achteren gerichte horens. Deze stegen als boomstammetjes uit zijn vrij kleine kop op, kromden zich en liepen uit in een venijnige punt die tot halverwege zijn rug reikte. Zijn horens waren zo lang dat de punten alleen naar een aanvaller konden worden gekeerd als hij zijn kop helemaal tussen zijn stevige voorpoten had getrokken. Omdat hij dan naar achteren keek in plaats van voor zich uit en dus nooit iets zou kunnen raken, stootte een steenbok niet met de punt maar met de geribbelde voorzijde van zijn horens en daaraan dankte Loeban zijn leven.
- “Helpen?,” vroeg hij, terwijl hij ze aankeek. Onder zijn kin droeg hij een klein sikje dat zijn kop ondanks de hoorns een welhaast goedmoedige uitdrukking gaf. Laerke kreeg bijna medelijden met hem omdat hij altijd zo'n gewicht moest dragen en vroeg zich af hoe zulke grote uitgroeisels uit zo'n kleine kop konden komen.
- “Ja,” zei Malin, bang dat de gedachten van de steenbok weer op hol zouden slaan, “wij zijn op doorreis. Wij moeten naar de overkant van het Paktargebergte.” Ze vertelde dat het doel van hun reis aan de andere zijde van de bergkam lag, maar dat ze de Magarpas niet konden gebruiken omdat die was afgesloten. Daarom had Alberon hun gezegd naar Achilles te gaan die ze een andere weg kon wijzen.
- “Dus jullie horen niet bij die zwarte wolven aan de andere kant van de bergen?,” vroeg de steenbok. Het was duidelijk dat hij niet tot de allersnuggerste dieren van het gebergte behoorde. Misschien was dat een foutje in de schepping van de hele soort geweest, of misschien van hem alleen. Dat was de reizigers nog niet helemaal duidelijk.
- “Nee,” zeiden ze ongeveer allemaal tegelijk.
- “We zijn toch niet zwart?,” vulde Lasja daarbij aan.
Dat moest de steenbok toegeven: ze waren niet zwart.
- “Alberon, wat vraag je van me?,” zei hij klagelijk terwijl hij met zijn kop schudde. “Ik ben inderdaad Achilles. Maar ik kan jullie die weg niet wijzen. Aan beide zijden zijn wolven. Hier jullie, de goede onder jullie niet te na gesproken, daar zwarte wolven. Alleen in het hooggebergte zijn wij veilig. De enige plaats waar wij, mijn gezin en ik, vrij en onbekommerd kunnen grazen, mag ik niet verraden.”
Hij vertoonde een wat theatrale inslag, die Achilles.
- “Wij komen hier niet vandaan,” zei Gurd. Hij legde de steenbok uit dat ze van zowat het verst afgelegen punt van het Paktargebergte afkomstig waren en daar weer zo snel mogelijk naartoe wilden terugkeren. “Dus,” besloot hij, “van ons heb je nooit last gehad en zul je ook nooit last hebben.”
- “En buiten dat, waarom zijn jullie veilig in het hooggebergte?” vroeg Malin en ze gaf zelf het antwoord. “Omdat wolven daar niet komen. Omdat we geen enkele reden hebben zo hoog te klimmen. Niet omdat wolven niet weten dat jullie daar zitten. Dus je verraadt ons niets dat we niet al wisten.”
- “Omdat jullie daar niet kunnen komen,” verbeterde Achilles. “De weg er naartoe is alleen voor steenbokken begaanbaar. Ik zie jullie niet van rotsblok naar rotsblok springen en al helemaal niet met vier poten tegelijk zigzag-springend een kloof afdalen. Daar heb je onze hoeven voor nodig. Bovendien kunnen alleen wij daarboven leven. Ik denk niet dat jullie mos of berggras lekker vinden.”
Gurd keek hem aan.
