Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

De bollen op hol

Tulpencrisis en hyacintenmanie
Het zijn niet de mooiste verhalen uit onze nationale historie: de tulpencrisis en de hyacintenmanie. Zij beschrijven twee opvolgende periodes van nationale gekte die als een soort double dip de zeventiende en achttiende eeuw teisterden. Ook in het buitenland wekten ze verbazing. De tulpencrisis is daar bekender dan de Slag bij Nieuwpoort, om maar iets te noemen. Met de Wall Street beurskrach van 1929, zwarte maandag uit 1987, de Aziëcrisis van 1997, de internetbulb van 2000 en de bankencrisis van 2008 hoort ons voorbeeld van losgeslagenheid uit 1637 thuis in het rijtje van grote financiële débacles. Net als tijdens de bankencrisis met zijn onduidelijke financiële producten wisten de betrokkenen niet waar ze mee bezig waren, maar graaiden wat ze konden. En net als tijdens de recente economische crises was overheidsingrijpen noodzakelijk om de gevolgen te beperken. Alleen was de overheid van toen sneller en ging zelfs een stap verder door bijvoorbeeld incassobureaus het invorderen te beletten.

Tulp en hyacint komen oorspronkelijk uit het Turkse achterland en belandden van daar in de hoftuinen van Suleiman de Grote die het Ottomaanse Rijk tot aan de poorten van Wenen had uitgebreid. Daar werden de prachtige bloemen opgemerkt door de gezant van Ferdinand van Oostenrijk aan het Ottomaanse hof, de Vlaming Ogier Gisleen van Busbeke. Van Busbeke was behalve diplomaat ook wetenschapper en een studievriend van Carolus Clusius. In 1593 stuurde hij een paar tulpen naar Clusius die toen praefectus horti was van de Hortus van de nieuwe Leidse universiteit. Clusius raakte over de bloem zo enthousiast dat hij op zijn beurt bollen en zaden van de tulp naar zijn vrienden stuurde, onbewust van de rage die de bloem zou ontketenen.

Mooi maar doodziek

De tulp sloeg aan in de Lage Landen, zelfs zozeer dat men zich niet ontzag over de beschoeiing van Clusius' Leidse Hortus te klimmen om de tulpen uit zijn tuin te stelen. Het meest in de smaak vielen tulpen met rood en paars gevlamde kelkbladen. Deze waren een statusobject bij uitstek en daarom het duurst. Helaas waren de vlammen geen genetische – dus erfelijke - eigenschap maar het gevolg van besmetting door het mozaíekvirus dat de rood-, blauw- en paars-pigmentatie van de kelkbladen nogal decoratief afbrak en de bloemen ook nog eens verzwakte. Maar dat wist men in de zeventiende eeuw nog niet. Wel verbaasde men zich erover dat het begeerde dessin niet van ouder op kind kon worden overgedragen zoals bij bollen gebruikelijk is.

De bollen op hol

Hoe de tulpencrisis zich zo snel kon ontwikkelen is nog steeds ietwat raadselachtig. Het is te makkelijk om het een voorloper van een moderne hype te noemen of de renaissance van het vrije ondernemerschap na de Spaanse overheersing. Misschien was de nieuwe welvaart van de Gouden Eeuw ons naar het hoofd gestegen. In sommige Hollandse steden heerste de pest die de mensen wat loszinniger had gemaakt en misschien wat ontvankelijker voor het speculatiekarakter van de tulpencrisis.

Feit is dat de tulpencrisis nooit zou zijn losgebroken als de tulp niet toevallig een bolbloem was geweest, net als de hyacint. Een bol bewaart zijn eigen voedselvoorraad onder een schutblad dat hem tegen weer en wind beschermt. Het moet raar lopen als een bol geen bloemen geeft, pakweg een half jaar nadat hij is geplant, zelfs als de kweker eigenlijk vleeschhouwer is en de ballen verstand van bloembollen heeft. De handige natuurlijke verpakking van tulp en hyacint en de flinke kans op een bloem – een soort vaasgarantie avant la lettre - werkte de speculatie in de hand.

Ook een feit is dat dames aan het Franse hof, het meest mondaine van Europa en catwalk voor de internationale beau monde van toen, dol waren op de Nederlandse tulpen die ze koket uit hun decolleté lieten zwieren. Ze betaalden grif een paar honderd gulden voor een bloem die hun boezem op het volgende bal masqué met een uniek en passie-opwekkend vlammend kleurpatroon kon sieren. Misschien was het deze prikkelende connotatie die in het puriteinse vaderland de hoofden op hol bracht. In elk geval werd de tulp modebloem. Een dure, weliswaar, maar de grote voorspoed had genoeg rijken gebracht die zich wel wat konden permitteren.

Promessenhandel

Nog sneller dan de omvang van de handel steeg de prijs. Het kon niet uitblijven dat de geweldige winsten van deze teelt avonturiers aantrokken. Deze werden ook gelokt door de makkelijke manier waarop de handel zich voltrok. Door het gehaaste karakter van de markt wachtten koper en verkoper niet tot de bollen geoogst waren, maar deden zaken terwijl de bollen nog in de grond zaten en betaalden elkaar door middel van promessen. In zo'n promesse beloofde de koper afname en betaling van de bollen zodra deze zouden zijn geoogst. De koper op zijn beurt kwam hetzelfde over met zijn koper. Zo financierden de kopers elkaar. Deze werkwijze maakte het mogelijk dat lieden zonder contanten aan de tulpenhandel konden deelnemen.

De hebzucht sloeg toe. Wevers, ketellappers, keukenmeiden, schoorsteenvegers, iedereen verkocht have en goed en ging in tulpen. Sommigen plantten wat bollen in een tuintje en wierpen zich op als kwekers, anderen gingen in de tussenhandel en noemden zichzelf “floristen”. Allerlei figuren waren opeens rijk of meenden dat te zijn. Mensen kochten en verkochten bloembollen door voor steeds hogere prijzen. Zo verhandelde een kweker een Gheel ende Root van Leyden voor 45 gulden aan iemand die de bol even later voor 550 gulden doorverkocht. Gouda kostte 20 gulden maar verwisselde direct voor 225 gulden van hand. De prijs van Ghele Croonen steeg in een maand van 21 gulden tot meer dan 1000 gulden, Witte Croonen gingen van 125 gulden naar 3600 gulden. De top werd bereikt met 6700 gulden voor een Semper Augustus met de juiste rode vlammen, hoewel doodziek van het mozaïekvirus.

Niemand wilde bollen hebben, maar ze wel verkopen

Dat kon niet goed gaan. De handel was een dolle kermis van haastige vodjes papier met irreële prijzen geworden. Door de toeloop van gelegenheidskwekers was er een overschot van bollen ontstaan waardoor er geen enkele economisch rechtvaardiging voor de hoge prijzen meer was. Iedereen kocht alleen bollen om ze met exorbitante winst door te verkopen, niet om zelf bollen te bezitten. Daarvoor waren ze veel te duur. De grote angst van de kopers was dat ze hun bollen niet kwijt zouden raken. Dat legde over de hele markt een nerveuze spanning die toenam naarmate de prijzen verder uit de hand liepen. Zolang elke koper aan zijn verplichtingen kon voldoen, ging het nog, maar zodra er eentje in gebreke bleef, zakte de hele zaak als een kaartenhuis in elkaar. Dat gebeurde op 3 februari 1637. De prijzen kelderden nog sneller dan ze waren gestegen. Veel handelaren bleven zitten met peperdure tulpenbollen die ze bij gebrek aan doorverkoop niet konden betalen.

Overheid grijpt in

Er volgden hartverscheurende taferelen. Handelaren riepen dat ze geruïneerd waren. De contracten en promessen werden koortsachtig onderzocht om te zien of de kopers er nog onderuit konden. Er dreigde een golf van faillissementen. Uiteindelijk werd de hulp van de overheid ingeroepen die eerst bepaalde dat de kopers in elk geval 10% van de vordering moesten betalen en die, toen zelfs dat nog te hoog bleek, dit percentage verlaagde tot 3,5%. De gemeente Haarlem vaardigde een moratorium uit dat notarissen en procureurs verbood incassodruk uit te oefenen. Met deze maatregelen kregen de kwekers over het algemeen hun geld en kwamen de speculanten met de schrik vrij, maar zonder hun te makkelijk verworven nieuwe welstand. Velen namen hun oude beroep weer op. Zo beperkte de overheid de economische gevolgen van de tulpencrisis. Niettemin was de morele schok groot in het thuisland van de reformatie waar gewoon doen al gek genoeg werd gevonden.
Kleurrijk festoen geschilderd door Jan Davidsz. de Heem met kleurige bloemen zoals anjers en tulpen en fruit zoals druiven. Ook na de beëindiging van de tulpencrisis bleven tulpenbollen duur. Het was vaak goedkoper een bloemstilleven te laten schilderen dan tulpen te kopen. Dat verklaart de opkomst van dit genre in de zeventiende eeuw. Een van de schilders die zich hierin had gespecialiseerd was Jan Davidsz. de Heem (Utrecht 1606 - Antwerpen 1684). Hij maakte weelderige en virtuoze stillevens zoals dit Festoen met bloemen en fruit (fragment) uit 1660. Het hangt in het Staatliches Museum, Schwerin (Duitsland).

Nieuwe gekte: hyacinten

Hadden we er iets van geleerd? Welnee. Binnen een eeuw gaven we ons over aan een nieuwe gekte, nu met hyacinten. Deze bloem belandde eveneens in de collectie van Suleiman de Grote te Constantinopel en vond dezelfde weg naar onze streken via het bekende intermediair van Ogier Gisleen van Busbeke. Evenals de tulp is de hyacint een bolbloem. En evenals het geval was bij de tulp speelden Franse dames, althans een van hen, een hoofdrol.

Daarmee houdt de gelijkenis op. De periode tussen 1700 en 1740 was een saaie, rimpelloze tijd waarin niets gebeurde. Er was een zekere welvaart; de overwegend burgerlijke bevolking had het redelijk goed. Maar in de bollenwereld vonden ongehoorde veranderingen plaats. De tulp verloor zijn leidende rol van modebloem aan de hyacint die daarop flink in prijs steeg. Dat trok speculanten aan die hun bedoeninkje eraan gaven en in hyacinten gingen. Daar waren destijds onbesproken lieden als een deurwaarder en een makelaar bij. De prijzen die omstreeks het hoogtepunt in 1734 werden genoteerd waren niet zo extreem als bij de tulpen, maar mochten er toch ook zijn. Een bol Passé non plus ultra kostte 1600 gulden. Gloria mundi ging voor 500 tot 800 gulden per stuk. Toen gebeurde er iets met de prijzen. Een Staaten Generaal die in 1734 nog 210 gulden moest opbrengen, kostte vijf jaar later nog maar 20 gulden. Een Miroir, goed voor 141 gulden in 1734, kostte in 1739 nog maar een tientje.

Après nous le déluge

Dat laat een forse prijsval zien. Toch was ook de gevallen prijs, ontdaan van zijn klatergoud, voor de kweker nog steeds prima. De markt was ingezakt maar niet verdwenen. De hyacint zou gedurende de gehele achttiende eeuw de modebloem blijven, voor de tulp. Daaraan droeg ongetwijfeld ook de belangstelling van Madame de Pompadour bij. Deze beroemde maitresse van de Franse koning Louis XV, bekend door haar uitspraak “Après nous le déluge!” (“Na ons de zondvloed”), zorgde ervoor dat de tuinen van Versailles met hyacinten werden verfraaid. De Franse adel, als immer opziend naar zijn grote voorbeelden, kon niet achterblijven. De chateaus langs de Loire hadden hyacinten nodig en dat had een geweldige impuls in de verkopen van vooral Nederlandse hyacinten tot gevolg. Maar dat gebeurde in 1745, tien jaar na de hyacintenmanie.

© 2011

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Dit artikel is in gewijzigde vorm gepubliceerd in een studieboek over marketing voor kleine ondernemingen, uitgegeven door Studiewereld Laudius.

Afbeelding van een Viceroy in een tulpencatalogus uit 1637. Linksonder staat het gewicht van de bol vermeld: "De Bol Gewooge 410 Aas". De aas was een gewichtseenheid die door de bollenhandel werd gehanteerd. Rechtsonder staan de richtprijzen: "Verkogt ƒ 3000-4200".


Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken