Logo Rob Hordijk tekstschrijver
MENU

Todden en teuten

Ze leven in onze taal voort in weinig vleiende uitdrukkingen als “lompen en todden” en “sta niet zo te teuten” en nog een heleboel meer, maar worden daarmee onrecht aangedaan. Todden en teuten spelen een belangrijke rol in onze economische historie, vooral op het gebied van de textiel. Zonder todden en teuten zouden in ons land geen grote ketens als V&D, C&A, Peek & Cloppenburg, Lampe, Voss en Unilever hebben bestaan, waarvan een aantal het tot deze tijd heeft volgehouden.

Marskramers

De verre voorlopers van de mode- en mode-accessoireswinkels waren de marskramers die met garen, band, knopen, stoffen en andere fournituren lang de deuren gingen. Marksramers waren reizende – eigenlijk wandelende – kooplieden die hun koopwaar in een “mars” - een korf - op hun rug droegen en daarmee vooral het platteland afgingen. We komen hen voor het eerst tegen in geschriften uit de 13de eeuw. Pas aan het begin van de 20ste eeuw zijn de laatste marskramers verdwenen. Ze hebben dus acht eeuwen lang een rol gespeeld in de distributie van allerhande koopwaar. Tegen het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog is de urbanisatie zover voortgeschreden en zijn de vervoersmogelijkheden zo zeer verbeterd dat er voor marskramers - die het in de nadagen van hun bestaan vooral van geisoleerde boeren moeten hebben - geen emplooi meer is.

Wanderkramers

Todden en teuten waren marskramers maar onderscheidden zich van deze door hun achtergrond en georganiseerdheid. De todden kwamen uit de omgeving van de Westfaalse dorpen Hopsten, Recke en Mettingen, gelegen nabij Osnabrück en Münster op zo'n 50-60 km van de grens met Nederland. In dit gebied werd vlas verbouwd waarvan een uitstekende kwaliteit linnen werd geweven. Dit linnen was een begeerde stof in Nederland. Al gauw ontdekten de Westfalers dat het aanzienlijk lucratiever was om hun linnen over de grens te verkopen dan op de plaatselijke markt. Daarom gingen zij als Wanderkramer op pad en verkochten in het voorjaar de stof die ze in de winter van de oogst van de voorgaande zomer hadden geweven.

Eigen taal

De handel kwam na de Vrede van Münster in 1648 op gang en ontwikkelde zich snel en gunstig, zelfs zo gunstig dat de todden zich organiseerden om hun belangen zo goed mogelijk te kunnen waarnemen en in stand houden. Zij verdeelden onderling het handelsgebied in wat wij nu rayons zouden noemen. Nieuwe todden werden streng geballoteerd. Onderling hanteerden zij zelfs een eigen taal die echter grotendeels verloren is gegaan. Naarmate het een tod meer voor de wind ging, nam hij pakkendragers in dienst die als een soort commissionair zijn handel uitventten. Op het hoogtepunt van de toddenhandel, zo rond het midden van de achttiende eeuw, waren er wel 30.000 mensen bij betrokken.

Zwart/wit foto van een tod op een stoel met zijn mand voor zich. De boerin staat in de deuropening. Ergens in Groningen omstreeks 1900: een tod of “kiepkerl” verkoopt huisraad aan een boerin. Op de voorgrond de biezen mand met zijn handelsvoorraad die hij lopend op zijn rug draagt. Onderin zitten een paar levende kippen.

Teuten

Bewerkten de todden het Nederlandse platteland vanuit het oosten, de teuten kwamen uit de Belgische Kempen in het zuiden. Zij waren karrenvoerders geweest tussen de haven van Antwerpen en het achterland totdat de Schelde in 1572 door de Spanjaarden werd geblokkeerd. Ze moesten dus wat anders verzinnen. Dankzij hun betrokkenheid bij de handel werden de teuten al snel handige zakenlui. Zij verdienden de kost als lakenverkopers, ketelboeren en koperslagers en oefenden hun handel uit als marskramers. Net als de todden pasten zij een hechte organisatievorm toe. Zij verenigden zich in compagniën en trokken vaak gezamenlijk op weg. Ook zij beschikten over een eigen taal. Doordat het hun net als de todden naar den vleze ging, waren zij in staat hun klanten op krediet te leveren wat hun een voorsprong bood op andere marskramers. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte een eind aan hun activiteiten.

Terug naar huis

Todden en teuten hadden de gewoonte telkens weer naar hun geboortgrond en -dorp terug te keren en namen een deel van hun welstand met zich mee die aan de plaatselijke economie ten goede kwam. In de feestelijkheden rond hun thuiskomst weerspiegelde zich het succes dat ze hadden gehad. Bovendien waren ze niet te beroerd om een onfortuinlijke dorpeling een milde handreiking te doen. In Nederland richtten zij vaak steunpunten op van waaruit zij hun handel verder ontwikkelden. De Mettingense todden Clemens en August Brenninkmeier deden dat bijvoorbeeld in Sneek, Bernhard Voss opende in 1797 een manufacturenzaak in Bolsward, Benedictus Lampe uit Mettingen vestigde zich in 1834 met een stoffenhandel in Sneek en Bernard Vroom uit Ibbenbüren begon in Veendam.

Winkel van Sinkel

Misschien de meest vooruitstrevende van dit stel was August Sinkel uit Cloppenburg die in 1822 op de Amsterdamse Nieuwendijk een manufacturenzaak begon, maar in 1839 aan de Utrechtse Oudegracht de Winkel van Sinkel in gebruik nam. Dat was het eerste warenhuis van ons land en een van de eerste ter wereld. Le Bon Marché in Parijs had amper twee jaar eerder zijn deuren geopend en in Amsterdam moesten ze nog 68 jaar wachten totdat de Bijenkorf zijn intrek aan het Damrak zou nemen. Sinkel introduceerde niet alleen een nieuw type winkel, maar brak ook met de toddentraditie om steeds naar het geboortedorp terug te keren.

Unilever

Maar hoe succesvol deze todden en teuten ook waren, ze konden toch niet tippen aan het zakelijk vernuft van de Jurgens uit het Limburgse Nieuwenhagen. Deze waren als Teuten groot geworden in de boterhandel toen in 1869 margarine werd ontdekt. Antoon Jurgens onderkende het gevaar voor zijn handel en begon in Oss de eerste margarinefabriek. Deze fuseerde later met de eveneens in Oss gevestigde margarinefabriek van Samuel van den Bergh tot de Margarine Unie. In 1929 volgde een fusie met de Britse zeepfabrikant Lever Brothers, producent van o.m. Sunlight-zeep, tot Unilever. Beide fusiepartners maakten gebruik van dezelfde grondstoffen (olie en dierlijk vet) en bedienden dezelfde distributiekanalen. Unilever is inmiddels een concern met vestigingen in meer dan 100 landen, ruim 175.000 werknemers en een omzet van een slordige € 40 miljard.

© 2011

Geef je commentaar

  

Free lance
tekst­schrijver

portret free lance tekstschrijver
Ik ben Rob Hordijk. Mijn leven lang schrijf ik fictie en non-fictie boeken, zakelijke tekst, levensverhalen, artikelen, blogs, columns, verhalen. Soms voor mijzelf, meestal voor anderen.
Loop je vast? Kom je er niet uit? Tekstschrijver nodig? Neem contact op.

Dit artikel is in gewijzigde vorm gepubliceerd in een studieboek over marketing voor kleine ondernemingen, uitgegeven door Studiewereld Laudius.

De Britse hoeren

August Sinkel was al een succesvol zakenman toen hij aan de Oudegracht in de historische binnenstad van Utrecht een door architect Pieter Adams (1778-1846) ontworpen neo-classicistische pand voor zijn Winkel van Sinkel liet bouwen. Opvallend gevelelementen waren vier grote en vier kleinere “kariatiden” - beelden van vrouwen in Griekse gewaden - vervaardigd uit gietijzer. Deze kwamen uit Engeland en werden in de volksmond al gauw de “Britse hoeren” genoemd, vooral omdat een daarvan de hijskraan had doen omslaan die daarop met beeld en al in het water van de Oudegracht was beland. Na Sinkels dood in 1848 werd zijn warenhuis tot het einde van de eeuw in stand gehouden. Tegenwoordig is de Winkel van Sinkel een “cultureel-culinair warenhuis” dat bestaat uit onder meer een Grandcafé, nachtrestaurant en nachtwinkel. (Foto: Arnold Rog)



Cartoon van een allround tekstschrijver die teksten schrijft die werken