- “Beste Achilles, we móeten naar de overkant en we kunnen niet langs de Magarpas omdat we daar worden opgewacht. We moeten dus wel jouw weg volgen, of we dat kunnen of niet. Breng ons alsjeblieft naar de overkant en kies als het kan een weg die voor ons een beetje begaanbaar is. We zijn op geen stukken na zulke goede klimmers als jij. Het enige dat ik nog kan zeggen is dat we vaker voor hete vuren hebben gestaan. Alberon zal je dankbaar zijn en waarschijnlijk alle bewoners van dit bergland.”
- “Goed, maar kunnen jullie niet een maandje wacht of zo. Zie je, de vrouwtjes. Er wordt wat van mij verwacht. Er staat een hele rij onderkruipers klaar. Als ik niet uitkijk heb ik straks allemaal rare kinderen. Daarom moet ik stoten, stoten, en daar krijg ik koppijn van.”
- “Stoten?,” vroeg Laerke.
- “Ja, hij bedoelt vrouwtjes stoten met z'n eh .. dinges,” zei Malin, die graag wat wereldwijzer was. De anderen zwegen, maar de steenbok doorbrak hun verlegenheid.
- “Dat ook, natuurlijk,” zei de steenbok, “maar daar krijg je niet zo'n koppijn van. Hoogstens honger. Nee, Ik moet mijn rivalen wegstoten. Daar heb ik deze horens voor. Die zien er vervaarlijker uit dan ze zijn, hoor. Meestal stoten we met onze koppen tegen elkaar. Dat is voor één zo'n onderkruiper niet zo erg. Maar ik moet ze allemaal laten zien wie de baas is. En, geloof me, daar krijg je na numero zoveel een geweldige koppijn van.”
- “Misschien kunnen wij helpen,” zei Gurd.

De steenbokken verzamelden zich gewoontegetrouw aan de rand van het bos om in de schemering te eten en te drinken. Achilles waakte over zijn geiten, zijn “vrouwtjes” zoals hij ze noemde, en zorgde ervoor dat ze bij elkaar bleven. De bokken stonden wat verderop, zwierven onrustig rond en kruisten af en toe de hoorns met elkaar. Soms kwam er een wat dichter in de buurt van Achilles die dan snuivend op hem kwam afgestoven, de horens vooruit gericht. Meestal verdween de onderkruiper weer, maar soms bleef er een overmoedig staan. Achilles hield zich dan vlak voor hem in en liet goed zien hoe groot hij was en hoe formidabel zijn hoorns. Als de ander daarvan nog niet onder de indruk was, volgde er meestal een gevecht waarbij ze met een akelig gekraak de hoorns tegen elkaar stootten. Steeds waren het dan niet zijn hoorns, maar was het Achilles' krachtige lichaam dat de doorslag gaf. Daarmee drong hij zijn rivaal naar achteren, steeds sneller, totdat deze het contact verbrak omdat hij harder achteruit ging dan hij was komen aanlopen en je nu eenmaal beter kunt vluchten met de kop naar voren.

Deze avond leek er een als alle voorgaande en Achilles had reeds een aantal onderkruipers verdreven, toen er opeens paniek uitbrak onder de bokken die uiteen stoven, achtervolgd door grijze wolven die van alle kanten opdoken. Achilles slaagde er met moeite in zijn vrouwtjes rustig en bij elkaar te houden. Toen een paar grote wolven hun kant uitkwamen, ging Achilles snuivend en met gevelde hoorns op hen af, alsof het een stel opdringerige rivalen waren. De wolven zagen de aanstormende steenbok met zijn moordadige hoofdtooi op zich afkomen, draaiden zich om en kozen het hazenpad. Even later keerde triomfantelijk bij zijn geiten terug. Hij had geschiedenis geschreven. Nog nooit had een steenbok in zijn eentje een meute wolven verjaagd.

Ze zouden elkaar later en een stukje verderop treffen, de wolven en Achilles. Gurd had zijn wolven op het hart gedrukt goed te eten omdat ze daarvoor de komende dagen geen gelegenheid meer zouden hebben. Ze hadden zich te goed gedaan aan een flink hert dat ze hadden aangetroffen toen ze terugkeerden van hun theaterstukje bij Achilles en de zijnen.
- “Nu niet meer over eten praten,” zei Gurd toen ze klaar waren. “Alles wat we daarover zeggen is fout en onze Achilles is een gevoelig type.”
- “Ik ben ook een gevoelig type,” zei Loeban. “Mijn ribben zijn nog steeds erg gevoelig dank zij dat andere gevoelige type.”
- “Zo gevoelig vond ik hem niet toen hij op ons af kwam,“ zei Malin. Ik geloof dat alle haat die hij zijn leven lang als prooidier heeft ontwikkeld er in die dolle aanval uitkwam. Ik moet er niet aan denken wat er had kunnen gebeuren als we waren blijven staan.”
- “Het zal me benieuwen hoe we onze triomfator straks aantreffen,” zei Lasja, “de vrouwtjes, weet je wel. Hij zal zijn overwinning wel hebben gevierd.”
- “Ja, maar met minder koppijn, zou ik denken,” zei Loeban, “die onderkruipers zijn de eerste tijd nog steeds hardlopend op weg naar de overkant.”
Het geluid van wegglijdende kiezels en zacht getrippel op de harde rostbodem kondigde de komst van Achilles aan en even later stond de steenbok tussen hen in. Zijn overwinning had hem zelfvertrouwen gegeven.
- “Klaar?,” vroeg Gurd. Hij bedacht te laat hoe dubbelzinnig zijn opmerking zou kunnen overkomen.
- “Dat kun je wel zeggen, ja,” zei Achilles.
- “Laten we dan maar gaan,” zei Gurd.
Achilles ging voorop. Het eerste deel van hun tocht ging over tamelijk gelijkmatig klimmend terrein. Voor hen doemde de donkere rand van een bos op. Toen Gurd merkte dat Achilles om het bosgebied wilde heentrekken, ging hij naast hem lopen.
- “Ik snap dat je bos vermijdt, maar met ons erbij hoef je je daar geen zorgen te maken. Geen wolf zal je een haar krenken,” zei hij.
- “'t Zijn niet alleen je soortgenoten, maar tussen de bomen moet ik met mijn horens uitkijken. Maar je hebt gelijk. We kunnen er dwars doorheen. Dat scheelt tijd,” zei Achilles en hij verlegde zijn koers.
- “Des te sneller ben je weer bij je vrouwtjes terug,” zei Gurd.
Ze gingen door het bos dat de grens van de begroeiing bleek te zijn. Ze passeerden de laatste stammen, ploegden over een wal van morenen en stenig puin en zagen een kale berghelling voor zich met een bedekking van alpengras waarop zich alleen een paar lage struiken bevonden. Hier en daar stak uit het groene tapijt een rotspunt die in het maanlicht en tegen de heldere hemel witgrijs oplichtte. De eerste helling was eenvoudig. Het was slechts de voorbode van de de pieken die hen te wachten stonden en waarvan de schaduwen en lichtende vlakken verderop tegen de nachtelijke hemel zichtbaar waren. Naarmate ze hoger klommen konden ze zien hoe goed Achilles voor dit terrein was toegerust en met soepele sprongen de helling besteeg. De steenbok trok onder de top van de berg door die bedekt was met de eerste sneeuw van het seizoen. Daarachter ging de berg verder als een lange kam in de richting van nieuwe hindernissen die grimmig als de tanden van een onregelmatige en scherpgepunte zaag voor hen opdoemden. Gurd bedacht dat als het licht was geweest ze op deze helling nagenoeg onbeschut waren en door elke vogel zouden kunnen worden gezien. Daar zou niet veel aan te doen zijn, overwoog hij. Het dak van de wereld is als alle daken het domein van de vogels.

De eerste klippen doken op, glanzend in het maanlicht. Het waren rotsformaties die er van een afstand als een lidteken in de kam uitzagen, maar dichterbij naakte, tegen elkaar aangeworpen lagen rots bleken te zijn waarvan het doel maar een ding leek te kunnen betekenen: iedereen die over de kam ging de doorgang te beletten. Achilles liep doelbewust naar een lager gedeelte van de kam en beklom de eerste rotsen. De wolven sprongen achter hem aan. Er volgden meer richels en daarna kwam een diepe kloof. De steenbok stond op een uitstekend stuk rots terwijl de donkere insnijding zich onder hem naar beneden stortte. Vlak tegenover hem, een luttele sprong verder maar over een inktzwarte gaping van honderden meters diepte, stak een stuk rots uit de tegenoverliggende wand. Het stuk steen was door weer en wind gepolijst en zag er akelig glad uit. Gurd kon niet zien hoe de weg zich daarna voortzette. De steen leek een roemloos eindpunt halverwege de tegenoverliggende wand. Beelden van de tocht met Jonas doemden op, maar toen was het dag geweest, de weg was ondanks een paar hiaten duidelijk zichtbaar en Jonas was een wolf als zij. Wat die kon, konden zij ook. Maar hoe zat dat met steenbokken? Er maakte zich enige ongerustheid van hem meester. Hij had alle bezwaren van Alberon en Achilles weggewuifd, maar was dat terecht? Het zou moeten blijken.
Achilles wachtte tot de anderen bij hem waren.
- “Ik zal jullie voordoen hoe het moet,” zei hij toen de wolven achter hem stonden. “Spring op die rotspunt daar,” hij knikte in de richting van de punt tegenover hem, “zet je poten alle vier als een trosje jonge narcissen in het midden van de steen bij elkaar, draai je om en spring terug, alleen nu in opwaartse richting, dus naar boven. Als je goed kijkt zie je boven je oren tegen de wand waar we nu staan een volgende richel.”
Inderdaad bleek in de schaduwzijde van de wand boven hen nog een uitsteeksel te zitten.
- “Daar kun je niet op staan,” vervolgde Achilles, “maar als je je poten goed bijelkaar houdt kun je die richel wel gebruiken om je op af te zetten voor de volgende sprong. Die is, net als de eerste, weer schuin omhoog gericht, naar een volgende richel die weer dient als afzet voor je derde sprong.” Ze zouden dus vanaf de steen naar hun eigen wand moeten terugspringen, alleen een stuk hoger, en zo zigzaggend naar boven moeten zien te komen.
- “Jemig,” zei Malin.
- “Benut je sprongsnelheid en de veerkracht in je poten, vooral je achterpoten. Land op je voorpoten, trek je achterpoten bij en laat die zich in een vloeiende beweging als een springveer afzetten voor de volgende sprong.”
Achilles sprong bedaard naar het midden van de eerste steen. Het was duidelijk dat hij hier in zijn element was. Op de steen draaide hij zich om naar de wolven en sprong bijna vertraagd naar de in de duisternis vrijwel onzichtbare volgende trede boven hun hoofd, wachtte daar niet maar bracht zijn poten bij elkaar, zette opnieuw af en ging zo in een vloeiende beweging direct door naar de daaropvolgende trede langs de tegenoverliggende wand, gebruik makend van de snelheid die hij bij zijn eerste sprong had ontwikkeld. Zo bereikte hij in vijf sprongen de bovenrand van de kloof waar hij uit hun gezicht verdween.
- “Jemig,” zei Malin nogmaals.
De anderen zwegen. Niemand durfde te zeggen dat het een onmogelijke opgave voor een wolf was. Niemand verroerde zich. Niemand wilde de eerste zijn die de sprong zou wagen of er vandoor gaan. Gurd begreep dat er nu meer leiderschap dan ooit van hem werd verlangd. Hij liep de rotspunt op waar Achilles had gestaan.
- “Dit is een makkie,” zei hij. “Vijf sprongetjes en we kunnen weer verder.” Hij keek nog een keer omhoog in de spleet. Als hij goed tuurde, zag hij hier en daar een uitsteeksel. Als Achilles het niet had voorgedaan, was hij er nooit aan begonnen.
- “Hoera,” riep hij en sprong. Hij deed het enigszins zijwaarts zodat hij niet helemaal hoefde te draaien en zijn vaart kon gebruiken voor de volgende sprong. Zijn tenen vonden houvast op de gladde steen, net genoeg voor een nieuwe afzet, dacht hij, en ging door. Of het door de angst voor het zwarte gat onder hem kwam of door de kracht in zijn achterpoten, maar hij bereikte de richel boven de kop van de wachtende wolven die hem nastaarden, hing een ogenwenk bijna schuin tegen de wand voordat zijn tenen opnieuw grip vonden, liet zich door zijn achterpoten zakken en sprong opnieuw, nu naar een richel die hij nauwelijks kon zien maar die er gelukkig wel bleek te zijn. Deze was net als de vorige niet meer dan een randje, amper breed genoeg voor een trosje erg jonge narcissen dacht hij grimmig terwijl hij opnieuw afzette naar het volgende glimpje langs de andere wand. Zo, bijna blindelings heen en weer springend en meer gedreven door wanhoop dan door rede bereikte Gurd uiteindelijk de bovenste rand van de kloof waar hij in het maanlicht de gebogen hoorns van Achilles zag die op hem stond te wachten. Hoe kan een beest met zo'n berg botten op z'n hoofd zulke capriolen uithalen, dacht hij in een flits. Hij deed een paar stappen, liet zich door z'n poten zakken en bleef een ogenblik met zijn rug naar de kloof gericht liggen. Ik heb het gehaald, dacht hij, hoe is het mogelijk. Toen hoorde hij onder zich de geluiden van de andere wolven die aan het springen waren. Einde van mijn gezin, dacht hij. Geen van hen beschikte over de kracht die hij in zijn achterpoten had. Krankzinnige onderneming. Helemaal voor Loeban die nog steeds niet helemaal hersteld was van de opdoffer van Achilles. Z'n prachtige zoon. Hij zou die verdomde steenbok uit wraak opeten en teruggaan. Teruggaan - hij moest er niet aan denken. Hij luisterde of hij het angstige gepiep hoorde van een van zijn kinderen in doodsnood of de smak van een wolf honderden meters dieper en durfde niet te kijken.
- “Makkie, zei je toch?”
Het was Lasja. Toen hij zich omdraaide zag hij hij ze bij elkaar aan de rand staan, alle vier. Gurd snikte, warempel, hij snikte onhoorbaar van blijdschap. Toen vermande hij zich.
- “Verder maar weer.”
Achilles vervolgde zijn weg over de kam met de wolven in zijn kielzog. De opkomende zon tekende zich als een rode gloed aan de oostelijke hemel af. Wie het merkwaardige gezelschap van een steenbok met zijn gekrulde hoorns en vijf wolven achter elkaar op een lijn over de roodoplichtende kam had zien lopen, had zijn ogen niet geloofd.
Gurd kwam naast Achilles.
- “Het wordt licht. We moeten aan vogels denken. Als die ons zien, staat er straks een ontvangstcomité klaar.”
- “Je bent hier in het hooggebergte in een andere wereld, Gurd,” zei Achilles terwijl ze naast elkaar voortdraafden. “Wie hier woont wil vrij zijn. Hier vind je naast ons, steenbokken, alleen steenarenden en gemzen, op een verdwaalde vos en een paar sneeuwhazen of zo na.”
Ze gingen zwijgend naast elkaar voort, soms springend, soms dravend. De kam begon weer wat te stijgen. Recht voor hen uit toornde een nieuwe piek omhoog. Het klauteren zou gauw weer beginnen. Van hier af konden ze het hele Paktargebergte overzien dat zich als een kwartcirkel uitstrekte. Links, in het Westen, lagen de besneeuwde toppen van de Hoge Paktar en de Magar. Rechts strekte het bergland zich tot diep in het oosten en zuiden uit met een aantal evenzeer besneeuwde, maar naamloze toppen tot aan de Maluk, die als tegenhanger van de Hoge Paktar het gebergte in het zuiden afsloot.
- “Krijgen we nog veel van dat soort zigzag-klimpartijen?,” vroeg Gurd.
- “Ik zal proberen ze te vermijden,“ zei Achilles. “Met die van daarnet was dat onmogelijk.”
Naarmate de zon steeg kregen ze steeds meer in de gaten dat zich in het zuidoosten een merkwaardig natuurverschijnsel aftekende. De hemel die op deze morgen opvallend helder was, was daar juist betrokken maar de depressie die zich daar bevond leek zijn oorsprong niet in de dampkring te vinden, maar ergens achter de horizon op aarde. De wolk bleef daardoor tamelijk laag en had de vorm aangenomen van een uitgerekte driehoek waarvan de top naar de Magarpas wees, die ze in westelijke richting zagen liggen.
- “Wat is dat?,” vroeg Malin, “ik voel helemaal geen regen aankomen.”
- “Dat weet ik ook niet,” zei Achilles, “het is er nog niet zo lang. Het hangt daar, maar er komt geen regen of sneeuw uit.”

Ze klommen die dag over een aantal pieken. Gurd wist niet hoeveel het er waren omdat hij vaak niet kon zien waar een piek ophield en een volgende begon. Achilles leidde ze onder de toppen door, over rotsformaties die schitterden in het zonlicht, langs kloven waar hij misschien zelf met zijn raadselachtige klautervaardigheden overheen gesprongen zou zijn, door uitgestrekte gebieden met alleen maar rotsen en puin waar geen vlak stukje te bekennen viel en bijna elke stap neerkwam op een gepunte steen die pijn deed aan de voetzolen van de wolven. “Voorzichtig,” riep Gurd dan naar de anderen, bang als hij was dat een poot of voetkussen zodanig geblesseerd zou raken dat ze niet meer verder zouden kunnen. Wat zouden ze moeten beginnen met een gewonde wolf in een gebied als dit waar bijna niets te eten was en alleen sneeuw om de ergste dorst te lessen? Maar terwijl hij dat zei slaakte hijzelf een kreet omdat zijn voorpoot verkeerd neerkwam. Gelukkig viel het mee. Ze zagen af en toe het silhouet van een vogel in de lucht. Arenden met een spanwijdte groter dan zij waren en die geluidloos voorbijgleden en af en toe een bijna lome, majesteuze slag deden met hun enorme vleugels met de kenmerkende witte vlakken die uitmondden in een stuk of zes op vingers lijkende vleugelpennen, hun goudkleurige kop uitgestoken en spiedend om zich heenkijkend, die ergens achter een rotsblok neerstreken en in het passeren een “wajah, wajah” lieten klinken dat tegen de rotsen weerkaatste, een begroeting van Achilles misschien of een waarschuwing dat er wolven in de buurt waren. Loeban zag de grote gekromde snavel en de klauwen die uit de gebroekte poten staken en hoopte dat hij nooit tegenover zo'n vogel zou komen te staan.

Ze zagen een enkele haas wegvluchten en in de verte, op een besneeuwde helling, een gems die op zijn achterste naar beneden gleed. Achilles had zijn vrienden uit het hooggebergte willen ontzien toen hij zei dat er niets te eten was, al wist Gurd nog niet zo gauw hoe hij op dit terrein een gems moest vangen. Ze leken met speels gemak de puinstroken te nemen waar hij alleen voetje voor voetje overheen kon komen en hij kon zich evenmin sleeénd op zo'n sneeuwhelling achter een gems voorstellen. Al hoewel, waarom niet? Hij kon net als zij op zijn achterste gaan zitten en de rest ging vanzelf. Maar hoe moest je stoppen als zo'n gems halverwege de helling opeens een andere kant uitsprong, zoals hij ze had zien doen? Hij zag zichzelf al happend naar zijn links- of rechtsafslaande eten in een wolk van stuifsneeuw rechtdoor gaan, wanhopig pogend met zijn uitgestrekte poten te remmen en ergens onderaan tegen een rotsblok tot stilstand komen. Hij zag ook nog wat klein grut, zoals een enkele rondscharrelende marmot die pijlsnel in een hol verdween toen hij het gezelschap hoorde naderen en een kip-achtige witte sneeuwhoen die ook opeens verdwenen was, waarschijnlijk omdat hij zich plat tegen de grond had gedrukt, erop vertrouwend dat zijn kleur hem tussen de sneeuw onzichtbaar zou maken. Dat moest te doen zijn, meende Gurd. Het was geen overvloed, maar ze hoefden niet van honger om te komen, al was het onderwerp eten voorlopig taboe om Achilles niet te frustreren.

De zon ging onder. De merkwaardige wolk hing nog steeds op dezelfde plaats aan de oostelijke hemel. Gurd vond het welletjes. Ze hadden nu al een paar dagen nagenoeg onafgebroken gelopen en hij wist dat de grootste kans op kwetsuren ontstond als wolven moe waren, en dat waren ze zeker. Zelfs Achilles, die zoals alle steenbokken pas tegen de schemering actief werd, vertoonde tekenen van vermoeidheid. Ze vonden een slaapplaats onder een overhellende rotsplaat in de nabijheid van enige begroeiing die Achilles de gelegenheid bood te eten. De wolven keken hem hongerig na. Hoe goed ze ook zonder eten konden, de voor hen ongebruikelijke klauterpartijen van die dag hadden veel van hun energie gevraagd.
- “Lekker gegeten?,” vroeg Lasja met een valse glimlach toen Achilles terugkeerde. “Zorg maar dat je lekker vet blijft. Wij lijden wel honger.”
Gurd keek hem bestraffend aan.
- “Goed genoeg om een paar brutale wolven op de hoorns te nemen,” zei Achilles.
- “Zou je het erg vinden als ik morgen vast aan je staartje begon?,” vroeg Loeban,“het ding wappert de hele tijd voor m'n neus. Net alsof iemand me een tractatie voorhoudt. En jij mist een paar centimeter toch niet.”
- “Doet je flankje nog zeer?,” vroeg Achilles.
- “Waar kennen jullie Alberon van?,” vroeg Gurd, die het gesprek een wending wilde geven.
Achilles ging liggen, een beetje bij Lasja en Loeban vandaan.
- “De vrouwtjes, weet je. Wij heten al eeuwenlang steenbokken, maar nog niet zolang geleden kregen de vrouwtjes daar opeens problemen mee. Want hoe heetten zij nou eigenlijk? Waren zij steengeiten of steenbokgeiten? Zij konden geen steengeiten zijn, want dan leken zij familie van een steen en dat wilden ze natuurlijk niet. Zij wilden ook geen steenbokgeiten zijn. Hoe zouden wij het vinden als wij steengeitbok werden genoemd. Of als een wolf opeens wolvinwolf heette? Nou, net zo min als wij het leuk zouden vinden in onze naamgeving als de bijwagen van onze vrouwtjes te worden afgeschilderd, wilden zij dat het omgekeerde met hen gebeurde. Ze voelden zich miskend en waren bereid dat hoog op te nemen. Heel hoog. Zonder een bevredigende regeling dreigde er een kinderloos tijdperk aan te komen. We probeerden van alles: steengokken, steenbeiten, maar niets was aanvaardbaar. Er was geen oplossing voor het probleem. Toen kwam Alberon langs. Wij kenden hem niet, maar om de een of andere reden vertrouwden wij hem en daarom legden wij hem ons dilemma voor. Hij dacht even na en zei toen dat hij misschien een oplossing wist. Wij hadden nog een naam, vertelde hij: Capra ibex. Als wij nu eens Ibex gingen heten, dan was het probleem uit de wereld. Als iemand het nodig vond ons geslacht aan te duiden, noemde hij ons Ibexbok of Ibexgeit, niet eens lelijk en in elk geval gelijkwaardig. Natuurlijk waren wij hem erg dankbaar, te meer omdat onze vrouwtjes er erg mee verguld waren. Het gevaar van een kinderloos seizoen was afgewend. Alleen begon daarmee voor mij een drukke tijd omdat ik moest afrekenen met al die onderkruipers die ook al die tijd hadden staan wachten. Je probeert tenslotte je kinderschaar een beetje zuiver te houden. En niets is erger dan onder het hoongelach van die onderkruipers in juni je kroost te aanschouwen dat de rare neus vertoont van Hector of de rode vacht van Paris of hoe ze allemaal mogen heten. Verschrikkelijk.”
Achilles keek enige ogenblikken verdrietig peinzend voor zich uit, zich afvragend hoe zijn volgende kinderoogst eruit zou gaan zien. Wat hij zojuist had omschreven als het ergste dat hem kon overkomen, stond hem in het komende jaar te wachten nu hij uitgerekend in dit seizoen met de wolven op stap was.
Malin begreep waar hij aan dacht en kreeg medelijden met hem.
- “Maar die vrouwtjes, die doen het toch niet zomaar met iedereen? Ik bedoel eh... ze willen toch alleen de slimste en sterkste en dat ben jij toch, helemaal nu je ook nog eens de enige steenbok bent die wolven heeft verdreven?,” vroeg ze. Achilles keek haar aan en schudde zijn kop.
- “Zou je denken? Kan hun wat schelen. Ze staan gewoon te grazen en ze blijven grazen, wie er ook komt. Ze doen alleen hun staart even opzij.”

Ze waren de volgende morgen verder gegaan. Het was ijzig koud op deze hoogte. De hemel was bedekt met een wolkenklaag die hun gelukkig bevrijdde van het zicht op de deprimerende donkere wolk. Ze beklommen de hellingen van de Eisen die samen met de Magar de doorgang naar het dal van de Drent en de Tingvlakte bewaakten. Achilles leidde ze om de grootste obstakels heen. Hij had een dag eerder gezien wat de wolven wel en niet konden en in zijn gedachten een route uitgezet die kloven en puinvelden vermeed. Eigenlijk was de kloof die ze gisteren passeerden de voornaamste hindernis geweest, zo legde hij aan Gurd uit, tenzij het weer omsloeg. Dan kon het op deze pas nog erger te keer gaan dan op de Magar, vooral als de wind uit het westen of noorden kwam. Tegen oostelijke winden bood de Eisen zelf beschutting. Op de Magar was het precies omgekeerd. Maar met het gesloten wolkendek hoefden ze volgens de steenbok niet op korte termijn voor een weersomslag te vrezen. Halverwege de middag hield Achilles in.
- “Ik ga naar huis terug,” zei hij. “Vanaf hier is de route eenvoudig. Jullie hebben mij niet meer nodig als gids. Een paar kilometer verderop ben je weer terug in het bos. Daar heeft het niet gesneeuwd en kunnen jullie makkelijk een weg naar beneden vinden.”
- “Misdragen de onderkruipers zich?,” vroeg Malin.
Achilles keek ongelukkig.
- “Ik heb in elk geval genoeg te doen thuis,” zei hij.
Ze namen hartelijk afscheid van de steenbok die zich vervolgens omdraaide wegtrippelde. Nog een keer hield hij stil en keek om als een saluut aan de wolven die nog steeds bij elkaar stonden en hem nakeken tot hij achter de bergwand was verdwenen.

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Over dit verhaal

Dit is een fragment uit Catena, een fantasy epos dat deels verloren is gegaan. Het speelt zich af in een Midden-Europees gebergte. Gebeurtenissen en karakters zijn gedeeltelijk gebaseerd op oude sagen en legendes. Het epos beschrijft openhartig de lotgevallen van mensen, wolven, Dwergen, Kobolden, Elfen, heksen, tovenaars, weerwolven, spechten, valken, adelaars en nog veel meer die verwikkeld zijn in de aloude strijd tussen goed en kwaad.



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken